Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:409

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
200.226.256_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8699
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8680
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6:166 BW en 6:179 BW. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in groepsverband. Vechtpartij op woonwagenkamp tussen twee groepen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Burgerlijk Wetboek Boek 6 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.226.256/01

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, Middelburg, C/02/291621 / HA ZA 14-906)

arrest van 11 februari 2020

in de zaak van

1. [appellant 1]

2 [appellant 2]

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

appellant sub 1 zal hierna [appellant 1] , appellant sub 2 [appellant 2] en appellanten gezamenlijk zullen [appellanten c.s.] worden genoemd.

advocaat: mr. R.M.A. Lensen,

tegen:

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie,

geïntimeerde sub 1 zal hierna [geïntimeerde 1] , geïntimeerde sub 2 [geïntimeerde 2] en geïntimeerden gezamenlijk zullen [geintimeerden c.s.] worden genoemd,

advocaat: mr. A.I. Cambier.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 18 februari 2015, 7 oktober 2015 en 31 mei 2017 die de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector handelsrecht, locaties Breda en Middelburg, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 31 augustus 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3.

[appellanten c.s.] vorderen in het (principaal) hoger beroep – samengevat – dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2015 en 31 mei 2017 in conventie en in reconventie zal vernietigen, voor zover althans in conventie enige vordering van [geintimeerden c.s.] is toegewezen, en die vorderingen alsnog af te wijzen, onder toewijzing van de door henzelf in eerste aanleg in reconventie ingestelde vorderingen, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten van beide instanties.

2.4.

[geïntimeerde 2] vordert in het incidenteel hoger beroep – samengevat – het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2015 te vernietigen ten aanzien van de afwijzing van zijn vorderingen en deze alsnog toe te wijzen als gevorderd in eerste aanleg, met uitzondering van de vordering in het petitum onder III, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 7 oktober 2015 feiten vastgesteld. Daartegen is geen grief gericht of anderszins bezwaar gemaakt. Die feiten gelden daarom ook in hoger beroep als uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met de feiten zoals die in hoger beroep zijn gesteld en niet voldoende zijn weersproken, gaat het in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn broers van elkaar. [appellant 1] en [appellant 2] zijn vader en zoon. Allen woonden op een woonwagenkamp bij [woonplaats] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren ieder (mede)eigenaar van een perceel op het kamp met elk een woonwagen in eigendom. [appellant 1] en [appellant 2] huren ieder een perceel op het kamp met daarop een woonwagen in eigendom. Tussen [geintimeerden c.s.] en [appellanten c.s.] zijn op enig moment spanningen ontstaan. Daarbij was ook de vader van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrokken, genaamd [de vader van geintimeerden c.s.] , die vaak op het kamp bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aanwezig was. In april 2013 heeft op het kamp een vechtpartij plaatsgevonden tussen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [de vader van geintimeerden c.s.] met [appellant 2] en [appellant 1] . Daarbij waren ook de twee honden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrokken. Op 11 november 2013 is de situatie tussen partijen verder geëscaleerd. Er heeft die dag een oproer plaatsgehad waarbij ook andere familieleden van [appellant 2] en [appellant 1] betrokken waren. De ruiten van de woonwagen van [geïntimeerde 1] zijn toen ingeslagen en zijn auto is vernield. [geintimeerden c.s.] hebben daarna het woonwagenkamp verlaten en wonen inmiddels elders. [geintimeerden c.s.] houden [appellanten c.s.] aansprakelijk voor schade die volgens hen is ontstaan als gevolg van de gebeurtenissen op 11 november 2013. [appellanten c.s.] houden [geintimeerden c.s.] aansprakelijk voor schade die volgens hen is ontstaan als gevolg van de gebeurtenissen in april 2013. Zij hebben over en weer vorderingen ingesteld gebaseerd op onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW en 6:166 BW (onrechtmatig schade toebrengen in groepsverband). [appellant 1] heeft zijn vordering mede gebaseerd op artikel 6:179 BW (aansprakelijkheid voor door een dier aangerichte schade).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geintimeerden c.s.] hebben in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd:

- een verklaring voor recht dat [appellanten c.s.] zich jegens hen onrechtmatig hebben gedragen in de zin van artikel 6:162 juncto 6:166 BW en dat [geintimeerden c.s.] als gevolg daarvan schade hebben geleden waarvoor [appellanten c.s.] hoofdelijk aansprakelijk zijn,

- [appellanten c.s.] te veroordelen tot het betalen van de hiervoor bedoelde schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- [appellanten c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de definitieve schade van € 10.000,00,

- hoofdelijke veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van de procedure, die van de beslaglegging daaronder begrepen.

4.2

[appellanten c.s.] hebben in eerste aanleg (in reconventie) – samengevat – gevorderd:

- te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ieder voor zich onrechtmatig jegens [appellant 2] hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 en/of 6:166 BW en dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens [appellant 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot vergoeding van die schade aan [appellant 2] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ieder voor zich onrechtmatig jegens [appellant 1] hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 en/of 6:166 BW en/of 6:179 BW (al dan niet in samenhang met artikel 6:166 BW) en dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens [appellant 1] ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot vergoeding van die schade aan [appellant 1] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

alles met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [appellant 2] (bedoeld zal zijn: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) in de kosten van het geding in conventie en in reconventie, jegens zowel [appellant 2] als [appellant 1] .

4.3

In het vonnis van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank in conventie geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde 2] moet worden afgewezen en de vordering van [geïntimeerde 1] zal worden toegewezen. De beslissing daarover is aangehouden tot het eindvonnis. De vordering in conventie van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een voorschot is afgewezen.

In dit vonnis is verder in reconventie [appellant 2] toegelaten te bewijzen dat hij op 13 april 2013 door [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] of [de vader van geintimeerden c.s.] is getrapt, waardoor hij mogelijk schade heeft geleden. Ten aanzien van de vordering in reconventie van [appellant 1] heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat hij schade heeft geleden en is iedere verdere beslissing aangehouden.

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 31 mei 2017 in conventie alleen de vordering van [geïntimeerde 1] toegewezen, inhoudende de gevorderde verklaring voor recht, de veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat en een proceskostenveroordeling. De vorderingen van [geïntimeerde 2] in conventie zijn afgewezen, waarbij de proceskosten zijn gecompenseerd. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant 2] niet in het bewijs is geslaagd. De reconventionele vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] zijn afgewezen, met veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellanten c.s.] hebben in principaal appel tien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd. De grieven I tot en met VI richten zich tegen de beslissingen in conventie en de grieven VII tot en met X richten zich tegen de beslissingen in reconventie.

[geïntimeerde 2] heeft in incidenteel appel één grief gericht tegen het vonnis van 7 oktober 2015 in conventie gewezen.

Grief I in principaal appel

5.2.

Met hun eerste grief komen [appellanten c.s.] op tegen de verwerping door de rechtbank van hun verweer dat [geïntimeerde 1] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. [geïntimeerde 1] heeft ter onderbouwing van de gestelde schade door onrechtmatige daden gepleegd door [appellant 2] en [appellant 1] aangevoerd dat [appellant 2] en [appellant 1] en hun kompanen inbreuk hebben gemaakt op zijn eigendomsrecht, door de ruiten van zijn woonwagen en die van zijn auto te vernielen op 11 november 2013. Door de onrechtmatige gedragingen van [appellant 2] en [appellant 1] van 11 november 2013 voelde hij zich niet meer veilig en stelt [geïntimeerde 1] niet meer op het kamp te kunnen wonen, waardoor hij zijn woonwagen en het perceel met verlies en bijkomende kosten moest verkopen. Daardoor stelt hij schade te hebben geleden. [geïntimeerde 1] heeft aldus voldoende feiten gesteld om de vordering te kunnen dragen, zodat hij aan zijn stelplicht heeft voldaan. Grief I faalt daarmee.

Grieven I tot en met IV in principaal appel

5.3.

Een volgende vraag is of de feiten en omstandigheden die [geïntimeerde 1] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, in het licht van het verweer van [appellanten c.s.] , zijn komen vast te staan. Feitelijk ziet grief I van [appellanten c.s.] niet slechts op het verweer over de stelplicht, maar ook op de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten en omstandigheden. Ook de grieven II tot en met IV zien daar op. Het gaat er - kort gezegd - om of [appellant 1] en [appellant 2] op 11 november 2013 (in groepsverband) een onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens [geïntimeerde 1] , waardoor [geïntimeerde 1] schade heeft geleden waarvoor [appellant 1] en [appellant 2] aansprakelijk zijn. De grieven I tot en met IV worden hierna gezamenlijk behandeld.

5.4.

Voorop wordt gesteld dat de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW is geconstrueerd als een aansprakelijkheid op grond van eigen onrechtmatige daad, die bestaat uit deelneming aan het groepsoptreden. Het gaat dan om een groepsoptreden dat het gevaar heeft doen ontstaan voor toebrenging van schade door een of meer deelnemers, waarmee de individuele deelnemer aan dat groepsoptreden onrechtmatig handelt, ook als zijn gedraging los van het groepsoptreden op zichzelf nog niet als onrechtmatig wordt beschouwd. De aansprakelijkheid vloeit dan voort uit de enkele overtreding van de norm dat de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Anders dan [appellanten c.s.] stellen, is het niet noodzakelijk dat de deelnemers aan de groep hun gedragingen bewust op elkaar afstemmen. Voldoende is dat de deelnemers bewust hun gedragingen in gemeenschap brengen met anderen. Het gaat dan om een eigen gedraging die bewust is ingebracht in het gemeenschappelijk optreden.

Dat hiervan sprake was, blijkt in dit geval onder meer uit de onderlinge solidariteit tussen de deelnemers aan de groep. Zo stonden blijkens de in het vonnis van 7 oktober 2015 weergegeven gedeelten van processen-verbaal van politie op 11 november 2013 [appellant 1] , [appellant 2] , [de dochter van appellant 1] (de dochter van [appellant 1] ) en derden van de zijde van [appellanten c.s.] te schreeuwen voor de caravan van [geïntimeerde 1] , dat ze naar buiten moesten komen. [appellant 2] en [naam] hebben samen ramen van de caravan van [geïntimeerde 1] ingeslagen. In de verklaring van [geïntimeerde 2] staat vermeld dat er heel veel auto’s het kamp opgereden kwamen, waaruit vier of vijf personen stapten met een knuppel of ijzeren staaf in de handen en dat deze met [appellant 1] en [appellant 2] naar de auto’s van [geïntimeerde 1] en [de vader van geintimeerden c.s.] liepen en deze vernielden. Ondertussen kwamen er nog meer auto’s het kamp oprijden. Er waren verschillende familieleden van [appellant 2] en [appellant 1] bij de groep aanwezig. Er is voldoende komen vast te staan dat (ook) [appellant 2] ruiten heeft ingegooid van de caravan van [geïntimeerde 1] . Niet alleen bevestigen de verklaringen van [de vader van geintimeerden c.s.] , [geïntimeerde 2] en [getuige] dit, maar ook hebben diverse andere personen verklaard dat [appellant 2] het fietsje van [het zoontje van geintimeerde 1] , het zoontje van [geïntimeerde 1] , door de ruit heeft gegooid, wat door beide verbalisanten is waargenomen. [appellant 2] is hiervoor ook veroordeeld tot een werkstraf van 50 uur voor openbare geweldpleging op 11 november 2013. Uit de processen-verbaal van politie blijkt dat ook [appellant 1] bewust eigen gedragingen heeft ingebracht in het groepsoptreden, waar hij stond te schreeuwen voor de woonwagen van [geïntimeerde 1] dat hij naar buiten moest komen en hij met een ijzeren staaf de auto van [geïntimeerde 1] heeft vernield. Grief II, waarin [appellanten c.s.] betogen dat [appellant 2] geen ruiten heeft ingegooid, faalt dan ook. De conclusie luidt dat [appellant 1] en [appellant 2] de hiervoor omschreven norm hebben overtreden.

5.5.

Vervolgens moet worden beoordeeld of [appellanten c.s.] wisten of behoorden te begrijpen dat het groepsoptreden op 11 november 2013 het gevaar in het leven riep dat schade zou ontstaan zoals [geïntimeerde 1] die stelt te hebben geleden. Het gaat kort gezegd om de schade van de gedwongen verhuizing als gevolg van de onrechtmatige daad (samengevat: verhuiskosten, dubbele woonlasten en lagere opbrengst woonwagen en perceel bij noodgedwongen verkoop). De gedragingen in groepsverband bestonden eruit dat een groep die naast [appellanten c.s.] voor een groot deel bestond uit familie van [appellanten c.s.] , gewapend met knuppels of ijzeren staven in hun handen, zich opgefokt gedroeg. Schreeuwend zijn met die staven en knuppels de ruiten ingeslagen van de caravan van [geïntimeerde 1] en de auto’s van [geïntimeerde 1] en [de vader van geintimeerden c.s.] . Daarmee was het gevaar voor het aldus toebrengen van de gerealiseerde schade voorzienbaar. De aard van de gedragingen, met name het voor [geïntimeerde 1] dreigende karakter daarvan, ging veel verder dan enkel het toebrengen van materiële schade aan de caravan en de auto’s. Het komt er op neer dat [geïntimeerde 1] in zijn eigen woning en op zijn eigen terrein is bedreigd door onder meer zijn directe buren. Dit zijn bij uitstek de plekken waar een persoon zich veilig moet kunnen voelen. Daar waar de bedreigingen ook door buren plaatsvonden, is naar het oordeel van het hof te begrijpen dat [geïntimeerde 1] zich gedwongen voelde, in ieder geval tijdelijk, elders te wonen. Anders dan [appellanten c.s.] stellen, kan niet worden geoordeeld dat de verhuizing en verkoop van de woonwagen en het perceel een gevolg is van de eigen keuze van [geïntimeerde 1] om niet meer op het kamp te willen wonen. Dat [geïntimeerde 1] gewoon het ongestoorde genot van zijn eigendom op het kamp kan genieten zoals [appellanten c.s.] stellen, is in het licht van de ernst van de gebeurtenissen van 11 november 2013 niet geloofwaardig.

Voor zover [appellanten c.s.] nog stelling hebben genomen tegen het meewegen van het belang van [het zoontje van geintimeerde 1] , het zoontje van [geïntimeerde 1] , bij de noodzaak tot verhuizing van het kamp, wordt als volgt overwogen. Het belang van [het zoontje van geintimeerde 1] speelt een rol bij het oordeel dat het aannemelijk is dat het voor [geïntimeerde 1] noodzakelijk was om elders dan op het kamp te verblijven, maar is niet op zichzelf van doorslaggevende betekenis. Ook wat betreft [geïntimeerde 1] zelf is aannemelijk dat die noodzaak aanwezig was, gelet op de ernst van de gebeurtenissen op 11 november 2013. Dat [het zoontje van geintimeerde 1] geen partij is in deze zaak, doet daaraan niet af.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven I tot en met IV falen.

Grief VII in principaal appel

5.6.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant 1] in reconventie afgewezen, overwegende dat onvoldoende aannemelijk was geworden dat hij schade had geleden bij de (eerste) vechtpartij op 13 april 2013. Met deze grief komt [appellant 1] daar tegenop. [appellant 1] stelt ter onderbouwing van zijn stelling dat hij toen schade heeft geleden, dat hij ontsierende littekens heeft opgelopen op zijn arm en been, als gevolg van beten van de honden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en dat hij slagen op zijn hoofd heeft gehad waardoor hij verminderd inzetbaar is geweest in zijn onderneming. Daardoor heeft hij inkomensschade geleden. Hij verwijst daartoe onder meer naar passages uit verklaringen in processen-verbaal van politie (van hemzelf, van [appellant 2] , van de moeder van [appellant 2] genaamd [de moeder van geintimeerde 2] en van [de ex-schoonzuster van de moeder van geintimeerde 2] die de ex-schoonzuster is van [de moeder van geintimeerde 2] ).

[geintimeerden c.s.] hebben betwist dat [appellant 1] bij het gevecht letsel heeft opgelopen door mens of dier, materieel of immaterieel. Uit de bij de politie afgelegde verklaringen volgt genoegzaam dat op 13 april 2013 in groepsverband door [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [de vader van geintimeerden c.s.] met [appellant 1] en [appellant 2] is gevochten. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan en daartegen is geen grief gericht. Door te vechten in groepsverband is gevaar geschapen voor schade, wat door [geintimeerden c.s.] bewust is aanvaard. Voor zover [geintimeerden c.s.] betwisten dat sprake was van een groepsoptreden, hebben zij dit niet nader onderbouwd. Gelet op de inhoud van de bij de politie afgelegde verklaringen valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat geen sprake was van een groepsverband. Dit betekent dat als komt vast te staan dat [appellant 1] door hun toedoen, bijvoorbeeld doordat hij is geslagen en daardoor letsel heeft opgelopen, [geintimeerden c.s.] hiervoor als deelnemers aan het gevecht (mede) aansprakelijk kunnen zijn.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 1] zijn stelling voldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden door het optreden van [geintimeerden c.s.] , in de vorm van (hoofd)pijn en inkomensverlies, als gevolg van het onrechtmatig handelen in groepsverband van [geintimeerden c.s.] Daarnaast heeft [appellant 1] zijn stelling voldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden in de vorm van pijn en littekens als gevolg van beten van de honden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (6:179 BW, risico aansprakelijkheid voor schade door dieren). Zo heeft [appellant 1] blijkens het proces-verbaal van politie van 18 november 2013 verklaard dat hij werd gepakt door [de vader van geintimeerden c.s.] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] en hun twee honden en dat hij werd gebeten door die honden (productie 7 bij inleidende dagvaarding, blz. 123). [de moeder van geintimeerde 2] heeft blijkens het proces-verbaal van politie van 18 november 2013 over het voorval in het voorjaar van 2013 verklaard dat [appellant 1] naar het kamp was gekomen en toen door drie man en twee honden werd belaagd en dat hij flink klappen heeft gehad van de familie [geintimeerden c.s.] en gebeten was door de honden van [de vader van geintimeerden c.s.] . [de ex-schoonzuster van de moeder van geintimeerde 2] heeft blijkens het proces-verbaal van politie van 20 november 2013 verklaard over het voorval van een halfjaar daarvoor dat zij bij [de moeder van geintimeerde 2] kwam en zag dat [appellant 1] op de [straat 1] liep en net door de honden van [de vader van geintimeerden c.s.] gebeten was en dat hij haar de bijtwonden van die honden in zijn been liet zien. Al deze verklaringen zien op de vermelde punten op het voorval in het voorjaar van 2013.

Hier tegenover is de enkele betwisting door [geintimeerden c.s.] dat [appellant 1] door honden is gebeten en dat hij letsel heeft opgelopen onvoldoende concreet.

De conclusie moet zijn dat de grief slaagt. De gevorderde verklaring voor recht zal als na te melden worden toegewezen.

Voor verwijzing naar een schadestaatprocedure is voldoende dat aannemelijk wordt gemaakt de mogelijkheid dat schade is geleden. Voor deze verwijzing is niet vereist dat [appellant 1] de schade reeds nu bewijst. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal eveneens worden toegewezen.

Grieven VIII en IX in principaal appel

5.7.

De rechtbank heeft [appellant 2] bewijs opgedragen van zijn stelling dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] of [de vader van geintimeerden c.s.] hem op 13 april 2013 heeft getrapt, waardoor hij mogelijk schade heeft geleden. Met grief VIII voeren [appellanten c.s.] aan dat deze bewijsopdracht ten onrechte aan [appellant 2] is verstrekt.

De vordering van [appellant 2] is gebaseerd op de stelling dat de kniebanden van zijn linkerbeen zijn gescheurd door mishandeling in de vorm van schoppen tegen zijn knie door [geintimeerden c.s.] en [de vader van geintimeerden c.s.] . Omdat [geintimeerden c.s.] hadden betwist dat er is geschopt en dat [appellant 2] , als er wel was geschopt, daardoor schade heeft geleden, is aan [appellant 2] de bewijsopdracht gegeven. Bij het vaststellen van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad op de voet van de artikelen 6:162 en 6:166 lid 1 BW gaat het om het onrechtmatig toebrengen van schade door de andere partij. Gezien de betwisting door [geintimeerden c.s.] , moet daarom eerst vast komen te staan dat [appellant 2] schade heeft geleden door toedoen van [geintimeerden c.s.] In die zin is de bewijsopdracht op goede gronden gegeven en faalt grief VIII.

5.8.

In hoger beroep heeft [appellant 2] aangevoerd dat, gelet op de overweging van de rechtbank onder 4.13 van het vonnis van 7 oktober 2015, niet relevant is of zijn knieletsel is ontstaan door een trap van [geintimeerden c.s.] of [de vader van geintimeerden c.s.] , of dat dit letsel het gevolg is van het wegdraaien teneinde een klap of trap te ontwijken van [geintimeerden c.s.] of [de vader van geintimeerden c.s.] . In beide situaties is het letsel door toedoen van [geintimeerden c.s.] opgelopen.

Het enkele gegeven dat zowel in de situatie dat het gestelde knieletsel van [appellant 2] is ontstaan door een schop van [geintimeerden c.s.] of [de vader van geintimeerden c.s.] , als in de situatie dat dit letsel is ontstaan doordat [appellant 2] wegdraaide om een klap van [geïntimeerde 1] te ontwijken, er sprake kan zijn van aansprakelijkheid van [geintimeerden c.s.] uit onrechtmatige daad, brengt niet mee dat in het midden kan blijven wat de feitelijke toedracht is geweest die tot het letsel van [appellant 2] heeft geleid. Voor de omvang van de schade en de aansprakelijkheid kan dit immers verschil maken. Het is aan [appellant 2] als eisende partij om over die oorzaak duidelijkheid te verschaffen. Daar waar [appellant 2] stelt dat hij tegen zijn knie is geschopt zal dit dan ook vast moeten komen te staan. De getuigenverklaringen in de enquête aan de zijde van [appellant 2] bevestigen zijn stelling dat [de vader van geintimeerden c.s.] tegen zijn knie heeft geschopt. Dit wordt echter ontkracht door de verklaringen in contra-enquête van de zijde van [geintimeerden c.s.] , waar de getuigen allen verklaren dat [appellant 2] zijn knie heeft verdraaid nadat hij eerst [geïntimeerde 1] had proberen te slaan, waarna [geïntimeerde 1] hem probeerde terug te slaan en hij die klap probeerde ontwijken. Bij dat ontwijken heeft hij een verkeerde beweging gemaakt met zijn knie, aldus de getuigen aan de zijde van [geintimeerden c.s.] Deze verklaringen in contra-enquête worden bevestigd door de eigen verklaring van [appellant 2] die hij bij de politie heeft afgelegd op 22 april 2013, dus net na het voorval, waar hij verklaarde dat [geïntimeerde 1] richting zijn gezicht sloeg en dat hij ( [appellant 2] ) draaide om de klap te ontwijken en daarbij een blessure aan zijn kniebanden opliep. Deze verklaringen vinden bovendien steun in de door [appellant 2] in het geding gebrachte medische verklaring van een orthopedisch chirurg, waarin wordt gerept van een torsietrauma. Pas later, op 18 november 2013, heeft [appellant 2] bij de politie een andere versie van het gebeuren gegeven, namelijk dat [de vader van geintimeerden c.s.] tegen zijn knie trapte. Bij deze stand van zaken kan in ieder geval niet worden vastgesteld dat het letsel aan [appellant 2] knie door een trap is ontstaan. In zoverre houdt het oordeel van de rechtbank stand. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om nader te onderzoeken of het letsel door een torsie is ontstaan omdat de stellingen van [appellant 2] daar niet op zijn gericht. Het enkele betoog van [appellant 2] dat een torsie ook tot aansprakelijkheid van de wederpartij kan leiden is in dat kader te mager omdat daaruit niet volgt dat [appellant 2] meent dat de gestelde schade aan zijn knie door een torsie is ontstaan. Ook wordt niet toegekomen aan het door [appellant 2] aangeboden bewijs van zijn stelling dat het knieletsel een gevolg kan zijn van een trap op of bij zijn knie. Het gaat er hier immers om wat het letsel daadwerkelijk heeft veroorzaakt: een trap van de wederpartij of een torsie. Die onduidelijkheid wordt niet weggenomen als komt vast te staan dat het letsel, dat volgens de orthopedisch chirurg duidt op een torsietrauma, ook door een trap zou kunnen zijn veroorzaakt.

Tot slot werpt het gegeven dat, zoals [appellant 2] aanvoert, de verklaringen in contra-enquête opmerkelijk eenvormig zijn en kennelijk van tevoren op elkaar zijn afgestemd, in dit kader geen ander licht op de zaak omdat de hier geconstateerde onduidelijkheid vooral wordt veroorzaakt doordat [appellant 2] zelf wisselende standpunten heeft ingenomen. De grieven VIII en IX falen aldus.

In incidenteel appel

5.9.

[geïntimeerde 2] heeft incidenteel appel ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 7 oktober 2015, waar de rechtbank heeft overwogen dat hij niet aan de stelplicht heeft voldaan ten aanzien van de onderbouwing van de gestelde onrechtmatige daden, al dan niet in groepsverband.

[appellanten c.s.] hebben als verweer aangevoerd dat [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk is in het incidenteel appel, omdat hij geen grief heeft gericht tegen het eindvonnis van 31 mei 2017, waarin de vordering van [geïntimeerde 2] is afgewezen.

Op zichzelf is juist dat [geïntimeerde 2] zijn incidenteel appel niet uitdrukkelijk heeft ingesteld tegen het eindvonnis van 31 mei 2017, waarin is verwezen naar de overweging in het tussenvonnis van 7 oktober 2015 inhoudende dat de vordering van [geïntimeerde 2] zal worden afgewezen. De beslissing op die overweging in het tussenvonnis is aangehouden tot het eindvonnis en in het eindvonnis is de vordering van [geïntimeerde 2] afgewezen. In aanmerking genomen dat het petitum in het incidenteel appel gelijk is aan de vordering zoals die in eerste aanleg was ingesteld en gelet op de inhoud van de grief in incidenteel appel, laat de grief geen andere uitleg toe dan dat [geïntimeerde 2] ook van het eindvonnis in hoger beroep kwam, voor zover daarin zijn vordering is afgewezen. Voor [appellanten c.s.] was duidelijk wat [geïntimeerde 2] met zijn grief beoogde en zij hebben daartegen ook (subsidiair) verweer gevoerd. Het verweer faalt.

5.10.

Het hof is evenwel van oordeel dat geen sprake is van aansprakelijkheid van [appellanten c.s.] jegens [geïntimeerde 2] op grond van onrechtmatige daad door [appellant 1] of [appellant 2] of in groepsverband gepleegd. Op het moment dat [appellanten c.s.] (in groepsverband) op 11 november 2013 de ramen van de caravan van [geïntimeerde 1] insloegen, de ramen van diens auto vernielden en er in opgefokte sfeer werd geschreeuwd rond de caravan van [geïntimeerde 1] , bevond [geïntimeerde 2] zich in zijn eigen caravan en begaf hij zich niet in het tumult. Hoewel voorstelbaar is dat [geïntimeerde 2] na deze gebeurtenissen niet meer op het kamp wilde wonen, kan niet worden geoordeeld dat voor [appellanten c.s.] voorzienbaar was dat de kans bestond op het aldus toebrengen van de gestelde schade (die bestaat uit vermogensverlies als gevolg van de verkoop van de caravan en het perceel van [geïntimeerde 2] en bijkomende kosten), in die zin dat dit [appellanten c.s.] had moeten weerhouden van hun gedragingen (in groepsverband), die immers rond de caravan en auto van [geïntimeerde 1] speelden, waar [geïntimeerde 2] op dat moment niet bij was. De enkele uitlating van [appellant 1] dat er niets zou gebeuren als [geïntimeerde 2] in zijn caravan bleef, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen oordelen dat [appellant 1] aansprakelijk is voor schade van [geïntimeerde 2] als gevolg van de verkoop van de caravan, het perceel en bijkomende kosten. Er is onvoldoende causaal verband tussen het doen van die uitlating, ook bezien in de sfeer van de gebeurtenissen op 11 november 2013, en de door [geïntimeerde 2] geleden schade. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Uit het voorgaande volgt dat de conclusie is dat de grief in incidenteel appel faalt.

[geïntimeerde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidentele appel worden veroordeeld.

Grieven V, VI en X in principaal appel

5.11.

De grieven V, VI en X in het appel van [appellanten c.s.] zien op de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie. Het hof is van oordeel dat de proceskosten over en weer gecompenseerd moeten worden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld en gedeeltelijk in het ongelijk.

6 De slotsom

6.1.

De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en er zal opnieuw recht worden gedaan. De gevorderde verklaringen voor recht zullen worden aangepast als hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Handelsrecht, Breda en Middelburg, van 7 oktober 2015 en 31 mei 2017 en, opnieuw rechtdoende,

ten aanzien van [geïntimeerde 1]

verklaart voor recht dat [appellant 1] en [appellant 2] zich jegens [geïntimeerde 1] in groepsverband onrechtmatig hebben gedragen en dat [geïntimeerde 1] als gevolg daarvan schade heeft geleden waarvoor [appellant 1] en [appellant 2] op de voet van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn,

veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk tot vergoeding van de hiervoor bedoelde schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

verklaart de hoofdelijke veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] tot vergoeding van die schade aan [geïntimeerde 1] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, uitvoerbaar bij voorraad,

ten aanzien van [appellant 1]

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens [appellant 1] hebben gehandeld en dat zij op de voet van artikel 6:166 BW en 6:179 BW jegens [appellant 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot vergoeding van die schade aan [appellant 1] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

verklaart de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot vergoeding van die schade aan [appellant 1] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en in reconventie en in hoger beroep in principaal en in incidenteel appel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en P. Kuipers, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.

griffier rolraadsheer