Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3785

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
20-002115-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5958, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is ter zake van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen voor zover deze betrekking hebben op shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002115-18

Uitspraak : 9 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-700174-17 tegen:

[verdachte] 1,

(zich noemende: [verdachte] ) geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

thans verblijvende in [PI] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van moord (het primair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest, en is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met verpleging van overheidswege.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen tot een bedrag van € 16.222,60, waarvan € 6.222,60 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de verdachte in de kosten van deze procedure van de benadeelde partij, daaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, tot op de dag van het vonnis begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partij is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een bedrag van € 11.222,60.

De vorderingen tot schadevergoedingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2] ), [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zijn telkens toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening, met veroordeling van de verdachte in de kosten van deze procedure van de benadeelde partijen, daaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, tot op de dag van het vonnis begroot op nihil.

Ten behoeve van de benadeelde partijen is telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een bedrag van € 5.000,00.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het aan hem primair tenlastegelegde (moord) en de verdachte zal veroordelen ter zake van het aan hem subsidiair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest, en de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van de verdachte zal gelasten.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van telkens de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag van de toegewezen vorderingen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van hetgeen hem primair (moord) en subsidiair (gekwalificeerde doodslag) ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag) heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Indien het hof het beroep op de strafuitsluitingsgrond niet mocht honoreren, heeft de verdediging met betrekking tot de op te leggen sanctie bepleit dat het hof geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal gelasten en dat zal worden volstaan met het opleggen van een kale gevangenisstraf. In het geval het hof wel de terbeschikkingstelling met dwangverpleging mocht gelasten heeft de verdediging bepleit dat de hoogte van de gevangenisstraf wordt gematigd en het hof verzocht om gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 37b, tweede lid, Sr en te bepalen dat de terbeschikkingstelling met dwangverpleging na ommekomst van zes jaren gevangenisstraf zal aanvangen.

Ten slotte heeft de verdediging zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] primair op het standpunt gesteld dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren wegens een geslaagd beroep op noodweerexces. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , te weten een bedrag van € 6.222,60, gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van de door alle benadeelde partijen gevorderde immateriële schade bepleit dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na een nadere omschrijving van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg– tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Spaubeek, gemeente Beek, in elk geval in Nederland of Duitsland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens lichaam te steken en/of te snijden, in elk geval door geweld uit te oefenen op die [slachtoffer] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Spaubeek, gemeente Beek, in elk geval in Nederland of Duitsland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens lichaam te steken en/of te snijden, in elk geval door geweld uit te oefenen op die [slachtoffer] , welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een personenauto (taxi) en/of (een) portemonnee(s) en/of een telefoon, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Spaubeek, gemeente Beek, in elk geval in Nederland of Duitsland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in diens lichaam te steken en/of te snijden, in elk geval door geweld uit te oefenen op die [slachtoffer] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde (moord)

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van moord vaststelling van het bestanddeel “voorbedachten rade” is vereist. Vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen het bewijs er voor te kort schiet dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Uit de hierna nog nader door het hof vast te stellen feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte op 7 mei 2017 in Maastricht met een mes op zak plaats heeft genomen op de achterbank van de taxi van het slachtoffer [slachtoffer] , nadat hij het slachtoffer had aangesproken voor een taxirit naar (op dat moment) Beek. Zoals hierna overwogen zal worden, is het aannemelijk dat de verdachte er op dat moment rekening mee hield dat hij het mes als wapen tegen het slachtoffer zou gaan gebruiken, maar zijn er onvoldoende aanwijzingen dat hij toen al het besluit had genomen om het slachtoffer van het leven te beroven. Of en op welk moment de verdachte tijdens de taxirit wellicht tot dat besluit is gekomen, valt naar het oordeel van het hof onvoldoende uit de bewijsmiddelen af te leiden.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad zich gedurende enige tijd te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn daden en zich daarvan rekenschap te geven.

Mitsdien zal het hof de verdachte vrijspreken van de aan hem primair tenlastegelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 mei 2017 te Spaubeek, gemeente Beek, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in diens lichaam te steken, welke doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een personenauto (taxi) en portemonnees en een telefoon, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, op gronden zoals verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven, voor zover van belang – aangevoerd:

Het lijkt onvoorstelbaar dat de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht ter voorbereiding om de taxi, portemonnees en telefoon van het slachtoffer te stelen, nu het totaalbedrag van het geld en de waarde van de taxi en de telefoon zeer gering was.

De reden dat er kriskras door de omgeving van het zuiden van Limburg is gereden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat het slachtoffer niet bekend was in de omgeving en zijn navigatie niet aan had staan. Het kan toeval zijn dat het slachtoffer tweemaal op dezelfde plek is uitgekomen aan de [straatnaam] in Spaubeek.

Er kan met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het mes waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht van de verdachte was. Op het heft van het mes is een dactyloscopisch spoor aangetroffen, welk spoor geschikt is bevonden voor vergelijkend dactyloscopisch onderzoek. Dit spoor is vergeleken met alle in HAVANK aanwezige vingerafdrukken en hier is geen herkenning uitgekomen. Nu de verdachte bekend is in HAVANK en het slachtoffer niet, is de conclusie onontkoombaar dat de vingerafdruk op het heft van het mes afkomstig is van het slachtoffer, nu het spoor wel geschikt is bevonden voor vergelijkend onderzoek. Dit gegeven biedt steun aan de verklaring van de verdachte dat het mes van het slachtoffer was. Tevens is in de taxi van het slachtoffer ook een ander mes aangetroffen, waardoor de verklaringen van de broers van het slachtoffer, inhoudende dat hij nooit een mes in zijn auto had liggen, geen stand kunnen houden.

Op basis van het dossier kan objectief vastgesteld worden dat de verdachte beschikte over financiële middelen in de periode van het tenlastegelegde en hierdoor kan niet met een voldoende mate van zekerheid vastgesteld worden dat de verdachte die avond geen geld bij zich had.

Er kan niet met een voldoende mate van zekerheid vastgesteld worden dat al het geld in de portemonnee van de verdachte afkomstig was uit de portemonnee van het slachtoffer en hierdoor kan niet vastgesteld worden dat de verdachte de taxi alleen heeft meegenomen met het voornemen de chauffeur te beroven.

Indien het hof van oordeel is dat de verdachte in de taxi is gestapt met het voornemen de chauffeur te beroven, dan betekent dit niet zonder meer dat de taxichauffeur ook om het leven is gebracht om deze diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. De conclusie is gerechtvaardigd dat dit niet nodig is geweest, nu het onaannemelijk is dat het slachtoffer zich zou verzetten tegen een beroving, gelet op de verklaringen van zijn broers. Nu het overlijden van het slachtoffer los staat van de diefstal kan niet bewezen worden dat het slachtoffer om het leven is gebracht met één van de in artikel 288 Sr genoemde oogmerken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast. Bij de beoordeling van de verweren zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan.

Aantreffen taxi van het slachtoffer [slachtoffer] , aantreffen van de verdachte en twee portemonnees en de telefoon van het slachtoffer en aantreffen van het slachtoffer

Op 7 mei 2017, omstreeks 09.30 uur, reed verbalisant [verbalisant 1] op de Rijksweg A12 rechts te Zevenhuizen. Op de andere rijbaan zag hij op de vluchtstrook een motorvoertuig staan met de alarmverlichting aan en zag hij dat de verlichting aan de voorzijde aan was. In de omgeving van het voertuig zag hij geen personen. Hierop is de verbalisant gekeerd en richting het voertuig gereden en ter plaatse zag hij dat het om een personenauto van het merk Dacia, type Logan, voorzien van het kenteken [kenteken] , ging. Bij het naderen van de passagierskant van het motorvoertuig zag de verbalisant op de ramen van de achterbank bloed zitten. Ook op de achterbank achter de bestuurdersstoel zag hij een bloedvlek. Bij de bestuurdersstoel en de passagiersstoel op de bekleding en de ramen zag hij erg veel bloed. Er was niemand aanwezig bij het voertuig of in de nabije omgeving. Bij nader onderzoek aan het voertuig zag de verbalisant dat het een taxi betrof en dat de chauffeurskaart in de Boord Computer Taxi (BCT) op naam van [slachtoffer] stond. Achter de voorruit zag hij een vergunningsbewijs op naam van [naam taxibedrijf] . Op de passagiersstoel zag hij een grijs vest of trui liggen, welke onder het bloed zat. Op de passagiersdeur zag de verbalisant veel bloedsporen. De verbalisant had het vermoeden dat de bloedsporen vers waren, omdat deze sporen glinsterden. Voorts zag hij tussen de voorstoelen en de achterbank een zwart voorwerp liggen, dat er uit zag als een stuk opgerold tapijt (pagina 607 van het politiedossier).

Naar aanleiding van de melding dat er op de A12 links op de vluchtstrook ter hoogte van Bleiswijk/Zevenhuizen een onbeheerde taxi stond, welke onder het bloed zat, zijn de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in de richting van het fietspad dat links langs de A12, in de richting van Gouda, ligt gereden. Op het fietspad onder het tunneltje dat onder de Hoefweg, N209, ligt, zagen de verbalisanten een man, naar later blijkt de verdachte, lopen (pagina’s 608-609 van het politiedossier). Dit was op een afstand van ongeveer 1.750 meter van de bovengenoemde taxi (pagina’s 619-620 van het politiedossier). De verbalisanten zagen dat verdachte uit de richting kwam waar de taxi eerder was aangetroffen en dat zijn gezicht onder het bloed zat. Omstreeks 09.39 uur hebben de verbalisanten de verdachte staande gehouden. Zij zagen hierbij dat zijn beide handen onder het bloed zaten, evenals bloedspetters op zijn trui en flinke bloedsporen aan de voorzijde van de door hem gedragen spijkerbroek. Gevraagd naar hoe hij aan het bloed kwam op zijn gezicht heeft de verdachte verklaard dat hij had gevochten met Russen. Ongevraagd vertelde de verdachte dat hij was ingestapt in een taxi in Maastricht die hem zou brengen naar Geleen en dat onderweg daar naar toe de taxi werd gedwongen te stoppen door een Audi. Uit die Audi zouden drie mannen die Russisch spraken zijn gestapt, die de taxichauffeur uit de taxi sleurden, de taxichauffeur sloegen en meenamen. De mannen hadden een 9 mm vuurwapen op hem gericht. De verdachte zou vervolgens ter hoogte van Beek in de taxi zijn gestapt en zijn weggereden.

Voordat de verbalisanten de verdachte overbrachten naar het politiebureau te Gouda heeft de verdachte hen drie telefoons en een portemonnee gegeven. Twee van de telefoons waren volgens de verdachte leeg (pagina’s 608-609 van het politiedossier).

Bij onderzoek aan de verdachte op het politiebureau in Gouda op 7 mei 2017 te 11.30 uur is vervolgens door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van de forensische opsporing waargenomen en bevonden dat hij bloed in zijn gelaat had op diverse plaatsen, te weten op zijn voorhoofd, beide wangen en het linkerdeel van zijn neus. Tevens had hij bloed op zijn beide handen en polsen, zowel aan de binnenzijde van de handen als op de buitenzijde/handrug. Ook had de verdachte bloed in zijn nek, net in het behaarde gedeelte. Voorts had de verdachte op zijn rug, net onder de kraag, een rode striem op zijn huid zitten, waarover de verdachte ongevraagd verklaarde dat die striem afkomstig was van de riem van zijn schoudertas (pagina’s 1599 tot en met 1602 van het politiedossier).

Middels een speurhond is op een afstand van 450 meter van de taxi een bruine, opengeklapte portemonnee aangetroffen, bevattende een rijbewijs op naam van [slachtoffer] en een kentekenbewijs. In de omgeving van deze portemonnee lagen diverse pasjes. Tevens is op een afstand van 300 meter van de taxi een zwarte portemonnee aangetroffen met daarin wat kleingeld (pagina’s 613 en 619-620 van het politiedossier).

Op 7 mei 2017 te 09.20 uur hebben Nederlandse wandelaars in een bos in Selfkant Schalbruch in Duitsland het lichaam van een levenloze man aangetroffen. Hierbij waren sleepsporen te zien. Deze wandelaars hebben dit gemeld bij de politie in Limburg, welke informatie is verstrekt aan de politie in Aken. Het lichaam is later die dag overgebracht naar Keulen voor forensisch onderzoek (pagina’s 565, 636 tot en met 640 en 1494-1498 van het politiedossier).

Het stoffelijk overschot is door de vader van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] , en de broers van het slachtoffer, [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 3] herkend als zijnde [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] (pagina 674 van het politiedossier).

Het hof ziet zich, ter beantwoording van de vraag of de doodslag is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, gesteld voor de vraag wat er voorafgaande aan de ochtend van 7 mei 2017 feitelijk heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer. Het hof zal hiertoe, ten behoeve van de overzichtelijkheid en de leesbaarheid, de gebeurtenissen opdelen in 3 (tijd)fases.

Fase 1: Taxirit vanaf de Markt in Maastricht richting Beek en aankomst eerste keer Spaubeek

Verklaringen verdachte

Omtrent de reden van de taxirit vanuit Maastricht, zijn verdere plannen en de taxirit richting Beek en Spaubeek heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd.

Tot aan de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij woonachtig was geweest in Schotland in de Highlands, dat hij zich in Nederland wilde gaan vestigen en opnieuw wilde beginnen in verband met de Brexit en zich in Nederland wilde gaan vestigen in het Noorden (tweede verhoor, pagina 1064 van het politiedossier), dan wel in de buurt van Rotterdam (derde verhoor, pagina 1175 van het politiedossier) en dat hij eerst nog de overtocht naar Schotland/Newcastle wilde maken vanuit Rotterdam, dan wel Hoek van Holland, om enkele spullen op te halen bij een vriend. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich juist in Schotland wilde gaan vestigen. Ook heeft hij toen verklaard dat hij geen woon- of verblijfplaats heeft in Nederland, dat hij die spullen, ter grootte van een reistas met inhoud, op wilde halen bij een vriend, van wie hij geen adresgegevens had en die hij telefonisch niet had kunnen bereiken, en dat zijn, verdachtes, paspoort reeds was verlopen op 7 mei 2017.

Tijdens zijn eerste verhoor op 7 mei 2017 heeft de verdachte verklaard dat hij aan verschillende taxichauffeurs op de markt in Maastricht heeft gevraagd wat de ritprijs naar Geleen zou zijn, omdat hij zich daar wilde gaan vestigen. Bij zijn volgende verklaringen heeft de verdachte echter telkens verklaard dat hij, voordat hij de overtocht naar Schotland zou maken, eerst nog een broek wilde kopen bij de Zeeman in het winkelcentrum Makado te Beek, welk winkelcentrum op zondag geopend zou zijn en dat hij daarom een taxirit naar Beek wilde maken. Deze broek zou € 10,00 kosten. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de maat en het merk broek die hij wilde niet op voorraad was bij de Zeeman in Maastricht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat er in Maastricht zes filialen van de Zeeman zijn. In het winkelcentrum Makado in Beek was ook een filiaal van de Zeeman en verder ook een Wibra. Het door de verdachte gestelde gegeven dat deze broek voor de verdachte gereserveerd zou zijn bij het filiaal van de Zeeman in Beek door een medewerker van een filiaal van de Zeeman in Maastricht, omdat ze daar het goede merk en de juiste maat niet op voorraad hadden, is door de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht. Tijdens het achtste verhoor van de verdachte heeft hij verklaard dat hij in Beek ook op bezoek wilde bij een tante die in Beek woonachtig was. Dit heeft hij verklaard ook tijdens de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep.

Omtrent de prijs van de taxirit naar Beek heeft de verdachte in eerste instantie (eerste en tweede verhoor) verklaard dat hij een prijs van € 30,00 had afgesproken met de taxichauffeur, omdat hij de andere prijzen te duur vond. Later heeft hij het over een prijs van € 30,00 à € 35,00 (derde verhoor) en vanaf de reconstructie die op 26 september 2017 heeft plaatsgevonden op de [straatnaam] te Spaubeek spreekt hij over een afgesproken ritprijs van

€ 35,00. De verdachte is daarna naar zijn zeggen aan de linkerkant van de taxi ingestapt en doorgeschoven naar de middelste zitplaats.

Omtrent het geldbedrag dat de verdachte bij zich zou hebben gehad, heeft hij verklaard:

  • -

    dat hij een bedrag van meer dan € 100,00 bij zich zou hebben gehad (eerste verhoor);

  • -

    dat het een bedrag van ongeveer € 140,00/€ 150,00 zou zijn, wat net genoeg zou zijn voor de overtocht naar Schotland (tweede verhoor);

  • -

    dat hij zijn eigen geld had, biljetten had van vijftig, van twintig, van tien, van vijf, en dat hij het zo voor zichzelf had geregeld dat hij het hotel (hof: [hotel] in Zoetermeer), de overtocht en de metrobus kon betalen (derde verhoor, pagina’s 1170, 1190, 1192);

  • -

    dat hij hetgeen hij aan geld had gespaard bij zich hield in zijn tas of portemonnee, dat hij ongeveer 1500 pond mee naar Nederland had genomen, wat hij had omgezet bij een Grens Wissel Kantoor en dat hij op 6 mei 2017 nog ongeveer € 200,00 bij zich had, waarvan hij ook nog had gegeten bij de Subway (vierde verhoor);

  • -

    dat hij een briefje van 50 bij zich had (zevende verhoor, pagina 1350).

Tijdens zijn achtste verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij wat geld bij zich had, maar dat hij ook van plan was om naar de begraafplaats te reizen waar zijn vader begraven ligt om geld op te halen, omdat hij daar een verstopplek had voor zijn geld.

Bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij geld bij zich had voor de aankoop van de broek en voor de overtocht, dat hij € 50,00 bij zich had en in hoger beroep heeft hij dit herhaald. Hij zou genoeg geld hebben om de reis te maken, nu hij ook nog geld wilde ophalen bij het graf van zijn vader. Voor een bedrag van € 35,00 wilde hij de taxi pakken om zich naar Beek te laten vervoeren om daar een broek bij de Zeeman te kopen van € 10,00 en langs [tante] te gaan. Met een buskaartje van € 4,50 zou hij naar de begraafplaats reizen, waar hij naar zijn zeggen een bedrag van ongeveer € 200,00 à € 300,00 had verstopt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor zijn reis richting Schotland, met als eerste bestemming, het [hotel] in Zoetermeer nog geen treinkaartje had gekocht. De kosten van het hotel kan hij zich niet herinneren, terwijl hij in zijn vierde verhoor heeft verklaard dat de kosten € 75,00 zouden zijn. Voorts heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij van plan was een goedkoop treinkaartje met een aanbieding te kopen, maar had dat nog niet gedaan. Dat zou € 17,50 tot € 20,00 kosten. De overtocht zou ongeveer € 55,00 kosten en de tocht naar Inverness £ 10 tot £ 15.

Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat de taximeter werd aangezet door de taxichauffeur nadat hij in de taxi was gestapt en hij daarna op enig moment in Beek ter hoogte van een viaduct/bushalte heeft aangegeven dat hij daar uit wilde stappen. Aldaar heeft volgens de verdachte een woordenwisseling van twee à drie minuten plaatsgevonden over de ritprijs, nu de taxichauffeur meer geld zou willen krijgen dan de afgesproken ritprijs van € 35,00, omdat de rit duurder was uitgevallen. De houding van de taxichauffeur werd op dat moment ook anders. Tijdens zijn derde verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij de taximeter kon zien en zag dat deze maar bleef lopen (dossierpagina 1160). Bij de eerste stop in Beek zou een bedrag van € 40,00 of € 50,00 op de meter staan (dossierpagina 1162), terwijl de verdachte vervolgens bij zijn zevende verhoor en ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft verklaard dat hij niet op de taximeter heeft gekeken. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte zelfs verklaard dat hij niet op de meter kon kijken, omdat hij achterin zat. De verdachte zou niet uitgestapt zijn, omdat hij geen problemen wilde. Na de woordenwisseling in Beek is de taxichauffeur verder gereden richting Spaubeek, waarbij zijn gedrag feller/agressiever was dan voorheen. Op de locatie [straatnaam] in Spaubeek is de taxichauffeur wederom gestopt, heeft er weer een woordenwisseling plaatsgevonden over de ritprijs, waarbij de taxichauffeur agressief was en is de taxichauffeur weer verder gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij de taxichauffeur niet heeft verteld hoe hij moest rijden.

Uitgelezen data taxi en reconstructie

Uit de uitgelezen data van het rittenregistratie/gps systeem van de taxi met het kenteken [kenteken] blijkt dat de taxi op 7 mei 2017 om 04.22.06 uur op de Boschstraat te Maastricht is gearriveerd en om 04.24.45 uur weer is vertrokken vanaf dit punt (pagina 784 van het politiedossier). Uit de gegevens van de ritadministratie blijkt dat het slachtoffer om 04.25.07 uur handmatig de knop van de Boord Computer Taxi heeft ingedrukt om de rit te starten (pagina’s 799 tot en met 804). Bij het uitkijken van camerabeelden van de binnenstad in Maastricht is gebleken dat een persoon, naar later blijkt de verdachte, aan de linkerzijde van de taxi is ingestapt en dat de taxi hierop weg is gereden (pagina’s 705-706 van het politiedossier). Het gele taxibordje op het dak van de taxi is op dat moment uitgeschakeld (pagina’s 699 en 707 van het politiedossier). Dit betekent dat de taxi niet beschikbaar is (pagina 768 van het politiedossier). Op enig moment zijn de contouren van een schouder van de passagier zichtbaar en de passagier bevindt zich op dat moment achter in de taxi, achter de bestuurder (pagina 707 van het politiedossier). Op het tijdstip 04.36.45 uur is de taxi aangekomen op de Maastrichterlaan te Beek (pagina 784 van het politiedossier).

Op 6 oktober 2017 heeft een reconstructie van de gereden taxirit door de politie plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de taxi over het traject Boschstraat Maastricht – Maastrichterlaan Beek precies 14 minuten had gedaan. Tijdens de rit werden normale snelheden gereden en de verkeersregels werden in acht genomen. Bij aankomst op de stopplaats op de Maastrichterlaan stond een bedrag van € 35,85 op de taximeter (pagina’s 835-836 van het politiedossier).

Naar aanleiding van de door de verdachte afgelegde verklaring op 15 mei 2017, inhoudende dat de taxichauffeur op de Maastrichterlaan te Beek ter hoogte van een bushalte heeft stilgestaan en daar een woordenwisseling heeft plaatsgevonden van enkele minuten, heeft verbalisant [verbalisant 6] , aan de hand van de geregistreerde GPS-gegevens een deel van de route gereden. De bedoelde bushalte bevindt zich ter hoogte van het vermelde tijdstip 04.36.45 uur op de Maastrichterlaan te Beek. Blijkens de GPS-gegevens heeft de chauffeur een bepaalde afstand afgelegd tussen het punt van 04.35.45 uur en 04.38.45 uur. Deze afstand is binnen 3 minuten afgelegd. Door de verbalisant is de afstand tussen deze twee tijdstippen tweemaal gereden onder normale rij-omstandigheden. Beide keren werd de afstand door de verbalisant gereden in een tijd van 2 minuten en 25 seconden. De stop bij de bushalte kan derhalve niet langer zijn geweest dan 35 seconden (pagina’s 784 en 833-834 van het politiedossier).

Volgens de GPS-gegevens van de taxi van het slachtoffer is hij op 7 mei 2017 om 04.38.45 uur vertrokken vanaf de Maastrichterlaan te Beek en om 04.59.45 uur aangekomen op de [straatnaam] 1 te Spaubeek (pagina 785 van het politiedossier). Om 05.00.29 uur is de taxi aangekomen op de [straatnaam] te Spaubeek ter hoogte van het bruggetje over de Geleenbeek. Uit de gegevens van de ritadministratie blijkt dat het slachtoffer op dit laatst genoemde tijdstip handmatig de knop van de Boord Computer Taxi heeft ingedrukt om de rit te beëindigen. Uit de gegevens van de Boord Computer Taxi is gebleken dat op deze locatie een ritprijs van € 77,95 is gegenereerd. Hierna is de taxi gekeerd en omstreeks 05.01 uur gearriveerd op de plaats delict op de [straatnaam] te Spaubeek. De rit vanaf de stop op de Maastrichterlaan te Beek tot aan de aankomst op de plaats delict op de [straatnaam] te Spaubeek heeft derhalve ongeveer 23 minuten geduurd (pagina’s 799 tot en met 804 en 836).

Bij de reconstructie van de gereden taxirit door de politie op 7 oktober 2017 is gebleken dat de taxi vanaf de locatie Maastrichterlaan te Beek 24 minuten later is aangekomen bij het bruggetje over de Geleenbeek aan de [straatnaam] te Spaubeek. Na het keren stond een bedrag van € 78,15 op de taximeter (pagina 836 van het politiedossier).

Bij het uitlezen van het navigatiesysteem van de taxichauffeur is gebleken dat de TomTom tijdens het vervoer van de verdachte niet is gebruikt (pagina’s 837 en 838 + bijlagen van het politiedossier). Hierover heeft verbalisant [verbalisant 7] opgemerkt dat uit de route die de taxi heeft gereden, bleek dat er veel gebruik is gemaakt van binnenwegen en deze ook enkele malen gepasseerd werden. De route is niet op aanwijzing van een navigatiesysteem gereden, daar dan bij elke kruising of splitsing een locatie ingegeven moest zijn. Voorts heeft [verbalisant 7] opgemerkt dat tijdens de verhoren van de verdachte is gebleken dat hij goed bekend was op de rijroute in de omgeving van Sweikhuizen en Spaubeek (pagina 578 van het politiedossier).

Uit de ritadministratie van de taxi van het slachtoffer volgt dat de eerste taxirit op 6 mei 2017 te 21.32 uur plaatsvond en de laatste rit op 7 mei 2017 om 05.00 uur. De opbrengsten gedurende deze avond/nacht betroffen € 197,55. De laatste rit, de rit van de verdachte, bedroeg € 77,95. De overige opbrengsten waren dus € 119,60 (pagina’s 799 tot en met 804 en 863 van het politiedossier), tezamen met een vermoedelijk startbedrag van minimaal

€ 50,00 van het slachtoffer (pagina 962 van het politiedossier) derhalve in ieder geval rond

€ 170,00.

Beschikking verdachte over financiële middelen

In de zwarte portemonnee van de verdachte is onder meer een geldbedrag van € 169,10 aangetroffen. Het briefgeld (1 x € 50,00, 1 x € 20,00, 7 x € 10,00 en 4 x € 5,00) bevond zich gesorteerd in de portemonnee en was geordend van klein naar groot (pagina 858 van het politiedossier).

Op 18 mei 2017 hebben de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] een onderzoek ingesteld bij het graf van de vader van de verdachte op het kerkhof gelegen aan [adres] te Sittard-Geleen. De verbalisanten hebben hier geen persoonlijke spullen van de verdachte aangetroffen. Achter het graf zagen zij een vrije ruimte waarvan de grond was bedekt met kiezelstenen (pagina’s 1478-1479 van het politiedossier).

Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte dat hij bij een Grens Wissel Kantoor in Rotterdam Engelse ponden heeft omgezet in euro’s is navraag gedaan bij GWK Travelex N.V. Hieruit is gebleken dat geen gegevens zijn gevonden in de systemen aangaande transacties die aan de balie zijn verricht door de verdachte (pagina 1460 van het politiedossier).

Na onderzoek op 23 mei 2017 is gebleken dat de verdachte over drie bankrekeningen beschikte, namelijk [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] . De eerstgenoemde bankrekening is al in 2015 gesloten. De tweede bankrekening is per 26 juli 2016 gesloten en het eindsaldo van € 44,91 werd bij het opheffen van de rekening overgeboekt naar de laatstgenoemde rekening. De laatstgenoemde rekening had op 11 mei 2017 een negatief saldo van € 16,93. Niet is gebleken dat er recent inkomsten zijn genoten op voornoemde rekeningnummers. Ook hebben er geen grote(re) contante stortingen plaatsgevonden. De laatst verrichte transactie was gedateerd op 25 juli 2016. (pagina’s 1464-1465 van het politiedossier). Tevens is gebleken dat de op de naam van de verdachte aangevraagde creditcard niet geactiveerd was (pagina’s 1461-1462 van het politiedossier).

Informatie omtrent (rij)gedrag slachtoffer

[benadeelde partij 5] , één van de broers van het slachtoffer, heeft verklaard dat het slachtoffer altijd reed met navigatie, zelfs in Maastricht, en dat hij niet bekend was in de omgeving van Beek, Geleen, Spaubeek, Schinnen en Sweikhuizen. Het slachtoffer zou geen gebruik maken van de navigatie als de klant de weg zou wijzen. Omtrent het mee te nemen startgeld als taxichauffeur heeft [benadeelde partij 5] verklaard dat hij niet precies weet hoeveel startgeld het slachtoffer bij zich had, maar dat dit minimaal een bedrag van € 50,00 is geweest en dat het slachtoffer het geld van klanten waarschijnlijk sorteerde in de werkportemonnee per briefje in een vakje. Over de persoon van zijn broer [slachtoffer] heeft hij verklaard dat het een hele rustige jongen was, die niet met agressie antwoordde als hij met agressie te maken zou krijgen (pagina’s 960 tot en met 965 van het politiedossier).

[benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , de andere twee broers van het slachtoffer, hebben eveneens verklaard dat het slachtoffer altijd met navigatie reed, ook binnen Maastricht en dat hij slecht, dan wel helemaal niet, bekend was in de omgeving van Beek, Geleen, Spaubeek, Schinnen en Sweikhuizen. Over de persoon van hun broer [slachtoffer] heeft [benadeelde partij 3] verklaard dat hij rustig en goedwillig was en geen agressie had. De eeneiige tweelingbroer [benadeelde partij 4] heeft verklaard dat [slachtoffer] een hele rustige, aardige jongen was (pagina’s 971 tot en met 978 en 988 tot en met 995 van het politiedossier).

Tot slot heeft een bevriende taxichauffeur, [naam taxichauffeur] , verklaard dat het slachtoffer altijd op navigatie reed en dat het slachtoffer buiten Maastricht op navigatie reed of de weg vroeg aan klanten. Hij heeft nooit gehoord of gezien dat [slachtoffer] agressief was, het was een rustige jongen, die altijd alles probeerde op te lossen door te praten (pagina’s 1006 tot en met 1008 van het politiedossier).

Beoordeling

Het hof is, op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij in de nacht van zondag 7 mei 2017 de taxi heeft genomen om een broek te kopen bij de Zeeman in het winkelcentrum Makado te Beek en bij zijn tante op bezoek wilde, dat de chauffeur een hogere ritprijs ging eisen in plaats van het afgesproken bedrag van € 35,00, dat hij langs het graf van zijn vader wilde om geld op te halen, dat er een discussie heeft plaatsgevonden ter hoogte van de Maastrichterlaan te Beek en dat de taxichauffeur vervolgens op eigen initiatief verder is gereden naar de [straatnaam] in Spaubeek en dat hij, verdachte, het slachtoffer toen niet de weg heeft gewezen, niet geloofwaardig is en terzijde geschoven dient te worden.

Het hof constateert dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de door hem gestelde aankoop van een broek van € 10,00. Pas ter terechtzitting in hoger beroep komt de verdachte met de verklaring dat bij het winkelcentrum te Beek een broek voor hem was gereserveerd. Eerder heeft hij hier met geen woord over gerept. Daarnaast heeft de verdachte pas tijdens zijn zevende verhoor verklaard dat hij ook op bezoek wilde gaan bij zijn [tante] in Beek, terwijl bij al de voorafgaande verhoren uitgebreid stil is gestaan bij de redenen om naar Beek te reizen. Daarnaast is uit het voorgaande gebleken dat de taxi niet langer dan 35 seconden stil heeft gestaan ter hoogte van de Maastrichterlaan te Beek, de locatie waarover de verdachte heeft verklaard dat er een woordenwisseling over de ritprijs zou hebben plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat een tijdspanne van 35 seconden erg kort is voor een dergelijke discussie zoals door de verdachte beschreven. Daarnaast heeft de chauffeur de taximeter op dat moment niet uitgezet, terwijl dit wel voor de hand zou liggen als daadwerkelijk was afgesproken dat de chauffeur de verdachte naar Beek zou brengen. Tevens is bij de reconstructie gebleken dat een ritprijs voor het traject Boschstraat Maastricht – Maastrichterlaan Beek via de taximeter rond € 35,00 zou bedragen. Hoewel de verdachte tijdens latere verhoren heeft verklaard dat hij niet op de taximeter heeft gekeken, dan wel niet op de meter kon kijken, heeft hij tijdens zijn derde verhoor verklaard dat hij wel degelijk op de taximeter heeft gekeken en hierop ook een bedrag zou hebben gezien.

Gelet hierop acht het hof het volstrekt onaannemelijk dat de chauffeur een discussie aangegaan zou zijn met de verdachte omdat hij meer geld wilde, nu het bedrag op de taximeter tijdens de reconstructie van de taxirit nagenoeg overeenkomstig de afgesproken ritprijs van € 35,00 moet zijn geweest. Hoewel tijdens de reconstructie gebruik is gemaakt van een andere taxi dan de taxi van het slachtoffer ziet het hof geen enkele aanleiding om ervan uit te gaan dat hierdoor de ritprijs bij de reconstructie aanzienlijk lager uit zou zijn gevallen dan de prijs via de taximeter van de taxirit in kwestie, mede gelet op de omstandigheid dat de afwijking van de gemonteerde taximeter met de taxi van het slachtoffer qua tijd/geld slechts € 0,01 per uur en qua afstand/geld € 0,02 per kilometer bedroeg.

Daarnaast is het hof van oordeel dat het volstrekt onwaarschijnlijk is dat de taxichauffeur op eigen initiatief verder zou rijden naar de [straatnaam] in Spaubeek, met de taximeter aan, indien er een woordenwisseling plaats gevonden zou hebben ter hoogte van de Maastrichterlaan te Beek over het bedrag dat de verdachte zou moeten betalen. Voorts is gebleken dat de taxichauffeur zonder navigatie heeft gereden vanaf Maastricht naar Beek en vervolgens naar Spaubeek, terwijl uit de verklaringen van de broers is gebleken dat het slachtoffer nooit zonder navigatie reed, omdat hij niet bekend was in de omgeving rondom Maastricht. [benadeelde partij 5] heeft verklaard dat het slachtoffer alleen zonder navigatie reed als de klant de weg wees. Daarentegen heeft de verdachte tijdens zijn derde verhoor tot in detail een beschrijving gegeven omtrent de door de taxi gereden route, heeft hij de route getekend, met details ook, en vervolgens de route zelfs ingetekend op een kaart.

Bij de eerste aankomst in Spaubeek heeft de taxichauffeur de taximeter uitgezet. Het hof concludeert hieruit dat de taxichauffeur er op die locatie vanuit ging dat de taxirit toen geëindigd was, en niet op de Maastrichterlaan te Beek.

Voorts volgt uit het voorgaande dat de taxichauffeur een bedrag van € 119,60, uitgezonderd het bedrag van € 77,95 van de ritprijs van de verdachte, aan opbrengsten had verdiend in de avond/nacht van 6 op 7 mei 2017 en dat hij een minimaal startbedrag van € 50,00 bij zich had. In de portemonnee van de verdachte is een bedrag van € 169,10 aangetroffen. Zoals uit het hierna volgende blijkt, heeft de verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij de portemonnee van de taxichauffeur leeg heeft gehaald en het geld in zijn eigen portemonnee heeft gestopt. Het door de taxichauffeur verdiende bedrag plus het startbedrag komt nagenoeg overeen met het bedrag dat in de portemonnee van de verdachte is aangetroffen. Hoewel de hoogte van het startbedrag van het slachtoffer niet precies aangegeven kan worden door de broer van het slachtoffer, is voor het hof, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen door het slachtoffer die avond en nacht verdiend zou zijn, en het bedrag dat is aangetroffen in de portemonnee van de verdachte en hetgeen hierna overwogen zal worden, vast komen te staan dat het startbedrag een bedrag van € 50,00 geweest zal zijn.

Gebleken is dat de verdachte niet beschikte over financiële middelen. De omstandigheid dat in de portemonnee van de verdachte verschillende klantenkaarten en bonnetjes zijn aangetroffen, doet hier niet aan af. De bonnetjes hebben betrekking op aankopen van zeer geringe waarde en uit het bezit van enkele klantenkaarten kan niet de conclusie worden getrokken dat de verdachte de beschikking had over financiële middelen. Mede gelet op de steeds wisselende verklaringen van de verdachte hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij inkomsten genoot met het uitvoeren van klusjes. Met betrekking tot de verklaring van de verdachte over het geld bij het graf van zijn vader merkt het hof op dat de verdachte hieromtrent pas tijdens zijn achtste verhoor bij de politie heeft verklaard. Tevens zijn bij het graf van de vader van de verdachte geen persoonlijke bezittingen van de verdachte of geld aangetroffen. De omstandigheid dat achter het graf een vrije ruimte, waarvan de grond was bedekt met kiezelstenen, is gevonden en mogelijk de persoonlijke bezittingen van de verdachte weggenomen zijn, zoals de verdediging heeft bepleit, acht het hof, gelet op al hetgeen is overwogen en de wisselende verklaringen van de verdachte, niet aannemelijk en doet aan het oordeel van het hof dat de verdachte niet de beschikking had over financiële middelen dan ook niet af.

Tussenconclusie

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte, concludeert het hof dat de verdachte de taxichauffeur de weg heeft gewezen naar Spaubeek vanaf de Boschstraat te Maastricht en dat het slachtoffer derhalve niet “op eigen initiatief” gereden heeft van Maastricht naar Beek en Spaubeek en dat de verdachte mitsdien niet het doel had een broek in Beek te kopen, dan wel zijn tante te bezoeken. Het komt het hof overigens ook bijzonder ongeloofwaardig voor dat de verdachte voor een broek van € 10,00 tijdens de nachtelijke uren op zondag een taxirit maakt van € 35,00 naar een winkelcentrum in Beek waar de winkels pas vele uren later open zouden gaan. Voorts is het hof van oordeel dat, gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, de verdachte geen geld bij zich heeft gehad op het moment dat hij bij de taxichauffeur in de taxi stapte in Maastricht en nimmer de intentie heeft gehad de taxichauffeur te betalen voor zijn diensten.

Ten overvloede overweegt het hof voorts dat zelfs al zou de taxichauffeur een (iets) lager startbedrag dan € 50,00 bij zich hebben gehad het geldbedrag dat de verdachte in dat geval bij zich zou hebben volstrekt ontoereikend was om de kosten die hij naar zijn zeggen moest maken, te weten: (1) treinreis in Nederland richting Zoetermeer (en verder naar Hoek van Holland), (2) [hotel] in Zoetermeer (3) de overtocht naar Engeland en (4) de vervolgreis naar Inverness. Verder stelt het hof vast dat de verdachte niet in staat was om de taxirit van Maastricht naar Spaubeek van ruim € 70,00 te betalen.

Fase 2: Vertrek eerste keer Spaubeek en aankomst en gebeurtenissen tweede keer Spaubeek

Verklaringen verdachte

Omtrent hetgeen is voorgevallen bij aankomst voor de tweede keer in Spaubeek heeft de verdachte (op verschillende punten) wisselende verklaringen afgelegd.

Pas vanaf zijn derde verhoor op 15 mei 2017, vijf dagen nadat de politie het steekwapen, het mes, had aangetroffen in een bosschage op de door de verdachte met de taxi van het slachtoffer gereden route, heeft de verdachte hieromtrent een verklaring afgelegd.

Bij het aantreffen van de verdachte en vervolgens tijdens zijn eerste verhoor heeft hij namelijk verklaard dat de taxi onderweg richting Geleen/Beek geblokkeerd werd door een andere personenauto, dat de taxichauffeur vervolgens door drie mannen afkomstig uit de omgeving van Rusland uit de taxi is getrokken en werd geslagen, dat deze mannen een wapen bij zich hadden en dat de verdachte met hun had gevochten, dat de chauffeur mee is genomen door deze mannen en dat de verdachte met de taxi weg is gereden.

In de verklaringen van de verdachte vanaf het derde verhoor komt naar voren dat bij de tweede aankomst bij de [straatnaam] in Spaubeek de taxichauffeur volgens de verdachte agressief werd en er wederom een woordenwisseling heeft plaatsgevonden. Bij de reconstructie op 26 september 2017 heeft de verdachte verklaard dat de taximeter op dat moment op een bedrag in de € 70,00 stond. Bij het derde verhoor en de reconstructie heeft de verdachte verklaard dat hij zijn portemonnee vast had in zijn handen, dat hier een briefje van € 50,00 uitstak en dat het slachtoffer getracht heeft dit briefje te pakken. In de overige afgelegde verhoren en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte hieromtrent niets verklaard. Tijdens deze woordenwisseling bukte de taxichauffeur naar voren, haalde hij een mes onder zijn stoel vandaan, draaide zich om richting de verdachte, wees hij met het mes dreigend in de richting van de verdachte en kwam hij meermalen richting de verdachte met het mes. De verdachte is inmiddels op de zitplaats achter de bijrijdersstoel terecht gekomen en probeerde zich af te weren. Aan de rechterzijde van de taxi stonden bomen en struiken, waardoor het niet mogelijk was om aan die zijde de auto te verlaten. Op enig moment heeft de verdachte getracht het mes van de taxichauffeur af te pakken door de arm van de taxichauffeur, in welke hand hij het mes vast had, vast te pakken en hiermee tegen de hoofdsteun te slaan. Op enig moment heeft de verdachte het mes van de taxichauffeur af kunnen pakken, waarbij hij het mes op een wijze heeft vastgehouden dat hij en de taxichauffeur niet gewond zouden kunnen raken (omgekeerd naar beneden gericht langs linkerarm). Hierop kwam de taxichauffeur met zijn hele lichaam tussen de voorstoelen door richting de verdachte en kwam hij bovenop de verdachte te liggen met zijn hele gewicht. De verdachte probeerde hem weg te duwen, maar de taxichauffeur duwde met zijn vuist tegen de adamsappel van de verdachte, waardoor hij geen lucht meer kreeg. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de taxichauffeur dat met kracht deed en met zijn hele gewicht op de verdachte lag.

De verdachte heeft getracht de taxichauffeur weg te duwen, maar hij bleef op de verdachte afkomen en de verdachte raakte in paniek. De verdachte denkt dat hij op dat moment de taxichauffeur in zijn borst heeft gestoken en hem richting de voorstoelen heeft geduwd. Hierop bleef de taxichauffeur richting de verdachte komen. Ten tijde van de reconstructie op 26 september 2017 heeft de verdachte verklaard dat de taxichauffeur nadat hij eerder al op de verdachte was afgekomen, halverwege met zijn rug naar de verdachte toe kwam. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij niet weet hoe de taxichauffeur aan de steken in zijn rug is gekomen. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de taxichauffeur op enig moment in de taxi zich naar de verdachte heeft begeven met zijn rugzijde en dat de verdachte hem toen wel weer zou hebben gestoken, denkt hij. Hierop heeft de verdachte de taxichauffeur van zich afgeduwd op de bijrijdersstoel.

Omtrent de snijwonden op de handen van de taxichauffeur heeft de verdachte tijdens zijn derde en vierde verhoor verklaard dat de taxichauffeur nog getracht heeft het mes aan de scherpe zijde af te pakken van de verdachte, welk mes de verdachte heeft teruggetrokken. Hierover heeft hij in zijn latere verklaringen niets meer verklaard.

Omtrent de in de taxi aangetroffen automat heeft de verdachte tijdens zowel zijn eerste verhoren als tijdens de reconstructie niets verklaard. Pas op het moment dat hij tijdens het zevende verhoor, één dag na de reconstructie, is geconfronteerd met deze mat, heeft hij verklaard dat hij op enig moment tijdens de worsteling heeft geprobeerd de mat, welke achter de verdachte lag, tegen de taxichauffeur aan te gooien. De automat viel vervolgens aan de linkerkant van de verdachte op de grond. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard zich niets te kunnen herinneren omtrent (de verdediging met) de automat.

Vervolgens heeft de verdachte naar zijn zeggen het mes laten vallen en is hij via het linker achterportier uit de auto gevlucht. De taxichauffeur is via het linker voorportier ook uit de taxi gekomen (volgens de verklaring van de verdachte bij de reconstructie en ter terechtzitting in eerste aanleg). De taxichauffeur is met een plof op de grond terechtgekomen en hierop is de verdachte in de taxi gestapt aan de bestuurderskant. Bij de reconstructie heeft hij verklaard dat hij het linker achterportier dicht heeft gedaan voordat hij instapte, dat hij in paniek op zoek was naar de autosleutel en dat hij vervolgens heeft gehoord dat het linker achterportier open werd gemaakt, waarop de taxichauffeur op de achterbank “duikt”. In zijn latere verhoren heeft de verdachte verklaard dat hij het linker achterportier niet dicht heeft gedaan voordat hij instapte en dat derhalve dit portier open stond toen de taxichauffeur de auto in dook. De verdachte heeft niet gehoord dat het linker achterportier dicht werd gedaan toen het slachtoffer weer in de auto aanwezig was. De taxichauffeur zou op zijn buik met zijn hoofd bij het rechter achterportier hebben gelegen. Tijdens het achtste verhoor heeft de verdachte verklaard dat het rechter voorportier dicht was toen hij in wilde stappen. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat het voertuig op enig moment op de [straatnaam] te Spaubeek is verplaatst.

Uitgelezen data taxi en camerabeelden

Nadat de taxi om 05.01.45 uur op de locatie [straatnaam] 4 te Spaubeek is gearriveerd is de taxi om 05.07.45 uur weer vertrokken. Naast [straatnaam] 4 komt in de locatiegegevens van deze 6 minuten ook [straatnaam] 3 voor. De taxi is vervolgens eerst richting Sweikhuizen gereden (pagina’s 782 tot en met 794 van het politiedossier). Uit camerabeelden op verschillende plaatsen langs de route blijkt dat het slachtoffer de bestuurder is en dat achter de bestuurder een schim zichtbaar is. De verlichting op het dak is aan, wat betekent dat de taxi beschikbaar zou zijn (pagina’s 767 tot en met 777 van het politiedossier). De taxi rijdt vervolgens door verschillende plaatsen in Zuid-Limburg, te weten Sweikhuizen, Schinnen, Puth, Geleen, Spaubeek en Schimmert. Om 05.19 uur is de chauffeurskaart uit de boordcomputer verwijderd (pagina 836 van het politiedossier). Om 05.52.45 uur arriveert de taxi wederom op de [straatnaam] te Spaubeek. Op de locatie [straatnaam] 3 staat de taxi van 05.54.45 uur tot 05.59.45 uur stil. Tussen 05.59.45 uur en 06.00.45 uur is de taxi gereden

naar de locatie [straatnaam] 4, alwaar de taxi van 06.00.45 uur tot 06.02.45 uur stil heeft gestaan (pagina’s 782 tot en met 794 van het politiedossier). Tussen 06.02.45 uur en 06.03.45 uur is de taxi weer gaan rijden, eerst richting Schinnen, vervolgens Puth, daarna naar Geleen, en weer verder. Omstreeks 06.08 uur is duidelijk zichtbaar op camerabeelden dat de verdachte de taxi bestuurt (pagina 772 van het politiedossier). Om 06.19 uur is de chauffeurskaart opnieuw, maar op een foutieve wijze, in de boordcomputer ingebracht (pagina 836 van het politiedossier).

Verwondingen/letsel slachtoffer [slachtoffer]

Door [naam] , arts-assistent, en dr. med. [naam] , leidinggevende arts, van het Instituut voor Forensische Geneeskunde van de Universiteitskliniek Keulen is sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer had een lengte van 166 centimeter en een lichaamsgewicht van 58,5 kilogram. De belangrijkste bevindingen uit dit sectierapport zijn dat het slachtoffer acht steekwonden in de voorzijde van de borstkas en vier steekwonden in de linkerzijde van de rug waren toegebracht. Eén steekwond in de voorzijde van de borstkas bevond zich boven het linker sleutelbeen. Drie van de steken aan de voorzijde van de borstkas hadden de rechter borstholte geopend en twee van deze steekwonden zijn volledig doorgedrongen in de rechterlong. Dit heeft geleid tot het belangrijkste deel van het dodelijk bloedverlies. Eén van de steekwonden aan de linkerzijde van de rug bevond zich in de nek en de andere drie steekwonden betreffen drie naast elkaar liggende, schuin geplaatste doorboringen boven het linkerschouderblad. Twee van de drie steekkanalen lopen steil in de richting van de nek omhoog. Eén van deze steekwonden reikt tot in het schouderblad, welke gebroken is. De steekwonden waren tot 20 centimeter diep. Tevens zijn snijwonden aan de buigzijden van beide handen met deels complete doorboring van de musculatuur evenals van de buig- en strekpezen aangetroffen en een snijwond aan de rechterzijde van het gezicht, in totaal van 12 centimeter lang.

Uit de beoordeling van de bevindingen blijkt dat zowel de zeven steken voor aan de borstkas als de vier steken aan de rug telkens dicht bij elkaar liggen en met een bijna gelijksoortige, parallelle positie van de wondas. Dit verwondingspatroon wijst telkens op een snelle opeenvolging van steken zonder wezenlijke relatieve beweging tussen dader en slachtoffer. De groep steekwonden aan de rug vertoonde duidelijk minder hematomen dan de verwondingen aan de voorzijde van de borstkas, wat erop wijst dat eerst de inwerkingen tegen de rechter voorzijde van de borstkas en daarna tegen de rug plaatsvonden.

De morfologie van de steekwonden wijst op het gebruiken van een aan één zijde snijdend, stabiel mes met relatief lang lemmet. Het karakter van de steken (volledig doordringen in de long met harpoenering van het borstvlies aan de achterzijde, beschadigingen van schouderblad en halswervel) wijst op een grote hevigheid respectievelijk energie van de inwerkingen. De snijwond aan de rechterzijde van het gezicht wijst vanwege het karakter ervan op een dynamisch gebeuren. De snijwonden aan de buigzijden van beide handen (links duidelijk sterker aanwezig dan rechts) zijn te verklaren als zogenoemde actieve afweerverwondingen bij het grijpen in het werktuig van het strafbaar feit. De doodsoorzaak is het doodbloeden op grond van steekwonden (pagina’s 1557 tot en met 1586 van het politiedossier).

Onder verwijzing naar de vraagstelling van de raadsheer-commissaris blijkt uit het aanvullend wetenschappelijk rapport d.d. 29 januari 2020, opgemaakt door professor dr. med. [naam] (instituutsdirecteur) en dr. med. [naam] (senior-arts, hoofd forensische morfologie) dat de gegroepeerde, dicht bij elkaar staande parallel-gelijksoortige rangschikking van de steekwonden voor een telkens statisch beeld zonder relatieve beweging pleit tussen de gewonde en de stekende persoon. Dit kan bijvoorbeeld verklaard worden door het snel toebrengen van de steken. De als actieve afweerwonden te beschouwen snijverwondingen aan de handpalmen aan beide zijden wijzen er samen met de wonden met weinig in- en uitwendig bloedverlies op de rug op dat de verwondingen aan de voorkant van het lichaam (borst) eerst zijn toegebracht en vervolgens de verwondingen op de rug (met weinig inwendig bloedverlies).

Letsel verdachte

Op 10 mei 2017 is de verdachte onderzocht door forensisch arts [naam] . Hierbij is gebleken dat bij de verdachte in de achterzijde van de hals een nauwelijks van de omgeving te onderscheiden licht roze/rode huidverkleuring van circa 1x1,5 centimeter, zonder huidbeschadiging en zonder letsel, is waargenomen, evenals aan de basis van de hals aan de achterzijde een klein roze/bruin vlekje van maximaal 1x1 centimeter, met intacte huid en geen letsel. Concluderend heeft de arts opgenomen dat in de hals geen letsels zijn aangetroffen. Op de linkerhand zijn een drietal verwondingen aangetroffen. Hierover heeft de arts aangegeven dat dit geen recent letsel betreft; het is waarschijnlijk ouder dan 1-2 dagen. Aan de rest van het lichaam zijn geen letsels aangetroffen (pagina 1723 van het politiedossier).

Forensisch onderzoek op de [straatnaam] in Spaubeek

Op 7 mei 2017 omstreeks 12.20 uur heeft de getuige [getuige 1] bij de politie gemeld dat er bloed voor haar tuinpoort op het adres [straatnaam] 4 te Spaubeek lag (pagina’s 678-679 van het politiedossier). De getuige [getuige 2] , wonende op het adres [straatnaam] 5 te Spaubeek, heeft verklaard dat hij in de nacht van 6 op 7 mei 2017 omstreeks 06.00 uur wakker is geworden van het geluid van autoportieren (pagina 680 van het politiedossier).

Door de politie is forensisch onderzoek verricht op de locatie [straatnaam] 4 te Spaubeek. De [straatnaam] is een voor gemotoriseerd verkeer doodlopende weg.

Er werd een grotere bloedconcentratie aangetroffen ter hoogte van de tuinpoort bij perceel met nummer 5 (het hof begrijpt, gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] en het proces-verbaal onderzoek met speurhond bloedresten, dossierpagina’s 1701-1702, nummer 4), welk bloed werd bemonsterd en veiliggesteld. Op voornoemde tuinpoort werden meerdere relatief kleine bloedconcentraties alsmede kleine bloedspatten waargenomen. Ook werd bloed ter hoogte van de bosrand nabij de aldaar staande lantaarnpaal veiliggesteld. Al het veiliggestelde bloed testte op menselijk bloed (pagina’s 1690 tot en met 1692 van het politiedossier). Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat dit bloed afkomstig is van het slachtoffer (pagina’s 865-866 van het politiedossier). Na de inzet van een speurhond is gebleken dat een bloedspoor is aangetroffen vanaf de lantaarnpaal door de bosschages richting de poort van het perceel [straatnaam] 4 te Spaubeek. De afgelegde afstand bedraagt derhalve ongeveer 40 meter (pagina’s 1701-1702 en situatieschets pagina’s 1036 met foto’s pagina’s 1037 tot en met 1042 van het politiedossier).

Vervolgens heeft de politie een forensisch sporenonderzoek verricht in de taxi. Hierbij werd een grote hoeveelheid bloed aangetroffen en waren er diverse soorten bloedspoorpatronen aanwezig (pagina’s 1731 tot en met 1807 van het politiedossier). Daarnaast heeft de politie sporenonderzoek aan de kleding van de verdachte (pagina’s 1831 tot en met 1866 van het politiedossier) en aan de kleding van het slachtoffer (pagina’s 1867 tot en met 1911 van het politiedossier) verricht. Bij het onderzoek aan de kleding van het slachtoffer is ook betrokken de jas van het slachtoffer, die de politie had aangetroffen in de taxi, achter de bestuurdersstoel en voor de opgerolde automat (pagina’s 1611 en pagina 1632 van het politiedossier).

Naar aanleiding van het verzoek van het kabinet raadsheer-commissaris heeft het NFI een rapportage, inhoudende een bloedspoorpatroononderzoek, opgesteld, d.d. 3 juni 2020.

In deze rapportage heeft een beoordelend onderzoek plaatsgevonden van het proces-verbaal sporenonderzoek in taxi, Dacia, kenteken [kenteken] (pagina’s 1731 tot en met 1807 van het politiedossier), het proces-verbaal sporenonderzoek kleding verdachte [verdachte] (pagina’s 1831 tot en met 1866 van het politiedossier), het proces-verbaal sporenonderzoek kleding slachtoffer (pagina’s 1867 tot en met 1911 van het politiedossier) en het proces-verbaal sporenonderzoek met foto’s (pagina’s 1690 tot en met 1692 en bijlage van het politiedossier). Tevens heeft het NFI aanvullend gerapporteerd of het sporenbeeld in de taxi te verklaren is onder het scenario dat de verdachte het slachtoffer enkel in de taxi heeft gestoken op de wijze zoals nagespeeld in de gehouden reconstructie en aangegeven in mate van waarschijnlijkheid of de aangetroffen bloedsporen beter passen bij het scenario dat de verdachte het slachtoffer ook buiten de taxi heeft gestoken of bij het scenario dat de verdachte het slachtoffer niet buiten de taxi heeft gestoken.

De bevindingen en deelconclusies in het licht van het scenario van de verdachte in dit NFI-rapport luiden als volgt:

Op basis van de foto’s van het forensisch technisch onderzoek van de politie is een goed beeld verkregen van de in de taxi aanwezige bloedsporen. Met name op de rechtervoorstoel en in de directe omgeving zijn verschillende typen bloedsporen aangetroffen, in veel mindere mate op/nabij de achterbank. Dit contrast tussen het prominente bloedsporenbeeld in het voorcompartiment enerzijds en de ruimte daarachter anderzijds is opvallend.

Het letsel aan de handen is in het eerste en het aanvullende sectierapport geduid als actieve afweerwonden. Aangenomen is dat de handen in beweging waren tijdens het oplopen van dit letsel. Zodra de bij het slachtoffer geconstateerde verwondingen aan de bewegelijke handen zijn ontstaan, is de verwachting dat dit leidt tot ruime verspreiding van bloed.

Ter plaatse van de linkerzijde van de achterbank zijn nauwelijks bloedsporen aangetroffen. Hoewel beelden na het toebrengen van het eerste letsel ontbreken en het letsel aan de borst en de rug naar verwachting niet zullen resulteren in het (direct) verspreiden van bloed, lijkt de kans op het beperkte bloedsporenbeeld klein gegeven dat ook het andere letsel is toegebracht tijdens de schermutseling die (deels) gepaard ging met actief verweer van het slachtoffer. Het beperkte bloedsporenbeeld achterin de taxi lijkt daarmee niet goed verklaarbaar onder dit deel van het scenario van de verdachte.

De bloedspatjes op de schoenen en de broek en de met vuil vermengde bloedsporen op de broek van de verdachte lijken niet verklaard te kunnen worden onder het scenario van de verdachte. De bloedsporen op de schoenen kunnen goed verklaard worden wanneer de verdachte in de directe nabijheid is geweest voor de poortdeur in Spaubeek ten tijde van het ontstaan van deze bloedsporen. De verdachte heeft verklaard niet op deze locatie te zijn geweest.

Hoewel de bloedsporen voorin de taxi op onderdelen verklaard kunnen worden, kan het aantreffen van een enkel bloedspoortje aan de binnenkant van het linker voorportier gezien onder andere de verwondingen (aan de handen) van het slachtoffer niet (goed) verklaard worden onder het scenario van de verdachte.

Op het linker achterportier en ter plaatse van de rechterzijde van de achterbank zijn nauwelijks bloedsporen aangetroffen. Hoewel beelden ontbreken over de wijze waarop het slachtoffer achter in de taxi is geraakt, lijkt de kans op het beperkte bloedsporenbeeld zeer klein gegeven het scenario. Het beperkte bloedsporenbeeld

achterin de taxi lijkt daarmee niet verklaarbaar onder dit deel van het scenario van de verdachte.

Nagenoeg alle bloedsporen op de grond bij de houten poortdeuren (in Spaubeek) betreffen bloedspatten van verschillende grootte. Gezien de combinatie van zowel relatief grote als veel kleinere (secundaire) bloedspatjes lijkt dit geheel te zijn ontstaan als gevolg van passief bloedverlies vanaf een gewonde persoon. Een deel van deze bloedspatten vertoont een duidelijk minder geconcentreerd uiterlijk dan het overgrote deel. Mogelijk als gevolg van (bewegend) contact, bijvoorbeeld lopen door of anderszins contact met dit bloed. In het sporenbeeld zijn bloedsporen herkend die eenduidig gerelateerd kunnen worden aan het uitoefenen van geweld in vloeibaar bloed, zoals bijvoorbeeld slaan en/of steken. In de overige op de ontvangen foto’s zichtbare bloedsporen aan de [straatnaam] (rijbaan en vegetatie) zijn evenmin bloedsporen herkend die eenduidig gerelateerd kunnen worden aan het uitoefenen van geweld in vloeibaar bloed. Dit betekent dat de op de foto’s zichtbare bloedsporen die buiten de taxi zijn aangetroffen niet eenduidig verklaard kunnen worden onder een scenario dat verdachte het slachtoffer ook buiten de taxi heeft gestoken. De aangetroffen bloedsporen zijn daarmee niet onderscheidend in het licht van beide scenario’s. Dit betekent dat de op de foto’s zichtbare bloedsporen even waarschijnlijk zijn onder een scenario waarbij buiten de taxi niet is gestoken als onder een scenario waarbij buiten de taxi wel is gestoken.

Uit de samenvattende overkoepelende conclusie van het NFI volgt derhalve dat in het bloedsporenbeeld in Spaubeek geen bloedsporen zijn herkend die eenduidig gerelateerd kunnen worden aan het uitoefenen van geweld in vloeibaar bloed, zoals bijvoorbeeld slaan en/of steken. In samenhang met enkele overwegingen is geconcludeerd dat de aangetroffen bloedsporen niet onderscheidend zijn in het licht van beide scenario’s. Dit betekent dat de op de foto’s zichtbare bloedsporen ongeveer even waarschijnlijk zijn onder een scenario waarbij buiten de taxi niet is gestoken als onder een scenario waarbij buiten de taxi wel is gestoken. Hoewel het bloedsporenbeeld in de taxi op onderdelen verklaard kan worden onder het scenario van de verdachte, lijken twee andere wezenlijke elementen niet (goed) verklaarbaar. Dit betreffen delen van het bloedsporenbeeld aan de binnenzijde van het linker voorportier en op de achterbank. Ondanks dat deze elementen niet (goed) passen bij het scenario dat door de verdachte tijdens de reconstructie is nagespeeld, zijn deze niet bewijzend voor een scenario waarbij ook buiten de taxi is gestoken.

Bevindingen automat

De automat is tijdens het forensisch sporenonderzoek opgerold in de taxi aangetroffen (pagina 1726 van het politiedossier). Ten tijde van het aantreffen van de taxi langs de A12 is een foto gemaakt van de automat (pagina 1632 van het politiedossier) en is zichtbaar dat deze mat achter de bestuurdersstoel en passagiersstoel op de grond ligt, voor de (eerste) achterbank.

Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte tijdens zijn zevende verhoor, inhoudende dat hij de achter hem bevindende automat heeft gepakt en deze mat richting de taxichauffeur heeft gegooid ter afwering, hebben de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] een onderzoek ingesteld naar deze mogelijkheid. Hieruit is gebleken dat, afhankelijk van de positie van de persoon op de eerste passagiersbank, het mogelijk is de mat vast te pakken, indien de mat schuin naar links op de tweede passagiersbank, leunend op de eerste passagiersbank staat, dan wel als de mat schuin in het midden op de tweede passagiersbank, leunend op de eerste passagiersbank staat, dan wel als de mat schuin naar rechts op de tweede passagiersbank, leunend op de eerste passagiersbank staat. Daarbij heeft verbalisant [verbalisant 10] opgemerkt dat het erg onwaarschijnlijk is dat een chauffeur gaat rondrijden met een mat op de tweede passagiersbank en dat deze mat dan tegen de nek/hoofd komt van passagiers. Door de lengte en de stijfheid van de mat bleek dat het zo goed als onmogelijk is om de mat, achter het hoofd, vast te pakken en te gooien in de richting waar de taxichauffeur zich bevond (pagina’s 877 tot en met 881 van het politiedossier). Een van de broers van het slachtoffer, [benadeelde partij 5] heeft verklaard dat de automat normaal in de kofferruimte van de auto ligt (het hof begrijpt: achter de tweede passagiersbank) (pagina 964 van het politiedossier).

Fase 3: Tweede vertrek vanaf Spaubeek tot aan moment aantreffen verdachte, taxi en slachtoffer

Verklaringen verdachte

Omtrent de gebeurtenissen vanaf het tweede vertrek vanaf [straatnaam] te Spaubeek tot aan het moment dat de verdachte, de taxi en het slachtoffer zijn aangetroffen heeft de verdachte (op verschillende punten) wisselende verklaringen afgelegd.

Uit de verhoren van de verdachte volgt dat hij heeft verklaard dat hij in paniek is weggereden bij de locatie [straatnaam] te Spaubeek, waarbij hij op enig moment de hand van het slachtoffer op zijn schouder heeft gevoeld, waarop hij niet gereageerd heeft. Tijdens de eerste paar verklaringen heeft de verdachte verklaard dat hij op dat moment niet wist waar het mes zich bevond en dat hij niet weet hoe het mes op de locatie Catsop terecht is gekomen. Pas vanaf het zevende verhoor heeft hij verklaard dat hij zich op enig moment niet lekker voelde, gestopt is met de taxi, uit is gestapt, het mes achterin de auto op de vloer zag liggen en dit mes heeft weggegooid. Vervolgens is de verdachte weer ingestapt en is hij op enig moment bij de locatie in Selfkant Schalbruch terechtgekomen, waar hij het lichaam van de inmiddels overleden taxichauffeur uit de auto heeft getild/gesleept en achter heeft gelaten in het bos. Hierna is de verdachte weer in de taxi gestapt, heeft hij op enig moment zijn jas op de bijrijdersstoel gelegd, evenals zijn twee telefoons en portemonnee. Toen de benzine op was, is hij uitgestapt op de vluchtstrook en heeft hij per ongeluk ook de telefoon en de portemonnees van de taxichauffeur meegenomen, welke ook op de bijrijdersstoel lagen, terwijl hij tijdens zijn derde verhoor nog heeft verklaard dat hij de portemonnees van de taxichauffeur niet heeft meegenomen, omdat hij eigen geld had. Tijdens het zevende verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij waarschijnlijk het geld uit de portemonnee van de taxichauffeur heeft gehaald, maar dat dit niet zijn bedoeling is geweest. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij dat inderdaad heeft gedaan, maar dat hij niet weet waarom en dat het niet de bedoeling was. In hoger beroep heeft hij verklaard dat het zou kunnen dat hij het geld uit de portemonnee van de taxichauffeur heeft gehaald.

Uitgelezen data taxi en camerabeelden

Nadat de taxi eerst op de locatie [straatnaam] 3 van 05.54.45 uur tot 05.59.45 uur stil had gestaan, vervolgens tussen 05.59.45 uur en 06.00.45 uur was gereden naar de locatie [straatnaam] 4, alwaar de taxi van 06.00.45 uur tot 06.02.45 uur stil had gestaan is de taxi tussen 06.02.45 uur en 06.03.45 uur weer vertrokken (pagina 787 van het politiedossier). Om 06.19 uur is de chauffeurskaart opnieuw, maar op een foutieve wijze, in de boordcomputer ingebracht (pagina 836 van het politiedossier).

Uit camerabeelden op verschillende plaatsen langs de route blijkt dat de verdachte de bestuurder is van de taxi, zo is onder meer omstreeks 06.08 uur de verdachte duidelijk zichtbaar als bestuurder (pagina’s 767 tot en met 777 van het politiedossier). De taxi heeft op 06.23.45 uur tot en met 06.24.45 uur stilgestaan op de locatie Aan de Gelik te Elsloo, de locatie waar het mes is aangetroffen (pagina 845 van het politiedossier). Vanaf deze locatie is de taxi naar Isenbruch, (het hof begrijpt: Selfkant Schalbruch) Duitsland gereden, de locatie waar het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen (pagina’s 767 tot en met 777 en 798 van het politiedossier).

Beoordeling van het hof van “de fases 2 en 3” en hetgeen daarin is voorgevallen

Evenals de omstandigheid dat het hof van oordeel is dat het volstrekt onaannemelijk is dat de taxichauffeur op eigen initiatief van Beek via diverse plaatsen naar de doodlopende weg [straatnaam] te Spaubeek is gereden, zoals opgenomen onder het kopje “beoordeling” in de door het hof geschetste fase 1, is het hof eveneens van oordeel dat het volstrekt onaannemelijk is dat de taxichauffeur na de door de verdachte gestelde woordenwisseling te Spaubeek wederom op eigen initiatief is gaan rijden, te weten bijna een uur door het zuiden van Limburg, terwijl de taximeter op dat moment was uitgezet en de taxi op beschikbaar stond, om vervolgens terug te keren naar dezelfde doodlopende weg [straatnaam] te Spaubeek.

Het hof is, op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat de verklaring van de verdachte, omtrent hetgeen is gebeurd na de tweede stop op de [straatnaam] te Spaubeek, niet aannemelijk is geworden en tevens heeft de verdachte op essentiële onderdelen wisselende verklaringen afgelegd. Uit het NFI-rapport blijkt dat verschillende bloedspoorbeelden niet te rijmen zijn met het door de verdachte geschetste scenario. Zo heeft de verdachte bij de reconstructie verklaard dat het slachtoffer uit het linker voorportier is gekomen, dat de verdachte vervolgens het linker achterportier dicht heeft gedaan voordat hij in de taxi stapte en dat hij vervolgens heeft gehoord dat het linker achterportier open werd gemaakt, waarop de taxichauffeur achterin de auto is gedoken. Aan de binnenkant van het linker voorportier is een enkel bloedspoortje aangetroffen, wat niet goed verklaard kan worden onder het scenario van de verdachte, gezien de verwondingen (aan de handen) van het slachtoffer. Daarnaast zijn op het linker achterportier en ter plaatse van de rechterzijde van de achterbank nauwelijks bloedsporen aangetroffen. Het beperkte bloedsporenbeeld achterin de taxi lijkt daarmee niet verklaarbaar onder dit deel van het scenario van de verdachte. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij het linker achterportier niet dicht heeft gedaan voordat hij instapte en dat derhalve dit portier open stond toen de taxichauffeur de auto in dook. Ook heeft de verdachte een verklaring afgelegd omtrent de automat, nadat hij hiermee werd geconfronteerd, terwijl hij daar een dag eerder tijdens de reconstructie in het geheel niet over had verklaard. Na onderzoek is gebleken dat hetgeen door de verdachte hieromtrent is verklaard, vrijwel onmogelijk is. Nadien heeft hij verklaard zich hier niets van te kunnen herinneren. De omstandigheid dat de taxi tussen 05.59.45 uur en 06.00.45 uur is gereden van de locatie [straatnaam] 3 naar de locatie [straatnaam] 4, alwaar de taxi vervolgens minimaal twee minuten stil heeft gestaan, past eveneens niet in het scenario van de verdachte. De verdachte heeft hier geen verklaring voor.

Daarnaast past de aard van de op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen verwondingen niet bij de door verdachte gestelde worsteling tussen hem en het slachtoffer, en het door de verdachte gestelde meermalen op hem afkomen van het slachtoffer, waarbij de verdachte het slachtoffer ook nog weggeduwd zou hebben. Zo blijkt uit het sectierapport dat het verwondingspatroon telkens wijst op een snelle opeenvolging van steken zonder wezenlijke relatieve beweging tussen dader en slachtoffer en uit het wetenschappelijk rapport, opgemaakt door professor dr. med. [naam] (instituutsdirecteur) en dr. med. [naam] (senior-arts, hoofd forensische morfologie) blijkt dat de dicht bij elkaar staande parallel-gelijksoortige rangschikking van de steekwonden voor een telkens statisch beeld zonder relatieve beweging pleit tussen de gewonde en de stekende persoon, wat bijvoorbeeld verklaard kan worden door het snel toebrengen van de steken. Daarnaast zijn de snijwonden op de handpalmen van het slachtoffer als actieve afweerwonden te beschouwen, welke bevindingen ook zeer moeilijk te rijmen zijn met het door de verdachte geschetste scenario.

Tevens is bij de verdachte geen letsel aangetroffen, ook niet aan de voorzijde van zijn hals, het gedeelte waar het slachtoffer met zijn hele gewicht met kracht tegenaan geduwd zou hebben. Enig letsel aan de voorzijde van de hals van de verdachte zou te verwachten zijn in het door de verdachte geschetste scenario.

De omstandigheid dat de verdachte op 10 mei 2017 is onderzocht, doet niet aan het oordeel van het hof af. De minieme verkleuringen op de achterzijde aan de hals van de verdachte passen niet binnen het door de verdachte geschetste scenario. Daar komt nog bij dat de verdachte ook is onderzocht op 7 mei 2017 om 11.30 uur op het politiebureau in Gouda door twee opsporingsambtenaren van de forensische opsporing. Toen is bevonden dat de verdachte op zijn rug, net onder de kraag, een rode striem op zijn huid had zitten, waarover de verdachte ongevraagd verklaarde dat die striem afkomstig was van de riem van zijn schoudertas (pagina’s 1599 tot en met 1602 van het politiedossier). Andere letsels en/of verkleuringen zijn niet beschreven, waardoor het hof ervan uit gaat dat die er niet waren.

Het hof is daarnaast van oordeel dat het door de verdachte geschetste scenario niet past bij verschillende handelingen van de verdachte. Zo heeft de verdachte verklaard dat op het moment dat hij zich als bestuurder in de taxi bevond, hij een hand op zijn schouder voelde van het slachtoffer en hij hier niet op heeft gereageerd, terwijl hij op dat moment niet wist waar het mes zich bevond. Het hof acht dit volstrekt onaannemelijk. Ook is het scenario van de verdachte dat hij met een mes is aangevallen door de taxichauffeur niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte de politie niet heeft gewaarschuwd, dat hij het mes heeft weggegooid, dat hij geen hulp heeft gezocht voor het slachtoffer, dat hij het lichaam van het slachtoffer heeft gedumpt en vervolgens de taxi, twee portemonnees en telefoon van het slachtoffer heeft meegenomen en dat hij aanvankelijk heeft verklaard dat het Russen waren die geweld hadden gepleegd tegen de taxichauffeur en de taxichauffeur zouden hebben meegenomen.

Hoewel uit het hiervoor vermelde NFI-rapport blijkt dat de op de foto’s zichtbare bloedsporen die buiten de taxi zijn aangetroffen niet eenduidig verklaard kunnen worden onder een scenario dat de verdachte het slachtoffer ook buiten de taxi heeft gestoken, is voor de poort van het perceel [straatnaam] 4 te Spaubeek wel degelijk een grotere bloedconcentratie van het slachtoffer aangetroffen. Daarnaast is een bloedspoor aangetroffen over een afstand van ongeveer 40 meter vanaf de lantaarnpaal door de bosschages richting de poort van het perceel [straatnaam] 4 te Spaubeek. Dit bloedspoorbeeld is niet te verklaren op grond van het door de verdachte geschetste scenario, evenals de bloedspatjes op de schoenen en de broek. De verdachte kan geen verklaring geven voor dit bloedspoor door de bosschages en evenmin voor het bloed bij de poort(deuren) van het perceel [straatnaam] 4 te Spaubeek.

Het hof is, op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat de taxichauffeur de agressor is geweest tijdens hetgeen is voorgevallen in de taxi. Aan de andersluidende verklaringen van de verdachte hecht het hof geen geloof. Mede gelet op de voorafgaande beoordeling van het hof dat de verdachte geen geld bij zich heeft gehad op het moment dat hij bij de taxichauffeur in de taxi stapte in Maastricht en nimmer de intentie heeft gehad de taxichauffeur te betalen voor zijn diensten, is het hof van oordeel dat het ook niet geloofwaardig is dat het mes van de taxichauffeur was. Naar het oordeel van het hof is de verdachte vanaf het moment dat hij in de taxi stapte in Maastricht voornemens geweest de taxichauffeur te beroven en hiertoe heeft hij een mes meegenomen. Het hof betrekt hierbij dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten te weten een eerdere poging tot beroving van een taxichauffeur respectievelijk beroving van een taxichauffeur waarbij hij een wapen met zich mee had genomen.

Bij de eerdere beroving van een taxichauffeuse op 10 januari 2011 betrof het een taxirit in de nachtelijke uren. Aangekomen op de aanvankelijk door de verdachte opgegeven plaats van bestemming heeft de verdachte gevraagd de taxichauffeuse door te rijden naar een andere plaats en gaf hij aan hoe zij moest rijden. Zij moest stoppen op een doodlopende weg. Onder bedreiging van een mes heeft hij vervolgens haar beurs, telefoon en taxi meegenomen (dossierpagina 1018).

De omstandigheid dat in het vak in het linker voorportier van de taxi een zakmes is aangetroffen, doet aan het oordeel van het hof niet af.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het mes van de taxichauffeur geweest moet zijn, nu het aangetroffen dactyloscopisch spoor van de taxichauffeur geweest moet zijn, overweegt het hof als volgt. De stellige bewering dat het aangetroffen dactyloscopisch spoor van de taxichauffeur geweest moet zijn, deelt het hof niet, nu dit niet vastgesteld is en overigens uit onderzoek ook niet is gebleken. In het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 12] d.d. 1 augustus 2019 is gerelateerd dat het een kwalitatief slecht spoor betrof en dat na onderzoek in Havank er “no hit” uitkwam, wat twee redenen kan hebben. De eerste reden is dat het spoor kwalitatief te slecht was om tot identificatie te komen. De tweede reden is dat de donor van het dactyloscopisch spoor niet in Havank zit.

Daarnaast is het hof van oordeel dat indien het dactyloscopisch spoor al van de taxichauffeur zou zijn, dit aan het oordeel van het hof dat de verdachte het mes mee heeft genomen in de taxi niet af doet, nu dit spoor ook tijdens het afweren door het slachtoffer op het heft van het mes terecht kan zijn gekomen.

Conclusie:

Het hof is van oordeel dat, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het slachtoffer is overleden ten gevolge van het op hem door de verdachte uitgeoefende geweld en dat er hierdoor sprake is van doodslag. De gedragingen van de verdachte bestaande uit het met veel kracht steken in borst en rug, op de wijze zoals hiervoor vastgesteld, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt eveneens dat het handelen van de verdachte gericht was op het verkrijgen van de taxi, het geld (en daarmee de portemonnees) en de telefoon van de taxichauffeur. Na het steekincident heeft de verdachte de taxi meegenomen, het lichaam van de taxichauffeur achtergelaten in een bos over de grens in Duitsland, terwijl hij eerder een stop heeft gemaakt om zich te ontdoen van het mes. Hij is er met de taxi vandoor gegaan en heeft zich twee portemonnees, het geld uit de (chauffeurs)portemonnee van de taxichauffeur en diens telefoon wederrechtelijk toegeëigend. Dit alles heeft hij gedaan door zich in Maastricht voor te doen als klant, waarbij hij met een mes in de taxi is gestapt. Het hof is van oordeel dat hieruit blijkt dat de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm van meet af aan gericht waren op het opzettelijk en wederrechtelijk verkrijgen van de taxi en/of het geldbedrag en/of de telefoon. Gelet hierop kan het hof aan het handelen van de verdachte geen andere conclusie verbinden dan dat de verdachte met het doden van het slachtoffer het oogmerk had om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. De omstandigheid dat het een geringe opbrengst betreft en het daardoor onvoorstelbaar is dat de verdachte hierom het slachtoffer om het leven zou brengen, zoals door de verdediging bepleit, doet aan het oordeel van het hof niet af.

De verweren worden mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweerexces, verwerpt het hof dit verweer. Het hof verwijst naar hetgeen hierboven is overwogen onder het kopje “bewijsoverwegingen” omtrent de feitelijke gang van zaken. Het hof is derhalve van oordeel dat nimmer een noodweersituatie heeft bestaan, omdat het hof de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden acht. Daarom kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sancties

Ten aanzien van de straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en/of maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij het 24-jarige slachtoffer [slachtoffer] op brute wijze van het leven heeft beroofd door hem acht messteken in de voorzijde van zijn borstkas en vier messteken in de linkerzijde van zijn rug toe te brengen. De verdachte heeft het stoffelijk overschot van het slachtoffer vervolgens in een bos in Duitsland achtergelaten.

De koelbloedigheid waarmee de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd en de mensonterende manier waarop hij met het stoffelijk overschot is omgegaan, is schrijnend en getuigt van een totaal gebrek aan respect voor het slachtoffer. Door zijn gewelddadige en nietsontziende handelen heeft de verdachte welbewust een mensenleven beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer. Namens de vader van het slachtoffer is dat in het kader van het spreekrecht als volgt verwoord:

“Dit “wezen” heeft niet alleen mijn zoon [slachtoffer] vermoord. Het heeft het leven van alle leden van ons gezin verwoest. Wij allemaal, de ouders van [slachtoffer] en zijn broers, zijn geestelijk en psychisch aangedaan. Na deze gebeurtenis is alle zin van het leven ons ontgaan. (…) Wij zijn gevlucht uit ons moederland om het leven van onze kinderen en van onszelf te redden van de oorlog. Wij hebben ons in de slechtste dromen niet kunnen voorstellen dat wij één van onze zonen naar de plek hebben gebracht waar hij op een onmenselijke wijze zou worden vermoord. (…) Het is mij hier niet gelukt om mijn zoon te behoeden en dit is zo ontzettend zwaar en doet ondraaglijk veel pijn”.

Het hof weegt bij het bepalen van de op te leggen straf mee dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad. De verdachte heeft tegen beter weten in verklaard dat taxichauffeur [slachtoffer] de agressor is geweest en daarmee de nabestaanden van het slachtoffer nog meer verdriet toegebracht. Het hof leidt uit de feiten en omstandigheden af dat de taxi, het geld en de telefoon van het slachtoffer de reden waren om tot het delict over te gaan. Dit maakt het onbegrip over de daad en daarmee het verdriet voor de nabestaanden des te groter. Dat de gekwalificeerde doodslag de rechtsorde zeer ernstig heeft geschokt en in de samenleving gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid teweeg heeft gebracht, behoeft geen betoog.

Gekwalificeerde doodslag behoort dan ook tot één van de meest ernstige delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. De wetgever heeft voor gekwalificeerde doodslag dan ook als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren vastgesteld.

Het hof heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 3 september 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, het proces-verbaal bevindingen eerdere incidenten en mutaties voor zover daarin eerdere delicten ten aanzien van taxichauffeurs zijn genoemd en het proces-verbaal verdenking overval 2011 (pagina’s 1012 tot en met 1016 en pagina’s 1018 tot en met 1020 van het politiedossier) waaruit blijkt dat hij, onder andere, eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een poging tot overval op een taxichauffeur en een overval op een taxichauffeur. De eerste veroordeling hieromtrent dateert van 30 januari 2008 door de meervoudige kamer in de rechtbank Maastricht. Hierbij is de verdachte ter zake van poging tot afpersing en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde dat hij zich diende te gedragen naar aanwijzingen van een hulpverleningsinstantie, met een proeftijd van 2 jaren. Uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte op 11 augustus 2007, omstreeks 04.30 uur, een taxichauffeur met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft overvallen (pagina 1013 van het politiedossier), maar niets heeft buit gemaakt. De tweede veroordeling hieromtrent dateert van 26 mei 2011 door de meervoudige kamer in de rechtbank Maastricht. Hierbij is de verdachte ter zake van onder andere afpersing en diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte onder bedreiging van een mes een taxichauffeuse heeft beroofd van haar taxi, portemonnee en telefoon.

Bij de straftoemeting heeft het hof voorts gelet op de inhoud van de in het dossier voorhanden zijnde rapportages betreffende de verdachte.

In de onderhavige zaak is op 10 januari 2018 door [naam psychiater] (psychiater) en [naam GZ-psycholoog] (GZ-psycholoog), beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (locatie Pieter Baan Centrum), een rapportage Pro Justitia opgemaakt omtrent de persoon van de verdachte. De verdachte heeft gedeeltelijk willen meewerken aan het onderzoek in het PBC.

Uit de hiervoor genoemde rapportage blijkt omtrent het al dan niet bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten het volgende:

“Wel veronderstellen ondergetekenden dat betrokkenes voortdurende neiging tot het opdissen van fantasievolle verhalen wordt aangejaagd door een laag zelfbeeld; in de normale omgang lijkt hij er sterk op gericht te worden gehoord en erkenning te krijgen en liefst te worden bewonderd, met andere woorden: betrokkene is op zoek naar leniging van zijn gevoelens die verband houden met zijn laag zelfbeeld en tracht in de ander affectieve warmte te vinden, iets dat hij waarschijnlijk heeft gemist bij zijn moeder. In wezen speelt een duidelijke interpersoonlijke afhankelijkheid. Dat een voortdurende leniging van vroegkinderlijke behoeften nooit voldoende uitpakt zal bij menig persoon met een dergelijke queeste doorgaans leiden tot (chronische) vormen van somberte en angst. Voor betrokkene, daarentegen, lijkt dit niet te gelden: hij zet juist actieve stappen in zijn copingstrategie door steeds in de overtreffende trap fantasievolle verhalen te verkondigen opdat hij bewondering en respect oogst en daarmee indirect - en tijdelijk - zijn zelfbeeld herstelt. Betrokkenes officiële criminaliteit neemt een aanvang in zijn militaire dienstperiode, bovenal is er sprake van verwervingscrimineel gedrag als diefstal, beroving en oplichting. Ook handelend agressief gedrag komt bij hem voor. Het voorgaande leidt ertoe dat ondergetekenden in descriptieve zin een persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene vaststellen, in DSM-5-termen te classificeren als een 'andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken)'. Betrokkenes voornoemde persoonlijkheidsstoornis geldt als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In de aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) was deze gebrekkige ontwikkeling aanwezig”.

Omtrent de mate waarin de hierboven genoemde stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed, hebben de deskundigen [naam psychiater] en [naam GZ-psycholoog] het volgende geconcludeerd:

“Ondergetekenden realiseren zich dat zij betrokkene beperkt kunnen onderzoeken en weliswaar een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken kunnen vaststellen, maar daarmee nog geen goed beeld hebben van betrokkenes intrapsychische dynamiek in de aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen). Het delictscenario is onbekend. Nu het onduidelijk blijft welke persoonlijkheidsaspecten bij betrokkene in dergelijke situaties op de voorgrond staan, afgezet tegen de bij ondergetekenden niet-bekende motieven en dito delictscenario, menen zij geen conclusies te kunnen trekken over een eventuele doorwerking van betrokkenes gebrekkige ontwikkeling in het verloop van het ten laste gelegde (indien bewezen). Derhalve onthouden zij zich van een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid”.

Ook psychiater/psychoanalyticus [naam psychiater/psychoanalyticus] heeft onderzoek verricht naar de persoon van de verdachte, welke bevindingen zijn neergelegd in de Pro Justitia rapportage d.d. 4 januari 2020. Omtrent de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de deskundige geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken, wat geldt als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, welke stoornis aanwezig was tijdens het tenlastegelegde, gelet op het chronische karakter. Omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, heeft [naam psychiater/psychoanalyticus] zich, vanwege de omstandigheid dat de verdachte een ander delictscenario heeft dan het scenario van moord, onthouden van advies.

Tevens heeft klinisch psycholoog dr. [naam klinisch psychloog] onderzoek verricht naar de persoon van de verdachte, welke bevindingen zijn neergelegd in de Pro Justitia rapportage d.d. 1 januari 2020. Omtrent de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de deskundige geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, wat in diagnostische zin te classificeren is als een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde persoonlijkheidstrekken, welke stoornis aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Ook [naam klinisch psychloog] heeft zich onthouden van advies omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, gelet op de onduidelijkheden omtrent de precieze toedracht, het delictscenario.

Gelet op het voorgaande is het hof niet gebleken dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar of verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Ook overigens zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Derhalve kan het feit hem om die reden volledig worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder de wijze waarop de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan en zijn handelen na afloop van de door hem gepleegde daad, met het oog op een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor zeer lange duur met zich brengt. Zoals hierna zal worden overwogen acht het hof echter tevens noodzakelijk om aan de verdachte te maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf houdt het hof, zoals ook door de verdediging is bepleit, daarmee rekening. In beginsel is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Overwegingen ten aanzien van het procesverloop

Met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep overweegt het hof het navolgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat in deze procesfase het geding met een einduitspraak behoort te zijn afgerond binnen 16 maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof stelt vast dat bij akte van 26 juni 2018 van de zijde van de verdediging hoger beroep is ingesteld. Het hof zal bij arrest van heden – 9 december 2020 – einduitspraak doen. De in beginsel geldende termijn van 16 maanden is daarmee met ruim 13 maanden overschreden.

In de onderhavige zaak wordt de verdachte van een zeer ernstig strafbaar feit beschuldigd. Het betreft een omvangrijk dossier waarin resultaten van verscheidene onderzoeken zijn neergelegd. De zaak heeft in hoger beroep op 20 november 2018 voor het eerst op zitting gestaan. Op die datum was het volledige dossier nog niet binnengekomen bij het hof en derhalve heeft de advocaat-generaal nog niet kunnen reageren op de op 4 november 2018 door de verdediging ingediende onderzoekswensen. Op de terechtzitting van 12 februari 2019 heeft het hof beslist dat op 16 april 2019 een regiezitting plaats diende te vinden, nu de advocaat-generaal bij e-mailbericht van 3 december 2018 afwijzend heeft gereageerd op de onderzoekswensen van de verdediging. Het hof heeft vervolgens op de terechtzitting van 16 april 2019 naar aanleiding van daartoe strekkende verzoeken van de verdediging beslist dat – kort weergegeven – de advocaat-generaal diende na te gaan of van een bepaald dactyloscopisch spoor een identificatieprocedure heeft plaatsgevonden en of referentievingerafdrukken van de verdachte en het slachtoffer beschikbaar waren, nader onderzoek diende plaats te vinden door één of meer bloedspoorpatroondeskundigen van het NFI en psychiater [naam psychiater] en psycholoog [naam GZ-psycholoog] een actualisering van de Pro Justitia-rapportages dienden op te maken. Ter terechtzitting van 2 juli 2019 (en nadien) is bepaald dat, nu deskundige [naam psychiater] niet meer beschikbaar is en deskundige [naam GZ-psycholoog] niet bereid is de rapportage te actualiseren met een nieuw benoemde psychiater, twee nieuwe deskundigen benoemd dienden te worden. Op 5 november 2019 heeft er een FIT-gesprek plaatsgevonden, alwaar er een herformulering van de vraagstelling aan het NFI heeft plaatsgevonden en naar aanleiding waarvan de patholoog-anatoom opdracht is gegeven nader te rapporteren. Ter terechtzitting van 22 april 2020 is gebleken dat het uitbrengen van de NFI-rapportage vertraging heeft opgelopen door de coronacrisis. Ter terechtzitting van 17 juni 2020 is gebleken dat de zaak gereed was voor inhoudelijke behandeling. Vanwege de zittingscapaciteit van het hof is de zaak inhoudelijk gepland op 25 november 2020.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet alleen te wijten is aan de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop. Derhalve is het hof van oordeel dat deze overschrijding deels verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.

Zoals hierover overwogen, is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend zou zijn. echter, gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden passend en geboden is.

Ten aanzien van de maatregel

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege geboden is.

De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zoals hier – kort gezegd – gekwalificeerde doodslag, en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Omtrent de inschatting van het recidivegevaar en aanbevelingen voor interventies die het recidivegevaar kunnen beperken is door gedragsdeskundige [naam psychiater/psychoanalyticus] op 4 januari 2020 het volgende gerapporteerd:

“Het belangrijkste risico bij onderzochte lijkt gelegen in de omstandigheid dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen. Zorgelijk is ook dat onderzochte – ondanks de eerdere straffen – opnieuw een taxichauffeur slachtoffer heeft gemaakt, indien bewezen. Vanuit deze optiek kan gesteld worden dat er een hoog risico bestaat voor een recidive van een geweldsdelict.

Vanuit het milieuonderzoek in het PBC wordt duidelijk dat onderzochte disfunctioneert op de diverse levensgebieden. Hij is niet in staat gebleken om zijn bestaan op de diverse levensdomeinen langdurig vorm te geven en telkens is hij weer vastgelopen. Er zijn weinig beschermende factoren. Hij heeft wel een normaal verstand. Al met al kan gesteld worden dat het risico op een recidive van een geweldsdelict hoog is.

Mocht het Hof het tenlastegelegde bewezen achten dan betekent dat dat onderzochte voor de derde keer een agressief delict gepleegd heeft ten opzichte van een taxichauffeur. Dit betekent dat hij ondanks meerdere veroordelingen voor geweldsdelicten niet in staat is gebleken om zijn delict gedrag te stoppen. Daarbij komt dat hij eerdere delicten bagatelliseert en de verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen buiten zichzelf legt. Er is sprake van een gebrekkig probleembesef en van een gebrekkig probleeminzicht. Er is tevens sprake van een gebrek aan interne lijdensdruk waardoor er geen intrinsieke veranderingswens is. Om de maatschappij te beschermen zou hij een behandeling moeten aangaan waarbij uitgebreid aandacht besteed wordt aan de delict scenario procedure en het in kaart brengen van risicofactoren en beschermende factoren via een delict-analyse. Verder is het van belang om de diagnostiek te vervolgen omdat onderzoeker een autismespectrumstoornis in de differentiaal diagnose houdt. Dit is van belang omdat in het geval van een persoonlijkheidsstoornis de nadruk van de behandeling ligt op een (innerlijk) groeimodel en bij een autismespectrumstoornis de nadruk ligt op het handicapmodel (omstandigheden aanpassen aan persoon). Uitgaande van de inschatting van een hoog risico voor een recidive acht onderzoeker behandeling en nadien begeleiding noodzakelijk om de kans op herhaling zoals het hem tenlastegelegde binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. Het gaat om een ernstig tenlastegelegd feit. Het risico op een geweldsrecidive is hoog. Het is van belang dat de maatschappij wordt beveiligd en dat onderzochte de kans krijgt om de ernstige lacunes in zijn persoonlijkheid aan te pakken. Het is te voorzien dat de behandeling langdurig zal zijn en dat er ook een duidelijke behandeldruk aanwezig dient te zijn om tot een verandering van de ingeslepen patronen te komen. Onderzoeker adviseert om onderzochte de TBS maatregel met dwangverpleging op te leggen”.

De hiervoor vermelde rapportage van gedragsdeskundige [naam klinisch psychloog] van 1 januari 2020 houdt hieromtrent het volgende in:

“Indien het Hof tot het oordeel komt dat het tenlastegelegde door betrokkene gepleegd is dan is sprake van recidivering. Daarmee is de kans op een hernieuwd soortgelijk delict ook als groot in te schatten en dient de maatschappij hiertegen beschermd te worden. Een behandeling zoals boven omschreven zal langdurig zijn, zeker indien betrokkene hiertoe niet gemotiveerd is. Een maatregel tbs met verpleging van overheidswege is dan de enige optie met garantie op een recidivevrije toekomst. Indien het Hof tot het oordeel komt dat betrokkene niet schuldig is, dan blijven er zorgen rondom een aantal levensgebieden waarbij betrokkene hulp kan gebruiken. Het is de vraag in hoeverre betrokkene hier binnen een vrijwillig kader gebruik van wil maken”.

Het hof ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundigen, zoals de verdediging heeft bepleit, en het hof verenigt zich met de weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling in een gedwongen kader. De omstandigheid dat de verdachte goed functioneert binnen de gevangenismuren doet hier niet aan af.

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan; bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van die maatregel.

Het hof is tegen de achtergrond van de overwegingen van de gedragsdeskundigen van oordeel dat het gevaar dat van de verdachte uitgaat zodanig hoog is, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege eist. Het is naar het oordeel van het hof onverantwoord om te volstaan met een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel dan wel in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, zoals deze door de deskundigen is beschreven, is daarvoor te ernstig en het recidiverisico te hoog. Het hof wijst in dit verband op de beschreven noodzaak tot langdurige behandeling met een duidelijke behandeldruk, het bij de verdachte gebrekkige probleembesef en probleeminzicht en het ontbreken van een intrinsieke veranderingswens. Het hof zal dan ook de eis van de advocaat-generaal volgen en de maatregel van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.

Het hof zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van een perspectief bij een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging en het vastlopen van het systeem brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Dat het mogelijk is dat de TBS-behandeling gelet op de aard van de ernstige persoonlijkheidsproblematiek lange tijd zou kunnen duren, is geen grond om daarvan af te zien.

Gelet op het bewezenverklaarde wordt de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit.

Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van de in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde bevoegdheid, de Minister te adviseren de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan te laten vangen na het uitzitten van een bepaald aantal jaren van de opgelegde gevangenisstraf.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5]

De vorderingen

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade, te weten shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft tevens een bedrag ter hoogte van € 6.222,60 aan materiële kosten gevorderd, te weten de uitvaartkosten en de kosten van de rituele bewassing van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vorderingen tot schadevergoedingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zijn telkens toegewezen door de rechtbank tot een bedrag van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening, met veroordeling van de verdachte in de kosten van deze procedure van de benadeelde partijen, daaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, tot op de dag van het vonnis begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partijen is telkens de schadevergoedingsmaatregel van € 5.000,00 opgelegd.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen door de rechtbank tot een bedrag van € 16.222,60, waarvan € 6.222,60 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening, met veroordeling van de verdachte in de kosten van deze procedure van de benadeelde partij, daaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, tot op de dag van het vonnis begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partij is een schadevergoedingsmaatregel van € 11.222,60 opgelegd.

De benadeelde partijen hebben in hoger beroep te kennen gegeven de vorderingen tot schadevergoeding te handhaven.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vorderingen geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van telkens de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag van de toegewezen vorderingen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , te weten een bedrag van € 6.222,60, gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van de door alle benadeelde partijen gevorderde immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd, met verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 november 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:3694), dat de omstandigheid dat de [familie van het slachtoffer] in het mortuarium is geconfronteerd met hun zoon en broer onvoldoende is om de vorderingen tot vergoeding van shockschade toe te kennen en dat het lijden aan PTSS en/of een depressieve stoornis dat niet anders maakt.

Immateriële schade

Ter onderbouwing van de immateriële schade is aangevoerd dat alle bovengenoemde benadeelde partijen zijn geconfronteerd met de zeer ernstige gevolgen van de dood van hun zoon, dan wel broer. Hiertoe is aangevoerd dat gesteld kan worden dat er in dezen sprake is van shockschade, op welke grond de benadeelde partijen een eigen en rechtstreeks vorderingsrecht jegens de verdachte hebben. De nabestaanden kampen met geestelijk letsel dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of de combinatie met de (ernstige) gevolgen van het misdrijf en er is sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Ter nadere schriftelijke onderbouwing van de vorderingen zijn de volgende stukken overgelegd:

- T.a.v. [benadeelde partij 1] , de vader van het slachtoffer:

Een bericht d.d. 30 oktober 2017 van drs. [naam] , GZ-psycholoog en EMDR-therapeut, werkzaam bij HSK-groep, inhoudende dat zij op 30 oktober 2017 de heer [benadeelde partij 1] zag voor een intake. Als diagnose volgens DSM-5 is gesteld een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, matig van ernst. De ernst van de problematiek wordt als matig ingeschat. Wat betreft het beloop van de klachten is er sprake van aanhoudende klachten/symptomen die aan de DSM-criteria voor de duur van een stoornis voldoen. Als behandeladvies is gegeven een behandeltraject in de specialistische GGZ, volgens het EMDR- en een depressieprotocol. De prognose ten aanzien van de klachtenreductie is vooralsnog als gunstig ingeschat.

- T.a.v. [benadeelde partij 2] , de moeder van het slachtoffer:

Een bericht d.d. 25 september 2017 van drs. [naam] , GZ-psycholoog, werkzaam bij HSK-groep, inhoudende dat zij op 25 september 2017 mevrouw [benadeelde partij 2] zag voor een screening. Als diagnose volgens DSM-5 is gesteld een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, matig, met angstige spanning. De ernst van de problematiek wordt als matig tot hoog ingeschat. Wat betreft het beloop van de klachten is er sprake van aanhoudende klachten/symptomen die aan de DSM-criteria voor de duur van een stoornis voldoen. Als behandeladvies is gegeven een cognitief gedragstherapeutische behandeling in de specialistische GGZ volgens het protocol bij PTSS en het protocol voor depressieve klachten. De prognose ten aanzien van de klachtenreductie is vooralsnog als gunstig ingeschat.

- T.a.v. [benadeelde partij 3] , oudste broer van het slachtoffer:

Een bericht d.d. 1 februari 2018 van drs. [naam] , GZ psycholoog, werkzaam bij HSK-groep, inhoudende dat hij op 1 februari 2018 [benadeelde partij 3] zag voor een intake. Als diagnose volgens DSM-5 is gesteld een posttraumatische stressstoornis. De ernst van de problematiek wordt als laag tot matig ingeschat. Wat betreft het beloop van de klachten is er sprake van symptomen die aan de DSM-criteria voor de duur van een stoornis voldoen. Als behandeladvies is gegeven te starten met een traject in de basis GGZ (intensief), volgens het protocol bij PTSS. De prognose ten aanzien van de klachtenreductie is gunstig.

- T.a.v. [benadeelde partij 4] , de tweelingbroer van het slachtoffer:

Een bericht d.d. 8 november 2017 van drs. [naam] , GZ psycholoog, werkzaam bij HSK-groep, inhoudende dat hij op 8 november 2017 [benadeelde partij 4] zag voor een intake. Als diagnose volgens DSM-5 is gesteld een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, licht tot matig, met angstige spanning. De ernst van de problematiek wordt als matig ingeschat. Wat betreft het beloop van de klachten is er sprake van symptomen die aan de DSM-criteria voor de duur van een stoornis voldoen. Als behandeladvies is gegeven behandeling in de basis GGZ (zeer intensief) volgens het EMDR-protocol en, indien nodig, volgens elementen uit het depressieprotocol.

- T.a.v. [benadeelde partij 5] , broer van het slachtoffer:

Een bericht d.d. 19 februari 2018 van drs. [naam] , GZ psycholoog, werkzaam bij HSK-groep, inhoudende dat hij op 19 februari 2018 [benadeelde partij 5] zag voor een intake. Als diagnose volgens DSM-5 is gesteld een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, matig, met angstige spanning. De ernst van de problematiek wordt als hoog ingeschat. Wat betreft het beloop van de klachten is er sprake van symptomen die aan de DSM-criteria voor de duur van een stoornis voldoen. Als behandeladvies is gegeven behandeling in de specialistische GGZ, volgens het protocol bij posttraumatische stressstoornissen en elementen uit het depressieprotocol. De prognose ten aanzien van de klachtenreductie is gunstig.

Door de advocaat van de benadeelde partijen is in hoger beroep naar voren gebracht dat alle benadeelde partijen in behandeling zijn (geweest). Schriftelijke stukken ter onderbouwing hiervan zijn niet ingebracht.

Door de advocaat van de benadeelde partijen is aangevoerd dat het niet gaat om de waarneming als getuige, maar om de confrontatie met de gevolgen, een confrontatie die op velerlei wijzen kan plaatsvinden. De aard van de affectieve relatie maakt dat elke vorm van confrontatie met de gevolgen van een moord op de nabestaande impact heeft.

De vereiste confrontatie is erin gelegen dat de benadeelde partijen kort na de vondst van het lichaam van het slachtoffer ervan op de hoogte zijn gesteld dat hij door messteken om het leven was gebracht en achter was gelaten in een bos. Voor de vader en de broers geldt dat zij het slachtoffer in het mortuarium hebben moeten identificeren, welke aanblik hen niet meer loslaat. Het hele gezin is vervolgens tijdens de rituele bewassing geconfronteerd met de verwondingen. In de uren en dagen daarna werden steeds meer afzichtelijke details bekend en hierdoor zijn de benadeelde partijen rechtstreeks geconfronteerd met de gruwelijke gevolgen van het handelen van de verdachte. Daarnaast hebben de benadeelde partijen kennis genomen van het procesdossier. Tevens heeft de dood van het slachtoffer veel media-aandacht gekregen, waardoor de nabestaanden ook via deze weg telkens weer werden geconfronteerd met de feiten en omstandigheden waaronder het slachtoffer om het leven is gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het toetsingskader voor (de hoogte van) shockschade is in de jurisprudentie ontwikkeld en luidt als volgt:

‘Vergoeding van immateriële schade kan plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.’

en

‘Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.’

en

‘De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.’

Voor toewijzing van de vorderingen tot vergoeding van shockschade moet dus – kort gezegd – vastgesteld kunnen worden dat:

er een nauwe affectieve relatie heeft bestaan tussen de benadeelden en het slachtoffer;

het bewezenverklaarde is waargenomen door de benadeelden of dat er door de benadeelden een directe confrontatie is geweest met de ernstige gevolgen daarvan, waardoor een hevige emotionele schok bij de benadeelden is teweeggebracht;

bij de benadeelden sprake is van geestelijk letsel waardoor zij in hun persoon zijn aangetast, waarvan in het algemeen sprake is bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Ad I.

Dat er sprake is geweest van een nauwe affectieve relatie tussen de benadeelden en het slachtoffer staat onmiskenbaar vast. Deze nauwe affectieve relatie is ook niet betwist door de verdediging.

Ad II.

Door de benadeelden is niet gesteld en er is ook niet gebleken dat zij het bewezenverklaarde hebben waargenomen. De benadeelde partijen hebben wel gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan, zoals hiervoor vermeld.

Het hof is van oordeel dat uit de door de Hoge Raad uitgezette lijn, blijkt dat voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is, zoals hierboven uiteengezet. Een lijn die door de wetgever, hoewel daar mogelijkheden voor zijn geweest, ook niet is doorbroken of gerelativeerd,

De wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering teneinde onder meer de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan (Staatsblad 2018, 132), die op 1 januari 2019 in werking is getreden en die voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade (ter zake van delicten gepleegd op 1 januari 2019 en daarna), voorziet niet in een nadere regeling van shockschade.

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of in deze voldaan is aan het vereiste onder II genoemd, het confrontatievereiste.

Bij die beoordeling staat voorop dat het confrontatievereiste de alternatieve grondslag is van vorderingen tot shockschade. Een eerste grondslag bestaat wanneer het bewezenverklaarde door de benadeelden is waargenomen. Hiermee mag niet te lichtvaardig worden omgesprongen, nu de directe confrontatie met de gevolgen hiervan in feite de afgeleide grondslag vormt. De maatstaf die moet worden gehanteerd is of ‘de waarneming van het lichaam en/of de verwondingen van het slachtoffer meteen na het misdrijf’ een hevige schok hebben teweeggebracht. Het zien van het levenloze lichaam in het mortuarium en tijdens de rituele bewassing, het bekend raken met de details van de dood van het slachtoffer, de media-aandacht en de kennisneming van het procesdossier moeten vreselijke momenten zijn geweest voor de benadeelden. Dat sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde zoals hiervoor omschreven kan daaruit echter niet zonder meer worden afgeleid en is in ieder geval onvoldoende komen vast te staan.

Ad III.

Het oordeel van het hof over de voorwaarde onder II maakt dat de laatste voorwaarde op zich geen bespreking meer zou behoeven. Desalniettemin zal het hof daartoe wel overgaan.

Ten aanzien van deze voorwaarde overweegt het hof dat ter schriftelijke onderbouwing stukken overgelegd zijn van een eerste intake bij een GZ-psycholoog. Schriftelijke onderbouwingen van de mondeling gestelde behandelingen van de vijf benadeelde partijen en het verloop van die behandelingen zijn er niet. Dat maakt dat het hof deze voorwaarde onvoldoende kan onderzoeken. De aard van het bij een eerste intake gestelde geestelijk letsel en de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) kan het hof niet vaststellen op basis van alleen een eerste intake.

Nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Conclusie:

Gelet op het voorgaande kunnen de vorderingen voor zover zij betrekking hebben op shockschade niet in het kader van het strafgeding worden toegewezen. Nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling daarvan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal hiertoe niet overgaan maar is van oordeel dat de mogelijkheid van een gang naar de civiele rechter opengehouden dient te worden voor de benadeelde partijen.

Het hof zal om die reden de benadeelde partijen in hun vorderingen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Materiële schade vordering [benadeelde partij 1]

Met betrekking tot de gevorderde materiële kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, Burgerlijk Wetboek komen genoemde kosten als “kosten van lijkbezorging” voor vergoeding in aanmerking, zodat de (toereikend onderbouwde) vordering in zoverre wordt toegewezen. De genoemde posten betreffen naar het oordeel van het hof in redelijkheid gemaakte kosten.

Op grond van het bovenstaande is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.222,60. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 6.222,60. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.222,60 (zesduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.222,60 (zesduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 66 (zesenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 9 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Bij beschikking van de rechtbank Maastricht d.d. 29 november 2011 is de eerste voornaam van de verdachte, “ [eerste voornaam] ”, gewijzigd in de naam “ [gewijzigde eerste voornaam] ” en is het verzoek om de tweede, derde en vierde voornamen, “ [voornamen] ”, te laten vervallen afgewezen (pagina’s 1440 tot en met 1442 van het politiedossier). De verdachte heet volgens eigen opgave [eerste voornaam en achternaam] .