Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4112

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
18/00674
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Gemachtigde geweigerd wegens beledigend taalgebruik. Hof verlengt redelijke termijn van behandeling met de periode tussen niet doorgaan eerste zitting en de tweede zitting vanwege de weigeringsbeslissing als gevolg van het beledigend taalgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/666
Viditax (FutD), 16-02-2021
FutD 2021-0632
NLF 2021/0644 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 18/00674

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 november 2018, nummer BRE 17/2865 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid)

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep (deels) gegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.7.

Op 13 december 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] (hierna: [gemachtigde 1] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] . Op deze regiezitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en een aantal andere zaken.

1.8.

Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.9.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 4 september 2020 heeft [gemachtigde 1] bij brief van 22 juni 2020 een verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 27 augustus 2020 door de wrakingskamer afgewezen (registratienummer 200.279.971/01).

1.10.

Naar aanleiding van de door [gemachtigde 1] ingediende pleitnota voor de op 4 september 2020 geplande zitting heeft het hof bij tussenuitspraak van 31 augustus 20201 [gemachtigde 1] geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. De op 4 september 2020 geplande zitting is vervolgens uitgesteld. Belanghebbende heeft de heer [gemachtigde 2] (hierna: [gemachtigde 2] ) aangewezen als nieuwe gemachtigde.

1.11.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor hierna te melden zitting heeft [gemachtigde 2] bij brief van 15 oktober 2020 een verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 25 november 2020 door de wrakingskamer niet-ontvankelijk verklaard (registratienummer 200.284.610/01). De griffier heeft op 25 november 2020 telefonisch contact gehad met de inspecteur en [gemachtigde 2] en hen medegedeeld dat de wrakingskamer die dag uitspraak heeft gedaan, dat die uitspraak die dag aangetekend aan partijen is verzonden en dat de geplande zitting op 27 november 2020 doorgang zal vinden.

1.12.

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 13 oktober 2020 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer 1] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 14 oktober 2020 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.13.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt als nader stuk tot de gedingstukken gerekend.

1.14.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.15.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 23 november 2012 aangifte BPM gedaan voor de registratie van een ingevoerde auto BMW 3-serie touring 320d , met VIN eindigend op [nummer 2] (hierna: de auto). De auto heeft als datum eerste toelating [datum] 2012 en heeft een Duits kenteken gehad. Belanghebbende heeft de auto op 25 oktober 2012 in Duitsland besteld. De verkoper heeft de auto gefactureerd op 23 november 2012. De auto had toen een kilometerstand van 482. Op 26 november 2012 is de auto door de RDW gekeurd. De kilometerstand bedroeg toen 535. Op 30 november 2012 heeft de eerste tenaamstelling in Nederland plaatsgevonden op naam van belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende is bij de aangifte uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 62.141 en een inkoopwaarde volgens de XRAY koerslijst van € 33.668, resulterend in een afschrijving van 45,82%. De bruto BPM bedraagt volgens de aangifte € 10.156. Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 5.503 en dit bedrag is door belanghebbende voldaan.

2.3.

De inspecteur heeft bij brief van 23 april 2013 een aankondiging verstuurd met het voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om vóór 8 mei 2013 te reageren. Belanghebbende heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.4.

De inspecteur heeft op 18 oktober 2013 een naheffingsaanslag naar een bedrag van € 4.654 opgelegd. De inspecteur is van mening dat er sprake is van een nieuwe auto. De totaal verschuldigde BPM bedraagt volgens de inspecteur € 10.156. Belanghebbende heeft op 4 november 2013 bezwaar gemaakt.

2.5.

Op 30 september 2014 heeft de inspecteur gemachtigde het volgende bericht:

“Bij de Belastingdienst, kantoor Roosendaal zijn onderstaande bezwaarschriften in behandeling met betrekking tot het al dan niet aanmerken van onderwerpelijke voertuigen bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde als BTW auto’s.

In eerdere gesprekken met de heer [A] van kantoor [plaats] en ook heden na het hoorgesprek in een aantal andere zaken, heeft u verzocht de behandeling van de dossiers met betrekking tot dit geschil aan te houden tot het moment dat over deze kwestie uitspraak is gedaan in cassatie. Ik kan hiermee instemmen voor zover het betreft onderstaande dossiers:

(...)”

In het overzicht wordt de zaak van belanghebbende vermeld.

2.6.

Over de kwestie BTW-marge heeft de Hoge Raad op 27 januari 2017 beslist.2

2.7.

Bij brief van 22 februari 2017 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet nemen van een uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft op 5 april 2017 uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende in bezwaar, ondanks haar verzoek daartoe, te hebben gehoord.

2.8.

Op 19 en 20 november 2019 heeft gemachtigde telefonisch verzocht om uitstel van de zitting van 13 december 2019 in verband met opgestarte compromisbesprekingen bij de rechtbank Gelderland. Bij brief van 26 november 2019 heeft het hof hiermee ingestemd en besloten de zitting van 13 december 2019 om te vormen tot een regiezitting.

2.9.

Bij brief van 18 februari 2020 heeft de toenmalige gemachtigde het hof bericht dat de compromisbesprekingen niet tot resultaat hebben geleid en dat aanhouding van de onderhanden zaken niet langer wenselijk is.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Kan worden nageheven nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden?

2. Is sprake van schending van de hoorplicht?

3. Dient het verzoek om een immateriële schadevergoeding door andere rechters te worden behandeld?

4. Heeft de rechtbank de immateriële schadevergoeding te laag vastgesteld?

5. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

6. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over de toegekende proceskostenvergoeding, de immateriële schadevergoeding en de terugbetaling van griffierecht?

7. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke kosten van bezwaar en proceskosten?

Ter zitting heeft de inspecteur zijn incidentele hoger beroep, waarin hij opkwam tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gebruikte auto, ingetrokken.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar, en van de naheffingsaanslag.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

Uitnodiging

4.1.

Zoals volgt uit de onder 1.11 vermelde stukken is de uitnodiging op 14 oktober 2020 uitgereikt.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Weigering [gemachtigde 1]

4.2.

Tijdens de regiezitting heeft het hof [gemachtigde 1] voorgehouden dat hij diverse malen is gewaarschuwd wegens het bezigen van onbetamelijk taalgebruik, dat bij brief met dagtekening 1 november 2019 een laatste waarschuwing is gegeven, doch dat in nadien ontvangen stukken geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing. Het hof heeft [gemachtigde 1] voorgehouden dat, desondanks, geen consequenties verbonden zullen worden aan het ongepaste taalgebruik, indien hij bereid is de desbetreffende passages in te trekken en indien hij uitdrukkelijk verklaart dat hij zich in de toekomst van dit taalgebruik zal onthouden. [gemachtigde 1] heeft verklaard hier niet toe bereid te zijn.

4.3.

Nadat in een aantal andere zaken bij tussenuitspraak [gemachtigde 1] is geweigerd als gemachtigde, en [gemachtigde 1] in andere zaken expliciet te kennen had gegeven geen afstand te willen nemen van geuite beledigingen, heeft het hof bij brief van 2 april 2020 [gemachtigde 1] bericht dat het hof voornemens is hem geen herstelmogelijkheid meer te bieden indien nieuwe stukken met beledigingen worden ingediend en het hof daarin aanleiding ziet om een, zogenoemde, weigeringsbeslissing te nemen.

4.4.

De nadien, voor de zitting van 4 september 2020, ingediende pleitnota bevat opnieuw onbetamelijk taalgebruik. Het hof heeft hieraan, bij tussenuitspraak (zie onder 1.10), de onder 4.3. omschreven consequenties verbonden.

4.5.

Het hof is van oordeel dat [gemachtigde 1] door de hierboven onder 4.2 en 4.3 omschreven gang van zaken voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen om hem te weigeren.3 Onder deze bijzondere omstandigheden zou het telkens opnieuw gelegenheid bieden tot herstel, terwijl [gemachtigde 1] zo duidelijk heeft aangegeven zijn gedrag niet te willen aanpassen, een zinloze exercitie zijn. Dit neemt niet weg dat na het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 het hof [gemachtigde 1] in nieuwe zaken opnieuw gelegenheid tot herstel zal bieden, omdat het hof ervan uitgaat dat dit arrest voor [gemachtigde 1] reden kan zijn om zijn gedrag aan te passen.

4.6.

Het hof komt daarom niet terug op de tussenuitspraak van 31 augustus 2020. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt.

Ten aanzien van het geschil

1. Naheffing na belastbaar feit

4.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden in strijd is met artikel 110 VWEU. Het hof is van oordeel dat het standpunt van belanghebbende onjuist is4.

2. Hoorplicht

4.8.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Ter zitting bij het hof heeft de inspecteur bevestigd dat de hoorplicht inderdaad is geschonden.

4.9.

Belanghebbende is niet benadeeld door het niet horen in bezwaar. Het geschil gaat immers over de rechtsvraag of de auto als nieuw moet worden aangemerkt. Over de daarvoor van belang zijnde feiten bestond tussen partijen geen verschil van mening. De vraag of kan worden nageheven na het belastbare feit is evenzeer een rechtsvraag waarvoor geen feiten meer vastgesteld behoefden te worden. Onder die omstandigheden kon de rechtbank oordelen dat geen plaats was voor terugwijzing naar de inspecteur voor het alsnog horen in bezwaar. Een en ander neemt niet weg dat wel recht bestaat op vergoeding van griffierecht en proceskosten voor het instellen van beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft deze al toegekend.

Voor zover belanghebbende stelt dat ook de omvang van de kosten van bezwaar in geschil was, verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019.5 De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.

4.10.

Belanghebbendes stelling dat artikel 7:3 Awb in strijd is met artikel 47 Handvest, faalt. Het hof ziet niet in op welke wijze sprake zou zijn van schending van artikel 47 Handvest. Dit artikel ziet op de procedure in rechte en niet op hetgeen plaatsvindt in de fase voorafgaand aan een dergelijke gerechtelijke procedure.

3. Verzoek om immateriële schadevergoeding; andere rechters

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen.

4.12.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 20196 geoordeeld dat de wijze waarop verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden behandeld op zichzelf niet tot een inbreuk op de EU-rechtelijke grondrechten leidt. Het hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te beslissen.

4. Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.13.

De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn voor afdoening van het geschil moet worden verlengd met de periode dat het doen van de uitspraak op bezwaar op 30 september 2014 is aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad dat is gewezen op 27 januari 2016. Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte de redelijke termijn heeft verlengd met deze periode.

4.14.

In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat het volgende:

“De rechter houdt partijen de brief van 30 september 2014 voor. Die aanhouding ziet op zaken waarin de btw/marge kwestie speelde. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Partijen stemmen in met aanhouding tot het arrest in januari 2016 dat de Leidraad betrof. De verlenging van de redelijke termijn stopt dan in januari 2016.”

4.15.

Het proces-verbaal van de zitting is de enige kenbron van dat wat op die zitting heeft plaatsgevonden en is gezegd. Het hof heeft ook anderszins geen reden te twijfelen aan de juistheid van dat wat in het proces-verbaal is vastgelegd. Op grond daarvan heeft belanghebbende bij de rechtbank zich expliciet neergelegd met een verlenging van de redelijke termijn vanaf 30 september 2014 tot de datum van het arrest in januari 2016. Het is in strijd met de regels van procesrecht indien belanghebbende in hoger beroep alsnog terugkomt op een dergelijk standpunt.

Overigens is het hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing tot aanhouding is genomen na een daartoe strekkend verzoek van gemachtigde tijdens een hoorgesprek in andere vergelijkbare zaken. Gemachtigde heeft ook niet gereageerd op de brief van 30 september 2014 en pas na het verschijnen van het arrest van de Hoge Raad over de BTW-marge-kwestie een ingebrekestelling verstuurd.

4.16.

Uitgaande van het voorgaande heeft de rechtbank de redelijke termijn terecht verlengd.

4.17.

Voor dat geval stelt belanghebbende dat de rechtbank de immateriële schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende had de rechtbank de immateriële schadevergoeding, uitgaande van een redelijke termijn van 40 maanden en een totale behandelingsduur van, afgerond naar boven, 61 maanden, moeten vaststellen op € 2.000. De inspecteur heeft dit ter zitting van het hof erkend.

4.18.

Het hof stelt met partijen vast dat de rechtbank inderdaad, uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn met 21 maanden, de immateriële schadevergoeding had moeten vaststellen op (4 x € 500 =) € 2.000.

4.19.

Het bezwaar is ingediend op 4 november 2013. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 5 april 2017, oftewel na 3 jaar, 5 maanden en 1 dag, afgerond 42 maanden. Voor het bezwaar dient uit te worden gegaan van een redelijke termijn van (6 + 16 =) 22 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar bedraagt dan, afgerond, 20 maanden.

Het beroep bij de rechtbank is gedaan in, afgerond naar boven, 19 maanden, terwijl de redelijke termijn voor de beroepsfase 18 maanden bedraagt. De overschrijding van de redelijke termijn in beroep bedraagt dan 1 maand.

4.20.

Dit betekent dat de inspecteur en de minister ieder dienen te worden veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding. Het hof stelt die te betalen vergoeding vast op € 1.904,76 (20/21e deel van € 2.000) te betalen door de inspecteur en € 95,24 (1/21e deel van € 2.000) te betalen door de minister.

4.21.

Nu de rechtbank de inspecteur en de minister reeds heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.416,67 respectievelijk € 83,33, zal het hof de inspecteur en de minister veroordelen tot een aanvullende vergoeding van € 488,09 (€ 1.904,76 -/- € 1.416,67) respectievelijk € 11,91 (€ 95,24 -/- € 83,33).

5. Griffierecht

4.22.

Belanghebbende heeft zich met verwijzing naar het Unierecht tegen de heffing van griffierecht respectievelijk de hoogte van het geheven griffierecht verzet.

4.23.

Het Unierecht leidt er niet toe dat belanghebbende (gedeeltelijk) vrijgesteld dient te worden van de verplichting tot betaling van griffierecht. Het hof merkt voorts op dat belanghebbende geen beroep op (gedeeltelijke) vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gedaan.

4.24.

Voorts ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot een ruimere regeling voor betalingsonmacht. Het hof wijst ten overvloede op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019.7

6. Rentevergoeding over bedragen griffierecht, proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding

4.25.

Belanghebbende stelt dat zij de bedragen aan griffierecht, proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding nog niet heeft ontvangen en dat zij daarom recht heeft op rentevergoeding. Bij de rechtbank is een verzoek om rentevergoeding gedaan. De inspecteur heeft ter zitting betalingsbewijzen getoond. Hieruit blijkt dat de door de inspecteur te betalen bedragen zijn uitbetaald op 10 januari 2019.

4.26.

De rechtbank heeft op 2 november 2018 uitspraak gedaan. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 20188, diende de inspecteur en de minister binnen vier weken na deze uitspraak de toegekende vergoedingen van griffierecht, proceskosten en immateriële schade, te voldoen. Deze termijn eindigde dus op 30 november 2018.

4.27.

Het hof zal alsnog uitspreken dat de inspecteur en de minister wettelijke rente zijn verschuldigd vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank op 2 november 2018.

4.28.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat het rentetarief 8% moet zijn. Dit standpunt is niet juist.9 Ook het Unierecht dwingt niet tot het vergoeden van een hogere rente.

4.29.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de rechtbank, ziet het hof geen reden10. Voorts ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding.

7. Werkelijke (proces)kostenvergoeding

4.30.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigen dan die volgt uit het puntensysteem van het Besluit.

Tussenconclusie

4.31.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Belanghebbende heeft recht op een aanvullende immateriële schadevergoeding (zie 4.21) en op vergoeding van vertragingsrente (zie 4.27).

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding

4.32.

Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep.

4.33.

Het pro forma hoger beroepschrift is ontvangen op 5 december 2018. De onderhavige uitspraak is meer dan twee jaar na ontvangst van het pro forma hoger beroepschrift gewezen, doch het hof ziet aanleiding om de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep te verlengen.

4.34.

Deze verlenging heeft enerzijds betrekking op de periode van 26 november 2019 tot 18 februari 2020. Dit betreft de periode waarin diverse bij het hof aanhangige zaken (waaronder de onderhavige zaak), op verzoek van [gemachtigde 1] , zijn aangehouden wegens compromisbesprekingen die op dat moment bij rechtbank Gelderland gevoerd werden. Voorts verlengt het hof de redelijke termijn met de periode van 4 september 2020 tot 27 november 2020. Dit betreft de periode tussen de uitgestelde zitting van 4 september 2020 en de zitting van 27 november 2020. Het hof rekent de omstandigheid dat de zitting van 4 september 2020 geen doorgang heeft kunnen vinden toe aan belanghebbende. Deze vertraging is immers uitsluitend te wijten aan de gedragingen en het taalgebruik van [gemachtigde 1] .11 Rekening houdend met deze verlenging is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Ten aanzien van het griffierecht

4.35.

Omdat het hoger beroep gegrond is, dient de inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 253 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

4.36.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan het hof, ziet het hof geen reden en verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen onder 4.29.

Ten aanzien van de proceskosten

4.37.

Omdat het hoger beroep gegrond is en de inspecteur het door hem ingestelde incidentele hoger beroep heeft ingetrokken, acht het hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep en het door de inspecteur ingestelde maar ter zitting ingetrokken incidentele hoger beroep.

4.38.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten)12 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.575, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

4.39.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

4.40.

Zoals reeds is overwogen in 4.30, acht het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig om de werkelijke proceskosten te vergoeden.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd een rentevergoeding toe te kennen bij te late betaling van de immateriële schadevergoeding, griffierecht en (proces)kosten;

  • -

    gelast dat de inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding, de vergoeding van griffierecht en (proces)kosten vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 2 november 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de minister wettelijke rente dient te vergoeden over de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 2 november 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 488,09, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de minister tot een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 11,91, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende bij het hof betaalde griffierecht van € 253 aan laatstgenoemde vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.575, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 12 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door T.A. Gladpootjes, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2697.

2 Hoge Raad 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45.

3 Vgl. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730.

4 Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2.

5 Hoge Raad 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1619.

6 Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.2.1 tot en met 2.2.5.

7 Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3 en 3.1.4.

8 Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

9 Hof ’s-Hertogenbosch 25 oktober 2018, nr. 18/00077, ECLI:NL:GHSHE:2018:4461, onder 4.26.

10 Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623 en Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8049.

11 Onder 1.9 en 4.2. tot en met 4.4.

12 1 punt voor hoger beroepschrift, 1 punt voor schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep, 1 punt voor zitting van 13 december 2019, zie Besluit.