Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
20-001991-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001991-17

Uitspraak : 27 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 28 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-049091-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte terzake van:

  • -

    mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en

  • -

    eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Tevens heeft de politierechter beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

  • -

    De vordering tot schadevergoeding ingediend door [benadeelde 1] is door de politierechter afgewezen, met veroordeling in de kosten door de verdachte gemaakt, welke zijn begroot op nihil.

  • -

    De vordering tot schadevergoeding ingediend door [benadeelde 2] is door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 300,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De verdachte is voorts in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde 2] veroordeeld, welke zijn begroot op nihil. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr. aan verdachte opgelegd van een bedrag van € 300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, behoudens de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en opnieuw rechtdoende, deze vorderingen geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Door verdachte is vrijspraak bepleit.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] afgewezen. Nu de benadeelde partij zich niet opnieuw heeft gevoegd terzake de niet toegewezen vordering, is deze in hoger beroep niet aan de orde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de schadevergoedingsmaatregel.

De politierechter heeft abusievelijk de naam van de benadeelde partij in het dictum verkeerd opgenomen en het hof zal deze misslag herstellen. Voorts zal het hof in verband met de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2020, anders dan de politierechter die bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen vervangende hechtenis heeft opgelegd, in plaats van vervangende hechtenis het aantal dagen dat ziet op de hier geldende duur van de gijzeling vaststellen. Gelet op het vorenstaande zal het hof op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] opnieuw in rechte beslissen.

Bespreking verweer

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij ten onrechte is veroordeeld. De verdachte stelt dat hij op 13 maart 2017 door de conducteur de trein was uitgezet omdat hij geen geldig vervoersbewijs had. Toen hij buiten de trein stond te wachten op de politie, kwamen er twee beveiligers van de NS op hem af en zij hebben toen geweld tegen hem gebruikt. Er is hem niet om een ID-bewijs gevraagd, aldus de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van aangevers specifiek zijn en elkaar in voldoende mate en op essentiële onderdelen ondersteunen.

Voor zover de verdachte met zijn verweer heeft betoogd dat hij in noodweer heeft gehandeld als gevolg van het jegens hem gebruikte geweld, overweegt het hof het volgende.

In art. 41.1 Sr is het volgende neergelegd: Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, maar dat de verdachte op een rechtmatige wijze is aangehouden vanwege het niet voldoen aan zijn identificatieplicht.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Redelijke termijn

De gedingstukken geven het hof in het kader van de straftoemeting aanleiding ambtshalve te onderzoeken of in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in hoger beroep geschonden omdat het hof niet binnen twee jaren nadat appel is ingesteld (te weten op 28 juni 2017) tot een einduitspraak komt, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen.

Gezien echter de door de politierechter opgelegde straf, welke straf door het hof wordt bevestigd, leent deze zich gezien de duur en aard ervan, niet voor vermindering. Daarom wordt aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden geen rechtsgevolgen verbonden. Het hof zal met voornoemd oordeel volstaan.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 500,00, zijnde de immateriële schade veroorzaakt door de belediging en de mishandeling. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00 ten aanzien van de bewezen verklaarde mishandeling, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 1 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.B. van den Beld en mr. A.J. Henzen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 27 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.