Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3836

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
200.283.187_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:4386
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 10 december 2020

Zaaknummer : 200.283.187/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/374250 / FA RK 20-3518

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. F. Ergec,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling);

- [de gezinshuisouders] , hierna te noemen: de gezinshuisouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 september 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat het ouderlijk gezag van de vader over de hierna te noemen kinderen ten onrechte is beëindigd en dat de vader wederom het ouderlijk gezag over die kinderen zal krijgen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Ergec;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , die in verband met de coronamaatregelen is gehoord met gebruikmaking van een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding.

De gezinshuisouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 1 oktober 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 30 oktober 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

Tot aan de datum van de beschikking waarvan beroep oefenden de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

3.2.

Het huwelijk van de ouders is op 13 september 2017 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

De kinderen zijn op 1 september 2017 (voorlopig) onder toezicht gesteld. Zij woonden toen bij de moeder. Bij beschikking van 21 november 2017 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met gezag verleend. In januari 2019 zijn de kinderen teruggeplaatst bij de moeder. Bij beschikking van 3 juli 2019 heeft de rechtbank opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend. Na een ingroeitraject zijn de kinderen op 23 oktober 2019 geplaatst in het gezinshuis [gezinshuis] . Hier verblijven zij nog steeds. Bij beschikking van 18 november 2019 heeft de rechtbank de kinderbeschermingsmaatregelen verlengd tot 21 november 2020.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 31 augustus 2020 heeft de rechtbank het gezag van de vader over de kinderen beëindigd, waarna alleen de moeder nog met het gezag was bekleed.

3.5.

De moeder is op [datum] 2020 overleden.

3.6.

Na het overlijden van de moeder heeft de rechtbank - zo is het hof ambtshalve bekend -bij beschikking van [datum] 2020 de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen vanaf [datum] 2020 tot 15 september 2020. Bij beschikking van 10 september 2020 heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen vanaf 10 september 2020 tot 2 december 2020.

3.7.

De vader kan zich met de onder 3.4. vermelde beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

3.8.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de vader niet van mening dat het seponeren van de strafzaak tegen hem betekent dat de kinderen weer bij hem kunnen wonen. De vader stelt zich wel op het standpunt dat definitieve beslissingen over de toekomst van de kinderen pas konden worden genomen na afronding van het strafrechtelijk traject tegen de vader. Ook de rechtbank had dit aangegeven tijdens een eerdere procedure tussen de vader en de GI over de vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing. De GI heeft echter al in juni 2019 toen het strafrechtelijk onderzoek tegen de vader nog liep ingezet op een perspectief biedende plaatsing van de kinderen in het gezinshuis. De vader stemt met deze plaatsing niet in. Op een cruciaal moment - na het sepot van de officier van justitie - heeft de vader geen kans gekregen om aan te tonen dat hij de kinderen kon opvoeden en verzorgen. De GI had al ‘voorgesorteerd’ op een perspectief biedende uithuisplaatsing van de kinderen.

De vader is het niet eens met het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van zijn gezag over de kinderen. Het onderzoek van [organisatie 2] is aantoonbaar onjuist gebleken. De vader betwist dat hij onvoldoende sensitief is naar de kinderen en dat hij onvoldoende leervermogen heeft. Hij heeft niet genoeg kansen gekregen om aan te tonen dat hij wel voldoende sensitief is naar de kinderen. Ook tijdens de begeleide omgang tussen de vader en de kinderen zouden de vader handvaten op dit punt worden geboden. Dit gebeurt echter niet of nauwelijks. De GI heeft nagelaten omgangsverslagen in de procedure te brengen.

Blijkens het raadsrapport heeft [organisatie 1] opgemerkt dat de vader tijdens de begeleide omgang probeert op te letten wat hij zegt en de kinderen in voorkomende gevallen troost en op hun gemak stelt. Hieruit blijkt dat de vader stappen maakt op het gebied van sensitiviteit.

De vader betwist met klem dat hij zich grensoverschrijdend heeft gedragen richting de kinderen, maar hij is van mening dat de uitlatingen van de kinderen serieus genomen moeten worden.

De rechtbank heeft ten onrechte het beroep van de vader op het arrest van het EHRM inzake Strand Lobben/Noorwegen afgewezen. Het verwijderen van kinderen uit hun gezin moet als laatste redmiddel worden beschouwd. Er is niet voldoende gekeken naar de mogelijkheden van de vader om de kinderen op te voeden en te verzorgen. Toen de kinderen waren uithuisgeplaatst bij de vader, hebben zij redelijk tot goed gefunctioneerd.

Dat de vader er niet mee kan instemmen dat de kinderen zullen opgroeien in het gezinshuis levert geen grond op om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen. Plaatsing van de kinderen in het gezinshuis is niet in hun belang, nu de mogelijkheden van de vader om voor de kinderen te zorgen onvoldoende zijn onderzocht. De vader betwist dat hij tegenover de kinderen uitdraagt dat hij hun plaatsing in het gezinshuis niet accepteert.

De in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek genoemde aanvaardbare termijn is bovendien nog niet verstreken.

3.9.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het inleidend verzoek gehandhaafd. De vader kan de kinderen, gelet op hun belaste verleden en hun problematiek, niet bieden wat zij nodig hebben. Door desondanks tegenover de kinderen uit te dragen dat hij zelf voor hen wil zorgen, berokkent de vader de kinderen schade. De kinderen hebben rust en stabiliteit nodig voor hun behandeling en hun ontwikkeling, aldus de raad..

3.10.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.

De GI onderschrijft de gronden die de raad aan zijn inleidend verzoek ten grondslag heeft gelegd.

De kinderen krijgen emotionele ondersteuning vanuit het gezinshuis om het verlies van de moeder te verwerken. De kinderen gaan ieder op hun eigen manier met het verdriet om. [minderjarige 1] laat een terugval in gedrag zien. [minderjarige 2] praat niet over haar verdriet. [minderjarige 3] is bezig met de dagelijkse dingen. De kinderen hebben tegenover de GI aangegeven dat zij niet snappen waarom de vader niet aan hen heeft gevraagd hoe het met hen gaat na het overlijden van hun moeder.

Uitbreiding van de omgang tussen de vader en de kinderen is niet mogelijk. De vader vraagt de omgangsbegeleider geen advies en neemt geen tips en adviezen van de begeleiding aan.

De samenwerking tussen de GI en de vader is overigens goed.

Alle drie de kinderen hebben veel meegemaakt. In november 2020 zal jeugdzorgaanbieder [jeugdzorgaanbieder] starten met haar hulpverleningstraject voor de kinderen. Dit traject is gericht op rouw- en traumaverwerking en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.

De kinderen zijn in hun hoofd heel erg bezig met de vraag waar zij gaan opgroeien.

Het oordeel van het hof

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.11.2.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat voldaan is aan de in artikel 1:266 aanhef en onder a BW vermelde grond om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen. Het hof neemt hierbij het volgende in overweging.

De kinderen hebben heel veel meegemaakt. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling komt naar voren dat de kinderen bij de ouders zijn opgegroeid in een omgeving met veel onrust, spanningen en onveiligheid. De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Zij zijn daarvan ook zelf slachtoffer geweest. Dit is zeer schadelijk geweest voor de ontwikkeling van de kinderen. De vader erkent ook dat hij steken heeft laten vallen bij de opvoeding van de kinderen. De ouders zijn na het uiteengaan verwikkeld geraakt in een complexe echtscheiding, waarbij zij er niet in zijn geslaagd om te komen tot een constructieve wijze van communicatie over de kinderen. Ook hiervan hebben de kinderen veel schade ondervonden. Uit onderzoek is gebleken dat bij alle drie de kinderen sprake is van hechtingsproblematiek. Hierdoor vragen zij meer specifieke opvoedvaardigheden dan een gemiddelde opvoeder kan bieden.

Na de scheiding van de ouders hebben de kinderen meerdere verblijfplaatsen gehad. Zowel de vader als de moeder hebben enige tijd voor de kinderen gezorgd, maar bij beiden zijn de kinderen uithuisgeplaatst. Het recente overlijden van de moeder is voor de kinderen opnieuw een zeer ingrijpende levensgebeurtenis geweest.

Vanuit de vader zijn de kinderen uithuisgeplaatst naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen van [organisatie 2] . [organisatie 2] was van mening dat de vader onvoldoende sensitief is richting de kinderen, terwijl zij dat juist nodig hebben. De vader kan onvoldoende aansluiten bij de kinderen en hij heeft onvoldoende inzicht in hun specifieke behoeften als gevolg van hun problematiek. Volgens [organisatie 2] is de vader hier ook onvoldoende leerbaar in.

De vader heeft de conclusies van [organisatie 2] betwist. Het hof ziet echter geen reden om niet langer van deze conclusies uit te gaan. Uit de informatie van de GI blijkt dat de vader nog steeds niet voldoende in staat is om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Zo hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen de gezinsvoogd gezegd dat zij niet snappen waarom hun vader tijdens het eerste bezoek na de uitvaart van de moeder niet aan hen heeft gevraagd hoe het met hen ging nu hun moeder is overleden. Daarnaast lukt het de vader onvoldoende om de kinderen te begrenzen tijdens het bezoek. De GI heeft verder verklaard dat de vader tijdens de begeleide bezoekmomenten geen advies vraagt aan de begeleiding en geen tips en adviezen aanneemt. Wanneer de vader wordt aangesproken, kan hij denigrerend reageren naar de begeleider.

Evenals de rechtbank volgt het hof de vader niet in zijn beroep op het arrest Strand Lobben/Noorwegen. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank op dit punt en neemt die hier over.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het opvoedperspectief van de kinderen niet meer bij de vader ligt, maar in het gezinshuis waar zij thans verblijven. Gelet op de hechtingsproblematiek van de kinderen en op hun belaste verleden is het zeer in het belang van de kinderen dat zij opgroeien in een opvoedingssituatie die voldoet aan hun specifieke opvoedingsbehoeften. Gebleken is dat de vader hun deze opvoedsituatie nu en in de nabije toekomst niet kan bieden. Daar komt bij dat de door de wet genoemde aanvaardbare termijn, waarbinnen de kinderen in onzekerheid kunnen blijven over hun perspectief, inmiddels is verstreken. In het gezinshuis vinden de kinderen wel een opvoedsituatie die tegemoet komt aan hun ontwikkelingsbehoeften. Uit de stukken blijkt dat de gezinshuisouders in staat zijn om op een goede wijze met de hechtingsproblematiek van de kinderen om te gaan. De kinderen ontwikkelen zich positief in het gezinshuis, zij het dat er sprake is van enige terugval ten gevolge van het overlijden van de moeder. Ook vanuit school worden geen zorgen over de kinderen gemeld. Vanaf medio november 2020 krijgen de kinderen professionele hulp van praktijk [jeugdzorgaanbieder] , gericht op rouw- en traumaverwerking en op hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is van groot belang dat aan de kinderen veiligheid en rust wordt geboden, zodat zij kunnen toekomen aan behandeling en verder kunnen werken aan hun ontwikkeling.

Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de kinderen grote behoefte hebben aan duidelijkheid over de plek waar zij verder gaan opgroeien. De kinderen stellen daarover indringende vragen aan de gezinsvoogd. De vader stemt niet in met het verblijf van de kinderen in het gezinshuis. Door beëindiging van het gezag van de vader wordt gewaarborgd dat het verblijf van de kinderen in het gezinshuis wordt voortgezet en wordt aan hen de duidelijkheid gegeven, die zij zo hard nodig hebben. Het hof acht deze maatregel dan ook in het belang van de kinderen noodzakelijk.

Hetgeen de vader overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.12.

Nu uit het voorgaande volgt dat de grieven van de vader niet slagen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 augustus 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans - Wijn en

E.H. Schijven - Bours en is op 10 december 2020 uitgesproken in het openbaar door

mr. J.C.E. Ackermans - Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.