Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
18/00677
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Gemachtigde geweigerd wegens beledigend taalgebruik. Hof verlengt de redelijke termijn voor behandeling met periode dat zitting moest worden uitgesteld wegens de weigeringsbeslissing gemachtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-02-2021
FutD 2021-0525
NTFR 2021/667
NLF 2021/0649 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 18/00677

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 november 2018, nummer BRE 17/3301 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft op een later tijdstip een afwijzende dwangsombeschikking afgegeven.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168. De inspecteur heeft het tegen de dwangsombeschikking ingediende bezwaar doorgezonden naar de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De griffier van het hof heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 253. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Op 13 december 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch (hierna: de regiezitting). Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Op de regiezitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en een aantal andere zaken.

1.8.

Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.9.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 4 september 2020 heeft [gemachtigde] bij brief van 22 juni 2020 een verzoek tot wraking van de behandelende raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 27 augustus 2020 door de wrakingskamer afgewezen (registratienummer 200.279.971/01).

1.10.

Naar aanleiding van de door [gemachtigde] ingediende pleitnota voor de op 4 september 2020 geplande zitting heeft het hof [gemachtigde] , bij tussenuitspraak van 31 augustus 20201, geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen (hierna: de tussenuitspraak). De op 4 september 2020 geplande zitting is vervolgens uitgesteld. Belanghebbende heeft geen nieuwe gemachtigde aangewezen.

1.11.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen bij brief van 5 oktober 2020 gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord, met de mededeling dat indien partijen van dit recht gebruik willen maken, zij dat binnen twee weken schriftelijk kenbaar dienen te maken. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord.

1.12.

Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek op 30 november 2020 is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 8 mei 2014 aangifte BPM gedaan voor de registratie van een ingevoerde auto, een Audi A8 met VIN eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De auto heeft als datum eerste toelating 25 maart 2010.

2.2.

Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 4.032 en dit bedrag is door belanghebbende voldaan.

2.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte, onder vermelding dat bij de aangifte zou zijn uitgegaan van de koerslijst XRAY van een BTW-auto in plaats van een marge-auto.

2.4.

Op 30 september 2014 heeft de inspecteur [gemachtigde] het volgende bericht:

“Bij de Belastingdienst, kantoor Roosendaal zijn onderstaande bezwaarschriften in behandeling met betrekking tot het al dan niet aanmerken van onderwerpelijke voertuigen bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde als BTW auto’s.

In eerdere gesprekken met de heer [A] van kantoor Emmen en ook heden na het hoorgesprek in een aantal andere zaken, heeft u verzocht de behandeling van de dossiers met betrekking tot dit geschil aan te houden tot het moment dat over deze kwestie uitspraak is gedaan in cassatie. Ik kan hiermee instemmen voor zover het betreft onderstaande dossiers:

(...)”

In het overzicht wordt de zaak van belanghebbende vermeld.

2.5.

Over de kwestie BTW-marge heeft de Hoge Raad op 27 januari 20172 beslist.

2.6.

Bij brief met dagtekening 24 februari 2017 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet nemen van een uitspraak op bezwaar. Op die ingebrekestelling staat een ontvangststempel van 6 maart 2017. Via e-mail van 24 februari 2017 is deze ingebrekestelling eveneens naar de inspecteur gestuurd.

2.7.

De inspecteur heeft op 21 maart 2017 uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende in bezwaar te hebben gehoord. Het bezwaar is ongegrond verklaard, omdat gebleken was dat bij de aangifte al was uitgegaan van de koerslijst XRAY van een marge-auto.

2.8.

De inspecteur heeft bij beschikking van 29 juni 2017 het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen. Het daartegen door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is door de inspecteur doorgezonden naar de rechtbank en door de rechtbank – bij wijze van prorogatie – gelijktijdig behandeld met de hoofdzaak.

2.9.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, een teruggaaf van de op aangifte voldane BPM van € 31 verleend, vastgesteld dat de inspecteur een dwangsom van € 20 heeft verbeurd wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 1.251 en gelast dat de inspecteur het griffierecht van € 168 aan belanghebbende vergoedt.

2.10.

Op 19 november 2018 heeft de inspecteur de bedragen van € 1.251, € 168 en € 21 (dwangsom) voldaan.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de hoorplicht in bezwaar geschonden?

  2. Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding in verband met de teruggave van BPM?

  3. Heeft belanghebbende recht op een hogere dwangsom?

  4. Heeft de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding terecht afgewezen?

  5. Dient de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen?

  6. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het griffierecht?

  7. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

  8. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke proceskosten?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, volledige schadeloosstelling en een toekennen van een hogere dwangsom.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Tijdens de regiezitting heeft het hof [gemachtigde] voorgehouden dat hij diverse malen is gewaarschuwd wegens het bezigen van onbetamelijk taalgebruik, dat bij brief met dagtekening 1 november 2019 een laatste waarschuwing is gegeven, doch dat in nadien ontvangen stukken geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing. Het hof heeft [gemachtigde] voorgehouden dat, desondanks, geen consequenties verbonden zullen worden aan het ongepaste taalgebruik, indien hij bereid is de desbetreffende passages in te trekken en indien hij uitdrukkelijk verklaart dat hij zich in de toekomst van dit taalgebruik zal onthouden. [gemachtigde] heeft verklaard hier niet toe bereid te zijn.

4.2.

Nadat in een aantal andere zaken bij tussenuitspraak [gemachtigde] is geweigerd als gemachtigde, en [gemachtigde] in andere zaken expliciet te kennen had gegeven geen afstand te willen nemen van geuite beledigingen, heeft het hof bij brief van 2 april 2020 [gemachtigde] bericht dat het hof voornemens is hem geen herstelmogelijkheid meer te bieden indien nieuwe stukken met beledigingen worden ingediend en het hof daarin aanleiding ziet om een, zogenoemde, weigeringsbeslissing te nemen.

4.3.

De nadien, voor de zitting van 4 september 2020, ingediende pleitnota bevat opnieuw onbetamelijk taalgebruik. Het hof heeft hieraan, bij tussenuitspraak (zie onder 1.10), de onder 4.2 omschreven consequenties verbonden.

4.4.

Het hof is van mening dat [gemachtigde] door de hierboven onder 4.1 en 4.2 omschreven gang van zaken voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen om hem te weigeren.3 Onder deze bijzondere omstandigheden zou het telkens opnieuw gelegenheid bieden tot herstel, terwijl [gemachtigde] zo duidelijk heeft aangegeven zijn gedrag niet te willen aanpassen, een zinloze exercitie zijn. Dit neemt niet weg dat na het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 het hof [gemachtigde] in nieuwe zaken opnieuw gelegenheid tot herstel zal bieden, omdat het hof ervan uitgaat dat dit arrest voor [gemachtigde] reden kan zijn om zijn gedrag aan te passen.

4.5.

Het hof komt daarom niet terug op de tussenuitspraak van 31 augustus 2020. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt.

Ten aanzien van het geschil

4.6.

Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de inspecteur ingestemd met de toepassing van de door belanghebbende in beroep verzochte leeftijdskorting van € 31. Aangezien partijen in hoger beroep niet tegen de hoogte van de belastingschuld zijn opgekomen, zal het hof aannemen dat de materiële heffing niet meer in geschil is.

1. Is de hoorplicht in bezwaar geschonden?

4.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Volgens belanghebbende had hij gehoord moeten worden, aangezien – naar het hof begrijpt – de inspecteur zijn standpunt over vergoeding van de kosten van bezwaar niet volgde en derhalve niet volledig aan het bezwaar is tegemoet gekomen.

4.8.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Aangezien partijen het over de omvang van de verschuldigde belasting eens waren, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur. Het hof acht dat oordeel juist. Het ten onrechte niet-horen kan ook gevolgen hebben voor het toekennen van een proceskostenvergoeding, maar aangezien belanghebbende daar reeds recht op had in verband met de vermindering van de verschuldigde belasting, kon de rechtbank volstaan met de constatering dat de hoorplicht was geschonden. De schending van de hoorplicht vormt op zichzelf bezien geen reden voor een hogere proceskostenvergoeding, mede omdat belanghebbende in bezwaar een beroep had gedaan op de vergelijking met een marge-auto, terwijl in de aangifte dat al was gedaan. De inspecteur heeft dan ook niet dermate onzorgvuldig gehandeld dat om die reden een hogere proceskostenvergoeding gerechtvaardigd zou zijn.

4.9.

Voor zover belanghebbende stelt dat ook de omvang van de kosten van bezwaar in geschil was en dat om die reden horen had moeten plaatsvinden, verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019.4 De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.

4.10.

Belanghebbendes stelling dat artikel 7:3 Awb in strijd is met het Unierecht faalt. Belanghebbende geeft niet aan op welke grondrechten hij zich beroept. In andere procedures van gemachtigde wordt verwezen naar de artikelen 41, tweede alinea, 47 en 48 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Artikel 41, tweede alinea, Handvest bevat geen voorschrift op grond waarvan een belanghebbende in bezwaar dient te worden gehoord, nog los van het feit dat deze bepaling niet is gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, de organen en de instanties van de Unie. Het hof mag voorts niet inzien op welke wijze sprake zou zijn van schending van artikelen 47 of 48 Handvest. Deze artikelen zien op de procedure in rechte en niet op hetgeen plaatsvindt in de fase voorafgaand aan een dergelijke gerechtelijke procedure.

2. Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding in verband met de teruggave van BPM?

4.11.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van rente over de ten onrechte geheven belasting. De rechtbank heeft gelast dat belanghebbende recht heeft op een teruggave van € 31.

4.12.

Op grond van artikel 30ha, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt belastingrente vergoed indien recht bestaat op een terug te geven bedrag dat verband houdt met een door de inspecteur ingenomen standpunt ter zake van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde belasting. Daarvan is in dit geval geen sprake. De teruggave van € 31 is een gevolg van de keuze van belanghebbende om ruim voor de tenaamstelling in het kentekenregister aangifte te doen en dus niet als gevolg van een door de inspecteur ingenomen standpunt. Belanghebbende heeft dus geen recht op vergoeding van rente op grond van artikel 30ha, lid 2, AWR.

4.13.

De vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW), dan wel rechtstreeks op grond van het arrest Mariana Irimie5, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu een eventuele vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 30 IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Het hof is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven. Ten overvloede wijst het hof op Hoge Raad 28 september 2018,6 waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat artikel 28c IW niet in strijd is met het Unierecht.

3. Heeft belanghebbende recht op een hogere dwangsom?

4.14.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom van € 20.

4.15.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere dwangsom. Hij stelt dat de ingebrekestelling op een eerdere datum dan 6 maart 2017 per e-mail naar de inspecteur is gezonden.

4.16.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is beslissend het tijdstip van ontvangst van de ingebrekestelling door de inspecteur.

4.17.

Belanghebbende heeft de ingebrekestelling ook per e-mail verzonden naar de inspecteur. Een e-mail is echter geen schriftelijke ingebrekestelling zoals de wet vereist. Daarbij komt dat de Belastingdienst gemachtigde bij brief van 8 december 2016 heeft geïnformeerd dat, gelet op de wijze van communicatie van deze gemachtigde, communicatie voortaan uitsluitend per brief zal plaatsvinden en dat de gemachtigde wordt verzocht met betrekking tot de BPM daarvoor één postadres te gebruiken, te weten dat van BPM Centraal punt Doetinchem. In deze brief staat duidelijk vermeld dat e-mailberichten en faxberichten met betrekking tot de BPM niet langer in behandeling zullen worden genomen. Voorts is gemachtigde per brief van 15 februari 2017 medegedeeld dat hem geen herstelmogelijkheid meer geboden zal worden en dat vanaf deze datum door de Belastingdienst niet meer zal worden gereageerd op per e-mail en/of fax ingediende bezwaren en andere formele verzoeken. De gemachtigde wist dus ten tijde van de (gestelde) verzending van het emailbericht op 24 februari 2017, dat dit bericht niet in behandeling zou worden genomen. Gelet op artikel 2:15, lid 2, Awb was de inspecteur hiertoe bevoegd.

4.18.

Het hof heeft overigens geen reden om te twijfelen aan het feit dat de schriftelijke ingebrekestelling op 6 maart 2017 is ontvangen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank de dwangsom op het juiste bedrag vastgesteld.

4. Heeft de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding terecht afgewezen?

4.19.

De rechtbank heeft in zijn uitspraak vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting van het onderhavige belastinggeschil niet is overschreden en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de (verlengde) redelijke termijn 52 maanden bedraagt en dat tussen de datum van ontvangst van het bezwaar (6 juni 2014) en de datum waarop de rechtbank uitspraak doet (2 november 2018) afgerond 52 maanden zijn verstreken. Deze berekening van de rechtbank is onjuist. Tussen 6 juni 2014 en 2 november 2018 zit, naar boven afgerond,7 een termijn van 53 maanden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg met één maand is overschreden.

4.20.

Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500.

4.21.

Wat betreft de toerekening van de overschrijding aan de respectieve schadeplichtigen (de inspecteur en de minister), overweegt het hof als volgt.

4.21.1.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 6 juni 2014 en de inspecteur heeft op 21 maart 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. De behandeling van het bezwaar heeft dus (afgerond) 34 maanden geduurd. De redelijke termijn wordt verlengd met de periode van 30 september 2014 tot en met 27 januari 2017, zodat de termijn voor behandeling van het bezwaar (afgerond) 6 maanden heeft geduurd. Gelet op de regel dat een bezwaarfase als onredelijk lang wordt beschouwd voor zover deze de duur daarvan een half jaar (6 maanden) overschrijdt,8 is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijk termijn niet aan de inspecteur kan worden toegerekend.

4.21.2.

Het beroepschrift is ontvangen op 26 april 2017 en de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 2 november 2018. De behandeling van het beroep heeft dus (afgerond) 19 maanden geduurd. Voor de beroepsfase geldt dat de termijn voor berechting als onredelijk wordt beschouwd voor zover zij meer dan anderhalf jaar (18 maanden) in beslag neemt.9 Gelet hierop dient de totale schadevergoeding van € 500 aan de minister te worden toegerekend.

4.22.

Belanghebbende stelt verder dat de rechtbank ten onrechte de redelijke termijn heeft verlengd met de periode van 30 september 2014 tot en met 27 januari 2017.

4.23.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing tot aanhouding, zoals opgenomen in de brief van 30 september 2014, is genomen na een daartoe strekkend verzoek van gemachtigde tijdens een hoorgesprek in andere vergelijkbare zaken. Gemachtigde heeft niet gereageerd op de brief van 30 september 2014 en pas na het verschijnen van het arrest van de Hoge Raad over de BTW-marge-kwestie een ingebrekestelling verstuurd. De aanhouding van de onderhavige zaak tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, berust dan ook op wederzijdse instemming. Daaraan doet niet af dat achteraf is gebleken dat in het bezwaarschrift ten onrechte een beroep is gedaan op de BTW-marge-kwestie. Gelet hierop heeft de rechtbank de redelijke termijn terecht verlengd en faalt de klacht van belanghebbende.

5. Dient de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen

4.24.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen. Belanghebbende beroept zich voor dit standpunt op een aantal arresten van het HvJ EU10.

4.25.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 201911 geoordeeld dat de wijze waarop verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden behandeld op zichzelf niet tot een inbreuk op de EU-rechtelijke grondrechten leidt. Het hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te beslissen.

6. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het griffierecht?

4.26.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over de door de rechtbank toegekende vergoeding van griffierecht. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 201812 dient het griffierecht binnen een termijn van vier weken na de datum waarop de rechtbank de bestreden uitspraak heeft gedaan, te worden voldaan en is vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd. De inspecteur dient hierover wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 2 november 2018 tot aan de dag van algehele voldoening. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat het griffierecht, en overigens ook de proceskosten, op 19 november 2018 zijn voldaan. Belanghebbende heeft dus geen recht op een rentevergoeding. Voor zover belanghebbende betoogt dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding faalt dit betoog.

7. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

4.27.

Belanghebbende heeft zich met verwijzing naar het Unierecht tegen de heffing van griffierecht respectievelijk de hoogte van het geheven griffierecht verzet.

4.28.

Het Unierecht, leidt er niet toe dat belanghebbende (gedeeltelijk) vrijgesteld dient te worden van de verplichting tot betaling van griffierecht. Het hof merkt voorts op dat belanghebbende geen beroep op (gedeeltelijke) vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gedaan.

8. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke proceskosten?

4.29.

De rechtbank heeft de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Belanghebbende betoogt dat het (wettelijk) systeem waarbij de (proces)kostenvergoeding in bezwaar en beroep forfaitair wordt vastgesteld een beperking vormt op het in artikel 47, derde alinea, Handvest gegarandeerde recht op advisering, verdediging en vertegenwoordiging. De inspecteur dient te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten, aldus belanghebbende.

4.30.

Het hof is van oordeel dat, anders dan belanghebbende stelt, artikel 47, derde alinea, Handvest de nationale rechter niet dwingt om de werkelijke proceskosten te vergoeden. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, duidt er naar het oordeel van het hof ook niet op dat het Unierecht, meer specifiek het evenredigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, dwingt tot het vergoeden van de werkelijke proceskosten.

4.31.

Belanghebbende stelt voorts dat hij recht heeft op tweemaal een proceskostenvergoeding, omdat enerzijds de verschuldigde belasting op een lager bedrag wordt vastgesteld en anderzijds een dwangsom wordt toegekend. Dit standpunt moet worden verworpen. Het beroep tegen de voldoening op aangifte heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover belanghebbende deze beschikking betwist.13 Er is dus sprake van één procedure waarvoor bij gegrondverklaring recht bestaat op een proceskostenvergoeding.

4.32.

Het hof is van oordeel dat wel sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, maar dat die omstandigheden aanleiding geven tot een lagere vergoeding, aangezien:

  • -

    de gemachtigde van belanghebbende in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent;

  • -

    tussen partijen in geen van die zaken verschil van inzicht bestaat over de feiten;

  • -

    in alle zaken in wisselende combinaties partijen steeds over dezelfde, juridische geschilpunten van mening verschillen;

  • -

    de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen.

Er is derhalve sprake van een zeer groot aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Onder die omstandigheden kan gemachtigde volstaan met het samenstellen van gedingstukken op basis van standaard-tekstblokken al naar gelang de rechtsvragen die in de betreffende procedure in geschil zijn. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Besluit, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Dat is onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Besluit. De vergoedingen op grond van het Besluit hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.14 Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem.15 Het hof merkt hierbij op dat dit anders is, indien in een individuele zaak de handelswaarde van de betreffende auto moet worden vastgesteld op basis van een taxatierapport (al dan niet gebaseerd op een koerslijstwaarde verminderd met getaxeerde schade). In een dergelijk geval dient in beginsel per individuele auto een beoordeling plaats te vinden. Indien de bepaling van de handelswaarde echter uitsluitend afhankelijk is van bepaalde rechtsvragen, waarbij, bijvoorbeeld, kan worden gedacht aan de discussie of vergeleken moet worden met een BTW-auto of een marge-auto, dan valt die zaak onder de hiervoor geformuleerde regel van bijzondere omstandigheden. In dit geval heeft te gelden dat in hoger beroep de omvang van de verschuldigde belasting niet langer in geschil is

4.33.

Het hof is van oordeel dat een bedrag van € 54,50 per zaak een redelijke tegemoetkoming van de kosten van bezwaar vormt. Ten aanzien van de procedure bij de rechtbank acht het hof een vergoeding van € 75 per zaak redelijk en voor hoger beroep bij het hof € 150 per zaak. Het hof is van oordeel dat bij dergelijke vergoedingen het niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om de aan een belanghebbende toekomende rechten te gelde te maken. Aangezien de inspecteur de door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor de kosten van de beroepsprocedure, niet heeft bestreden in hoger beroep, is er geen grond deze met toepassing van voormelde richtlijnen te corrigeren. Hetzelfde heeft te gelden in dit geval voor de kosten van bezwaar.

Tussenconclusie

4.34.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding

4.35.

Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep.

4.36.

Het pro forma hoger beroepschrift is ontvangen op 5 december 2018. De onderhavige uitspraak is meer dan twee jaar na ontvangst van het pro forma hoger beroepschrift gewezen. Het hof ziet echter aanleiding om de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep te verlengen.

4.37.

Deze verlenging heeft enerzijds betrekking op de periode van 26 november 2019 tot 18 februari 2020. Dit betreft de periode waarin diverse bij het hof aanhangige zaken (waaronder de onderhavige zaak), op verzoek van [gemachtigde] , zijn aangehouden wegens compromisbesprekingen die op dat moment bij rechtbank Gelderland gevoerd werden. Voorts verlengt het hof de redelijke termijn met de periode van 4 september 2020 tot 27 november 2020. Dit betreft de periode tussen de uitgestelde zitting van 4 september 2020 en de zitting van 27 november 2020. Het hof rekent de omstandigheid dat de zitting van 4 september 2020 geen doorgang heeft kunnen vinden toe aan belanghebbende. Deze vertraging is immers uitsluitend te wijten aan de gedragingen en het taalgebruik van [gemachtigde] .16 Rekening houdend met deze verlenging is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.38.

Het hof wijst het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep af.

Ten aanzien van het griffierecht

4.39.

Omdat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, dient de minister aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 253 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Ten aanzien van de proceskosten

4.40.

Omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de minister te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.41.

Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, en verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder 4.32 en 4.33. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van € 150 als vergoeding voor de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing over de overschrijding van de redelijke termijn betreft;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 253 vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 150, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 7 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2692.

2 ECLI:NL:HR:2017:45.

3 Vgl. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730.

4 Hoge Raad 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1619.

5 HvJ EU 18 april 2013, Mariana Irimie, ECLI:EU:C:2013:250.

6 ECLI:NL:HR:2018:1790, r.o. 5.

7 Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.1.

8 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1.

9 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1.

10 HvJ EU 26 november 2013, Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, onderdeel 90, 12 november 2014, Guardian, ECLI:EU:C:2014:2363, onderdelen 18 en 19 en 26 november 2016, Kendrion NV, ECLI:EU:C:2013:771, onderdeel 101.

11 Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.2.1 tot en met 2.2.5.

12 Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

13 Artikel 4.19, lid 1, Awb.

14 Zie Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415.

15 Vgl. Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2990.

16 Onder 1.10 en 4.1 tot en met 4.3.