Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4150

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
20-003451-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003451-17

Uitspraak : 31 augustus 2020

VERSTEK (DIP)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-194565-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het Openbaar Ministerie terzake van vernieling (feit 1) niet-ontvankelijk in de strafvervolging verklaard (feit 1) en de verdachte terzake van mishandeling (feit 2) en poging tot zware mishandeling (feit 3 primair) vrijgesproken. De verdachte is terzake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 3 subsidiair) en belaging (feit 4) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 3 jaren, en met oplegging als bijzondere voorwaarden een contactverbod en een locatieverbod. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/ benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

De raadsman heeft te kennen gegeven dat de verdachte zijn grieven tegen het beroepen vonnis niet langer handhaaft en derhalve geen belang meer heeft bij een behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd – zo begrijpt het hof – dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en naast de immateriële schade tevens de gevorderde medische kosten, reiskosten, kosten voor de aanschaf van het camerasysteem en proceskosten zal toewijzen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Feit 1

De officier van justitie is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot niet-ontvankelijkheid. Nu de verdediging te kennen heeft gegeven dat de grieven tegen het vonnis niet worden gehandhaafd en er zodoende dus geen bezwaren zijn tegen deze beslissing, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen gericht is.

Feit 2

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen onder 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Feiten 3 en 4

Op grond van artikel 453 van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 454 van het Wetboek van Strafvordering kan de intrekking van een rechtsmiddel uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep geschieden door een verklaring af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit betekent dat de genoemde verklaring moet zijn afgelegd vóórdat de zaak is uitgeroepen.

Eerst nadat de zaak op de terechtzitting van 17 augustus 2020 was uitgeroepen, heeft de raadsman medegedeeld dat de verdachte zich neerlegt bij het vonnis in eerste aanleg en zijn grieven hiertegen niet langer wenst te handhaven. Deze ‘intrekking’ is formeel te laat nu dit gebeurd is na het uitroepen van de zaak. Het openbaar ministerie heeft kenbaar gemaakt dat, ondanks dat van de zijde van het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld, de zaak inhoudelijk behandeld dient te worden.

Ingevolge artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan de appelrechter in het geval de verdachte zijn grieven tegen het vonnis niet handhaaft het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk verklaren. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van de appelrechter om, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, ondanks intrekking van bezwaren toch onderzoek te verrichten.

Het hof acht in de onderhavige zaak voldoende redenen en rechtens te respecteren belangen aanwezig om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de door benadeelde partij aangevoerde argumenten aangaande de ingestelde en in hoger beroep gehandhaafde vordering die in eerste aanleg slechts ten dele is toegewezen en op de kenbaar gemaakte wens tot het gebruikmaken van het spreekrecht door het slachtoffer. Op grond van het voorgaande heeft het hof besloten de onderhavige strafzaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk te behandelen en aldus geen toepassing te geven aan artikel 416 lid 2 van Wetboek van Strafvordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

3.
hij op of omstreeks 8 november 2013 te Meijel, gemeente Peel en Maas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer/ benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto, flink gas gevend, achteruit in de richting van voornoemde [slachtoffer/ benadeelde partij] heeft gereden, zulks op het moment dat die [slachtoffer/ benadeelde partij] als voetganger bezig was met een weg over te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 8 november 2013 te Meijel, gemeente Peel en Maas, [slachtoffer/ benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto, flink gas gevend, achteruit in de richting van voornoemde [slachtoffer/ benadeelde partij] gereden, zulks op het moment dat die [slachtoffer/ benadeelde partij] als voetganger bezig was met een weg over te steken, althans handelingen van gelijke dreigende aard of strekking;

4.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 april 2016 te Meijel, gemeente Peel en Maas, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer/ benadeelde partij] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer/ benadeelde partij] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer/ benadeelde partij] meermalen gevolgd en/of

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer/ benadeelde partij] gelopen en/of (stapvoets) gereden en/of

- allerlei dingen of cadeaus aan de deur van die [slachtoffer/ benadeelde partij] bezorgd en/of

- zich meermalen in/of bij de school van de dochter van die [slachtoffer/ benadeelde partij] opgehouden en/of ongevraagd de kinderen van die [slachtoffer/ benadeelde partij] opgehaald van school en/of

- meermalen die [slachtoffer/ benadeelde partij] uitgescholden en/of

- meermalen telefonisch (per SMS- en/of voicemailbericht) met die [slachtoffer/ benadeelde partij] contact opgenomen en/of

- meermalen per e-mail contact opgenomen met de echtgenoot van die [slachtoffer/ benadeelde partij] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiele vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

3. subsidiair
hij omstreeks 8 november 2013 te Meijel, gemeente Peel en Maas, [slachtoffer/ benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto, flink gas gevend, achteruit in de richting van voornoemde [slachtoffer/ benadeelde partij] gereden, zulks op het moment dat die [slachtoffer/ benadeelde partij] als voetganger bezig was met een weg over te steken;

4.
hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 april 2016 te Meijel, gemeente Peel en Maas, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer/ benadeelde partij] , met het oogmerk die [slachtoffer/ benadeelde partij] , te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer/ benadeelde partij] meermalen gevolgd en

- meermalen langs de woning van die [slachtoffer/ benadeelde partij] gelopen en/of (stapvoets) gereden en

- aan de deur van die [slachtoffer/ benadeelde partij] bezorgd en

- meermalen die [slachtoffer/ benadeelde partij] uitgescholden en

- meermalen telefonisch (per SMS- en/of voicemailbericht) met die [slachtoffer/ benadeelde partij] contact opgenomen en

- meermalen per e-mail contact opgenomen met de echtgenoot van die [slachtoffer/ benadeelde partij] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 4 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

belaging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door opzettelijk dreigend met een personenauto, met flink gas, achteruit te rijden richting [slachtoffer/ benadeelde partij] , op het moment dat zij als voetganger bezig was met een weg te oversteken. Het slachtoffer heeft deze situatie als bedreigend ervaren en is in haar persoonlijke integriteit aangetast. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer/ benadeelde partij] . Door de bewezen verklaarde belagingshandelingen heeft de verdachte gedurende drie jaren een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Ook de kinderen van het slachtoffer zijn door de verdachte lastig gevallen. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde en zal daardoor doorgaans forse psychische belasting opleveren. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden vaak nog jarenlang de gevolgen van de belaging, hetgeen ook is gebleken uit de verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Het obsessieve en hardnekkige karakter van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte heeft het slachtoffer en haar gezin gehinderd in hun dagelijks bestaan. Het hof rekent dit verdachte aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt in onderhavige zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep is geschonden. Namens de verdachte is immers op 7 november 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 31 augustus 2020 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa 10 maanden overschreden.

Nu het hof geen vrijheidsbenemende straf zal opleggen, doch een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en na te noemen maatregelen, wordt volstaan met de constatering van de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht naast voornoemde bestraffing het opleggen van na te melden vrijheidsbeperkende maatregelen geboden. Gelet op het vorenstaande dient er ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens de aangeefster of haar familieleden zal gedragen. Om die reden zal het hof bepalen dat deze maatregelen direct uitvoerbaar zijn. Teneinde het belang van deze maatregelen te onderstrepen zal het hof bepalen dat de maatregelen een duur van vijf jaren zullen hebben en voor elke keer dat niet aan deze maatregelen wordt voldaan een vervangende hechtenis van drie dagen zal worden toegepast.

Het hof zal aan de verdachte een maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende het bevel om zich niet op te houden in een bepaald gebied. Dit gebied bevat de [straatnaam 1] , zijnde de straat waar het slachtoffer woont, en de straten daaromheen. [omschrijving gebied] . Het is de verdachte verboden om zich te bevinden in een straat die in het gebied daarbinnen is gelegen.1

Het hof zal aan de verdachte voorts een maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer, [slachtoffer/ benadeelde partij] .

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/ benadeelde partij]

De benadeelde partij [slachtoffer/ benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.699,10, bestaande uit € 3.699,10 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De materiële schade bestaat uit 1. medische kosten van € 1.125,75; 2. kilometervergoeding van € 558,76; en 3. camerasysteem van € 2.014,59.

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. In hoger beroep is de vordering verminderd tot een bedrag van € 600,24 ter zake van medische kosten en tot een bedrag van € 2000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is vermeerderd met een bedrag van € 348,40 aan reiskosten (totaal gevorderd € 5.521,99).

Materiële schade

Ad 1. Medische kosten

Uit de door de mevrouw [slachtoffer/ benadeelde partij] in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts d.d. 27 juli 2020 in samenhang bezien met de door de haar in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat mevrouw [slachtoffer/ benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte angst- en paniekklachten heeft gekregen en dat zij in verband daarmee in de periode juli 2013 tot en met juli 2014 fluoxetine tabletten 20 mg heeft gebruikt. De niet vergoede kosten ter zake van in totaal € 97,45, zoals nader gespecificeerd in de bijlagen 1a en 1b, kunnen derhalve worden toegewezen. Het meer gevorderde bedrag van € 6,48 wordt afgewezen; dit bedrag heeft blijkens de bijlage betrekking op andere medicijnen.

Uit de door mevrouw [slachtoffer/ benadeelde partij] in eerste aanleg overgelegde factuur van Neuropsychologische Praktijk Eindhoven d.d. 7 mei 2015 in samenhang bezien met de door haar in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat mevrouw [slachtoffer/ benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte vanaf 19 februari 2015 tot en 7 mei 2015 onder behandeling is geweest bij deze praktijk. Van het factuurbedrag van

€ 760,- is, zoals volgt uit de specificatie in bijlage 1c, een bedrag van € € 496,31 niet vergoed, zodat dit bedrag eveneens toewijsbaar is.

Ad. 2 kilometervergoeding

Uit de in hoger beroep gegeven schriftelijke toelichting blijkt dat in hoger beroep deze post is vermeerderd met een bedrag van € 348,40. In dit bedrag zijn begrepen de kosten van de benadeelde partij voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep ten bedrage van € 37,70 (145 km x € 0,26). Nu vermeerdering van eis in hoger beroep niet is toegestaan zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in het meer gevorderde bedrag van

€ 310,70 (€ 348,40 - € 37,70). De in hoger beroep gevorderde kosten van de benadeelde partij voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep, zijnde proceskosten, zijn niet toewijsbaar. Uit artikel 592a Sv juncto 238 Rv volgt dat deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien de benadeelde partij zelf de vordering toelicht en geen gebruikmaakt van een gemachtigde. Nu de benadeelde partij haar vordering ter terechtzitting in hoger beroep heeft laten toelichten door een gemachtigde, zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Dit heeft eveneens te gelden voor de kosten van de benadeelde partij voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg van € 125,58 (483 km x

€ 0,26); dit deel van de vordering zal eveneens worden afgewezen.

De reiskosten voor het bezoek van de benadeelde partij aan haar advocaten, het politiebureau en aan de psycholoog van Neuropsychologische Praktijk Eindhoven zullen conform de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 399,90. De benadeelde partij heeft niet onderbouwd dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder behandeling is geweest bij Deurne Totaal Balans Therapie, zodat de in dit verband gevorderde reiskosten van € 33,28 (128 km x € 0,26) niet toewijsbaar zijn. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Ad. 3 camerasysteem

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.014,59 gevorderd voor de aanschaf van een camerasysteem. Bij het verzoek tot schadevergoeding is als bijlage 3 een factuur van het camerasysteem d.d. 31 oktober 2013 gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks vermogensschade heeft geleden door de aanschaf van een camerasysteem. Het hof overweegt daartoe dat de bewezen verklaarde belaging heeft bestaan uit het zich veelvuldig ophouden in de directe nabijheid van de woning van de benadeelde partij door de verdachte, waardoor zij zich niet meer veilig voelde in haar woning en een camerasysteem heeft aangeschaft. De benadeelde partij heeft het camerasysteem aangeschaft binnen de bewezen verklaarde periode, klaarblijkelijk teneinde bewijs tegen verdachte te verzamelen en/of verdachte af te schrikken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat die schadepost als gevolg van de door hem gepleegde belaging redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, zodat hij tot vergoeding van die schade gehouden is en de materiële schade tot een bedrag van € 2.014,59 toewijsbaar is.

De slotsom luidt dat aan gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.008,25 (€ 97,45 + € 496,31 + € 399,90 + € 2.014,59), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. De schade is op verschillende momenten ontstaan. Bij wijze van moderatie bepaalt het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente over het totale schadebedrag van € 3.008,25 op 31 oktober 2013, nu op deze dag de grootste schadepost is ontstaan.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot een bedrag van € 343,98 (€ 310,70 + € 33,28). De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De vordering zal worden afgewezen tot een bedrag van € 169,76 (€ 6,48 + € 37,70 +

€ 125,58).

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft gesteld dat zij door de gevolgen die zij en haar gezin hebben ondervonden door het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.000,00. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij zelf door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin die bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In de onderhavige zaak brengen de duur van de bewezen verklaarde periode, het systematische karakter en de intensiteit van het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en haar gezin zoals onder meer gebleken uit de verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 augustus 2020 heeft afgelegd, mee dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2016 – zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening.

Totale schade

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van (€ 3.008,25 + € 2.000,00 =) € 5.008,25 zal worden toegewezen.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Voor het toepasselijke liquidatietarief gaat het hof uit van het toewijsbare bedrag van € 5008,25, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor de rechtsgang in eerste aanleg heeft het hof aansluiting gezocht bij het liquidatietarief ‘Salarissen in rolzaken kanton’. Bij een vordering met een hoofdsom tot € 10.000,00 wordt in de regel € 250,00 per punt als salaris toegekend. Het hof zal aldus € 250,00 per punt als salaris toekennen. De proceskosten in eerste aanleg worden bepaald op 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief in verband het indienen van de vordering (1 pt) en het toelichten van de vordering door de advocaat van de benadeelde (ter terechtzitting in eerste aanleg (1 pt).

Voor de rechtsgang in hoger beroep is het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ (per 1 mei 2018) van toepassing. Daarbij geldt ten aanzien van een “principaal appel van rechtbank op hof”, een tarief van € 759,00 per punt in zaken met een geldswaarde beneden

€ 10.000,- in hoofdsom. De proceskosten in hoger beroep worden bepaald op 1 punt van het toepasselijke liquidatie tarief, in verband het toelichten van de vordering door de advocaat van de benadeelde ter terechtzitting in hoger beroep.

Op basis van het voorgaande wordt een bedrag van € 500,00 (2 x € 250,00, eerste aanleg) plus een bedrag van € 759,00, hoger beroep), in totaal € 1.259,00 aan proceskosten toegerekend.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer/ benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 5.008,25. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 subsidiair en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in een bepaald gebied. Dit gebied bevat de [straatnaam 1] , zijnde de straat waar het slachtoffer woont, en de straten daaromheen. [omschrijving gebied] . Een plattegrond van het betreffende gebied, waarop de grenzen met blauwe viltstift zijn aangegeven, en een lijst met straatnamen die zich binnen dit gebied bevinden, zijn aan dit arrest gehecht.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer/ benadeelde partij] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/ benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer/ benadeelde partij] ter zake van het onder 3 subsidiair, 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.008,25 (vijfduizend acht euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 3.008,25 (drieduizend acht euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 169,76 (honderdnegenenzestig euro en zesenzeventig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.259,00 (duizend tweehonderdnegenenvijftig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer/ benadeelde partij] , ter zake van het onder 3 subsidiair, 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.008,25 (vijfduizend acht euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 3.008,25 (drieduizend acht euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade en

€ 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2013 en van de immateriële schade op 1 april 2016.

Aldus gewezen door:

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,

en op 31 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.R. Everaars-Katerberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een plattegrond van het betreffende gebied, waarop de grenzen met blauwe viltstift zijn aangegeven, en een lijst met straatnamen die zich binnen dit gebied bevinden, zijn aan dit arrest gehecht.