Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3762

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
200.254.755 _01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3224
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:6812
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

erfdienstbaarheid van weg, artikel 5:74 BW, hof gelast een deskundigenverhoor

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.254.755/01

arrest van 8 december 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna aan te duiden als “ [appellant] ” (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. W.P.G. Verstappen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna aan te duiden als “ [geïntimeerde] ”,

advocaat: mr. G.M.W. Scaf te Voerendaal,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 april 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/127034/HA-ZA 13-359 gewezen vonnissen van 21 mei 2014, 18 februari 2015, 20 mei 2015, 12 april 2017 en 18 juli 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 2 april 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 juni 2019;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

De processuele gang van zaken

6.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 18 februari 2015 onder 2. de feiten vastgesteld waarvan in dit geding moet worden uitgegaan. [appellant] stelt onder randnummer 5. van de memorie van grieven dat hij het heersende erf ( [perceel 1] ) in 1993 heeft gekocht van de heer [naam 1] en niet, zoals is vermeld in rechtsoverweging 2.5. van het vonnis van

18 februari 2015, van [naam 2] . [geïntimeerde] heeft dit bij memorie van antwoord niet betwist. Het hof zal daarvan dan ook uitgaan. Voorts staat tussen partijen niet ter discussie dat zowel het perceel van [geïntimeerde] ( [perceel 2] ) als het perceel van [appellant] ( [perceel 3] ) dienende erven zijn en dat de erfdienstbaarheid ten behoeve van het aan [appellant] in eigendom toebehorende [perceel 1] (het weiland) is gevestigd, zodat ook daarvan zal worden uitgegaan. Nu voor het overige geen grieven zijn gericht tegen de feitenweergave in het vonnis van 18 februari 2015, en ook uit hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd niet blijkt dat hij zich voor het overige niet in die feitenweergave kan vinden, zal het hof voor het overige van dezelfde feiten uitgaan als de rechtbank. Met inachtneming van het voorgaande luiden de feiten, aangevuld met enkele andere feiten die ook tussen partijen vaststaan, als volgt.

6.1.1.

[geïntimeerde] en [appellant] zijn sinds 1993 buren van elkaar en eigenaren van de

onroerende zaken aan de [adres 1] respectievelijk [adres 2] te [plaats] . Op het perceel van [geïntimeerde] aan de [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [perceel 2] en op het perceel van [appellant] aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [perceel 3] (als dienende erven) rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van een aan [appellant] in eigendom toebehorend weiland, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [perceel 1] (het heersende erf). Partijen twisten over de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, met name de wijze waarop [appellant] daarvan feitelijk gebruik maakt dan wel laat maken. [geïntimeerde] stelt dat met te brede en te zware landbouwvoertuigen gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid. [appellant] betwist dat, evenals de stelling van [geïntimeerde] dat het gebruik van de erfdienstbaarheid met te brede en te zware landbouwvoertuigen heeft geleid en zal leiden tot (verdere) schade aan de linker zijgevel van de naast de erfdienstbaarheid gelegen woning van [geïntimeerde] en de daaronder gelegen kelder, aan een in het verlengde van de linker zijgevel van de woning gelegen keermuur en aan de bestrating van de weg langs de linker zijgevel van de woning en van het achterterrein van [geïntimeerde] .

6.1.2.

Het recht van erfdienstbaarheid werd gevestigd bij akte verleden op 18 april 1977 waarbij destijds door [naam 2] werd verkocht aan [koper] :

“GEMEENTE [gemeente] : weiland, gelegen aan de [adres 3] te [plaats] ,

uitmakende gedeelten van de percelen, kadastraal aldaar bekend, [perceel 4] en

[perceel 5] voor deze gedeelten samen groot ongeveer vier en twintig aren, of zo groot als bij latere

kadastrale splitsing en opmeting zal blijken, ter plaatse behoorlijk afgepaald en aangeduid.”

en waarin voorts omtrent de erfdienstbaarheid staat vermeld:

“7. Ten laste van de bij deze akte overgedragen gedeelten van de kadastrale percelen

Gemeente [gemeente] , [perceel 4] en [perceel 5] (de aan [koper] verkochte strook

grond; toevoeging hof) en ten behoeve van de aan verkoper ( [naam 2] ; toevoeging hof)

verblijvende gedeelten van voormelde kadastrale percelen wordt gevestigd om niet en voor altijd de erfdienstbaarheid van weg ter breedte van ongeveer drie meter.”

De exacte ligging van de erfdienstbaarheid is in de akte niet (nader) omschreven of door middel van een aan die akte gehechte tekening duidelijk gemaakt.

6.1.3.

Ten tijde van de vestiging van het recht van erfdienstbaarheid bestonden zowel de dienende erven als het heersende erf uit grasland.

6.1.4.

Na de vestiging van het recht van erfdienstbaarheid is, nog in 1977, op het door

[koper] gekochte een dierenartsenpraktijk (thans de woning van [geïntimeerde] ) en een

landhuis (thans de woning van [appellant] ) gebouwd.

6.1.5.

Het heersende erf ( [perceel 1] ) is in 1993 door [appellant] gekocht van de heer

[naam 1] .

6.1.6.

De weg op het perceel van [geïntimeerde] , waarover het in deze procedure gaat, is in

1977 verhard en is sindsdien nooit verlegd.

6.1.7.

[appellant] heeft in de jaren 2009 tot en met 2012 één keer per jaar van de erfdienstbaarheid gebruik gemaakt dan wel laten maken met een (volle) mesttankwagen, met een zodenbemester en met een tractor met hooipers.

6.2.

Bij vonnis in kort geding van 9 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) in reconventie op vordering van [geïntimeerde] [appellant] verboden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met voertuigen breder dan 3,10 meter, dan wel met voertuigen met een aslast van 5,9 ton en [appellant] geboden de erfdienstbaarheid van weg uit te oefenen op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze door bij elk gebruik van de erfdienstbaarheid van weg door voertuigen met een aslast van meer dan 3,5 ton stalen rijplaten te gebruiken, een en ander op straffe van een dwangsom.

6.3.

Bij inleidende dagvaarding van 8 november 2013 heeft [geïntimeerde] een bodemprocedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt bij de rechtbank. [geïntimeerde] heeft in

eerste aanleg in conventie - na eiswijzing - gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met:

a. voertuigen breder dan 3,00 meter, dan wel

b. voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton;

2. [appellant] te veroordelen om de hiervoor bedoelde verklaring voor recht te eerbiedigen en [appellant] te verbieden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met de onder 1.a. en l.b. genoemde voertuigen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere afzonderlijke overtreding, tot een maximum van in totaal € 100.000,00;

3. te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf;

4. [appellant] te veroordelen om de hiervoor bedoelde verklaring voor recht te eerbiedigen en [appellant] te verbieden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere afzonderlijke overtreding, tot een maximum van in totaal € 100.000,00;

5. te verklaren voor recht dat er door of namens [appellant] in het verleden onrechtmatig gebruik werd gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg;

6. [appellant] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] zal lijden indien er in de toekomst opnieuw door of namens [appellant] onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg, nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals de wet voorschrijft;

7. [appellant] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de kosten van dit geding alsmede alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende.

6.4.

[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd en in reconventie gevorderd - na eisvermindering - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook wat betreft de proceskosten,

primair:

- te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg rust op de weg langs de

rechterzijde van de woning van [geïntimeerde] (zoals weergegeven op de tekening die als

productie 1 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie is gevoegd);

- te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg, mede gezien het feitelijk gebruik dat daarvan in lengte van jaren is gemaakt, inhoudt het recht om ongestoord en onbeperkt gebruik te maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid van weg, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of een gedeelte daarvan met een maximum van € 25.000,00;

- [geïntimeerde] te veroordelen tot het jaarlijks uitvoeren van onderhoud aan de erfdienstbaarheid van weg voor zijn rekening en risico;

- [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding;

subsidiair:

- te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg ex artikel 5:72 BW door

verjaring, langs de rechterzijde van de woning van [geïntimeerde] , is ontstaan (zoals weergegeven op de tekening die als productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie is gevoegd);

- te verklaren voor recht dat, op basis van artikel 5:75 BW, [appellant] zelf gerechtigd is om te realiseren dat deze weg geheel vrij zal zijn van overgroeiende beplanting en andere zaken die [appellant] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid, en dat [appellant] tevens gerechtigd is om te realiseren dat aan weerszijden van de weg een strook van 20 centimeter, of een eventuele strook van een breedte door de rechtbank in goede justitie te bepalen, eveneens vrij zal zijn van begroeiing of andere zaken die [appellant] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid;

- [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding.

6.5.

Bij tussenvonnis van 18 februari 2015 heeft de rechtbank overwogen het aangewezen te achten een deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de schade te gelasten, gelet op de betwisting door [appellant] van zowel de door [geïntimeerde] gestelde schade als het causale verband tussen die schade en de wijze waarop van de erfdienstbaarheid gebruik wordt gemaakt. De rechtbank heeft in dat tussenvonnis de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bij tussenvonnis van 20 mei 2015 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast en een deskundige benoemd ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.1. van dat vonnis gestelde vragen.

6.6.

De deskundige heeft op 7 juni 2016 gerapporteerd. Partijen hebben bij conclusie na deskundigenbericht gereageerd op het rapport van de deskundige.

6.7.

Bij tussenvonnis van 12 april 2017 heeft de rechtbank opdracht gegeven aan de bij vonnis van 20 mei 2015 benoemde deskundige om nader te rapporteren omtrent de in dat vonnis geformuleerde vraagpunten en daarbij in te gaan op de opmerkingen van [appellant] en de door hem ingeschakelde deskundigen [expertise] Expertise (verder: [deskundige 1] ) en Bouwtechnisch Adviesbureau [bouwtechnisch adviesbureau] (verder: [deskundige 2] ), en dan met name (maar niet daartoe beperkt):

- berekeningen en uitgangspunten (gebruikte materialen, wanddikte, spouwvulling en

vochtwerende folie);

- ( rij)afstand tot de gevel;

- de alternatieve oorzaken van de schade die in die rapporten (van [deskundige 1] en [deskundige 2] ) worden genoemd.

6.8.

De deskundige heeft op 5 maart 2018 aanvullend gerapporteerd. Partijen hebben bij conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht gereageerd op het (nadere) rapport van de deskundige.

6.9.

Bij eindvonnis van 18 juli 2018 heeft de rechtbank in conventie:

1. voor recht verklaard dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met:

a. voertuigen breder dan 3,00 meter dan wel

b. voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton;

2. [appellant] veroordeeld om de hiervoor onder 1. bedoelde verklaring voor recht te

eerbiedigen en [appellant] verboden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met de hiervoor sub a. en b. genoemde voertuigen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere afzonderlijke overtreding;

3. voor recht verklaard dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts

een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf;

4. [appellant] veroordeeld om de hiervoor onder 3. bedoelde verklaring voor recht te

eerbiedigen en [appellant] verboden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere afzonderlijke overtreding;

5. voor recht verklaard dat er door of namens [appellant] in het verleden onrechtmatig

gebruik werd gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg;

6. ten aanzien van de dwangsommen zoals hiervoor onder 2. en onder 4. bedoeld, bepaald dat boven een totaalbedrag van € 25.000,00 geen dwangsommen meer zullen

worden verbeurd;

7. de gevorderde veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] zal lijden indien er in de toekomst opnieuw door of namens [appellant] onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg, nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals de wet voorschrijft, afgewezen.

In reconventie heeft de rechtbank:

8. voor recht verklaard dat de erfdienstbaarheid van weg rust op de weg langs de

rechterzijde van de woning van [geïntimeerde] (zoals in geel weergegeven op de tekening die als productie 1 bij de conclusie van eis in reconventie is gevoegd);

9. voor recht verklaard dat, op basis van artikel 5:75 BW, [appellant] zelf gerechtigd

is om te realiseren dat deze weg geheel vrij zal zijn van overgroeiende beplanting en andere zaken die [appellant] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid;

10. de gevorderde verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg, mede gezien het feitelijk gebruik dat daarvan in lengte van jaren is gemaakt, inhoudt het recht om ongestoord en onbeperkt gebruik te maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid van weg, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of een gedeelte daarvan met een maximum van € 25.000,00, afgewezen;

11. de gevorderde veroordeling van [geïntimeerde] tot het jaarlijks uitvoeren van onderhoud aan de erfdienstbaarheid van weg voor zijn rekening en risico, afgewezen;

12. de gevorderde verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg ex artikel 5:72 BW door verjaring, langs de rechterzijde van de woning van [geïntimeerde] , is ontstaan (zoals weergegeven op de tekening die als productie 1 is bijgevoegd), afgewezen;

Ten slotte heeft de rechtbank in conventie en in reconventie:

13. de proceskosten gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

14. [appellant] veroordeeld in betaling van de kosten van de deskundige;

15. dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen sub 2., 4. en 14. uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

16. het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.10.

In hoger beroep vordert [appellant] in de memorie van grieven onder aanvoering van vier grieven vernietiging van het vonnis van 18 juli 2018 voor zover het betreft de in conventie toegewezen vorderingen en de in reconventie afgewezen vorderingen en vordert hij dat het hof, opnieuw recht doende, hetgeen in conventie door de rechtbank werd toegewezen alsnog zal afwijzen en alsnog zal toewijzen hetgeen in reconventie door de rechtbank werd afgewezen.

De inhoud van de grieven

6.11.

Grief 1 is gericht tegen een deel van rechtsoverweging 2.17. van het eindvonnis van 18 juli 2018 en tegen de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen 2.4. tot en met 2.16. van dat vonnis. In rechtsoverweging 2.17. overweegt de rechtbank voor zover in hoger beroep aan de orde:

“2.17. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door [geïntimeerde]

in conventie sub 1. en 2. gevorderde voor toewijzing gereed ligt onder gelijktijdige

afwijzing van de tweede vordering van [appellant] Nu vaststaat dat [appellant] met té zwaar

materieel gebruik heeft gemaakt dan wel heeft laten maken van de erfdienstbaarheid ligt

naar het oordeel (van de rechtbank, toevoeging hof) ook het in conventie sub 5 gevorderde voor toewijzing gereed. (…).”

Grief 2 richt zich tegen de afwijzing van de tweede reconventionele vordering van

[appellant] Met grief 3 komt [appellant] op tegen zijn veroordeling in de kosten van de deskundige en met grief 4 (in het beroepschrift aangeduid als grief VI) tegen de proceskostencompensatie.

De omvang van het geding in hoger beroep

6.12.

[appellant] heeft in zijn appeldagvaarding ook hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 21 mei 2014, 18 februari 2015, 20 mei 2015 en 12 april 2017. Tegen deze vonnissen heeft hij echter geen grieven gericht zodat hij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

6.13.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met voertuigen breder dan 3,00 meter.

Partijen zijn het erover eens dat er met landbouwverkeer gebruik mag en kan worden gemaakt van de weg. De akte van vestiging bevat geen uitdrukkelijke beperking ter zake van de belasting of de toegestane wiel- of asdruk. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval heeft te gelden dat van de erfdienstbaarheid gebruik kan worden gemaakt met (zware) landbouwvoertuigen met een breedte van ongeveer drie meter, tenzij door de enkele gebruikmaking van de erfdienstbaarheid met die voertuigen schade ontstaat aan de naast de erfdienstbaarheid gelegen eigendom van [geïntimeerde] . Daartegen is geen grief gericht, zodat dit aan het oordeel van het hof is onttrokken.

6.14.

Niet kenbaar is gegriefd tegen de beslissingen van de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.3. en 3.4. van het dictum van het eindvonnis van 18 juli 2018 in conventie. In deze rechtsoverwegingen overweegt de rechtbank:

“3.3. verklaart voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts

een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit

recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al

dan niet via - het heersend erf;

3.4.

veroordeelt [appellant] om de hiervoor onder 3.3. bedoelde verklaring voor recht te

eerbiedigen en verbiedt [appellant] om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid

van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het

heersend erf, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor iedere

afzonderlijke overtreding;”.

Deze beslissingen van de rechtbank zijn derhalve aan het oordeel van het hof onttrokken.

6.15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gezien de inhoud van de grieven 1 en 2 (zie rechtsoverweging 6.11.) zijn van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie en van de vorderingen van [appellant] in reconventie in hoger beroep nog aan de orde:

in conventie:

- de verklaring voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton (het in conventie sub 1. gevorderde);

- de veroordeling van [appellant] om de hiervoor bedoelde verklaring voor recht te

eerbiedigen en het verbod aan [appellant] om gebruik te (laten) maken van de

erfdienstbaarheid van weg met voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton, zulks op verbeurte van een dwangsom (het in conventie sub 2. gevorderde);

- de verklaring voor recht dat er door of namens [appellant] in het verleden onrechtmatig gebruik werd gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg (het in conventie sub 5. gevorderde),

in reconventie:

de verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg, mede gezien het feitelijk gebruik dat daarvan in lengte van jaren is gemaakt, inhoudt het recht om ongestoord en onbeperkt gebruik te maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid van weg, zulks op verbeurte van een dwangsom (de tweede vordering van [appellant] ).

6.16.

Partijen houdt derhalve verdeeld de vraag of [appellant] gebruik mag (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton. De rechtbank heeft een deskundige benoemd ter beantwoording van deze vraag. De conclusie van de deskundige luidt dat de aslasten van het verkeer dat gebruik maakt van de erfdienstbaarheid niet hoger mogen zijn dan 2,5 ton. De rechtbank heeft deze conclusie en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie van de deskundige overgenomen en tot de hare gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank doet hetgeen [appellant] ten aanzien van de (nadere) rapportage van de deskundige heeft aangevoerd aan vorenstaande conclusie niets af. Daartegen richt zich grief 1.

6.17.

In de toelichting op grief 1 stelt [appellant] dat het (aanvullende) rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat dit rapport daarnaast inhoudelijk onjuist althans onvolledig is. [appellant] verbindt hieraan de gevolgtrekkingen dat het (aanvullende) deskundigenrapport niet als bewijs kan dienen voor de stellingen van [geïntimeerde] en dat de op het (aanvullende) rapport gebaseerde oordelen en beslissingen van de rechtbank bij eindvonnis van 18 juli 2018 onjuist zijn. Het hof zal in het hierna volgende de bezwaren van [appellant] tegen de wijze van tot stand komen en de inhoud van het (aanvullende) deskundigenrapport bespreken.

De wijze van tot stand komen van het (aanvullende) deskundigenrapport

6.18.

Over de wijze van tot stand komen van het (aanvullende) deskundigenrapport heeft [appellant] in zijn algemeenheid aangevoerd dat de deskundige door de rechtbank gestelde termijnen heeft laten verlopen, (op punten) niet is ingegaan op het commentaar van [appellant] ten aanzien van de concept-rapportages en door [appellant] toegezonden stukken niet bij het onderzoek heeft betrokken (zie voor e.e.a. memorie van grieven, randnrs. 25, 29 en 30).

6.19.

Naar het oordeel van het hof brengen deze bezwaren van [appellant] , indien juist, niet met zich dat het (aanvullende) deskundigenrapport terzijde geschoven moet worden, zoals door [appellant] is gesteld. Daartoe overweegt het hof als volgt.

6.19.1.

Wat betreft de gestelde termijnoverschrijdingen geldt, dat de deskundige in beginsel is gebonden aan de door de rechter gestelde termijnen (artikel 197 Rv) maar dat het civiele procesrecht niet voorziet in sancties op termijnoverschrijding. Bovendien heeft [appellant] als procespartij een eigen verantwoordelijkheid voor een voortvarend procesverloop. Het was dus aan [appellant] om zich tot de rechtbank te wenden indien hij meende dat de deskundige het onderzoek niet voldoende voortvarend verrichtte.

6.19.2.

Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat de deskundige (op punten) niet is ingegaan op het commentaar van [appellant] ten aanzien van de concept-rapportages, overweegt het hof dat geen rechtsregel de deskundige dwingt om in het deskundigenadvies te reageren op opmerkingen en verzoeken van partijen naar aanleiding van het concept-deskundigenadvies. Het is in de eerste plaats aan de deskundige om uit te maken of, en zo ja, in hoeverre hij in het deskundigenbericht rekening houdt met het door partijen op het concept-deskundigenbericht geleverde commentaar.

6.19.3.

Evenmin hoefde de deskundige de stukken die [appellant] op eigen initiatief aan de deskundige heeft toegezonden, in het onderzoek te betrekken. De deskundige mag dit laten afhangen van de relevantie van deze stukken voor de beantwoording van de vraagstelling en van de tijd en kosten die gemoeid zijn met de verwerking van de stukken in het deskundigenadvies. Zoals reeds overwogen heeft de rechtbank de deskundige bij vonnis van 12 april 2017 opgedragen nader te rapporteren over het rapport van [deskundige 1] van 17 januari 2014 en de verklaring van Stienen/Gielen van 10 juni 2015 die door [appellant] bij brief van zijn toenmalige advocaat van 26 juni 2015 aan de deskundige zijn toegezonden, alsmede over de twee rapporten van [deskundige 2] die [appellant] in eerste aanleg in het geding heeft gebracht. Naar aanleiding daarvan is de deskundige bij nader rapport van 5 maart 2018 daarop (alsnog) ingegaan. Daarmee is voldoende tegemoet gekomen aan het bezwaar van [appellant]

Benaderingswijze van de deskundige

6.20.

[appellant] stelt verder (memorie van grieven, randnrs. 31-33) dat de deskundige in zijn aanvullende rapport van 5 maart 2018, zonder toelichting, kiest voor een volstrekt andere (ontoelaatbare) benaderingswijze in vergelijking met zijn eerste rapport. Dit bezwaar van [appellant] richt zich tegen bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018 (‘aanvullende onderbouwing en berekening [ingenieursbureau] ’) en de daarbij gevoegde berekeningen.

6.21.

Van een "volstrekt andere benaderingswijze", zoals [appellant] stelt, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Er is alleen sprake van een andere berekeningsmethode.

In plaats van de berekeningsmethode van [engineering] die de deskundige in het rapport van 7 juni 2016 gebruikt, kiest de deskundige in bijlage 3 bij het (aanvullende) rapport van 5 maart 2018 voor een andere berekeningsmethodiek (strokenmethode). Op basis van de resultaten van de strokenberekening komt de deskundige tot dezelfde conclusies als in het rapport van

7 juni 2016 op basis van de [engineering] -berekeningsmethodiek. Waarom de deskundige niet op deze door hem gekozen wijze tewerk zou mogen gaan, kan het hof niet inzien.

6.22.

Op pagina 1 van bijlage 3 bij het (aanvullende) rapport van 5 maart 2018 (‘Leeswijzer ten behoeve van de berekening’) schrijft de deskundige:

“In deze kwestie zijn er vragen gesteld door partijen, vanwege de reeds eerder verstrekte rapportage van [ingenieursbureau] nr. 2015.0130- R01 d.d. 7 juni 2016 en 2015.0130- R02 d.d. 29 november 2017 concept.

Met name het gebruik/ toetsing van berekeningen van derden ( [engineering] ) heeft tot vele vragen (van met name [appellant] ) geleid.

[organisatie] heeft daarom een aanvullende, volledig nieuwe berekening gemaakt (…)”

Het hof is, gelet daarop van oordeel dat van een ‘onnavolgbare wending’, zoals [appellant] heeft gesteld, geenszins sprake is.

6.23.

Ontoelaatbaar is deze benaderingswijze van de deskundige naar het oordeel van het hof evenmin. In het tussenvonnis van 20 mei 2015 waarbij de deskundige is benoemd, is bepaald dat de deskundige het onderzoek zelfstandig verricht. Dit betekent dat de deskundige zelf kiest hoe hij het deskundigenonderzoek inricht en uitvoert. De deskundige heeft binnen de grenzen van de hem gegeven opdracht de vrijheid het onderzoek te verrichten op de wijze die hem het beste voorkomt (HR 20 september 1996, NJ 1997, 328, ECLI:NL:HR:1996:ZC2141 (Halcion 11), In vergelijkbare zin: HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435, ECLI:NL:HR:2001:AB2174 (WE/VIB II). Onderdeel van de vrijheid van de deskundige bij de inrichting van het onderzoek is ook de keuze van de onderzoeksmethode. Zoals in rechtsoverweging 6.22. is overwogen, heeft de deskundige in het deskundigenadvies de redenen genoemd waarom voor deze onderzoeksmethode is gekozen.

6.24.

Het hof passeert de stelling van [appellant] dat de deskundige door middel van bijlage 3 ten onrechte voorbij is gegaan aan de opmerkingen en bezwaren van [appellant] met betrekking tot de berekening van [engineering] en de daarin gehanteerde uitgangspunten.

Nu de uitkomst van de berekeningen in bijlage 3 de eerdere, op de aangepaste (tweede) berekening van [engineering] gebaseerde, conclusies van de deskundige bevestigt, was er naar het oordeel van het hof geen aanleiding meer om in te gaan op de opmerkingen en bezwaren van [appellant] ter zake.

6.25.

Ten slotte volgt het hof [appellant] niet in zijn stelling dat de deskundige de door de rechtbank gestelde, nader door hem te beantwoorden vragen, genoemd in rechtsoverweging 2.9 van het vonnis van 12 april 2017, bij aanvullend deskundigenrapport van 5 maart 2018 onbeantwoord heeft gelaten (memorie van grieven, randnrs. 30 en 50). De beantwoording van deze vragen is te vinden in paragraaf 3.2. van het aanvullende deskundigenrapport.

6.26.

Het hof verwerpt dan ook het bezwaar van [appellant] ten aanzien van de benaderingswijze van de deskundige.

Bijlage 3 niet in concept aan partijen voorgelegd

6.27.

[appellant] maakt verder bezwaar tegen het feit dat de deskundige bijlage 3 bij het aanvullende deskundigenrapport van 5 maart 2018 (‘aanvullende onderbouwing en berekening [ingenieursbureau] ’) en de daarbij gevoegde berekeningen, niet in concept aan partijen heeft voorgelegd. [appellant] stelt dat dit handelen van de deskundige in strijd is met het bepaalde in de Leidraad deskundigen in civiele zaken en met het beginsel van hoor en wederhoor. Verder stelt [appellant] dat de berekeningen in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018 voor hem (als leek) zonder nadere toelichting niet tot nauwelijks zijn te lezen, te begrijpen en te verifiëren (zie voor e.e.a. memorie van grieven, randnrs. 34-36).

6.28.

Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat de deskundige het beginsel van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv) heeft geschonden, overweegt het hof dat de verplichting tot naleving van de eisen van artikel 6 lid 1 EVRM niet op de deskundige rust (zie o.m. EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, Mantovanelli/Frankrijk). Het is de rechter die er op moet toezien dat mede aan artikel 6 lid 1 EVRM ontleende fundamentele beginselen van Nederlands procesrecht, zoals het beginsel van hoor en wederhoor in acht worden genomen, onder andere door te waarborgen dat partijen effectief commentaar kunnen leveren op een deskundigenadvies. In dit geval hebben beide partijen in ruime mate gelegenheid gekregen om zich uit te laten over de inhoud van het door de deskundigen opgemaakte (aanvullende) rapport en de bijlagen daarbij. Partijen hebben daarvan ook uitvoerig gebruik gemaakt.

6.29.

Voor zover [appellant] stelt dat de deskundige in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de Leidraad deskundigen in civiele zaken, overweegt het hof als volgt.

In de leeswijzer in bijlage 3 ten behoeve van de daarbij gevoegde berekeningen, staat dat de deskundige bijlage 3 aan het definitieve (aanvullende) rapport van 5 maart 2018 heeft toegevoegd naar aanleiding van de reactie van met name [appellant] op het concept van de aanvullende deskundigenrapportage van 29 november 2017 (zie ook rechtsoverweging 6.22. van dit arrest). Bijlage 3 maakte dus geen deel uit van het (aanvullende) conceptrapport. Dat verklaart waarom de deskundige bijlage 3 niet in concept aan partijen heeft voorgelegd. In de Leidraad deskundigen in civiele zaken, die de deskundige volgens [appellant] niet zou hebben nageleefd, staat dat de deskundige zijn conceptrapport aan partijen zendt. Daaraan heeft de deskundige voldaan. Het definitieve rapport (met bijlagen) stuurt de deskundige naar het gerecht (paragraaf 5.3.2., nummer 25. van de Leidraad). De rechtbank had de deskundige zo nodig kunnen opdragen partijen alsnog gelegenheid te geven tot het maken van opmerkingen ten aanzien van bijlage 3 en om naar aanleiding daarvan aanvullend te rapporteren, maar kennelijk heeft de rechtbank daarvoor geen aanleiding gezien. Bijlage 3 bevat bovendien geen nieuwe informatie maar bevestigt de conclusies die de deskundige in het rapport van 7 juni 2016 heeft getrokken.

6.30.

[appellant] stelt verder tevergeefs dat de berekeningen in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018 voor hem (als leek) zonder nadere toelichting niet tot nauwelijks zijn te lezen, te begrijpen en te verifiëren. De berekeningen in bijlage 3 zijn op pagina 1 van bijlage 3 voorzien van een leeswijzer. Op dezelfde pagina zijn ook de uitgangspunten voor de berekeningen beschreven. Waarom dit niet toereikend zou zijn, heeft [appellant] verder niet toegelicht. Blijkens zijn conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht van 9 mei 2018 is [appellant] ook in staat geweest te reageren op de berekeningen in bijlage 3, hetgeen impliceert dat deze berekeningen voor hem te begrijpen zijn.

6.31.

Het hof verwerpt dan ook de (formele) bezwaren van [appellant] ten aanzien van bijlage 3 bij het aanvullende deskundigenrapport.

De inhoud van het (aanvullende) deskundigenrapport

6.32.

De rechtbank heeft zich door de deskundige laten voorlichten over (de oorzaak van) de schade aan de naast de erfdienstbaarheid gelegen eigendommen van [geïntimeerde] .

De deskundige heeft in zijn op 7 juni 2016 uitgebrachte rapport - kort gezegd - de schade aan de linker zijgevel van de woning van [geïntimeerde] , de schade aan de bestrating van de weg langs de linker zijgevel van de woning, de schade aan het achterterrein van [geïntimeerde] en de schade aan de in het verlengde van de linker zijgevel van de woning gelegen keermuur beschreven. Verder heeft de deskundige de maximale belasting van zijgevel, bestrating en keermuur berekend. De deskundige heeft geconcludeerd dat de meest plausibele oorzaak van de schade belasting door zware voertuigen is althans dat de schade daardoor wordt versterkt. De maximale toelaatbare aslast of totaalgewicht van het voertuig over de bestrating van de weg aan de linker zijgevel van de woning wordt volgens de deskundige bepaald door de maximale horizontale belasting op de kelderwand van de linker zijgevel van de woning. De deskundige oordeelt dat maximaal toelaatbaar is een aslast van 2500 kg (2,5 ton) of een maximaal totaalgewicht van 7500 kg (7,5 ton), waarvan de aslast maatgevend is voor de kelderwand van de linker zijgevel van de woning. De deskundige baseert zijn berekening op de aangepaste (tweede) berekening die [engineering] Engineering (verder: [engineering] ) in opdracht van [geïntimeerde] heeft uitgevoerd (productie 24 bij conclusie van antwoord in reconventie). De deskundige stelt in zijn rapport dat hij de berekening van [engineering] heeft gecontroleerd en dat deze berekening in de basis goed is.

6.33.

In opdracht van de rechtbank heeft de deskundige aanvullend gerapporteerd.

De deskundige heeft in zijn aanvullende rapport van 5 maart 2018 op basis van zijn onderzoek en na het (laten) uitvoeren van een berekening, opgenomen in bijlage 3 bij het aanvullende rapport (opnieuw) - kortweg - geconcludeerd dat de woning van [geïntimeerde] niet bestand is tegen het gebruik van de erfdienstbaarheid met (zware) voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton. De deskundige rapporteert dat is berekend dat de gemetselde kelderwand minimaal circa 600 mm dik zou moeten zijn om de horizontale belasting ten gevolge van zwaar verkeer op een veilige manier af te dragen. De deskundige constateert dat deze dikte bij lange na niet aanwezig is. Het vergroten van de afstand van de wiellast tot 1 meter uit de gevel biedt volgens (berekening van) de deskundige geen soelaas.

6.34.

De rechtbank heeft de bevindingen van de deskundige overgenomen en de daartegen door [appellant] aangevoerde bezwaren verworpen. Bij de beoordeling van deze bezwaren dient het volgende te worden vooropgesteld. Bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, moet de rechter alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen en moet hij op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang toetsen of er aanleiding is van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5172). Zie ook: Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478).

De uitgangspunten voor de tweede (aangepaste) berekening van [engineering]

6.35.

[appellant] stelt (memorie van grieven, randnrs. 40-49) dat de tweede (aangepaste) berekening in het rapport van [engineering] van 6 maart 2014, die de deskundige heeft overgenomen en waarop hij zijn conclusies baseert, onjuist is, omdat daarin onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd.

6.36.

Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van dat de deskundige de uitgangspunten die aan de tweede (aangepaste) berekening van [engineering] ten grondslag liggen, zonder nader onderzoek heeft overgenomen, zoals door [appellant] is gesteld. De deskundige rapporteert dat hij de tweede (aangepaste) berekening van [engineering] heeft gecontroleerd (waaronder naar het oordeel van het hof mag worden begrepen: de daarin gehanteerde uitgangspunten) en dat de berekening van [engineering] (de daarin gehanteerde uitgangspunten) in de basis goed is. De stelling van [appellant] dat de desbetreffende uitgangspunten onjuist zijn, althans dat de deskundige de juistheid daarvan niet heeft aangetoond en onderbouwd, mist relevantie, gelet op de stelling van [appellant] dat de deskundige de [engineering] -berekeningsmethode met de daarbij behorende uitgangspunten in het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018 heeft verlaten (memorie van grieven, randnr. 31.).

6.37.

Voor zover [appellant] stelt dat de deskundige geen onderzoek heeft gedaan naar de dikte en opbouw van de kelderwand (gevelopbouw) die [engineering] in de berekening hanteert en evenmin onderzoek heeft gedaan naar (de invloed van) de vochtwerende folie, noch heeft onderzocht in hoeverre en tot welke hoogte de spouw(muur) is gevuld (met beton), hetgeen volgens [appellant] eveneens van belang is voor de bepaling van de toelaatbare aslast,

overweegt het hof als volgt. Gezien de opdracht van de rechtbank bij vonnis van 12 april 2017, kon de deskundige zich in het nadere onderzoek en rapport beperken tot de opmerkingen van [appellant] en de door hem ingeschakelde deskundigen over (onder meer) de dikte en de opbouw van de kelderwand, de spouwvulling en de vraag naar de eventuele aanwezigheid van vochtwerende folie. De omstandigheid dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.8. van het vonnis van 12 april 2017 opmerkt dat de opdracht aan de deskundige in beginsel geen destructief onderzoek uitsluit, betekent niet dat de deskundige gehouden was (destructief) onderzoek (naar (onder meer) de dikte en de opbouw van de kelderwand, de spouwvulling en de eventuele aanwezigheid van vochtwerende folie) te verrichten. Of dat in de rede ligt, is aan zijn deskundigheid voorbehouden.

6.38.

Het hof verwerpt dan ook de stelling van [appellant] dat het oordeel van de deskundige niet kan worden gevolgd omdat dat oordeel is gebaseerd op een onjuiste berekening van [engineering] .

De berekeningen van de deskundige in bijlage 3 bij het aanvullende deskundigenrapport

6.39.

[appellant] stelt (memorie van grieven, randnrs. 50-62) dat de uitgangspunten in de berekeningen van de deskundige in bijlage 3 bij het aanvullende deskundigenrapport van 5 maart 2018 onjuist zijn en dat de berekeningsmethode die de deskundige in bijlage 3 hanteert (de zogenaamde strokenmethode), niet realistisch en daarmee zonder aanpassingen niet toepasbaar is. Nu de berekeningen niet juist zijn, kunnen ook de daarop gebaseerde conclusies van de deskundige en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank geen stand houden, zo stelt [appellant]

De berekeningsmethode van de deskundige

6.40.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] , evenals in eerste aanleg, in hoger beroep, in de memorie van grieven (randnr. 53, laatste aandachtstreepje) en door middel van het rapport van [deskundige 2] van 16 augustus 2019 (zie hierna), onvoldoende gemotiveerd en toegelicht dat en waarom de berekeningsmethode van de deskundige in dit geval naar zijn mening niet toepasbaar is.

De uitgangspunten voor de berekeningen van de deskundige

6.41.

In de memorie van grieven (randnr. 53.) heeft [appellant] een achttal bezwaren aangevoerd tegen de uitgangspunten in de berekeningen van de deskundige in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018. De aangevoerde bezwaren heeft [appellant] ook reeds naar voren gebracht bij conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht van 9 mei 2018 (randnrs. 16. tot en met 19.). Bij eindvonnis van 18 juli 2018 heeft de rechtbank geoordeeld (rechtsoverweging 2.14.), dat uit het betoog van [appellant] niet kan worden afgeleid dat de voorgestelde wijzigingen en aanpassingen in de berekening van de deskundige leiden tot een zodanige wijziging van de uitkomsten dat de bevindingen en de conclusies van de deskundige op grond daarvan niet meer houdbaar zouden zijn.

6.42.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] een rapport van [deskundige 2] van 16 augustus 2019 overgelegd (productie 1). Daarin geeft [deskundige 2] gemotiveerd aan (kort gezegd) dat en waarom (de uitgangspunten in) de berekeningen van de deskundige in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenrapport van 5 maart 2018 niet juist (kunnen) zijn.

In bijlage 2 bij het rapport van 16 augustus 2019 berekent [deskundige 2] aan de hand van de berekeningsmethode van [engineering] (rapporten van 26 juni 2013 en 6 maart 2014 van [engineering] ) en aan de hand van de volgens [appellant] juiste uitgangspunten (opgesomd in bijlage 1 bij het rapport van [deskundige 2] van 16 augustus 2019), de opneembare (toelaatbare) aslast naast de kelderwand van de woning van [geïntimeerde] . De uitkomst van de berekening van [deskundige 2] is dat de opneembare (toelaatbare) aslast naast de kelderwand van de woning van [geïntimeerde] (minimaal) 9,9 ton bedraagt bij een afstand van de wiellast tot de gevel van 0,5 meter.

6.43.

Weliswaar heeft de door de rechtbank benoemde deskundige gerapporteerd dat is berekend (door middel van terugrekening) dat de gemetselde kelderwand circa 600 mm dik zou moeten zijn om de horizontale belasting ten gevolge van zwaar verkeer op een veilige manier af te dragen, terwijl de dikte van de kelderwand volgens het rapport van [deskundige 2] van 16 augustus 2019 (slechts) tussen 270 mm en 330 mm zou bedragen. Echter, indien er met [appellant] van zou moeten worden uitgegaan dat de deskundige bij zijn berekeningen niet van de juiste uitgangspunten is uitgegaan, is de conclusie van de deskundige ten aanzien van de dikte van de kelderwand (eveneens) niet langer houdbaar.

6.44.

Gezien de berekeningen in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenbericht, de kritiek daarop van [appellant] en het rapport van [deskundige 2] van 16 augustus 2019 ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 194 lid 1 Rv een verhoor te bevelen van:

- de door de rechtbank benoemde deskundige, de heer [deskundige 3] ;

- de heer [deskundige 4] , die het deskundigenbericht van 7 juni 2016 en het aanvullende deskundigenbericht van 5 maart 2018 heeft opgesteld en die ingevolge het rapport van 7 juni 2016 bij de locatie opname op 22 juli 2015 aanwezig is geweest;

- de heer [deskundige 5] , die ingevolge het aanvullende deskundigenbericht van

5 maart 2018 als contactpersoon optreedt vanaf 1 februari 2018,

allen (destijds) verbonden aan [ingenieursbureau] te [vestigingsplaats] ,

teneinde hen in de gelegenheid te stellen in te gaan op de hiervoor genoemde uitkomst van

de berekening van [deskundige 2] die niet strookt met de berekening van de deskundige.

6.45.

Bij dit alles dient voorop te worden gesteld dat gelet op artikel 5:74 BW de uitoefening van de erfdienstbaarheid moet geschieden op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze, dat wil zeggen dat de eigenaar van het heersende erf die van het dienende erf niet meer overlast mag aandoen dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid noodzakelijk kan worden geacht (HR 22 februari 1952, NJ 1952, 151). In die context is de kernvraag in dit geschil of het voor een behoorlijke met het uitgangspunt van artikel 5:74 BW strokende uitoefening door [appellant] van de erfdienstbaarheid - te weten de in het achterliggende weiland door [appellant] uit te voeren werkzaamheden - in overeenstemming is te achten dat gebruik gemaakt wordt van voertuigen met een aslast van 9,9 ton, of dat dit redelijkerwijs ook op afdoende wijze zou kunnen met minder zware voertuigen met een aslast van maximaal 2,5 ton. In dat verband zal het hof de deskundige bovendien hierover vragen willen stellen, alsmede over de risico’s op (verdere) beschadiging van de constructie en stabiliteit van (de linkerzijgevel van) de woning van [geïntimeerde] als er in de huidige situatie met voertuigen (de (volle) mesttankwagen, de zodenbemester en de tractor met hooipers) met een aslast van 9,9 ton over de weg langs en het achterterrein van de woning van [geïntimeerde] wordt gereden en, als deze risico’s zich zouden verwezenlijken, tot welke gevolgen dit zou (kunnen) leiden. Vanzelfsprekend zullen vervolgens eventuele (verdere) vragen van het hof en van partijen ter tafel kunnen komen.

6.46.

Het hof zal met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige bepalen dat de deskundige een begroting van de kosten dient op te geven aan de griffie van het hof. De door de deskundige te maken kosten zullen vooralsnog ten laste van [geïntimeerde] , de eisende partij, worden gebracht. Nu [geïntimeerde] op basis van een toevoeging procedeert, zal het hof bepalen dat de kosten van het deskundigenverhoor voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zullen komen. Hangende het geding wordt het ten laste van ’s Rijks kas betaalde bedrag voorlopig in debet gesteld.

6.47.

Het hof houdt in afwachting van het deskundigenverhoor iedere verdere beslissing aan. Partijen wordt in overweging gegeven om ter vermijding van tijd en kosten die met het deskundigenverhoor gemoeid zijn (opnieuw) een poging te doen tot een minnelijke regeling te komen.

7 De uitspraak

Het hof:

gelast een deskundigenverhoor van de benoemde deskundige de heer [deskundige 3] , alsmede van de heer [deskundige 4] en de heer [deskundige 5] , allen

(destijds) verbonden aan [ingenieursbureau] te [vestigingsplaats] , met betrekking tot het (aanvullende) deskundigenbericht van 5 maart 2018, zulks voor mr. R.A. van der Pol als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch, met de hiervoor onder rechtsoverwegingen 6.44. en 6.45. vermelde doeleinden;

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van dit arrest een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van het hof, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten;

- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen;

- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij het hof bezwaar maken tegen de begroting;

- indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag;

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

verwijst de zaak naar de rol van 12 januari 2021 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de deskundige over de maanden februari tot en met juni 2021;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van het deskundigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden kopieën van de overige gedingstukken in hoger beroep aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

bepaalt dat de deskundige na afloop van de zitting zijn declaratie ter griffie zal kunnen indienen onder vermelding van zaaknummer 200.254.755/01 en dat deze declaratie alsdan, nu aan [geïntimeerde] een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zal worden gebracht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 december 2020.

griffier rolraadsheer