Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4002

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
200.284.444_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 24 december 2020

Zaaknummer : 200.284.444/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/372879 / JE RK 20-1033

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder respectievelijk de vader, ofwel tezamen: de ouders,

advocaat: mr. I.A.C. Cools,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

de gecertificeerde instelling (de GI),

hierna te noemen: WSS.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2020, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Cools;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- WSS, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 4 november 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie van het hof op 26 oktober 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van WSS d.d. 26 november 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna ook: de kinderen) geboren.

De moeder heeft een meerderjarige zoon uit een eerdere relatie ( [halfbroer] ).

3.2.

Bij beschikking van 22 april 2020, bevestigd op 4 mei 2020, heeft de rechtbank de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna: JBB) van 28 april 2020 tot 14 juli 2020.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 13 juli 2020 heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van WSS met ingang van 14 juli 2020 tot 14 januari 2021. De rechtbank heeft de behandeling van het resterende deel van het verzoek aangehouden tot dinsdag 15 december 2020 pro forma en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De kinderen worden niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De hulpverlening hoeft niet in een gedwongen kader te worden gecontinueerd. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het de ouders onvoldoende lukt om de kinderen voor langere tijd een emotioneel veilige, rustige en stabiele thuissituatie te bieden.

In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling hebben de ouders met JBB plannen gemaakt voor verdergaande begeleiding en hulpverlening van de kinderen. De ouders hebben groot vertrouwen in de trajectbegeleider die met name voor [minderjarige 2] is ingezet. [minderjarige 2] wordt begeleid vanuit [organisatie 1] en hij heeft gesprekken met de schoolpsycholoog. Daarnaast staat [minderjarige 2] onder controle bij [organisatie 2] . [minderjarige 3] heeft ook eenmaal per week een gesprek met de schoolpsycholoog. De hulpverlening voor [minderjarige 1] is in 2019 al afgerond. Al vóór de ondertoezichtstelling was sprake van een goede verstandhouding tussen de ouders en de nieuwe school van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er is al maanden geen sprake geweest van incidenten. De ouders staan open voor hulpverlening in het vrijwillig kader.

In verband met het incident in april 2020 heeft de moeder een taakstraf gekregen; deels voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel (40 uur) heeft de moeder al uitgevoerd. De vader is een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar opgelegd en een taakstraf van 114 uur. Deze straf dient hij nog uit te voeren. Op 17 december 2020 dient de moeder voor de politierechter te verschijnen in verband met een ander incident. De moeder heeft hulpverlening voor zichzelf geaccepteerd: EMDR. Na afloop van dit traject zal de moeder met de reclasseringsambtenaar bekijken welke hulpverlening passend is om haar weerstand tegen politie en andere instanties, zoals de raad en jeugdzorg, te verminderen. Voor de vader wordt nog naar passende hulpverlening gezocht. Tweemaal is de politie nog bij het gezin aan de deur geweest. Dit is niet geëscaleerd. In tegenstelling tot wat wordt beweerd, is de vader wel degelijk in staat de moeder te begrenzen in haar gedrag.

De kinderen maken een positieve ontwikkeling door, zodat de zorgen al zijn afgenomen.

WSS acht zich niet de aangewezen instantie om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Er is onvoldoende helderheid over de problematiek van de kinderen, terwijl de ouders, gezien hun ervaringen met jeugdzorg, er toch al moeite mee hebben om hun vertrouwen te geven aan de begeleiding.

3.6.

WSS voert tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

Er is een goede samenwerking met de ouders. Er was een fijne start, ondanks wat eraan vooraf ging. WSS ziet opties om toe te werken naar het vrijwillig kader, maar daarvoor dienen nog wel wat zaken op orde te worden gebracht. Er zijn nog onduidelijkheden. Om die in kaart te brengen zijn observaties in de thuissituatie nodig. Zodra dat is gebeurd en de hulpverlening is gestart en er daarnaast vertrouwen is bij ouders, is er een grotere kans van slagen in het vrijwillige kader. Doordat er meer rust is, komen er ook hulpvragen op bij de ouders. Er kan nu tot de kern van de problemen worden doorgedrongen. De vragen zien met name op hoe met het gedrag van [minderjarige 2] moet worden omgegaan.
Het is nog niet bekend welke instantie de observaties gaat doen en het is nog niet te voorspellen hoe lang dit traject gaat duren. Het gaat goed met de kinderen, hetgeen de ouders ook zelf aangeven. Wel zijn er nog zorgen, met name over [minderjarige 2] .
Ook zijn er zorgen over de politiecontacten waarvan de kinderen getuige waren. Er zijn geen incidenten meer geweest, maar de politie is wel met veel mankracht aan de deur geweest bij het gezin. Voor de kinderen, die in dat kader al veel hebben meegemaakt, is het nodig om in overleg met de wijkagenten hierover nadere afspraken te maken. Een van de gezinsvoogden heeft ook contact met de reclasseringsambtenaar van de moeder.
In het verleden is de hulpverlening vaak gestagneerd. Dat wil WSS voorkomen. Er is meer tijd nodig om een en ander goed te kunnen borgen. Er wordt naar het vrijwillig kader toegewerkt, maar het is nog te vroeg om het los te laten.

3.7.

De raad voert tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De raad ziet dat er hard wordt gewerkt. Dat verdient een compliment. Er kan echter niet alleen naar de toekomst worden gekeken: in het verleden zijn er zorgelijke dingen gebeurd. Er wordt nu in een gedwongen kader aan de toekomst samengewerkt. De positieve ontwikkelingen daarin zijn nog pril. Er moet nog wel wat werk verzet worden voor het in het vrijwillig kader kan worden voortgezet. In het verleden waren de intenties er ook, maar werd de ingezette hulpverlening niet afgemaakt of aangegaan.

Het is de moeder gelukt haar agressie te beheersen bij de recente voorvallen, maar zij moet dat lange tijd kunnen vasthouden. De ouders verwijten de politie dat zij met onnodig veel agenten aan de deur komen omdat dit belastend is voor de kinderen, maar daarbij verliezen de ouders uit het oog dat dit mogelijk het gevolg is van hoe zij in het verleden daarmee omgingen. De ouders dienen de kinderen in deze situaties het goede voorbeeld te gaan geven. De raad adviseert WSS ook aandacht te hebben voor de interactie tussen de ouders en voor de zorg dat de vader de moeder niet kan begrenzen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na een eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Het hof verwijst naar de inhoud van de bestreden beschikking, waar het hof zich volledig in kan vinden.

De rechtbank heeft, kernachtig weergegeven, overwogen dat de combinatie van de problematiek van de kinderen met de problematiek van de ouders maakt dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Er ontstaan steeds weer situaties die zorgen voor spanningen en escalaties, waardoor het de ouders onvoldoende lukt om de kinderen voor langere tijd een emotioneel veilige, rustige thuissituatie te bieden. De hulpverlening komt in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond, omdat de ouders het niet aangaan of voortijdig afhaken.

3.8.3.

Sinds de bestreden beschikking is er een aantal positieve ontwikkelingen.

Ondanks het wantrouwen van de ouders richting jeugdzorg en de vraag van WSS of zij de aangewezen instantie zijn om de ondertoezichtstelling uit te voeren, is tussen de ouders en de gezinsvoogden een goede samenwerking tot stand gekomen. Er is hulpverlening voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] en de communicatie tussen de ouders en de nieuwe school verloopt constructief. Voor de moeder is er toezicht vanuit reclassering en zij heeft hulpverlening voor zichzelf aanvaard. Voor de vader wordt nog gezocht naar een juiste vorm van hulpverlening. Er zijn geen incidenten meer geweest waarbij het tot een escalatie tussen de ouders en de autoriteiten is gekomen.

3.8.4.

Het is in de ouders te prijzen dat zij hun weerstand opzij hebben kunnen zetten en de samenwerking met WSS zijn aangegaan. De positieve ontwikkelingen zijn echter nog pril en onvoldoende bestendig. Het is nog te vroeg om te concluderen dat de continuïteit van de hulpverlening in een vrijwillig kader voldoende geborgd zal zijn.

Bovendien heeft WSS nog geen volledig beeld kunnen krijgen van de thuissituatie bij de ouders; daarvoor dienen nog observaties te gaan plaatsvinden. Op basis van de resultaten van het observatietraject kan verdere hulpverlening worden ingezet. WSS heeft geconstateerd dat de rust die nu is ontstaan de ouders de ruimte geeft om hulpvragen te formuleren. De komende periode zal dus nog volledig in kaart moeten worden gebracht wat de ouders en de kinderen (gezamenlijk en individueel) nodig hebben en welke hulpverlening daarbij past.

Gelet op de lange voorgeschiedenis van het gezin waarin hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende op gang kwam of de ouders voortijdig afhaakte, acht het hof het noodzakelijk dat dit proces in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling plaatsvindt.

3.8.5.

Het hof acht de ondertoezichtstelling van de kinderen tot in ieder geval 14 januari 2020 noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen af te wenden.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juli 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en M.L.F.J. Schyns en is op 24 december 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. E.L. Schaafsma-Beversluis in tegenwoordigheid van de griffier.