Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
200.282.370_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:3290
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 10 december 2020

Zaaknummer : 200.282.370/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/373534 / JE RK 20-1185 (uitspraken 17 juni en 29 juni 2020)

C/02/369175 / JE RK 20-334 en C/02/374295 / JE RK 20-1336 (uitspraak 10 juli 2020)

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N. Wouters,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak gaat over:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna samen te noemen: de kinderen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] , België,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 juni 2020, 29 juni 2020 en 10 juli 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2. Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2020, heeft de moeder het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voormelde beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de kinderen bij de moeder worden teruggeplaatst;

II. dan wel voormelde beschikkingen gedeeltelijk te vernietigen, in die zin dat de kinderen vanaf de datum van de uitspraak bij de moeder worden teruggeplaatst;

III. dan wel een beslissing te nemen als het hof in het belang van de kinderen juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Wouters;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De vader en de raad zijn, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier met een bijlage van de advocaat van de moeder van 10 september 2020;

- de brief met bijlagen van de GI van 15 oktober 2020;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 30 oktober 2020;

- het V8-formulier met (aanvullend) beroepschrift en bijlage van de advocaat van de moeder van 6 november 2020.

2.6.

Ten aanzien van het (aanvullend) beroepschrift dat namens de moeder bij voornoemd V8-formulier van 6 november 2020 is ingediend, heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling beslist dat dit buiten beschouwing wordt gelaten. De reden hiervoor is dat het (aanvullend) beroepschrift een andere beschikking (met uitspraakdatum 30 oktober 2020) betreft dan de beschikkingen die in deze procedure voorliggen. Daarbij geldt dat de stukken van de procedure in eerste aanleg betreffende de beschikking van 30 oktober 2020 niet zijn ingediend. Het (aanvullend) beroepschrift met de bijbehorende stukken dient los van onderhavige procedure te worden ingediend en beoordeeld.

De bijlage die bij het V8-formulier van 6 november 2020 is ingediend, wordt wel tot de stukken toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2007 [minderjarige 1] geboren en is op [geboortedatum] 2012 [minderjarige 2] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.2.

De kinderen staan sinds 20 januari 2019 onder toezicht van de GI.

3.3.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging in de periode van 20 januari 2019 tot (datum onbekend) oktober 2019 uithuisgeplaatst geweest, [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en [minderjarige 2] aanvankelijk in het ziekenhuis en vervolgens in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderen zijn in oktober 2019 teruggeplaatst bij de moeder.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 17 juni 2020 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 17 juni 2020 tot 1 juli 2020.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 29 juni 2020 heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging verlengd om de kinderen met ingang van 1 juli 2020 tot 19 juli 2020 uit huis te plaatsen bij de vader.

3.6.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 10 juli 2020 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 19 april 2021 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om de kinderen met ingang van 19 juli 2020 tot uiterlijk 19 april 2021 uit huis te plaatsen bij de vader.

3.7.

Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 30 oktober 2020 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, namelijk de oma vaderszijde, met ingang van 30 oktober 2020 tot 19 april 2021.

3.8.

[minderjarige 2] verblijft momenteel bij de vader en [minderjarige 1] bij de oma vaderszijde.

3.9.

De moeder kan zich met de beslissingen van 17 juni 2020, 29 juni 2020 en 10 juli 2020 niet verenigen voor zover het de uithuisplaatsing van de kinderen betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De verlenging van de ondertoezichtstelling is niet in geschil.

3.10.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder heeft ingestemd met het huidige verblijf van [minderjarige 1] bij de oma. Zij is het niet eens met de (eerdere) uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader.

Ten onrechte wordt als grondslag voor de uithuisplaatsingsbeslissingen genoemd dat de moeder signalen zou hebben gegeven dat zij waanideeën heeft en dat zij het contact met de GI tegenhoudt. De GI heeft een ongenuanceerd beeld geschetst van de situatie van de moeder. Het gaat om één enkel incident dat in januari 2020 heeft plaatsgevonden. Toen was dat niet voldoende om de kinderen uit huis te plaatsen. De gebeurtenis op de school van [minderjarige 1] op 17 juni 2020 was reeds opgelost toen de GI aan de deur kwam en was niet dusdanig ernstig dat de kinderen hiervoor uithuisgeplaatst dienden te worden.

De GI heeft onvoldoende getracht om de casus middels intensievere hulpverlening op te lossen. Ten tijde van de uithuisplaatsing was de hulpverlening afgeschaald. De moeder kreeg één telefoontje per week van de IPT-er en de GI had één keer in de twee weken contact. Er had eerst gekeken moeten worden of middels hulp in de thuissituatie een oplossing kan worden bereikt. Het geformuleerde stappenplan, dat één dag voor de uithuisplaatsing is opgesteld, is niet gevolgd. De uithuisplaatsing is een disproportionele maatregelen die niet in het belang van de kinderen is.

De moeder heeft altijd alle hulp aanvaard en zij zal dit blijven doen. Zij heeft bij de terugplaatsing van de kinderen in oktober 2019 intensieve hulpverlening gehad. De IPT-er kwam vier keer per week bij de moeder langs en dit is afgebouwd naar één bezoekmoment per week omdat het goed ging met de moeder. Tijdens de coronacrisis vond de moeder de komst van IPT en de GI naar haar woning niet gepast. Zij heeft toen wel aangegeven dat zij naar het kantoor van de GI wilde komen. Aan hulpverlening heeft de moeder op dit moment één keer per week IPT, samen met [minderjarige 1] , en omgangbegeleiding. De moeder ervaart dat door de GI wel wordt ingezet op uitbreiding van de omgang met [minderjarige 1] , maar niet op uitbreiding van de omgang met [minderjarige 2] .

De moeder is in staat om voor de kinderen te zorgen en zij heeft geen psychische problemen.

De praktijkondersteuning van de huisarts heeft geen aanleiding gezien om de moeder door te verwijzen naar externe psychisch hulpverlening. Het persoonlijkheidsonderzoek, dat de GI nu van de moeder verlangt, mag niet als voorwaarde gelden voor de terugplaatsing.

3.11.

De GI voert tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

Deze kinderen zijn eerder uithuisgeplaatst geweest. Toen was er sprake van middelengebruik door de moeder. Zij is het afgelopen jaar op een andere manier met de stress van het opvoeden omgegaan. Sinds de uithuisplaatsing is geen sprake meer van de signalen die er eerder waren. Er moet zicht komen op de vraag hoe de moeder met de (opvoed)situatie omgaat, om te voorkomen dat de problemen zich opnieuw voordoen als de kinderen worden teruggeplaatst. Daarom is het belangrijk dat de moeder zich laat onderzoeken. Het voorstel aan de moeder dat er ligt is om bij [organisatie] in Zeeland een persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten. De moeder hoeft daarvoor alleen een verwijzing te vragen bij de huisarts.

De GI heeft geen zorgen over de situatie van [minderjarige 2] bij de vader. Ook met [minderjarige 1] gaat het goed. Hij heeft zichtbaar minder last van de zorgen die hij over de moeder heeft. Nu hij bij de oma verblijft, komt hij toe aan zijn eigen ontwikkeling. Het doel is nog steeds dat de kinderen tijdelijk uit huis geplaatst zijn en teruggaan naar de moeder, mits de situatie dat toelaat. De omgang die de moeder met de kinderen nu heeft (met [minderjarige 2] wekelijks en met [minderjarige 1] twee keer per week), gaat over het algemeen goed. Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de moeder hulpverlening die gericht is op het verbeteren van de emotionele relatie tussen hen. Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de GI van de gezinsmanager gehoord dat de moeder tijdens een onbegeleid bezoek [minderjarige 2] op de weegschaal heeft gezet. Daaruit bleek een iets ander gewicht dan dat de vader had gewogen. Voor [minderjarige 2] gaf dat spanningen. Voorkomen moet worden dat [minderjarige 2] daardoor wordt belast, aldus de GI.

3.12.

Het hof overweegt het volgende.

3.12.1.

De grieven van de moeder zien niet op de ondertoezichtstelling die in de beschikking van 10 juli 2020 voor beide kinderen is verlengd.

De bij beschikkingen van 17 juni 2020 en 29 juni 2020 verleende (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de periodes van 17 juni 2020 tot 1 juli 2020 en van 1 juli 2020 tot 19 juli 2020 zijn inmiddels verstreken. Daarnaast geldt dat de bij beschikking van 10 juli 2020 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader voor de periode van 19 juli 2020 tot 19 april 2021 sinds 30 oktober 2020 niet meer ten uitvoer wordt gelegd. De moeder heeft gevraagd om een beoordeling van de rechtmatigheid van deze machtigingen. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van hun gezinsleven, heeft de moeder hier recht op.

Dit betekent dat ten aanzien van [minderjarige 1] de beoordeling van de machtigingen tot uithuisplaatsing ziet op de periode van 17 juni 2020 tot 30 oktober 2020. Ten aanzien van [minderjarige 2] ziet de beoordeling van de machtigingen tot uithuisplaatsing op de periode van 17 juni 2020 tot 19 april 2021.

3.12.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.12.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.12.4.

Ingevolge artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover thans van belang, kan de beschikking tot machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, om een minderjarige uit huis te plaatsen, alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikking verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.

3.12.5.

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing in de ter beoordeling staande periodes aanwezig waren en nog steeds zijn. Het hof heeft bij zijn oordeel het volgende in aanmerking genomen.

3.12.6.

De kinderen zijn begin 2019 uit huis geplaatst geweest, nadat de moeder dusdanig onder invloed van alcohol was dat de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie onvoldoende was gewaarborgd. In oktober 2019 zijn de kinderen teruggeplaatst met inzet van intensieve pedagogische thuishulp.

Sinds januari 2020 zijn er nieuwe ernstige zorgen geuit over de psychische gesteldheid van de moeder, onder andere vanuit de school van de kinderen, de GI en de hulpverlening. De moeder is wantrouwend naar de hulpverlening, is niet meer meewerkend in hulpverlening voor de kinderen en staat niet meer open voor hulpverlening in de thuissituatie. Ook is er sprake van waanideeën en achtervolgingswanen bij de moeder. De kinderen worden hiermee belast.

Vervolgens heeft op 17 juni 2020 op de nieuwe school van [minderjarige 1] een ernstig incident plaatsgevonden, waarbij de moeder schreeuwend en dreigend op het schoolplein heeft gestaan en de nieuwe mentor van [minderjarige 1] ervan heeft beticht undercover werkzaam te zijn voor de GI.

Vanwege de zorgen die op 17 juni 2020 over de psychische toestand van de moeder bestonden en de gevolgen hiervan voor de veiligheid van de kinderen, in samenhang gezien met de ernstige ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen die er al waren, was een uithuisplaatsing van de kinderen door middel van een spoedmachtiging noodzakelijk.

3.12.7.

De verlengingen van de uithuisplaatsing zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk gebleken. Weliswaar werkt de moeder mee aan verschillende vormen van hulpverlening, waaronder IPT en omgangsbegeleiding, maar de bestaande zorgen over de moeder zijn tot op heden onvoldoende weggenomen. De GI zet nog steeds in op een terugplaatsing van de kinderen, maar eerst is (ook) een psychologisch onderzoek naar de geestelijke gesteldheid van de moeder noodzakelijk om te voorkomen dat de kinderen opnieuw blootgesteld worden aan geestelijke problemen van de moeder. Het hof onderschrijft de bestreden beschikking van 10 juli 2020 op dit punt. De door de GI genoemde situatie, dat [minderjarige 2] tijdens een onbegeleid omgangsmoment door de moeder op de weegschaal is gezet wat tot spanningen bij [minderjarige 2] heeft geleid (zij heeft het Silver Russel Syndroom), roept daarnaast vragen op over het inzicht van de moeder in wat haar handelen voor impact heeft op de kinderen en, in dit geval, met name [minderjarige 2] .

De GI verlangt van de moeder medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek, uitgevoerd door [organisatie] in Zeeland, en heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat de moeder hiervoor een verwijzing bij de huisarts kan vragen. De brief van haar huisarts die de moeder in het geding heeft gebracht, waarin kort gezegd staat dat de moeder niet bekend is met psychische klachten en geen hulpvraag heeft, doet naar het oordeel van het hof niet af aan het belang dat voornoemd onderzoek plaatsvindt.

3.12.8.

De moeder heeft een afzonderlijke grief gericht tegen de overweging van de rechtbank in de beschikking van 10 juli 2020, dat het begrijpelijk is dat de vader [minderjarige 2] inschrijft op een school in België en dat de rechtbank ervan uitgaat dat de Nederlandse rechter bevoegd blijft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland blijft. De moeder meent dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] verschuift door de inschrijving bij de burgerlijke stand in België, welke inschrijving vereist is voor een inschrijving op school.

Dit is onjuist, nog daargelaten de vraag wat het belang van de moeder is bij deze grief. De inschrijving en/of uitschrijving van een kind in en/of uit de gemeentelijke basisadministratie van een land is geen factor die op zichzelf doorslaggevend is, maar is een factor waarmee in het geheel van omstandigheden rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind.

3.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dienen te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 juni 2020, 29 juni 2020 en 10 juli 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.D.M. Lamers en M.L.F.J. Schyns en is op 10 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.