Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3827

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
200.269.904_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 1:24 BW; burgerlijke stand; hof gelast doorhaling in de registers van de burgerlijke stand van een onjuiste latere vermelding; geen ruimte voor een belangenafweging.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0306
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2021/5600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 december 2020

Zaaknummer: 200.269.904/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/266866 / FA RK 19-2669

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: aanvankelijk mr. H. Kraimi, thans mr. R.M.W.H. Bedaux,

tegen

de advocaat-generaal bij het ressortsparket,

vestiging [vestigingsplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: het openbaar ministerie.

In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:

- [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.H.W. Haas;

- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de ambtenaar.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 augustus 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 november 2019, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van het openbaar ministerie alsnog af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 december 2019, heeft het openbaar ministerie verzocht (zo begrijpt het hof) het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2020, heeft de ambtenaar verzocht (zo begrijpt het hof) het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 januari 2020, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden en het door de man ingediende hoger beroep af te wijzen, met een uitdrukkelijke veroordeling in de kosten.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Kraimi;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Haas.

Ook waren aanwezig [de huidige echtgenote van de man] , de huidige echtgenote van de man, bijgestaan door mr. Offermans als advocaat (waarnemend voor mr. Mookhram), en door mr. [juridisch medewerker] , juridisch medewerker van mr. Mookhram. [de huidige echtgenote van de man] heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling het hof verzocht om haar als belanghebbende aan te merken. Na schorsing van de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat [de huidige echtgenote van de man] geen belanghebbende is (zie hierover ro. 3.9 en 3.10). Hierna hebben [de huidige echtgenote van de man] , Offermans en [juridisch medewerker] de zittingzaal verlaten.

2.5.1.

Het openbaar ministerie en de ambtenaar zijn, met berichtgeving vooraf, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- het faxbericht van mr. Mookhram, van 7 oktober 2020;

- de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.1.

De man en de vrouw zijn op 4 oktober 2006 te [gemeente] met elkaar gehuwd.
De huwelijksakte komt voor in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] van het jaar 2006 onder aktenummer [aktenummer] .

3.1.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 november 2013 (zaaknummer C/03/184775 / FA RK 13-2225) is de scheiding van tafel en bed tussen de man en de vrouw uitgesproken.

3.1.3.

Deze beschikking is door de toenmalige advocaat van partijen, mr. Luijten, op 29 november 2013 aangeboden ter inschrijving aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

3.1.4.

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] heeft op 2 december 2013 aan de huwelijksakte van de man en de vrouw als vervolgblad 1, ref. [aktenummer] /2006, een latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed toegevoegd.

3.1.5.

Op 3 december 2013 is de beschikking scheiding van tafel en bed ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

3.1.6.

Nadat de man en de vrouw zich hadden verzoend, is op 17 november 2015 het einde van de scheiding van tafel en bed in het huwelijksgoederenregister ingeschreven.

3.1.7.

In oktober 2016 heeft de advocaat mr. P.M.F.M. Maas namens de man en de vrouw een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Limburg ingediend.

Nadat was gebleken dat er al een huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, heeft mr. Maas het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding op 2 januari 2017 ingetrokken.

Een (overigens ongedateerd) emailbericht van mr. Maas aan de man en de vrouw vermeldt in dit verband het volgende: “ (…) Zoals ik reeds eerder heb bericht kan de rechtbank geen echtscheiding uitspreken die al eerder is ingeschreven. (…) Derhalve zal ik het verzoek tot echtscheiding intrekken.

Formeel zou de gemeente een aanpassingsverzoek via het openbaar ministerie moeten indienen om de gemaakte fout te herstellen. (….) Eerder heeft u beiden aangegeven hier geen verder werk van te willen maken.(…)”.

3.1.8.

De man is op 22 november 2017 te [plaats] gehuwd met [de huidige echtgenote van de man] .

3.1.9.

Op 12 juni 2018 is bij de notaris een akte van verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw opgemaakt.

3.1.10.

Namens de vrouw is op 21 november 2018 een brief aan de gemeente [gemeente] gestuurd met een verzoek om opheldering over de foutieve inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

3.1.11.

Na een gesprek met de gemeente hebben zowel de man als de vrouw een instemmingsverklaring getekend, die ziet op het voorstel van de gemeente om het openbaar ministerie te verzoeken over te gaan tot de indiening van een verzoekschrift tot doorhaling van de latere vermelding, de man heeft getekend op 18 juni 2019, de vrouw op 2 juli 2019.

3.2.

Bij verzoekschrift van 16 juli 2019 heeft het openbaar ministerie de rechtbank verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de aan de huwelijksakte toegevoegde latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed door te halen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de doorhaling gelast van de in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] voorkomende latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed, die als vervolgblad 1, ref. [aktenummer] /2006, aan de in dat register voorkomende huwelijksakte van de man en de vrouw is toegevoegd.

3.4.

De man kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Standpunten

3.5.

De man voert - kort samengevat - het volgende aan.

De man heeft steeds geprotesteerd tegen een uitkomst waarbij hij tegelijkertijd gehuwd zal zijn met twee vrouwen en waarbij zijn huidige huwelijk vernietigd wordt, dan wel nietig wordt verklaard. Ondanks deze protesten heeft de man op 18 juni 2019 bij de gemeente een instemmingsverklaring moeten ondertekenen. De man kende toen de inhoud van het verzoekschrift van het openbaar ministerie nog niet. Dit verzoekschrift was nog niet eens opgesteld. De man kon daar dus onmogelijk mee instemmen. Als de man op de hoogte was geweest van de consequenties van de doorhaling, was hij daar nooit mee akkoord gegaan.

Uitgaande van de informatie die mr. Maas hen in januari 2017 gaf, namelijk dat doorhaling van de foutieve latere vermelding van een huwelijksontbinding, gevolgd door een echtscheiding, hetzelfde resultaat zou opleveren als niets doen, hebben de man en de vrouw zich erbij neergelegd en zijn zij verder gegaan met hun levens. De man is opnieuw getrouwd op 22 november 2017 en de man en de vrouw hebben in juni 2018 de verdeling van de huwelijksgemeenschap afgewikkeld. Op initiatief van de vrouw is de foutieve latere vermelding toch weer aan de orde gesteld, met alle financiële en emotionele gevolgen voor de man (en zijn echtgenote) van dien. Het huwelijk van de man en zijn echtgenote zal nietig verklaard worden of vernietigd worden, waarna zij op basis van hun geloofsovertuiging (Jehova’s getuigen) niet meer mogen samenwonen. De huwelijksdag en twee jaar huwelijk zullen weggevaagd worden. Ook de financiële aspecten zijn niet te overzien: de notariële akte van juni 2018 in het kader van de afwikkeling van de gemeenschap zal niet meer geldig zijn.

Bij een belangenafweging weegt het doorhalen van de inschrijving niet op tegen de nadelige gevolgen daarvan voor de man. De man verwijst in dit verband naar een beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2004 (ECLI:NL:RBBRE:2004:AR2297), in welke zaak ook een belangenafweging heeft plaatsgevonden.

3.6.

Het openbaar ministerie voert - kort samengevat - het volgende aan.

Er is sprake van een onjuiste latere vermelding in de burgerlijke stand. De bepalingen hieromtrent in het Burgerlijk Wetboek zijn van openbare orde en kunnen daarom niet zomaar terzijde worden geschoven. De latere vermelding moet worden doorgehaald. Dat doorhaling van de onjuiste vermelding nare gevolgen voor de man heeft, kan daar niet aan afdoen.

De wet stelt niet de eis dat een betrokkene van een verzoek als bedoeld in artikel 1:24 BW op de hoogte is of daarmee instemt.

3.7.

De ambtenaar voert - kort samengevat - het volgende aan.

De gang van zaken en het handelen van de man bevreemden de gemeente zeer. Op 18 juni 2019 heeft de man met de gemeente, nadat de foutieve inschrijving was geconstateerd, de juiste route uitgestippeld om een en ander te herstellen: via het openbaar ministerie een aanpassingsverzoek indienen en alsnog een verzoek tot ontbinding van het huwelijk tussen de man en vrouw indienen. De man kon zich hier in vinden en hij heeft de instemmingsverklaring ondertekend. Uit de brief van de man aan de gemeente van 30 juli 2019 maakt de gemeente op dat de man niet goed heeft begrepen wat is besproken op 18 juni 2019. Tijdens een tweede gesprek op 26 augustus 2019 wordt een en ander nog eens toegelicht: de man gaf aan de te ondernemen stappen te begrijpen.

De gemeente begrijpt niet waarom de man van de bestreden beschikking in hoger beroep is gekomen: dit staat haaks op wat met de man is besproken en wat hem is geadviseerd. Echter, als de man de foutieve latere vermelding in stand wil laten, zal de gemeente daaraan niet in de weg staan.

Deze hele situatie had voorkomen kunnen worden als de man het advies van mr. Maas had opgevolgd begin 2017 en toen al een aanpassingsverzoek had ingediend. Hoewel de man wist dat zijn eerste huwelijk formeel nog niet was ontbonden, is hij toch het tweede huwelijk aangegaan.

3.8.

De vrouw voert - kort samengevat - het volgende aan.

De man en de vrouw hebben beiden een instemmingsverklaring ondertekend waaruit blijkt dat zij instemmen met het in te dienen verzoek tot doorhaling van de latere vermelding en waaruit blijkt dat er geen verweer zal worden gevoerd.

De man erkent dat er een omissie is begaan. Deze omissie dient te worden hersteld, ondanks de gevolgen die hieraan zijn verbonden. De desbetreffende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek zijn van openbare orde. Van deze bepalingen kan niet worden afgeweken. De man heeft bovendien deze gevolgen over zichzelf afgeroepen door bewust een nieuw huwelijk aan te gaan, terwijl hij wist dat er sprake was van een foutieve latere vermelding.

Het belang van de vrouw bij doorhaling van de inschrijving is erin gelegen dat de vrouw in het huwelijk wil treden met haar levenspartner. Dit laat de huidige situatie niet toe.

Het oordeel van het hof

Is [de huidige echtgenote van de man] , de huidige echtgenote van de man, belanghebbende?

3.9.

Bij het hiervoor onder 2.6 vermelde faxbericht heeft [de huidige echtgenote van de man] verzocht om op de voet van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering primair te mogen tussenkomen in deze procedure subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van de man dan wel om te worden aangemerkt als belanghebbende. Ter toelichting op haar verzoek heeft [de huidige echtgenote van de man] het volgende aangevoerd. De gevolgen van doorhaling van de latere vermelding zijn voor haar zeer groot, zowel op emotioneel als financieel gebied. Het huwelijk tussen [de huidige echtgenote van de man] en de man zal na doorhaling van de latere vermelding nietig worden verklaard. De man en [de huidige echtgenote van de man] zullen dan ongehuwd hebben samengewoond. Dit is in hun religie niet geoorloofd. Verder is [de huidige echtgenote van de man] in de plaats van de vrouw getreden bij de bank die de hypothecaire geldlening voor de voormalige echtelijke woning heeft verstrekt. De dreiging van deze gevolgen heeft een fysieke en mentale weerslag op [de huidige echtgenote van de man] . Hierdoor heeft [de huidige echtgenote van de man] er belang bij om zich in deze procedure te mengen en zich te verzetten tegen de verzochte doorhaling.

De vrouw heeft zich verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Art. 217-219 Rv inzake voeging en tussenkomst zijn niet geschreven voor verzoekschriftprocedures. Iedere belanghebbende kan in de verzoekschriftprocedure een verweerschrift indienen (art. 282 Rv). Daarmee zijn de belangen van derden voldoende beschermd.

Ten aanzien van de vraag of in deze zaak [de huidige echtgenote van de man] als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt, stelt het hof het volgende voorop.

Art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor het bijzondere procesrecht in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”.

Het hof is van oordeel dat [de huidige echtgenote van de man] in deze procedure in hoger beroep niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Bij doorhaling van een akte van de burgerlijke stand is volgens bijlage 1 en 3 van het Procesreglement overige Boek 1 zaken belanghebbende degene van wie de gegevens in de akte zijn vermeld of wier gegevens het betreft. Dat betreft enkel de man en de vrouw. Het gaat immers om de doorhaling van de onjuiste vermelding van de aan de huwelijksakte van de man en de vrouw toegevoegde latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed. De doorhaling van de latere vermelding heeft enkel rechtstreeks gevolgen voor de burgerlijke staat van de man en de vrouw. [de huidige echtgenote van de man] is niet te beschouwen als degene op wier rechten en verplichtingen de doorhaling van de latere vermelding op de huwelijksakte rechtstreeks betrekking heeft in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Weliswaar heeft de doorhaling voor [de huidige echtgenote van de man] gevolgen maar deze gevolgen zijn indirect in die zin dat zij voortvloeien uit de omstandigheid dat zij nadien met de man in het huwelijk is getreden. Het hof begrijpt dat [de huidige echtgenote van de man] ernstige emotionele en financiële schade ondervindt als gevolg van het verzochte herstel van de onjuiste vermelding, maar ook deze feiten en omstandigheden maken niet dat de doorhaling rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten en verplichtingen. Het belang van [de huidige echtgenote van de man] bij afwijzing van het verzoek van het openbaar ministerie tot doorhaling kan aan het voorgaande niet afdoen.

De doorhaling van de latere vermelding

3.11.

Op grond van artikel 1:24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank (en in hoger beroep: het hof) op verzoek van het openbaar ministerie de doorhaling gelasten van een ten onrechte in een register van de burgerlijke stand voorkomende latere vermelding.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.

Vaststaat dat bij de beschikking van de rechtbank Limburg van 13 november 2013 niet de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken, maar de scheiding van tafel en bed. Dit betekent dat de aan de huwelijksakte van de man en de vrouw toegevoegde latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed ten onrechte in het huwelijksregister van de gemeente [gemeente] is opgenomen. Immers van een beschikking met een dergelijke inhoud (art.1:179 BW) was geen sprake.

Partijen zijn er kennelijk ook steeds vanuit gegaan dat zij (slechts) gescheiden van tafel en bed waren. Immers partijen hebben zich na de beschikking van 13 november 2013 waarin de scheiding van tafel en bed was uitgesproken en die ook ingeschreven is in het huwelijksgoederenregister, verzoend en zij hebben deze verzoening ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, waardoor alle gevolgen van het huwelijk ingevolge art. 1:176 BW van rechtswege herleefden.

Nadat beide partijen er van op de hoogte waren (oktober 2016) dat er een fout staat in het huwelijksregister van de gemeente [gemeente] , te weten de latere vermelding betreffende huwelijksontbinding na scheiding van tafel en bed, zijn de man noch de vrouw daadwerkelijk overgegaan tot enige juridische actie om deze fout te herstellen. De man is op 22 november 2017 opnieuw in het huwelijk getreden met [de huidige echtgenote van de man] .

3.12.2.

De bevoegdheid van de rechter om een vermelding op een akte te doen doorhalen, indien deze ten onrechte in de registers van de burgerlijke stand voorkomt, houdt in dat de rechter volledig moet toetsen of de omstreden vermelding terecht in die registers is opgenomen (HR 16 oktober 1992, NJ1992,790). Er is in deze derhalve geen sprake van een discretionaire bevoegdheid. De rechter heeft niet de vrijheid een terecht verzoek af te wijzen. Immers de registers van de burgerlijke stand zijn van openbare orde, zij dienen in het belang van de rechtszekerheid de juiste gegevens te bevatten, mede gelet op de bewijskracht die akten van de burgerlijke stand op grond van artikel 1:22 BW hebben.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van het openbaar ministerie tot doorhaling van die latere vermelding dient te worden toegewezen. Het staat vast dat de vermelding in kwestie onjuist is. Voor een belangenafweging is dan geen plaats.

De door de man in het kader van de belangenafweging gehanteerde verwijzing naar de beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2004 kan hier niet aan afdoen.

3.12.3.

Aan de klacht van de man dat hij ten tijde van de ondertekening van de verklaring op 18 juni 2019 niet op de hoogte was van de inhoud en de strekking van het inleidende verzoekschrift van het openbaar ministerie, wat daar overigens ook van zij, gaat het hof voorbij. Immers de man heeft daadwerkelijk getekend en geen voorbehoud gemaakt. Ook de grief van de man dat hij door de rechtbank niet is gehoord en verweer had willen voeren leidt niet tot afwijzing van het verzoek van het openbaar ministerie, nu de man in hoger beroep zijn standpunt met betrekking tot het verzoek van het openbaar ministerie naar voren heeft gebracht. Een eventueel gebrek uit de eerste aanleg is daarmee geheeld.

Dat de man ernstige emotionele en financiële schade ondervindt als gevolg van de doorhaling van de onjuiste vermelding, is zeer te betreuren, maar kan in deze procedure niet tot een ander oordeel leiden.

3.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

Proceskosten

3.14.

In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel in familierechtelijke procedures die inhoudt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

29 augustus 2019;

bepaalt dat de griffier op de voet van het bepaalde in artikel 1:24 lid 2 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking een afschrift daarvan zal sturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] , dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:24b lid 2 BW;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans - Wijn en

E.L. Schaafsma - Beversluis en is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.