Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3937

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20-001810-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gepubliceerd in verband met het ingestelde cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001810-17

Uitspraak : 11 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer

02-700142-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 345, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), niet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan, terwijl zij vervolgens, in strijd met het bepaalde in het vierde lid van voornoemd wetsartikel, heeft verzuimd om de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken. De verdediging en de advocaat-generaal hebben dit in hoger beroep niet aan de orde gesteld.

Het verzuim heeft evenwel nietigheid van het vonnis tot gevolg. Het hof zal het beroepen vonnis derhalve geheel vernietigen. Het hof zal de zaak zelf afdoen nu niet gebleken is van enig belang aan de zijde van de verdachte of de advocaat-generaal om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof ook dienen te beslissen over de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken alsmede op de door de benadeelde partij [aangever 1] ingediende vordering tot schadevergoeding, waarin de benadeelde bij het beroepen vonnis niet-ontvankelijk is verklaard.

Het hof verstaat dat het hoger beroep van de zijde van verdachte niet tegen deze onderdelen van het bestreden vonnis is gericht. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep was daarop ook niet gericht. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep bovendien niet opnieuw gevoegd. Om doelmatigheidsredenen en in het belang van de verdediging zal het hof hierna aansluiten bij wat de rechtbank in eerste aanleg kennelijk heeft willen beslissen met betrekking tot de onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten en de daarop betrekking hebbende vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde feiten en dat het hof het vonnis zal vernietigen ten aanzien van de strafoplegging en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vordering kan toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.958,52, met vermeerdering met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft:

‒ medegedeeld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van de onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten;

‒ vrijspraak bepleit van de onder 3 en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten, alsmede van het onder 4 tenlastegelegde onderdeel ‘steken met een scherp voorwerp’ en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde;

‒ verzocht de strafoplegging aanzienlijk te matigen en daarbij opgemerkt dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest volstaat, eventueel in combinatie met een geheel voorwaardelijke taakstraf;

‒ verzocht de benadeelde partij [aangever 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Axel, gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, door met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, op/in de richting van die [aangever 1] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Axel, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/in de richting van die [aangever 1] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Axel, gemeente Terneuzen, met een ander, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, het Szydlowskiplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan en/of stompen en/of duwen en/of trekken van die [aangever 1] en/of het meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen schieten op die [aangever 1] ;

3.
hij op of omstreeks 1 februari 2015 te [adres café] met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in café [café] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] en/of [aangever 3] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan en/of stompen en/of duwen en/of trekken van die [aangever 2] en/of [aangever 3] ;

4.
hij op of omstreeks 1 februari 2015 te Terneuzen met een ander of anderen, op de openbare weg, te weten de [adres café] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , welk geweld bestond uit het meermalen schoppen en/of trappen en/of meermalen slaan en/of stompen en/of duwen en/of trekken van die [aangever 4] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of het in het lichaam van die [aangever 3] steken met een scherp voorwerp;

5.
hij op of omstreeks 24 augustus 2014 te [adres café] met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten discotheek “ [café] ” (gelegen aan de [adres café] ), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 5] , welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of stoten op/tegen het hoofd van die [aangever 5] ;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2014 te Terneuzen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 5] ), op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ten gevolge van een kennelijke verschrijving stond in het onder feit 5 primair tenlastegelegde feit ‘ [aangever 5] ’ in plaats van ‘ [aangever 5] ’ en in het onder feit 5 subsidiair tenlastegelegde ‘ [aangever 5] ’ in plaats van ‘ [aangever 5] ’. Gelet op de inhoud van het dossier moet worden aangenomen dat bedoeld zal zijn om ‘ [aangever 5] ’ als naam op te nemen in zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Het hof heeft deze verschrijvingen hersteld. Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat verdachte integraal van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten die erop gericht was om te pogen [aangever 1] van het leven te beroven, dan wel hem zwaar te mishandelen, is immers niet gebleken.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte enige geweldshandeling heeft gepleegd op 28 augustus 2016 te Axel. Aangever [aangever 1] heeft zelf verklaard dat verdachte hem geen klappen heeft gegeven. Het enkele door verdachte met zijn medeverdachten rennen achter [aangever 1] levert in dit geval geen voldoende significante bijdrage aan het (hoofdzakelijk daaraan voorafgaande) tenlastegelegde geweld op. Het (daarop volgende) tenlastegelegde geweld ‘met een vuurwapen schieten op die [aangever 1] ’, staat naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd verband van de openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] en maakt daarvan derhalve geen onderdeel uit. Het hof acht ook het onder 2 tenlastegelegde derhalve niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten slotte is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat verdachte eveneens van het onder 5 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het hof acht aannemelijk dat aangever [aangever 5] , nadat hij eerst door de verdachte zou zijn geslagen, ook nog door een andere persoon is geslagen en/of getrapt. De daarover afgelegde verklaringen vinden steun in het door de politie bij aangever [aangever 5] waargenomen letsel. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof echter niet worden vastgesteld dat bij deze handelingen sprake is geweest van enig samenwerkings-verband tussen verdachte en de onbekend gebleven andere persoon. Het hof gaat daarom uit van op zichzelf staande geweldshandelingen tegen aangever [aangever 5] die niet in vereniging zijn begaan en zal de verdachte van de onder 5 primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

3.
hij op 1 februari 2015 te [adres café] met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in café [café] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] en [aangever 3] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan van die [aangever 2] en [aangever 3] ;

4.
hij op 1 februari 2015 te Terneuzen met anderen, op de openbare weg, te weten de [adres café] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en [aangever 2] en [aangever 3] , welk geweld bestond uit het meermalen schoppen en trappen en meermalen slaan van die [aangever 4] en/of [aangever 2] en het in het lichaam van die [aangever 3] steken met een scherp voorwerp;

5 subsidiair.

hij op 24 augustus 2014 te Terneuzen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 5] , op/tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

De verdediging heeft ten aanzien van feit 3, kort gezegd, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in groepsverband de door hem erkende klap aan aangever [aangever 2] heeft uitgedeeld. Bij gebrek aan een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, dient verdachte te worden vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld in café [café] .

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde onderdeel ‘steken van [aangever 3] met een scherp voorwerp’ heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte dit handelen ten stelligste ontkent. Daarbij is opgemerkt dat niemand bij hem (noch bij de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) een mes of een ander scherp voorwerp heeft waargenomen. Ook is bij geen van de verdachten een mes aangetroffen. Ten slotte heeft [aangever 3] niet verklaard dat verdachte degene is die hem heeft gestoken. Het is sowieso niet duidelijk geworden wie de verwonding heeft toegebracht en hoeveel personen uiteindelijk bij de schermutseling betrokken waren. Nu zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt waaruit volgt dat het steken in vereniging heeft plaatsgevonden, dient die uitvoeringshandeling tot vrijspraak te leiden, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat van het in vereniging plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Het hof overweegt in dat kader als volgt.

Uit het dossier volgt dat [aangever 2] op 1 februari 2015 met [aangever 3] op stap was in café [café] in [adres café] . Verdachte was daar ook aanwezig, samen met onder andere de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tussen [aangever 2] en verdachte is op een gegeven moment een woordenwisseling ontstaan, welke is uitgemond in een grote vechtpartij waarbij meerdere personen waren betrokken. Het verweer van de verdediging dat verdachte in die vechtpartij slechts één klap heeft uitgedeeld en daarbij alleen – en niet in vereniging – heeft gehandeld mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag en dient reeds daarom te worden verworpen. Het hof licht dat als volgt toe.

[aangever 2] heeft verklaard dat hij twee keer werd geslagen. De eerste keer door de jongen met wie hij daarvoor een woordenwisseling had (het hof begrijpt: de verdachte) en de tweede keer door één van de jongens die hem vergezelden.

Verdachte heeft bij de politie (dossierpagina 75) verklaard: “Ik kreeg toen een duw van die jongen en op dat moment duwde ik hem terug. Toen zag ik dat [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) een klap kreeg, ik heb niet gezien van wie. Ik zag dat [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) op de grond viel. Toen hij die klap had gekregen heb ik een van die jongens ook een klap gegeven.”

[aangever 3] heeft verklaard dat hij zag dat tussen [aangever 2] en een andere jongen een opstootje ontstond en dat hij later zag dat die jongen [aangever 2] in het gezicht sloeg. [aangever 3] heeft de jongen toen geslagen, waarna hij meerdere klappen in zijn gezicht kreeg. Hij voelde hoe ‘ze’ hem bleven slaan totdat er bewakers kwamen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen omtrent de camerabeelden (dossierpagina 234 e.v.), blijkt bovendien het volgende. Op 1 februari 2015, om 02.19.50 uur, lopen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte café [café] binnen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte om 02.41.13 uur een woordenwisseling lijkt te hebben met een onbekend manspersoon (het hof begrijpt: [aangever 2] ). De man krijgt een duw van verdachte en loopt daarna weg. Op de camerabeelden van 02.44.27 uur is te zien dat een onbekende man, niet zijnde de eerst genoemde onbekende manspersoon (het hof begrijpt in het licht van de verklaringen hiervoor derhalve: niet [aangever 2] , maar [aangever 3] ), drie keer met de vuist in het gezicht wordt geslagen door verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] komt dan ook in beeld en geeft diezelfde onbekende man een vuistslag tegen het gezicht. Om 02.44.36 uur duwt uitbater [uitbater] verdachte bij de man weg en begeleidt hem en zijn vrienden naar de uitgang.

Naast [medeverdachte 1] en verdachte, heeft ook [medeverdachte 2] zich in het geweld gemengd. Hij heeft hierover zelf verklaard (dossierpagina 104) dat er een woordenwisseling was ontstaan tussen verdachte en een groepje jongens en dat hij een vuistslag heeft uitgedeeld aan één van die jongens. Hij heeft verklaard de jongen op de wang of kaak te hebben geraakt.

Op grond van het vorenstaande staat voor het hof vast dat verdachte, door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de onder 3 tenlastegelegde geweldshandelingen tegen [aangever 2] en [aangever 3] en dat hij daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met anderen, te weten met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [aangever 2] en [aangever 3] binnen in café [café] .

Enige tijd na het hiervoor omgeschreven geweldsincident zijn voornoemde [aangever 2] en [aangever 3] , samen met hun vrienden [aangever 4] en [vriend aangevers] , vanuit café [café] naar het trapje gelegen aan de [adres café] in Terneuzen gelopen. Verdachte is met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op hen afgelopen en er ontstond wederom een vechtpartij tussen de twee groepen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [aangever 4] is geslagen door verdachte en één van de medeverdachten. [medeverdachte 1] heeft [aangever 2] met kracht tegen zijn kaak en hoofd getrapt en heeft hem voorts meermalen geschopt toen [aangever 2] op de grond lag. Ook is [aangever 2] nog door een ander geschopt. [aangever 2] heeft hierdoor een hersenschudding en een kneuzing aan zijn hoofd opgelopen. Ten slotte is [aangever 3] door iemand met een scherp voorwerp links in zijn bovenbuik gestoken. [aangever 3] heeft verklaard dat de jongens op hen afliepen met het doel om op ze in te gaan, dat de ‘de jongen van [café] ’ echt naar hem keek en gericht op hem kwam aflopen en dat die jongen met zijn rechterhand een schuine steekbeweging maakte naar zijn linkerzijde. Daarna voelde hij met zijn hand aan zijn linkerzijde en zag bloed aan zijn hand.

Het hof overweegt hieromtrent dat verdachte zich in een groep heeft bewogen, dat geen van de leden van deze groep zich aan de situatie heeft onttrokken en dat zij allen geweldshandelingen hebben gepleegd. Gelet hierop, was er een onderlinge betrokkenheid tussen verdachte en de medeverdachten en hebben zij allen, ook verdachte, een zodanige significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld, dat sprake is van geweldpleging in vereniging. De onder 4 tenlastegelegde openlijke geweldpleging acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen met inbegrip van het steken met een scherp voorwerp in de buik van [aangever 3] .

Ten aanzien van feit 5 subsidiair

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 5 (primair en) subsidiair tenlastegelegde bepleit. Verdachte heeft ontkend dat hij aangever [aangever 5] heeft geslagen en het dossier bevat geen medische informatie waaruit blijkt dat aangever enige verwonding heeft opgelopen. Daarbij is opgemerkt dat de wondjes op de wang en nek waarover verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd niet corresponderen met het geweld dat door aangever [aangever 5] en de getuige [getuige] wordt omschreven. Bovendien spreken [aangever 5] en [getuige] elkaar tegen, zodat de inhoud van hun verklaringen niet betrouwbaar is. Onder deze omstandigheden kan volgens de verdediging niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen aangever [aangever 5] .

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aangever [aangever 5] heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2014 in de toiletruimte van café [café] te [adres café] was en dat verdachte daar op enig moment naar hem schreeuwde: “Wat kijk je?”. Vervolgens kreeg hij van verdachte een klap op/tegen het hoofd en voelde hij hierdoor gelijk pijn.

Dat aangever is geslagen door verdachte vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige] . [getuige] heeft eensluidend met aangever verklaard omtrent die eerste klap in het gezicht. Kort gezegd heeft [getuige] verklaard dat hij samen met [aangever 5] in de toiletruimte van het café was, dat verdachte die ruimte ook binnen kwam en dat [aangever 5] vlak daarna een vuistslag in het gezicht kreeg van verdachte. Dat er hierna nog meer geweld is gevolgd vindt steun in de verwondingen die door verbalisant bij [aangever 5] zijn waargenomen. Hoewel [aangever 5] en getuige [getuige] over dat latere geweld niet hetzelfde verklaren doet dit geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen over de eerste geweldshandeling. Het hof overweegt daarbij nog dat die verschillen verklaard kunnen worden door de chaos die zal zijn ontstaan tijdens de verdere mishandeling van [aangever 5] . Het hof acht de verklaring van getuige [getuige] , voor zover ziende op de subsidiair tenlastegelegde mishandeling en die eerste klap, derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat de broer van aangever [aangever 5] , [broer aangever 5] , heeft verklaard dat hij die nacht door aangever werd gebeld met de mededeling dat hij zojuist was mishandeld, dat hij toen naar zijn broer toe is gelopen, zag dat zijn broer aan het huilen was en hoorde dat zijn broer tegen hem zei dat hij door verdachte in de wc van café [café] was geslagen. [broer aangever 5] is daarop naar verdachte toegelopen en heeft aan verdachte gevraagd waarom hij elke keer problemen met zijn broer [aangever 5] zocht. Daarop zou verdachte tegen hem hebben gezegd: “Kom dan jongen, kom dan jongen,” terwijl hij met zijn handen en lichaam wilde gebaren maakte.

Gelet op het vorenstaande acht het hof, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, het onder 5 subsidiair tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert telkens op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich zowel in 2014 als in 2015 schuldig gemaakt aan geweldpleging in het uitgaansleven. De aangevers hebben ten gevolge van het geweld pijn en/of letsel ondervonden. Eén van de aangevers heeft zelfs een steekwond opgelopen. Dergelijk geweld brengt gevoelens van onveiligheid teweeg in de maatschappij en bij het uitgaanspubliek in het bijzonder. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen-verklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 oktober 2020, reeds eerder onherroepelijk ter zake van openlijke geweldpleging is veroordeeld. Uit dit uittreksel blijkt ook dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft daarmee rekening gehouden.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting, ten gunste van verdachte, acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte zijn leven sinds 27 december 2018 (te weten: de pleegdatum van het delict van zijn laatste veroordeling) een positieve wending lijkt te hebben genomen.

Alles overwegende, acht het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden in beginsel passend en geboden. Het hof ziet echter aanleiding om die straf te matigen, nu – na het tijdstip waarop het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden – inmiddels geruime tijd is verstreken en de redelijke termijn voor berechting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, zonder een aan verdachte te verwijten oorzaak, fors is overschreden. Die termijnoverschrijding is zodanig groot dat het hof, voor wat betreft de matiging van de straf, dient te handelen naar bevind van zaken. Het hof acht in dit geval passend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 46 dagen, in combinatie met een lichtere strafmodaliteit in de vorm van een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 2.324,27 en bestaat uit € 324,27 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Echter, vanwege de vernietiging van het vonnis wegens de nietigheid daarvan, zal het hof daarop wel beslissen.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [aangever 1] in de vordering niet worden ontvangen.

[aangever 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 2.758,52. Dit bedrag bestaat uit € 758,52 aan materiële schade (bestaande uit de posten eigen risico à € 375,00 en verlies van inkomen à € 383,52) en € 2.000,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een totaalbedrag van € 1.258,52 toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering ligt in volle omvang aan het hof voor.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 2] als gevolg van verdachtes onder 3 en 4 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 1.758,52. Het hof is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd en geheel voor toewijzing vatbaar is. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat uit het dossier en de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven mondelinge toelichting door de benadeelde partij volgt dat hij een hersenschudding heeft opgelopen door het bewezen verklaarde handelen van verdachte, dat hij slecht slaapt en studievertraging heeft opgelopen.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00.

Verdachte is tot vergoeding van voornoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is het hof onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te geven over de gestelde schade die door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zou zijn veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De wettelijke rente over het toewijsbare gedeelte van de gevorderde schade zal worden toegewezen vanaf de datum waarop de schade wordt geacht te zijn geleden en wel op de wijze als hierna in de uitspraak is vermeld.

De verdachte zal bovendien worden veroordeeld in de proceskosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever 2] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 1.758,52. Verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.758,52 (duizend zevenhonderdachtenvijftig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 758,52 (zevenhonderdachtenvijftig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.758,52 (duizend zevenhonderdachtenvijftig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 758,52 (zevenhonderdachtenvijftig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 22 februari 2015 over een bedrag van € 383,52 ter zake van verlies van inkomen;

- 9 april 2015 over een bedrag van € 375,00 ter zake van eigen risico,

en van de immateriële schade op 1 februari 2015.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. A.J. Henzen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 11 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.