Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
20/00120
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5849, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanslag IB/PVV 2012 is door de inspecteur naar het juiste bedrag vastgesteld. Ter zake van de ontnemingsvordering zijn in 2012, noch in andere jaren, betalingen verricht, zodat de inspecteur bij de vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning in 2012 terecht geen rekening gehouden heeft met de betaling van de ontnemingsvordering (in de vorm van verrekenbare verliezen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-02-2021
NTFR 2021/538
V-N Vandaag 2021/366
FutD 2021-0506
V-N 2021/477
V-N 2021/12.20.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00120

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 december 2019, nummer BRE 18/315, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 (hierna: IB/PVV 2012) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingesteld.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan en van een bijlage overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende dreef sinds juni 1997 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. In 2004 is de onderneming ingebracht in [bedrijf] BV. De activiteiten bestaan voornamelijk uit de in- en verkoop van tweedehands auto’s en daarnaast uit onder andere het verrichten van onderhoud en reparaties aan auto’s.

2.2.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en omzetbelasting over de jaren 1997 tot en met 2004. Het onderzoek is aangevangen in april 2001 en afgerond in mei 2006.

2.3.

Op 12 juni 2003 is een strafrechtelijk onderzoek jegens belanghebbende

ingesteld. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch belanghebbende bij arrest van 4 juni 2008 veroordeeld wegens (gewoonte)witwassen, valsheid in geschrifte en overtreding van de Wet inzake de wisselkantoren.1

2.4.

Bij vonnis van 30 juli 2013 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een ontnemingsvordering uitgesproken van € 1.605.628.2 In hoger beroep heeft Hof den Bosch op 1 mei 2019 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.585.472 en de ontnemingsvordering verminderd tot € 1.575.472.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Dit cassatieberoep is nog in behandeling. Belanghebbende heeft in 2012 ter zake van de ontnemingsvordering geen bedragen voldaan.

2.5.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het bij belanghebbende ingestelde

boekenonderzoek en het strafrechtelijk onderzoek zijn aan belanghebbende voor de jaren

2000 tot en met 2004 (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd. In hoger beroep heeft Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 augustus 2016 de belastbare inkomens uit werk en woning voor 2000 vastgesteld op ƒ 861.012 (€ 390.710), voor 2001 op € 737.520, voor 2002 op € 623.740, voor 2003 op € 1.299.820 en voor 2004 op € 70.604.4 De betreffende aanslagen staan onherroepelijk vast na een ongegrond verklaard cassatieberoep.5

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2017 aan Gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden verzocht om herziening van de uitspraken van 9 augustus 2016. Het hof heeft dit verzoek op 31 juli 2018 afgewezen.6 De Hoge Raad heeft het hiertegen gerichte cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO ongegrond verklaard.7

2.6.

Op 30 april 2014 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2012 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 19.345. De definitieve aanslag is met dagtekening 27 februari 2015 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

2.7.

Voor het verdere verloop van de procedure verwijst het hof naar wat vermeld is onder 1.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het belastbare inkomen uit werk en woning juist is vastgesteld.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag tot naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat ter zake van de samenloop van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de belastingheffing over dat voordeel ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden tussen het openbaar ministerie (OM) en de Belastingdienst. Hij verwijst daarbij naar het Besluit van 31 oktober 2001, nr. [nummer] . Het is volgens belanghebbende aan de inspecteur om ervoor te zorgen dat dat overleg alsnog plaatsvindt. Dat overleg zou er toe kunnen leiden dat het te ontnemen wederrechtelijk voordeel als verlies in de jaren 2000 tot en met 2004 kan worden aangemerkt. Dat verlies zou dan verrekend kunnen worden met het belastbare inkomen uit werk en woning van 2012, waarna dat inkomen op nihil gesteld moet worden. Omdat de inspecteur weigert om dat overleg te plegen handelt hij in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende verzoekt het hof de procedure aan te houden zodat het overleg alsnog kan plaatsvinden.

4.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet over compensabele verliezen beschikt over de jaren 2000 tot en met 2004 en ook niet over de jaren 2005 tot en met 2011, waarmee het inkomen uit 2012 kan worden verrekend, zodat het belastbare inkomen uit werk en woning over 2012 juist is vastgesteld. De inspecteur bestrijdt verder, onder verwijzing naar punt 4.4. van de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 augustus 2016 (zie 2.5), dat er geen contact is geweest tussen het OM en de Belastingdienst. Tot slot wijst de inspecteur op Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299, waarin is beslist dat de ontnemingsvordering pas in mindering komt op het inkomen in het jaar van betaling. Omdat belanghebbende procedeert tegen de ontnemingsvordering en van betaling op de ontnemingsvordering in 2012 geen sprake is, vermindert de ontnemingsvordering de belastingheffing in 2012 niet, aldus de inspecteur.

4.3.

Ingevolge artikel 3.150 Wet IB 2001 worden verliezen uit werk en woning verrekend met de inkomens uit werk en woning van, voor zover hier van belang, de negen volgende kalenderjaren. Op grond van artikel 3.151 van deze wet worden verliezen vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. In artikel 3.153, lid 1, Wet IB 2001 is bepaald dat verrekening van een verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een volgend kalenderjaar plaatsvindt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ingevolge het vierde lid van artikel 3.153 Wet IB 2001 kunnen rechtsmiddelen tegen (het uitblijven van) zo’n beschikking uitsluitend betrekking hebben op de volgorde en de grootte van de verrekening, maar niet op de vaststelling van het verlies zelf. Deze bepaling voorkomt dat, na de mogelijkheid van bezwaar tegen (het uitblijven van) de vaststelling van het verlies, wederom bezwaren ingediend zouden kunnen worden tegen (de elementen van) de oorspronkelijke aanslag of verliesvaststelling.

4.4.

Uit de hiervoor beschreven wettelijke regeling vloeit voort dat slechts verliezen die bij beschikking zijn vastgesteld voor verrekening in aanmerking komen. Omdat de inspecteur voor de jaren 2000 tot en met 2004 geen verliezen bij beschikking heeft vastgesteld, kan van verliesverrekening met het inkomen uit werk en woning van het jaar 2012 geen sprake zijn.8 De inspecteur heeft onbestreden gesteld dat ook in de jaren ná 2004 geen verliezen zijn vastgesteld. De inspecteur heeft daarom terecht verrekening van de door belanghebbende gestelde verliezen geweigerd. Het gelijk is aan de inspecteur.

4.5.

Het hof verwerpt belanghebbendes verzoek om de procedure aan te houden totdat de Belastingdienst overleg heeft gepleegd met het OM. De (navorderings)aanslagen en de (positieve) belastbare inkomens over de jaren 2000 tot en met 2004 staan onherroepelijk vast en een overleg tussen de Belastingdienst en het OM kan daar geen verandering in brengen. Dat de ontvanger de invordering van deze belastingaanslagen heeft opgeschort doet daar niet aan af. De vraag of de inspecteur al overleg heeft gepleegd met het OM en zo nee, of in dat geval de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, heeft geen betekenis voor deze procedure over 2012. Die vraag ziet immers op de wijze waarop de inspecteur de jaren 2000 tot en met 2004 heeft behandeld en is dus niet relevant voor enige in deze procedure te nemen beslissing.

4.6.

Vaststaat dat belanghebbende ter zake van de ontnemingsvordering in 2012 geen betalingen heeft verricht, zodat de inspecteur bij de vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning in 2012 terecht geen rekening gehouden heeft met de ontnemingsvordering.9

4.7.

Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat door de lange duur van de ontnemingsprocedure de verliesverrekening wordt gefrustreerd, waardoor in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het EVRM is gehandeld, gaat het hof aan dit betoog voorbij. Met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan immers pas rekening worden gehouden in het jaar dat daadwerkelijk is betaald. Pas in een eventuele beroepsprocedure over de gevolgen van het voldoen van de ontnemingsvordering kan de eventuele strijd met artikel 1 EP aan de orde komen.10

4.8.

Belanghebbende heeft het hof ook verzocht om uitstel van betaling te verlenen. Uit de door belanghebbende overgelegde bijlage bij de pleitnota volgt dat van de zijde van de Belastingdienst al is toegezegd dat geen invorderingsmaatregelen worden genomen totdat de Hoge Raad heeft beslist op het beroep in cassatie ten aanzien van de ontnemingsvordering. De inspecteur heeft tijdens de zitting bevestigd dat dit juist is. Indien belanghebbende verder uitstel van betaling wenst dient hij zich te richten tot de ontvanger van de Belastingdienst. Het hof is daartoe niet bevoegd.

4.9.

Al hetgeen belanghebbende verder heeft ingebracht kan niet leiden tot gegrondheid van het hoger beroep.

Tussenconclusie

4.10.

Het hoger beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan op 31 december 2020 door M.M. de Werd, voorzitter, P.C. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3039.

2 ECLI:NL:RBOBR: 2013:4278.

3 ECLI:NL:GHSHE:2019:1646.

4 ECLI:NL:GHARL:2016:6358.

5 Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1329.

6 ECLI:NL:GHARL:2018:6896.

7 Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:362.

8 Zie ECLI:NL:GHARL:2019:10314 en ECLI:NL:HR:2020:1428, waarin het cassatieberoep met toepassing van artikel RO ongegrond is verklaard. Zie tevens ECLI:NL:GHARL:2019:4534 en ECLI:N:HR:2020:348 waarin het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk is verklaard.

9 ECLI:NL:HR:2011:BT2299.

10 Zie ook de in 2.5 vermelde uitspraak ECLI:NL:GHARL:2016:6358, waarin Hof Arnhem-Leeuwarden in gelijke zin heeft geoordeeld (punt 4.4. en 4.5 van die uitspraak) en waarbij het beroep in cassatie ongegrond is verklaard.