Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3995

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
200.278.933_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:1394
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 24 december 2020

Zaaknummer : 200.278.933/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/367720/ FA RK 20-183

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.R. Klaver,

tegen

[de vader]

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat in eerste aanleg: mr. M. van Alphen, thans zonder advocaat.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

-Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 mei 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen in die zin dat alsnog wordt bepaald dat

omgang tussen [minderjarige 1] en haar vader wordt geschorst c.q. opgeschort c.q. beëindigd en voorts

dat wordt bepaald dat deugdelijke begeleiding voor [minderjarige 1] kan gaan plaatsvinden.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Klaver;

  • -

    de vader;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

Gelet op de onderlinge samenhang is de onderhavige zaak met instemming van alle partijen gelijktijdig behandeld met de zaken nummer 200.283.426/01en 02 (betreffende een schriftelijke aanwijzing van de GI) en nummers 200.283.429/01 en 02 (betreffende de ondertoezichtstelling van de broers van [minderjarige 1] ). In deze laatste zaken wordt bij afzonderlijke beschikkingen beslist.

2.3.2.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter heeft met haar voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van de ouders, de GI en de raad gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:
- het V-formulier van de advocaat van de moeder van 8 oktober 2020, ontvangen ter griffie op 8 oktober 2020, met bijlage,

Het V8-formulier van de zijde van de moeder d.d. 16 oktober 2020, ontvangen ter griffie op 16 oktober 2020, met producties 1 tot en met 3 is ingekomen buiten de in het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. In zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming kunnen evenwel ook binnen de termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd die van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend. Gelet op de aard en de omvang van de stukken en het feit dat de raad en de GI deze stukken niet hadden ontvangen, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, heeft het hof beslist dat deze stukken niet worden toegelaten wegens strijd met de goede procesorde. De stukken zijn derhalve ook niet betrokken bij de beoordeling van het verzoek van de moeder.

3
3. De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , en
- [minderjarige 1] .
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
woont bij de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen sinds 3 juni 2020 bij de vader.

3.2.

[minderjarige 1] staat sinds 12 januari 2019 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juni 2019 is de verdeling van zorg- en opvoedingstaken zoals vastgelegd in het ouderschapsplan en gehecht aan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2018, gewijzigd en is bepaald - voor zover hier van belang - dat:
- de kinderen alle oneven weekenden naar de vader gaan,
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het eerste weekend van elke maand dat in een even week valt naar de vader gaan en [minderjarige 1] in de even maanden het weekend met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] mee gaat naar de vader; in de oneven maanden blijft [minderjarige 1] gedurende het weekend bij de moeder, en
- de kinderen op de even woensdagen van 15.15. tot 20.30 uur bij de vader verblijven.
Voorts is er een uitgebreide regeling voor de vakanties en feestdagen bepaald.

3.4.

De moeder heeft in eerste aanleg verzocht de beschikking van 5 juni 2019 te wijzigen in die zin dat de contactregeling ten aanzien van [minderjarige 1] wordt geschorst c.q. beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is het verzoek aangevuld in die zin dat wordt verzocht:

- subsidiair: een voorlopige regeling te bepalen inhoudende dat er onder begeleiding contact zal zijn tussen [minderjarige 1] en de vader eens per twee weken op zondag van 10.00 tot 20.00 uur, waarbij het halen en brengen door de vader wordt verzorgd

- meer subsidiair: een door de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] te bepalen regeling.

3.5.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald – onder wijziging van de beschikking van 5 juni 2019 – dat de vader en [minderjarige 1] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- iedere zondag in de oneven weekenden en iedere zondag van het eerste weekend van elke maand dat in een even week valt van 10.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en de vader haar terugbrengt naar de moeder en met inachtneming dat uitbreiding van de regeling zal plaatsvinden onder regie van de GI.
De rechtbank heeft de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aangehouden tot de mondelinge behandeling van 24 juni 2020.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] wil geen contact met haar vader. De moeder heeft hulpverlening gezocht, onder andere bij Praktijk [praktijk] . Er is meer aan de hand dan de strijd tussen de ouders. Vanuit de GI wordt op dit moment te weinig steun en begeleiding aan [minderjarige 1] geboden. Er dient door de GI niet alleen naar het gedrag van de ouders te worden gekeken, maar ook het gedrag van [minderjarige 1] verdient de aandacht van de GI. [minderjarige 1] heeft in 2019 een zelfstandig verzoek gedaan om stopzetting van het contact. De moeder acht het niet in het belang van [minderjarige 1] dat nu een regeling wordt opgelegd. Daarbij wordt voorbij gegaan aan de specifieke individuele problematiek bij [minderjarige 1] .

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder aangegeven dat er nog geen definitieve beslissing van de rechtbank over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader is. Contact tussen [minderjarige 1] en de vader zou gewoon moeten kunnen, maar de manier waarop de GI het insteekt, is niet goed. De moeder heeft aangedrongen op een persoonlijkheidsonderzoek, systeembenadering en begeleiding vanuit Sterk Huis. Met een andere aanpak, door een andere GI zouden de problemen snel kunnen worden opgelost.

Inmiddels zijn de verhoudingen al wat genormaliseerd. De moeder stemt ermee in dat [minderjarige 2]

en [minderjarige 3] bij de vader wonen. Er ligt een voorstel voor contact van de moeder met de jongens. Met betrekking tot [minderjarige 1] pleit de moeder voor meer flexibiliteit en sluit zij aan bij het door de raad bij de mondelinge behandeling naar voren gebrachte voorstel van twee maal per maand vast en een dag naar keuze van [minderjarige 1] , waarbij het dan wel zo zou moeten zijn dat de kinderen dan samen zijn. De wens van de moeder is dat er onbelast contact is.

3.8.

De vader voert aan dat hij de thans geldende regeling, zoals door de rechtbank is bepaald, wil handhaven. Hij vindt het jammer dat een dwangsom nodig was om tot uitvoering van de regeling te komen. De vader bemerkt dat [minderjarige 1] (emotioneel) de boot afhoudt om met hem te praten. De vader bespreekt zaken wel met de GI; hij heeft een goede samenwerking met de GI. De vader staat open voor alle geboden hulp en ondersteuning, ook ter verbetering van zijn relatie met [minderjarige 1] .

3.9.

De raad geeft aan dat er in het contact van [minderjarige 1] met de vader nog wel ondersteuning nodig is. Als de begeleiding die [minderjarige 1] thans krijgt bij Praktijk [praktijk] daarin niet kan voorzien, moet dat alsnog worden geregeld, bijvoorbeeld in een veiligheidsplan. Het is van belang dat de vader kan aansluiten bij [minderjarige 1] . In de huidige nog gespannen situatie zou het helpen als [minderjarige 1] tijdelijk zelf enige regie zou krijgen; een mogelijkheid zou zijn twee maal per maand vast en één maal een “flexcard”: naar keuze van [minderjarige 1] .

3.10.

De GI voert aan dat het contact tussen de vader en [minderjarige 1] nog maar pas geleden gestart is. Er is vijf maanden geen contact geweest, pas na een schriftelijke aanwijzing en het opleggen van dwangsommen is het van de grond gekomen. Dat er nog blokkades zijn, is dan ook begrijpelijk. Het kost tijd en [minderjarige 1] heeft daar hulp bij nodig. De GI wil met de ouders verder in gesprek over wat er nodig is. De GI acht contact tussen [minderjarige 1] en de vader nog altijd in het belang van [minderjarige 1] . De regeling van 10 maart 2020 moet gehandhaafd blijven maar enige flexibiliteit is ook wat de GI betreft mogelijk. De GI kan zich daarom vinden in het advies van de raad. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] haar beide broers onbelast bij de vader thuis kan ontmoeten en daar vrije omgang met hen kan hebben nu zij contact met elkaar missen.

3.11.

Het hof oordeelt als volgt.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Ingevolge het tweede lid van artikel 1:265g BW kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.11.2.

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat zich na de beschikking van 5 juni 2019 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. De moeder kan derhalve worden ontvangen in haar verzoek.

3.11.3.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder aangegeven dat contact tussen de vader en [minderjarige 1] mogelijk moet zijn en dat zij kan aansluiten bij de contactregeling zoals deze door de raad ter mondelinge behandeling is voorgesteld. Het hof

begrijpt het standpunt van de moeder zo, dat zij haar verzoek in hoger beroep wijzigt in die

zin, dat niet langer schorsing of beëindiging van het contact tussen [minderjarige 1] en de vader wordt verzocht, maar dat de moeder thans verzoekt een contactregeling te bepalen conform het voorstel van de raad, te weten: twee maal per maand vast en eenmaal flexibel.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verzoek als volgt.

3.11.4

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van een goede identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat zij onbelast contact kan hebben met haar vader. Met de rechtbank constateert het hof dat [minderjarige 1] enorm klem zit in de situatie. Zij worstelt zichtbaar met de gevoelens die zij heeft ten opzichte van haar vader en draagt hierdoor een enorme last met zich mee. [minderjarige 1] mist het contact met haar broers sinds deze in juni 2020 bij de vader zijn gaan wonen en zij wil graag contact met hen.

De huidige contactregeling houdt in de praktijk in, zoals door de vader onweersproken is gesteld, dat er iedere veertien dagen contact is en de eerste zondag van de even maanden, aldus de ene maand twee keer en de andere maand drie keer. Het hof acht het met de raad in het belang van [minderjarige 1] dat de thans geldende regeling in die zin wordt gewijzigd dat de eerste zondag van de even maanden flexibel wordt gemaakt. Uitgaande van vijf maal contact in twee maanden zal het contact tussen [minderjarige 1] en de vader dan plaats blijven vinden als tevoren, maar mag [minderjarige 1] bepalen wanneer de vijfde omgangsdag zal zijn. Dat hoeft niet per sé een zondag te zijn. Aldus blijft de frequentie conform de wens van de vader in beginsel gelijk, maar wordt de regeling conform de wens van [minderjarige 1] minder rigide en wordt aan [minderjarige 1] een stukje regie en zeggenschap gegeven. Daarbij acht het hof het van belang – zoals ook tijdens de mondeling behandeling is besproken – dat er voor [minderjarige 1] en de vader ondersteuning komt bij de uitvoering van het contact en dat rekening wordt gehouden met het contact dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met de moeder hebben.

De GI wordt verzocht er op toe te zien dat de afspraken met betrekking tot de voorlopige zorgregeling worden nageleefd, geborgd en waar mogelijk worden uitgebreid. Evenals de rechtbank roept ook het hof de ouders op om uit de voortdurende strijd te geraken en stappen te gaan zetten om tot verbetering van hun onderlinge verstandhouding te komen, zodat [minderjarige 1] en ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , onbelast contact kunnen hebben met elkaar en met hun beide ouders.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk zal vernietigen en zal beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 maart 2020, voor zover het de voorlopige zorgregeling betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt – onder wijziging van de beschikking van 5 juni 2019 – dat de vader en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- een keer per 2 weken, zijnde de oneven weken, op zondag van 10.00 tot 20.00 uur, alsmede
- een keer per twee maanden één dag van 10.00 tot 20.00 uur, door [minderjarige 1] in overleg met de vader te bepalen,

waarbij de moeder [minderjarige 1] brengt naar de vader en de vader haar terugbrengt naar de moeder

en met inachtneming dat uitbreiding van de voornoemde regeling zal plaatsvinden onder regie van de GI;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.N.M. Antens en A.M. van Riemsdijk, en is op 24 december 2020 uitgesproken door

mr. J.C.E Ackermans-Wijn in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier