Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3799

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
20-003039-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003039-16

Uitspraak : 1 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 23 september 2016 in de strafzaak met parketnummer

04-860348-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de onder 1 (het al dan niet samen met een ander aanwezig hebben van 710 gram hennep), 2 (de uitvoer van 9700 gram hennep al dan niet samen met een ander) en 3 (de uitvoer van hennep gedurende een periode van bijna twee maanden al dan niet samen met een ander) tenlastegelegde feiten.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is door de advocaat-generaal bij ‘akte partiële intrekking hoger beroep’ d.d. 6 februari 2020 – onder intrekking van het hoger beroep ter zake van het onder feit 3 tenlastegelegde – uitdrukkelijk beperkt tot het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat thans nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde feit en bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 mei 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 710 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 22 mei 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 9700 gram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze overschrijding is niet te wijten aan de verdediging. Volgens de verdediging is er geen enkel strafvorderlijk belang in te zien waarom een zaak na bijna 10 jaren nog moet worden afgedaan. De verdediging heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de rechtbanken Breda, Amsterdam en Utrecht.

Het hof stelt voorop dat in het eerste lid van artikel 6 EVRM het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht wordt gewaarborgd. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. De in artikel 6 EVRM neergelegde termijn strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Het hof constateert dat de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk lang op zich heeft laten wachten. Hoewel niet louter sprake is van bloot tijdsverloop, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de redelijke termijn voor berechting, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, in ernstige mate is overschreden, terwijl geen sprake is van bijzondere omstandigheden die die lange duur geheel zouden kunnen verklaren of rechtvaardigen.

Echter, op grond van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn niet tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de eventueel op te leggen straf.

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de regel en verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. Nu er ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, acht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Vrijspraak

Uit het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof - met de advocaat-generaal en de verdediging - niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van het procesdossier staat genoegzaam vast dat op 22 mei 2012 aan de [adres] 710 gram hennep in de schuur is aangetroffen. Ongeacht het feit dat verdachte de eigenaar van voornoemde woning en daarbij behorende schuur is, kan het hof niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk weet heeft gehad van deze hennep en dat hij er op enigerlei betrokken bij is geweest.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
op 22 mei 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 8790 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdediging heeft betoogd dat ondanks te betwijfelen valt dat de afgegeven tapmachtiging van de eerste taplijnen, welke zes maanden na de uitvoer van amfetamine zijn aangelegd, nog onder het begrip dringend vorderen valt, de machtigingen van de tweede tapaanvragen van 2 april 2012 in ieder geval niet hadden mogen worden afgegeven. De verdediging is het met de rechtbank eens dat hierbij sprake is van een hervatting van een onderzoek ten aanzien van een feit dat al een jaar geleden was gepleegd en men het onderzoek een jaar lang niet of onvoldoende prioriteit had gegeven. Een dergelijke machtiging kon en mocht dan ook niet zonder een nadere onderbouwing worden afgegeven. Er waren naar het oordeel van de verdediging geen nieuwe feiten die het tappen konden rechtvaardigen. Voorts is door het onrechtmatig tappen door de politie een inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte. Daarbij komt dat hoe langer een tap loopt, des te kritischer de rechter-commissaris moet zijn bij het beoordelen van een aanvraag tot verlenging of vernieuwing van de taplijnen. Het enkele feit dat de rechter-commissaris een machtiging had verstrekt maakt volgens de verdediging niet dat de resultaten daaruit als rechtmatig bestempeld kunnen worden. De verdediging is het dan ook met de rechtbank eens dat de rechter-commissaris de machtiging niet had mogen afgeven en dat er dus niet getapt had mogen worden. Volgens de raadsman dient als gevolg van dit onherstelbare vormverzuim en de daarbij geschonden norm, bewijsuitsluiting te volgen, nu er causaal verband bestaat tussen de normschending en het aldus verkregen bewijsmateriaal. De uit de taps verkregen bewijsmiddelen zijn onrechtmatig verkregen en mogen niet gebruikt worden als wettig bewijs, zodat integrale vrijspraak dient te volgen.

Indien het hof voorbij gaat aan het verweer van de onrechtmatige taps is de verdediging subsidiair van oordeel dat ten aanzien van feit 1 vrijspraak moet volgen, omdat verdachte de zakken met hennep nog nooit had gezien. Hij wist van niets en kon ook van niets weten. Medeverdachte [medeverdachte 1] had die zakken daar verborgen, ook voor zijn vader, verdachte. Ook ten aanzien van feit 2 is subsidiair bepleit dat vrijspraak moet volgen, nu verdachte heeft verklaard dat hij met zijn zoon naar Duitsland is gegaan om een auto te kopen en niets wist van uitvoer van hennep. Afgezien van het feit dat verdachte bij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto zat, is er volgens de verdediging geen enkel bewijs van de wetenschap van verdachte met betrekking tot het drugstransport.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsman ten aanzien van de taps aldus dat – kort gezegd – de tapmachtigingen vanaf 2 april 2012 rechtens niet door de rechter-commissaris hadden mogen worden afgegeven en derhalve al het uit die taps voortkomend bewijs, ongeacht ten aanzien van welke (mede) verdachte(n) de machtigingen zijn afgegeven, dient te worden uitgesloten voor het bewijs.

De Hoge Raad heeft ten aanzien van de rechtmatigheid van telefoontaps een toetsingskader gegeven waaruit volgt dat het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel inhoudt dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Voorts omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en ook overigens rechtmatig is.1

Bovenstaande houdt in dat de zittingsrechter een marginale ex tunc toets moet aanleggen met betrekking tot de vraag of de rechter-commissaris een rechtmatige machtiging heeft verleend.

Voor wat betreft de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de machtigingen met betrekking tot de lijnen 1, 2, 3, 4, en 5 heeft kunnen komen, bestaat in hoger beroep geen discussie. Met de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord.

Met betrekking tot de machtigingen voor het tappen van de lijnen 6, 7, 8, 9, 10 en 11 is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat ook deze machtigingen in redelijkheid konden worden verleend.

De lijnen 1, 2, 3, 4 en 5 zijn destijds namelijk opgestart om de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de internationale handel in verdovende middelen vast te kunnen (blijven) stellen en hem te kunnen lokaliseren ten behoeve van de aanhouding in verband hiermee. Immers, de telefoonnummers die in het opsporingsonderzoek (startdatum 7 november 2011) van hem bekend waren, werden niet langer gebruikt. Om een actueel telefoonnummer van hem te achterhalen, zijn (onder meer) twee telefoonnummers in gebruik bij zijn vader, verdachte, getapt. Er werden twee telefoonnummers en een IMEI-nummer in gebruik bij [medeverdachte 1] verkregen en getapt. Het onderzoek is vervolgens wegens capaciteitsproblemen enkele maanden stilgelegd en de lopende (vijf) taps zijn in de loop van december 2011 beëindigd of waren al geëindigd.

Zo’n drie maanden later, op 19 maart 2012, is het onderzoek hervat. Gelet op het feit dat verdachte de vader van [medeverdachte 1] is en de eerder achterhaalde telefoonnummers van [medeverdachte 1] bij de herstart van het onderzoek niet meer in gebruik waren, is hernieuwing van het tappen van de lijn (lijn 6) op het nummer van verdachte gevorderd. De aanvraag zag wederom op een periode van maximaal twee weken en de tap zou na het achterhalen van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] weer kunnen worden beëindigd. Bij de daarop volgende aanvragen heeft de politie steeds de nieuw ontdekte informatie verwerkt. Zo is op het nummer van [medeverdachte 1] (lijn 7) een tapmachtiging aangevraagd nadat [medeverdachte 1] zelf aan de wijkagent had medegedeeld op het betreffende nummer te bereiken te zijn. Uit de tapgesprekken op die lijn 7 bleek – ingevolge de aanvraag tot verlenging van de tap – dat vermoedelijk vijf maal een verdovende middelen transactie had plaatsgevonden, waarbij de verdovende middelen werden geleverd aan Duitsers. Voorts dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 10 april 2012 een hotelkamer had gereserveerd op naam van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt uit het dossier: [medeverdachte 3] ) en dat nadien is gebleken dat in deze hotelkamer twee andere personen uit Duitsland hadden verbleven. Vervolgens had vermoedelijk een levering verdovende middelen plaatsgevonden waarbij deze twee Duitsers mogelijk betrokken waren, naast ene ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ die veelvuldig contact had met [medeverdachte 1] . Bij deze transactie bleek eveneens dat een telefoonnummer in gebruik bij verdachte betrokken was. Verdachte diende kennelijk als chauffeur te fungeren en samen met de Duitsers naar Duitsland te rijden waarbij hij tevens contra-observatie verrichtte. Voor wat betreft de overige (vier) leveringen van verdovende middelen aan Duitsers bleek uit de taps dat eenzelfde werkwijze gehanteerd werd, waarbij buiten [medeverdachte 1] , wederom die ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ en verdachte betrokken waren. Dit waren dan ook (onder meer) de redenen om wederom een taplijn (8) aan te vragen op het telefoonnummer van verdachte, taplijnen (9 en 10) op de telefoonnummers van [bijnaam medeverdachte 4] en taplijn 11 op telefoonnummer van [medeverdachte 1] , zijnde in de tijd de laatste tap vanaf 21 mei 2012. [bijnaam medeverdachte 4] bleek ook ‘ [medeverdachte 4] ’ te worden genoemd en zijn telefoonnummers werden toegeschreven aan medeverdachte [medeverdachte 4] .

Het hof stelt vast dat de tapgrondslag ongewijzigd was bij de herstart van het onderzoek en dat de nieuwe tapserie eveneens tot doel had de nieuw verkregen nummers uit te luisteren en te verwerken, teneinde te kunnen vaststellen wie (naast [medeverdachte 1] ) betrokken was en/of waren bij de handel, waar zich de mogelijke opslaglocatie(s) bevond(en) van de verdovende middelen, wie de leverancier(s) en afnemer(s) daarvan waren en om observatie en aanhouding mogelijk te maken. Een en ander volgt ook uit de onderbouwing van de nieuwe (verlengings)aanvragen: die zijn steeds onderbouwd met de (toen) bekende meest recente tapverslagen, waaruit de betrokkenheid c.q. verdenking van verdachte en/of de medeverdachten naar voren komt. Dat met de eerste hernieuwde aanvraag opnieuw werd beoogd eerst weer een actueel bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer te achterhalen, doet daar niets aan af, te meer niet nu in het aanvraag proces-verbaal is gerelateerd wat de verdenking was en wat de resultaten waren van de eerdere taplijnen tot aan het beëindigen vanwege de capaciteitsproblemen bij de politie.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat de rechter-commissaris niet in redelijkheid de tapmachtigingen had kunnen verlen(g)en. De rechtbank heeft in dat kader in plaats van een marginale, ten onrechte een volle inhoudelijke toets aangelegd, waar de rechter-commissaris wordt verweten dat hij zich meer rekenschap had moeten geven van de inhoud van de verdenking en de hierop gebaseerde hervatting van de tap. Het hof kan de rechtbank in de inhoudelijke toets die de rechtbank vervolgens toepast dan ook niet volgen. Resumerend is het hof van oordeel dat de machtigingen voor de tapserie in 2012 rechtmatig zijn verleend en van een vormverzuim geen sprake is, waardoor de tapgesprekken vanaf 3 april 2012 tot het bewijs gebezigd kunnen worden.

Het verweer treft geen doel.

Nu het hof de tweede tapserie niet onrechtmatig oordeelt en er dus geen sprake is van een vormverzuim, zal het hof geen aandacht meer schenken aan de kwestie of de verdachte gelet op de relativiteitsleer zich op dat vormverzuim zou kunnen beroepen.

Medeplegen uitvoer hennep

De raadsman heeft nog betoogd dat verdachte geen wetenschap had ten aanzien van het drugstransport.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte betrokken was als medepleger bij de uitvoer van ongeveer 8790 gram hennep naar Duitsland in de vroege ochtend van 22 mei 2012. De hennep werd in de kofferruimte van een BMW met Duits kenteken aangetroffen, nadat deze BMW in Duitsland werd staande gehouden na het passeren van de grens met Nederland. Verdachte was betrokken in de aanloop naar het transport en hij was aanwezig rondom de levering en bij de begeleiding van het transport naar Duitsland. In de tapgesprekken is – weliswaar veelal in versluierd taalgebruik – veelvuldig gesproken over de aanloop naar de drugstransactie en het verloop van dit transport. Zo blijkt uit de tapgesprekken voorafgaand aan 22 mei 2012 dat verdachte observaties aan de grens doet en dat hij bijvoorbeeld tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat de grens schoon is. Ook verdachte, dan wel zijn telefoon(nummer) in handen van zijn zoon [medeverdachte 1] die zich dan bij hem in de auto bevond, heeft deelgenomen aan opgenomen gesprekken. Verdachte wist zodoende wat er stond te gebeuren op 22 mei 2012 en werd door zijn zoon in de aanloop daarnaartoe van de ontwikkelingen op de hoogte gehouden. Verdachte vroeg ook zelf naar de stand van zaken. Wanneer de tapgesprekken naast de observaties van de politie worden gelegd, volgt daaruit dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de uitvoer. Verdachte, wetende van de hoed en de rand, bestuurde op de pleegdatum een van de auto’s, de VW Polo, die de Duitse BMW met daarin de hennep fysiek naar Duitsland begeleidde. Op dat moment bevonden zich in diezelfde VW Polo zijn zoon [medeverdachte 1] , die het drugstransport telefonisch begeleidde doordat hij rechtstreeks in verbinding was met onder anderen de Duitse koerier (eveneens met de telefoon van verdachte), en dat terwijl de eigenaar van de Duitse BMW zich naast de verdachte bevond op de bijrijdersstoel. Hij was opgehaald door verdachte bij vakantiepark [locatie] , nadat aldaar aan de Duitsers de hennep was geleverd. De Duitse koerier en de tenaamgestelde van de BMW hebben beiden verklaard samen naar Nederland te zijn gekomen om hennep te kopen, hetgeen wordt bevestigd in de tapgesprekken in de aanloop naar de transactie. Die hennep is hen ook geleverd in een bungalow (van vakantiepark [locatie] ) door medeverdachte [medeverdachte 4] . De Duitse koerier verklaarde telefonisch instructies te krijgen over wanneer hij kon vertrekken en hoe hard hij moest rijden. Hiervoor waren de contra-observaties, waaraan de verdachte deelnam, leidend. Verdachte, geconfronteerd met alle bevindingen uit het onderzoek, heeft volgehouden dat hij naar Duitsland ging voor de aankoop van een auto en dat de Duitse bijrijder in de VW Polo hem daartoe de weg zou wijzen.

Afgezet tegen de bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig, nu deze weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Aldus kan de verdachte naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een van de medeplegers van de onder feit 2 tenlastegelegde uitvoer van hennep.

Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van ongeveer 8790 gram hennep. Immers heeft de verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de voltooiing van dit delict. Aldus heeft de verdachte gehandeld uit puur winstbejag en heeft hij zich geen enkele rekenschap gegeven van de omstandigheid dat verdovende middelen als hennep zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Bovendien staat verdachtes handelen onmiskenbaar in relatie met de verspreiding en handel in softdrugs, hetgeen onlosmakelijk in verbinding staat met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze verslavende middelen. In verband met de verdenking van (onder meer) het bewezenverklaarde heeft de verdachte 94 dagen in voorarrest doorgebracht, eerst in Duitsland en vervolgens in Nederland.

Uit de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2020 blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Ten slotte heeft het hof uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak. Zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg en hoger beroep in ernstige mate overschreden.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 mei 2012, de dag waarop de doorzoeking van zijn woning heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft op 23 september 2016 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en vier maanden.

Namens verdachte is op 5 oktober 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op

1 december 2020. In hoger beroep is aldus eveneens sprake van een termijnoverschrijding van twee jaar en twee maanden.

Kortom, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is sprake van een schending van de redelijke termijn. Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding deels rechtvaardigen, namelijk de onderzoekswensen die in eerste aanleg namens verdachte zijn ingediend. Deze omstandigheden rechtvaardigen echter niet de gehele overschrijding van de redelijke termijn. Het hof ziet gelet op de op te leggen sanctie aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden in de vorm van matiging van de op te leggen sanctie.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur 94 dagen met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Rekening houdend met het aanzienlijke tijdsverloop sedert de pleegdatum (22 mei 2012) en gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof namelijk geen aanleiding tot het opleggen van een hogere of andere straf dan het reeds ondergane voorarrest. Nu echter de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen met aftrek van voorarrest.

Beslag

Nu de verdachte ter terechtzitting van 17 november 2020 alsnog afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen goederen, te weten een bruin doosje met daarin 70 patronen/metaka, een groen doosje met daarin 8 patronen/metaka en een metalen patroonhouder met daarin 9 patronen, zal het hof geen beslissing meer nemen ten aanzien van het beslag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 6:2:7 Wetboek van Strafvordering bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 1 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hoge Raad 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4351