Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3894

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
20-002880-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:8171
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank had de verdachte veroordeeld voor verkrachting (art. 242 Sr) tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Het hof bevestigt het vonnis met uitzondering van (onder meer) de bewijsoverwegingen en de beslissing op de vordering BP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002880-19

Uitspraak : 16 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 9 september 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-041604-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld voor verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] .

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest en de vordering van benadeelde [slachtoffer] geheel zal toewijzen met uitzondering van de post “toekomstige behandelingen”.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken en de benadeelde partij dientengevolge niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering. Indien het hof toch komt tot een bewezenverklaring, dient het aan de benadeelde partij toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te worden beperkt tot het bedrag dat eerder door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is uitgekeerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust met uitzondering van:

 de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte;

 de bewijsoverwegingen van de rechtbank;

 de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt tot het bewijs, in plaats van de door de rechtbank gebezigde verklaring van de verdachte zoals vermeld in het vonnis op p. 4, eerste alinea, de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 26 augustus 2019, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – het volgende:

Ik reed in mijn lichtrode Nissan Sunny. Ik ben gestopt en ik heb gesproken met de bestuurder van een witte auto, aangeefster. Aangeefster had schade aan haar auto en wilde naar huis gaan. Ik zou haar naar huis brengen. We zijn in mijn auto richting Lottum gereden. Bij een bosje hebben we seks gehad. Het klopt dat ik het knopje van het autoportier omlaag deed. Ik heb mijn autogordel losgemaakt. De autostoel heb ik op 45 graden gezet. Ik deed mijn broek uit en we hebben seks gehad. Zij lag met haar rug op de stoel en ik ben tussen haar knieën gaan zitten. Het klopt dat ik haar bh naar boven heb gedaan en aan haar borsten heb gevoeld. Ik heb haar met mijn penis gepenetreerd. De tampon is uitgedaan. Ik ben klaar gekomen. Achter de stoel lag een keukenrol. Met het papier daarvan zijn we beiden na de seks schoon gemaakt. Het papier is naar buiten gegooid.

Bewijsoverwegingen

Juridisch kader

Het hof stelt het volgende voorop. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit bewijsminimumvoorschrift sterkt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat hij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt.

Het voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan dus niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is. Het steunbewijs zal voorts dienen te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen.

Deze aan te leggen toets brengt het hof tot de volgende beoordeling.

Steunbewijs

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat voor steunbewijs alleen in aanmerking kan komen bewijsmateriaal uit andere bron dan aangeefster dat in het bijzonder ziet op die onderdelen van de verklaring van aangeefster die de verdachte betwist, in dit geval in de kern alleen de onvrijwilligheid van de gemeenschap, stelt de raadsman daarmee een eis die geen steun vindt in het recht omtrent het bepaalde in art. 342, lid 2, Sv. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hij hiervoor heeft vooropgesteld.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat te dezen de lat van het bewijsminimum niet wordt gehaald, faalt het verweer evenzeer, nu zich te dezen de situatie als bedoeld in art. 342, lid 2, Sv niet voordoet. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] wordt immers door meerdere bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bron dan aangeefster zelf, ondersteund. Zo bevestigt verdachte de lezing van aangeefster dat hij haar een lift heeft gegeven, dat hij met haar naar een stille plek is gereden, dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden bestaande uit penetratie met zijn penis en dat hij haar bij haar borsten heeft betast. Ook erkent verdachte dat hij en aangeefster na de seks zijn schoongemaakt met vellen keukenpapier die vervolgens door het autoraam naar buiten zijn gegooid en dat de tampon van aangeefster is verwijderd. Deze verklaring van aangeefster vindt niet alleen bevestiging in de verklaring van verdachte zelf, maar ook in het aantreffen van DNA sporen van verdachte in de bij aangeefster afgenomen zedenkit en op een op de plaats delict gevonden vel van een keukenrol (proces-verbaal op p. 148-149, met sporenbijlage op p. 150; proces-verbaal technisch onderzoek op p. 151; deskundigenrapport van het NFI op p. 152-155; rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde op p. 21-22, met bijlage op p. 23). Deze vondst bevestigt de aangifte, nu aangeefster daarin heeft verklaard dat de dader direct na de verkrachting met stukken keukenrol haar vagina en de penis van de dader zelf heeft schoon gemaakt en dat hij minstens één stuk keukenrol uit de auto heeft gegooid (zie p. 71 van het politiedossier; overigens zijn door de politie op de plaats delict twee vellen keukenrol gevonden). De aangifte houdt voorts in dat de dader op enig moment de tampon van aangeefster uit haar vagina heeft gehaald en vervolgens uit het raam van de auto heeft gegooid, hetgeen ondersteuning vindt in het aantreffen door de politie van een tampon op de plaats delict (proces-verbaal op p. 148-149, met sporenbijlage op p. 150).

Dat er sprake is geweest van geweld en onvrijwilligheid, zoals door aangeefster is verklaard, wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door de emotionele staat waarin zij zeer kort na het incident eerst door haar broer en moeder maar ook later door de politie werd aangetroffen. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat zowel de lezing van aangeefster over het bellen met haar broer als de verklaring van de broer over dat telefoontje worden ondersteund door de belgegevens van de telefoon van aangeefster.

Voor zover het verweer op het standpunt berust dat niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum faalt het dus.

Betrouwbaarheid verklaring

Anders dan door de raadsman is betoogd is er naar het oordeel van het hof geen reden om te concluderen dat er sprake is van een onbetrouwbare of zelfs valse aangifte door aangeefster. De raadsman heeft in dit verband met name gewezen op de omstandigheid dat uit verschillende stukken uit het dossier zou blijken dat er, anders dan aangeefster heeft verklaard, geen aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de auto van de verdachte en de auto van aangeefster. Het gegeven dat aangeefster over een dergelijke kwestie heeft gelogen, betekent volgens de raadsman dat de verklaringen van aangeefster in het geheel als volstrekt onbetrouwbaar dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt dienaangaande dat de door de raadsman genoemde feiten en omstandigheden niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat er geen aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de auto van de verdachte en de auto van aangeefster zoals beschreven door aangeefster. [slachtoffer] heeft te dien aanzien verklaard (dossierpagina 63) dat een kleine rode auto achter haar reed in dezelfde richting als zij (op de Nachtegaallaan te Horst richting Melderslo/Lottum). Deze auto reed haar achterop aan, waardoor de achterkant van haar auto schuin wegtrok. Aangeefster heeft haar auto vervolgens in de berm (het hof leidt af uit de overige informatie in het dossier: de berm aan de rechterzijde van de weg) tot stilstand gebracht en de rode auto, met als bestuurder de man die haar later heeft verkracht, is ongeveer twee meter achter haar in de linkerberm gaan staan.

In de eerste plaats beroept de verdediging zich op het NFI-rapport ‘Verfonderzoek’ naar aanleiding van een aanrijding in Lottum op 17 september 2002 (dossierpagina 247 e.v.). Anders dan de verdediging stelt is daarvan niet de conclusie dat de laksporen, aangetroffen op de plekken van de deuk in de auto van [slachtoffer] , afkomstig zijn van een ander voorwerp dan van een auto. Door dr. ir. Van der Weerd, NFI-deskundige verfonderzoek, wordt slechts geconcludeerd dat de rode sporen niet overtuigend passen bij autoverf en dat daarom rekening wordt gehouden met het scenario dat de verf afkomstig is van een ander voorwerp of van een latere toevoeging aan deze auto zoals een bedrijfsmarkering (dossierpagina 252). Blijkens het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek d.d. 28 mei 2019 blijft deskundige Van der Weerd ook na kennisneming van het merk en type auto waarin de verdachte destijds reed, bij zijn eerdere conclusie.

Daarnaast wijst de verdediging op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Het hof merkt ten eerste op dat deze getuigen slechts verklaren over een tweetal stilstaande auto’s op de Nachtegaallaan te Horst (waarbij het hof er evenals de verdediging vanuit gaat dat dit de auto’s van de verdachte en aangeefster betreffen), maar dat geen van die getuigen heeft gezien op welke wijze die twee auto’s tot stilstand zijn gekomen en/of wat daaraan vooraf is gegaan. Twee van de genoemde getuigen ( [getuige 1] en en [getuige 3] ) meenden dat de twee auto’s met de voorzijde niet in dezelfde rijrichting stonden, terwijl [getuige 2] denkt te hebben gezien dat de auto’s met hun neus wel in dezelfde rijrichting stonden (richting Horst, terwijl de auto van aangeefster volgens haarzelf met de voorzijde juist richting Lottum stond). Wat hier ook van zij, het voorgaande laat de mogelijkheid open dat er wel degelijk een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] , waarbij of de auto van de verdachte ten gevolge van die aanrijding 180 graden is gedraaid en met de voorzijde in de andere rijrichting tot stilstand is gekomen of de verdachte moedwillig zijn auto met de voorzijde in de tegenovergestelde rijrichting heeft gekeerd. In ieder geval gingen zowel [getuige 2] als [getuige 3] er op basis hun waarnemingen van de situatie ter plaatse vanuit dat sprake was geweest van een aanrijding tussen de twee auto’s.

De raadsman stelt verder dat ook in de verklaring van aangeefster aanwijzingen zijn te vinden dat de auto van de verdachte tevoren uit tegengestelde richting is gekomen. De verdediging beroept zich op de volgende passage in de verklaring van aangeefster: “Hij reed achteruit en draaide met de achterzijde van zijn auto in de richting van waar we gekomen waren. De voorzijde stond in de richting van Melderslo. Hij reed toen ook in de richting van Melderslo” (dikgedrukt door de verdediging). Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat aangeefster in dit gedeelte van de verklaring niet zegt dat de verdachte eerder in tegengestelde richting van haar is komen aanrijden. Het woord “we” wijst erop dat zij hier, evenals eerder in haar aangifte, verklaart dat zij en de verdachte uit dezelfde richting waren gekomen.

Een volgende aanwijzing dat er geen aanrijding heeft plaatsgevonden, is volgens de verdediging de verklaring van N.N. (dossierpagina 209). Deze anonieme getuige is een beller die zegt dat “die meid loog” en dat hij had gezien dat zij met haar witte Mazda bij de Anco in Horst achteruit tegen een paaltje had gereden, waardoor de linkerachterzijde van de auto bij het rijden naar links wegtrok. Aangeefster heeft verklaard dat zij voorafgaande aan de aanrijding bij sportschool Anco was geweest. Dit past volgens de verdediging ‘bij de conclusie van het NFI die rekening houdt met het scenario dat de verf niet afkomstig is van een auto, maar van een ander voorwerp’.

In het dossier bevindt zich echter geen enkele (andere) aanwijzing dat aangeefster op 17 september 2002 met haar auto op het parkeerterrein van Anco daadwerkelijk ergens tegenaan is gereden. De enkele mededeling van een anonieme getuige over een aanrijding op een andere plaats dan de Nachtegaallaan te Horst acht het hof volstrekt onvoldoende voor de conclusie van de raadsman dat er op 17 september 2002 geen aanrijding zou hebben plaatsgevonden tussen de auto’s van de verdachte en het slachtoffer. De door de raadsman genoemde omstandigheid dat niet is gebleken dat er destijds op de Nachtegaallaan onderdelen van een (destijds aan de verdachte toebehorende) Nissan Sunny zijn gevonden noch het feit dat de aangeefster heeft verklaard er niet aan te hebben gedacht om met de verdachte schadeformulieren in te vullen, maken dit anders.

De verdachte zelf heeft vanaf zijn eerste verhoor door de politie (p. 40 e.v. politiedossier) tot aan de terechtzitting in hoger beroep op 2 december 2020 ontkend dat er op 17 september 2002 een aanrijding tussen de door hem bestuurde auto en de auto van het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal op p. 29-30 van het politiedossier heeft de verdachte echter tijdens zijn voorgeleiding in verband met zijn aanhouding tegen verbalisant [verbalisant] gezegd dat ‘Hij destijds in Horst is aangereden door die vrouw (…)’. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep op 2 december 2020 ontkend een dergelijke verklaring te hebben afgelegd. Het hof heeft echter geen enkele reden te twijfelen aan de inhoud van het door inspecteur [verbalisant] , hulpofficier van justitie, op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal.

Weliswaar verklaart de verdachte dat hij door aangeefster is aangereden en niet (zoals in de lezing van aangeefster) dat hij aangeefster zou hebben aangereden, maar in deze verklaring erkent de verdachte in ieder geval expliciet – in tegenstelling tot zijn latere verklaringen – dat er op 17 december 2002 wel degelijk een aanrijding tussen hem en aangeefster heeft plaatsgevonden.

Op grond van het voorgaande komt het hof dan ook tot de slotsom dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat aangeefster heeft gelogen over de aanrijding tussen haar auto en de auto van de verdachte en dat haar verklaring (ook) op dat punt als betrouwbaar is aan te merken.

Alles afwegende vindt het hof zowel in het dossier als in het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende feiten en omstandigheden die redelijke twijfel zaaien over de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster dat zij door verdachte is verkracht. Het scenario dat er geen geweld is gebruikt en dat alle seksuele handelingen vrijwillig en met wederzijds goedvinden plaatsgevonden hebben, zoals door de verdachte wordt verklaard, schuift het hof terzijde.

Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

De benadeelde partij [slachtoffer]

 Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 32.324,50, bestaande uit materiële schade van € 7.324,50 en immateriële schade van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.398,54, bestaande uit € 5.398,54 ter zake van materiële schade en € 10.000,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van (een gedeelte van) het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De benadeelde partij [slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. K. van de Molengraft-Verrijdt, heeft in hoger beroep de vordering verlaagd naar een bedrag van € 31.813,80, bestaande uit de volgende posten:

  1. medische kosten ter hoogte van € 1.157,07

  2. reis- en parkeerkosten ter hoogte van € 977,73

  3. verlies van arbeidsvermogen in de periode van 1 september 2003 tot 1 maart 2004 ter hoogte van € 3.984,-

  4. kosten reparatie auto ter hoogte van € 285,-

  5. schade aan kleding ter hoogte van € 160,-

  6. kosten rechtsbijstand ter hoogte van € 250,-

  7. smartengeld ter hoogte van € 25.000,-

Het hof oordeelt te dien aanzien als volgt.

Ad a.

De gevorderde eigen bijdrage van € 385,- is blijkens bijlage 9 bij de ter zitting in hoger beroep gegeven schriftelijke toelichting (nog) niet in rekening gebracht, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter zake van overige gevorderde medische kosten ter hoogte van € 772,07, zodat dit bedrag wordt toegewezen.

Ad b.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit reiskosten heeft moeten maken voor medische behandelingen, bezoeken aan de arbo-arts en bezoeken aan het politiebureau om verklaringen af te leggen. Derhalve ligt een bedrag aan reiskostenvergoeding van € 778,14 (2.992,85 kilometer x € 0,26) voor toewijzing gereed.

Het hof overweegt in dit verband voorts dat de benadeelde partij de reiskosten voor bezoeken aan de rechtbank, het Openbaar Ministerie en haar advocaat à € 145,29 (558,80 kilometer x € 0,26) alsook de reis- en parkeerkosten gemaakt voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep à € 54,30, heeft aangemerkt als materiële schade. Dat is echter onterecht, aangezien die kosten naar het oordeel van het hof dienen te worden aangemerkt als proceskosten ex artikel 592a Sv. Die reis- en parkeerkosten zullen derhalve door het hof als proceskosten van de benadeelde partij worden toegewezen.

Ad c.

Ten aanzien van de vordering verlies van arbeidsvermogen is niet betwist dat de benadeelde partij in de periode van 1 september 2003 tot 1 maart 2004 niet in staat was te werken en geen recht had op een uitkering. Voorts blijkt uit de stukken dat zij onder psychologische behandeling stond. De schade hangt rechtstreeks samen met het bewezenverklaarde feit. Het hof stelt, evenals de rechtbank, de nettoschade (na aftrek van belastingen) bij benadering vast op € 3.700,-. Het hof zal genoemde bedrag dan ook toewijzen en de vordering voor het overige afwijzen.

Ad d en e.

Ten aanzien van de vorderingen inzake reparatie auto en kleding zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Op basis van artikel 361, tweede lid, onder b Sv is een benadeelde partij enkel ontvankelijk in haar vordering indien haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Het hof is van oordeel dat een rechtstreeks verband tussen deze schadeposten en het bewezenverklaarde feit niet, althans onvoldoende is onderbouwd.

Ad f.

Het hof overweegt dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand ad € 250,-, welke kosten verband houden met de strafprocedure, niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv kunnen worden aangemerkt, maar dienen te worden aangemerkt als proceskosten in de zin van artikel 592a Sv.

Ad g.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Er is ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding ook voldaan aan het in artikel 6:106 lid 1 onder b BW genoemde vereiste dat sprake is van aantasting in de persoon.

Gelet op de aard, de ernst van het feit en de gevolgen hiervan voor de benadeelde, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op het bedrag van in elk geval € 10.000,-.

In dat verband merkt het hof op dat uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep duidelijk naar voren is gekomen dat de benadeelde partij ook zoveel jaren nadien nog steeds veel last heeft van de psychische gevolgen van het bewezenverklaarde feit en daarvoor de afgelopen jaren nog behandeling heeft ondergaan.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Anders dan de raadsman naar voren heeft gebracht, acht het hof zich bij het toe te kennen bedrag aan immateriële schade niet gebonden aan het bedrag dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven in 2004 ter zake van smartengeld aan het slachtoffer heeft uitgekeerd.

Wettelijke rente

De vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2002, de datum van het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van de materiële schade geldt dat deze eerst vermeerderd kan worden met wettelijke rente vanaf het moment dat de schade daadwerkelijk is geleden. Gelet op de grote hoeveelheid posten met verschillende ingangsdata had het op de weg van de benadeelde partij gelegen dit deel van haar vordering nader te specificeren. Nu zij dit heeft nagelaten levert het vaststellen van de respectievelijke ingangsdata een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat de vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest.

Proceskosten

Zoals hiervoor reeds overwogen zullen de reiskosten voor het bezoeken van de rechtbank, het Openbaar Ministerie en de advocaat van het slachtoffer à € 145,29, de gemaakte reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep à € 54,30 en gevorderde kosten van rechtsbijstand à € 250,-, derhalve totaal € 449,59, als proceskosten worden toegewezen.

 Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 15.635,21, bestaande uit € 5.635,21 ter zake van materiële schade en € 10.000,-- ter zake van immateriële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, wat betreft de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en wat betreft de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.250,21 (vijftienduizend tweehonderdvijftig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 5.250,21 (vijfduizend tweehonderdvijftig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 733,59 (zevenhonderddrieëndertig euro en negenenvijftig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 449,59 (vierhonderdnegenenveertig euro en negenenvijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 15.250,21 (vijftienduizend tweehonderdvijftig euro en eenentwintig cent) bestaande uit

€ 5.250,21 (vijfduizend tweehonderdvijftig euro en eenentwintig cent) materiële schade en

€ 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 111 (honderdelf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

16 december 2020 en van de immateriële schade op 17 september 2002.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 16 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Scheele en mr. Van der Schans zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.