Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4107

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
18/00672
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Gemachtigde geweigerd wegens beledigend taalgebruik. Geen recht op teruggaaf bij export auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-02-2021
FutD 2021-0529
NTFR 2021/640
NLF 2021/0647 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 18/00672

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 november 2018, nummer BRE 17/2057 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) in verband met uitvoer van een personenauto. De inspecteur heeft bij beschikking beslist dat het verzoek niet-ontvankelijk is.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De griffier van het hof heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 259. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 13 december 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch (hierna: de regiezitting). Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Op de regiezitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en een aantal andere zaken.

1.7.

Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.8.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 4 september 2020 heeft [gemachtigde] bij brief van 22 juni 2020 een verzoek tot wraking van de behandelende raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 27 augustus 2020 door de wrakingskamer afgewezen (registratienummer 200.279.971/01).

1.9.

Naar aanleiding van de door [gemachtigde] ingediende pleitnota voor de op 4 september 2020 geplande zitting heeft het hof [gemachtigde] , bij tussenuitspraak van 31 augustus 20201, geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen (hierna: de tussenuitspraak). De op 4 september 2020 geplande zitting is vervolgens uitgesteld. Belanghebbende heeft geen nieuwe gemachtigde aangewezen.

1.10.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen bij brief van 5 oktober 2020 gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord, met de mededeling dat indien partijen van dit recht gebruik willen maken, zij dat binnen twee weken schriftelijk kenbaar dienen te maken. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord.

1.11.

Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek op 30 november 2020 is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een autohandel. In dat kader exporteert hij incidenteel auto’s.

2.2.

Op 23 augustus 2016 heeft belanghebbende een auto, Renault Master, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), geëxporteerd. Belanghebbende stond tot die datum als houder van de auto in het kentekenregister geregistreerd. Op 25 november 2016 is de auto in Duitsland geregistreerd.

2.3.

Met dagtekening 30 november 2016 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf BPM op grond van artikel 14a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Hij verzoekt om een teruggaaf van € 1.342. Het verzoek om teruggaaf BPM is op 2 december 2016 door de inspecteur ontvangen.

2.4.

De inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking van 28 december 2016 laten weten dat hij het verzoek om teruggaaf BPM niet-ontvankelijk verklaart, omdat het verzoek buiten de 13-wekentermijn is gedaan.2 De inspecteur heeft het verzoek vervolgens aangemerkt als een ambtshalve verzoek om teruggaaf BPM.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen de beschikking. In de brief verzoekt belanghebbende om te worden gehoord.

2.6.

De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak van 21 maart 2017 kennelijk ongegrond verklaard. De inspecteur vermeldt in de uitspraak op bezwaar dat hij belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaar tijdens een hoorgesprek nader toe te lichten, omdat het bezwaar op grond van artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennelijk ongegrond is.

2.7.

De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen

  1. Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van BPM?

  2. Zijn de hoorplicht en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?

  3. Bestaat recht op een rentevergoeding over de teruggaaf van BPM?

  4. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van de inspecteur en tot een teruggaaf van BPM.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Tijdens de regiezitting heeft het hof [gemachtigde] voorgehouden dat hij diverse malen is gewaarschuwd wegens het bezigen van onbetamelijk taalgebruik, dat bij brief met dagtekening 1 november 2019 een laatste waarschuwing is gegeven, doch dat in nadien ontvangen stukken geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing. Het hof heeft [gemachtigde] voorgehouden dat, desondanks, geen consequenties verbonden zullen worden aan het ongepaste taalgebruik, indien hij bereid is de desbetreffende passages in te trekken en indien hij uitdrukkelijk verklaart dat hij zich in de toekomst van dit taalgebruik zal onthouden. [gemachtigde] heeft verklaard hier niet toe bereid te zijn.

4.2.

Nadat in een aantal andere zaken bij tussenuitspraak [gemachtigde] is geweigerd als gemachtigde, en [gemachtigde] in andere zaken expliciet te kennen had gegeven geen afstand te willen nemen van geuite beledigingen, heeft het hof bij brief van 2 april 2020 [gemachtigde] bericht dat het hof voornemens is hem geen herstelmogelijkheid meer te bieden indien nieuwe stukken met beledigingen worden ingediend en het hof daarin aanleiding ziet om een, zogenoemde, weigeringsbeslissing te nemen.

4.3.

De nadien, voor de zitting van 4 september 2020, ingediende pleitnota bevat opnieuw onbetamelijk taalgebruik. Het hof heeft hieraan, bij tussenuitspraak (zie onder 1.9), de onder 4.2. omschreven consequenties verbonden.

4.4.

Het hof is van mening dat [gemachtigde] door de hierboven onder 4.1 en 4.2 omschreven gang van zaken voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen om hem te weigeren.3 Onder deze bijzondere omstandigheden zou het telkens opnieuw gelegenheid bieden tot herstel, terwijl [gemachtigde] zo duidelijk heeft aangegeven zijn gedrag niet te willen aanpassen, een zinloze exercitie zijn. Dit neemt niet weg dat na het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 het hof [gemachtigde] in nieuwe zaken opnieuw gelegenheid tot herstel zal bieden, omdat het hof ervan uitgaat dat dit arrest voor [gemachtigde] reden kan zijn om zijn gedrag aan te passen.

4.5.

Het hof komt daarom niet terug op de tussenuitspraak van 31 augustus 2020. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt.

Ten aanzien van het geschil

1. Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van BPM?

4.6.

Op grond van artikel 14a, lid 1, Wet BPM kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen op aanvraag een teruggaaf van BPM worden verleend indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en vervolgens wordt ingeschreven in een andere EU- of EER-lidstaat. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken was gesteld direct vóór de beëindiging van de tenaamstelling in het kentekenregister.

4.7.

In artikel 4a, lid 1, Uitv.besl. BPM zijn de voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet worden om voor teruggaaf van BPM in aanmerking te komen. Eén van de voorwaarden is dat het verzoek om teruggaaf van BPM wordt gedaan binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.

4.8.

Vaststaat dat de tenaamstelling in het kentekenregister is vervallen op 23 augustus 2016. Het verzoek om teruggaaf BPM is op 2 december 2016 door de inspecteur ontvangen. Dit betekent dat het verzoek om teruggaaf BPM niet tijdig is gedaan.

4.9.

Belanghebbende betoogt dat het stellen van de 13-wekentermijn een ongerechtvaardigde belemmering vormt van de algemene beginselen van het Unierecht en in strijd komt met artikel 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Het hof verwerpt dit standpunt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 29 april 20164 reeds heeft geoordeeld, kan met betrekking tot de hoogte van het terug te geven bedrag aan BPM bij uitvoer naar een andere lidstaat niet met vrucht een beroep worden gedaan op artikel 110 VWEU, omdat de werkingssfeer van artikel 110 VWEU zich niet uitstrekt tot gevallen waarin wegens de uitvoer van goederen uit een lidstaat naar een andere lidstaat een (gedeeltelijke) teruggaaf plaatsvindt van eerder door eerstgenoemde lidstaat rechtmatig geheven binnenlandse belastingen.

2. Zijn de hoorplicht en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?

4.10.

Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur de hoorplicht van artikel 7:2 Awb heeft geschonden, wijst het hof dat betoog van belanghebbende af onder verwijzing naar overweging 4.5 van de rechtbank:

“4.5. Artikel 7:3 van de Awb bepaalt dat van het horen in de zin van artikel 7:2 van de Awb kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit de vaststaande feiten vloeit zonder meer voort dat het verzoek buiten de termijn daarvoor is ingediend. Voor dat geval is tevens duidelijk dat dan dat verzoek niet-ontvankelijk is. Een bezwaar waarbij dit ter beoordeling in heroverweging wordt genomen moet ongegrond worden verklaard. De rechtbank acht een dergelijke beslissing op bezwaar niet voor redelijke twijfel vatbaar. De inspecteur heeft daarom terecht het horen achterwege gelaten en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.”

4.11.

Het hof begrijpt dat belanghebbende tevens stelt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, omdat belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad om, voorafgaand aan de beslissing van de inspecteur van 28 december 2016, zijn bezwaren kenbaar te maken. Belanghebbende verwijst hiervoor naar het arrest Kamino.5 Aangezien deze zaak niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt (zie 4.9), faalt de stelling van belanghebbende reeds op die grond. Bovendien bestaat naar nationaal recht niet de verplichting om te horen voorafgaand aan het geven van een beschikking, zoals in deze zaak aan de orde.

3. Bestaat recht op een rentevergoeding over de teruggaaf van BPM?

4.12.

Aangezien belanghebbendes verzoek niet-ontvankelijk is verklaard en dus niet heeft geleid tot een teruggaaf van BPM, bestaat op basis van nationaal recht geen grond voor een rentevergoeding.

4.13.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat recht bestaat op een rentevergoeding over het belastingbedrag dat volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht is geheven. Dit recht vloeit volgens belanghebbende rechtstreeks voort uit het Unierecht. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat hij op grond van het Unierecht aanspraak maakt op rente over het bedrag van de geclaimde teruggaaf van BPM, faalt dit aangezien deze zaak niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt (zie 4.9).

4. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

4.14.

Belanghebbende heeft zich met verwijzing naar het Unierecht tegen de heffing van griffierecht respectievelijk de hoogte van het geheven griffierecht verzet.

4.15.

Nog daargelaten dat deze zaak niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt (zie 4.9), leidt het Unierecht er niet toe dat belanghebbende (gedeeltelijk) vrijgesteld dient te worden van de verplichting tot betaling van griffierecht. Het hof merkt voorts op dat belanghebbende geen beroep op (gedeeltelijke) vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gedaan.

Overig

4.16.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld kan niet leiden tot een gegrond hoger beroep.

Tussenconclusie

4.17.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep niet over de duur van de procedure geklaagd. Dit betekent dat het hof in beginsel niet is gehouden om te toetsen of de redelijke termijn is overschreden. In dit geval is dit anders, omdat geen onderzoek ter zitting bij het hof heeft plaatsgevonden, waardoor belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad om (uiterlijk) tijdens die zitting een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft belanghebbende bij brief van 5 oktober 2020 gewezen op zijn recht om tijdens een zitting te worden gehoord. Belanghebbende heeft daarop niet binnen de in de brief gestelde termijn, aldus uiterlijk op 19 oktober 2020, gereageerd. Het (pro forma) hoger beroepschrift van belanghebbende is ontvangen op 5 december 2018. Op 19 oktober 2020 was nog geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Een overschrijding was, uitgaande van een termijn van zes weken voor het doen van schriftelijke uitspraak,6ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende geen reden was om binnen de door het hof in de brief van 5 oktober 2020 gestelde termijn over de duur van de procedure te klagen. Het hof zal daarom ambtshalve beoordelen of de redelijke termijn is overschreden.

4.19.

De onderhavige uitspraak van het hof is meer dan twee jaar na ontvangst van het (pro forma) hoger beroepschrift gewezen. Dit betekent dat de hoger beroepsfase (afgerond) twee jaar en één maand heeft geduurd en de redelijke termijn dus is overschreden. Het hof ziet echter aanleiding om de redelijke termijn voor behandeling van het hoger beroep te verlengen. Deze verlenging heeft enerzijds betrekking op de periode van 26 november 2019 tot 18 februari 2020. Dit betreft de periode waarin diverse bij het hof aanhangige zaken (waaronder de onderhavige zaak), op verzoek van [gemachtigde] , zijn aangehouden wegens compromisbesprekingen die op dat moment bij rechtbank Gelderland gevoerd werden. Voorts verlengt het hof de redelijke termijn met de periode van 4 september 2020 tot 27 november 2020. Dit betreft de periode tussen de uitgestelde zitting van 4 september 2020 en de zitting van 27 november 2020. Het hof rekent de omstandigheid dat de zitting van 4 september 2020 geen doorgang heeft kunnen vinden toe aan belanghebbende. Deze vertraging is immers uitsluitend te wijten aan de gedragingen en het taalgebruik van [gemachtigde] .7 Rekening houdend met deze verlenging is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep

4.20.

Het hof acht daarom geen gronden aanwezig voor een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbende dat hij recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten geen verdere bespreking.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 7 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2692.

2 Artikel 4a, lid 1, letter c, Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitv.besl. BPM).

3 Vgl. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730.

4 Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753.

5 HvJ EU 3 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2041.

6 Artikel 8:66, lid 1, Awb.

7 Onder 1.9 en 4.2. tot en met 4.4.