Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3732

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/00353 en 19/00354
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:3755, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de ontkenning door belanghebbende van de ontvangst van de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen tot het doen van aangifte evident ongeloofwaardig. Daarom moet ook zonder verzendbewijs van de inspecteur worden uitgegaan van aannemelijkheid van ontvangst van bedoelde stukken. Omkering bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. De schatting van de inspecteur van het inkomen waarmee de (ver)bouw van de woonwagen is betaald, is niet redelijk. Het hof bepaalt het inkomen in goede justitie. Boetes terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-12-2020
V-N Vandaag 2020/3062
FutD 2020-3702
NTFR 2020/3768
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00353 en 19/00354

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 juni 2019, nummers BRE 16/4171 en 16/4173, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2011 opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1. en 1.2. genoemde navorderingsaanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt.

1.4.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor zover het zich richt tegen de boetes gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Het woonadres van belanghebbende was, volgens een tot de stukken van het geding behorende uitdraai uit het systeem Beheer van Relaties van de Belastingdienst (BVR), van 13 februari 2009 tot en met 2 september 2014 het adres [adres 1] in [woonplaats] . Vanaf 2 september 2014 staat belanghebbende ingeschreven op het adres [adres 2] in [woonplaats] .

2.2.

Tot de stukken van het geding behoren uitdraaien uit het systeem ABS van de Belastingdienst, waarin is vermeld dat belanghebbende op 31 januari 2013 is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV 2011, op 22 april 2013 daartoe is herinnerd en op 10 juni 2013 is aangemaand om uiterlijk 24 juni 2013 aangifte te doen.

Ten aanzien van het jaar 2012 is vermeld in uitdraaien uit het systeem ABS van de Belastingdienst dat belanghebbende op 29 februari 2013 is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV 2012, op 30 mei 2013 daartoe is herinnerd en op 9 juli 2013 is aangemaand om uiterlijk 23 juli 2013 aangifte te doen.

2.3.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2011 en 2012 geen aangiften IB/PVV gedaan.

2.4.

De Nationale Recherche heeft een strafrechtelijk onderzoek gehouden naar belanghebbende voor het deelnemen aan een criminele organisatie en het telen van en de handel in hennep. De strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende op 21 november 2014 daarvan vrijgesproken.

2.5.

De inspecteur heeft op 3 december 2014 voor het jaar 2011 ambtshalve de aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 201.911 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27. Voor het jaar 2012 is aan belanghebbende op 15 april 2015 ambtshalve de aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 230.000. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning voor beide jaren gebaseerd op de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek van de Nationale Recherche.

2.6.

De inspecteur heeft op 15 april 2015 de beschikking gekregen over luchtfoto’s van het woonwagenkamp aan de [adres] te [woonplaats] , genomen in de periode 2012 tot en met 2014. Op basis van deze foto’s is bij de inspecteur de indruk ontstaan dat in 2012 of 2013 een nieuwe woonwagen aan de [adres 1] is geplaatst. De inspecteur heeft vervolgens daarnaar een onderzoek gestart.

2.7.

Toen de inspecteur bekend werd met het onder 2.4. genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, heeft hij op 2 mei 2015 de aanslag IB/PVV 2011 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27. Op 8 juli 2015 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000.

2.8.

De inspecteur heeft in een brief van 2 december 2015 zijn bevindingen van het onderzoek naar de woonwagen aan belanghebbende kenbaar gemaakt. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Met betrekking tot de woonwagen [adres 1] heeft de Belastingdienst het vermoeden dat deze uw eigendom is. Dit vermoeden is gebaseerd op de volgende signalen:

- Op 12 februari 2015 wordt bij de gemeente [woonplaats] het aanvraagformulier ontvangen met betrekking tot de legalisatie van een nieuwe woonwagen op het adres [adres 1] te [woonplaats] . Dit aanvraagformulier is door u ondertekend de dato 15 oktober 2014

(…)

Aan de hand van luchtfoto's is vastgesteld dat ergens in de jaren 2012 of 2013 de woonwagen [adres 1] is vervangen. Omdat bij de Belastingdienst het vermoeden ontstond dat uw, bij ons aangegeven en bekende, inkomsten niet toereikend zijn voor de aankoop van deze woonwagen is door de Belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de aanschafwaarde van deze woonwagen. Het onderzoek heeft geresulteerd in de volgende informatie:

- Aan de hand van de bouwtekening welke bij het aanvraagformulier is bijgevoegd, hebben we bij diverse woonwagenbouwers navraag gedaan naar de aankoopwaarde van de ruwbouw alsmede naar de totale aankoopwaarde van de woonwagen. Inschatting van deze woonwagenbouwers is dat de kostprijs ruwbouw ca € 190.000 bedraagt en de kostprijs geheel klaar ca € 350.000;

- De Belastingdienst heeft de feitelijke bouwer/leverancier van de woonwagen kunnen achterhalen. Dit betreft [A BV] , [adres 3] , [postcode] ' [plaats 1] . Bij dit bedrijf is door de Belastingdienst derde onderzoek ingesteld. Hierbij is vastgesteld dat u de opdrachtgever bent van de afgenomen woonwagen. De woonwagen is contant door u voldaan. De woonwagenbouwer heeft de Belastingdienst de volgende bedragen doorgegeven welke door u zijn voldaan:

07-12-2011 € 25.000

23-01-2012 € 30.000

06-03-2012 € 12.000

08-03-2012 € 12.000

22-03-2012 € 13.000

11-04-2012 € 10.000

30-04-2012 € 12.000

Totaal voldaan € 114.000

[A BV] heeft verklaard dat u alle vastleggingen (opdrachtovereenkomst, facturen, etc.) na voldoening van de laatste termijn hebt meegenomen. Naast de voldoening van genoemde € 114.000 is door u op 08-05-2012 een bedrag van € 10.000 voldaan voor de renovatie van een woonwagen. Dit betreft waarschijnlijk de renovatie van de woonwagen van uw vader. De € 10.000 betreft het restantbedrag van de renovatie na vermindering van het door uw vader aanbetaalde bedrag van € 18.000 voor de aanschaf van een woonwagen welke door omstandigheden (overlijden) niet is afgenomen. Het aanbetaalde bedrag zou door [A BV] , nu de aankoop van een nieuwe woonwagen door uw vader niet is doorgegaan, aangewend zijn voor de renovatie. Door u is derhalve totaal € 124.000 voldaan aan [A BV] (€ 25.000 in het jaar 2011 en € 99.000 in het jaar 2012);

- Tevens is de transporteur van de woonwagen achterhaald. Dit betreft [B] , (…). De woonwagen is op 12 mei 2012 getransporteerd van ' [plaats 1] naar [woonplaats] waarna de benedenverdieping door [B] geplaatst is op de [adres] . De bovenverdieping is ter plaatse op het kamp opgebouwd. Deze werkzaamheden zijn volgens de transporteur niet door [B] uitgevoerd. De transportkosten bedragen € 2.000 en zijn op deze datum bij aflevering contant voldaan bij de chauffeur;

- Ook de leverancier van de keuken heeft de Belastingdienst weten te achterhalen. Dit betreft [C] . De keuken is aangekocht via het filiaal te [plaats 2] en de betalingen zijn gedaan via het filiaal te [woonplaats] . De koopovereenkomst is opgemaakt op 15 maart 2012 en staat op naam van [naam] , [adres 1] (…). Het totale bedrag van de koopovereenkomst bedraagt € 33.042. Het oplever-rapport dateert van 19 juni 2012. Dit rapport is voorzien van uw handtekening De montagekosten bedragen € 1.990,94 en de aansluitkosten € 110,20 totaal derhalve € 2.101,14. Op 20 juni 2012 is een bedrag van € 1.600 contant voldaan aan de monteurs, het restant zou later voldaan worden als alle puntjes zouden zijn afgewerkt. Volgens derde onderzoek bij [C] volgende contante betalingen plaats gevonden:

23-03-2012 € 8.500

13-06-2012 € 24 542

20-06-2012 € 1.600

02-07-2012 € 500

Totaal € 35.142

Gekeken naar het uiterlijk van de woonwagen en de inrichting van de keuken kan gesteld worden dat er sprake is van een luxe uitvoering/afwerking. Naast een keuken heeft u ook een badkamer, verwarming, airco, stucwerk, vloerbedekking etc. moeten realiseren alsmede de opbouwkosten van de verdiepingen. De Belastingdienst stelt zich dan ook op het standpunt dat een aankoopprijs voor de compleet afgewerkte woonwagen, zoals geschat door de diverse bouwers van dergelijke woonwagen, ad € 350.000 in deze reëel te noemen. De Belastingdienst zal voor het bepalen van het inkomen dan ook uitgaan van dit bedrag.

(…)

Wij hebben het vermoeden dat u inkomen moet hebben genoten om de aanschafkosten van deze woonwagen te kunnen betalen.

(…)

De Belastingdienst neemt het standpunt in dat deze inkomsten genoten zijn in de jaren 2011 (€ 175.000) en 2012 (€ 175.000).

(…)”

In deze brief is eveneens vermeld dat voor de jaren 2011 en 2012 navorderingsaanslagen met een vergrijpboete zullen worden opgelegd.

2.9.

Tot de stukken van het geding behoren de volgende in de brief van 2 december 2015 genoemde verklaringen en stukken:

- een aanvraagformulier met betrekking tot de legalisatie van een nieuwe woonwagen op het adres [adres 1] met daarbij als bijlage een bouwtekening van de woonwagen (hierna: de bouwtekening);

- luchtfoto’s van de woonwagen in de periode 2012 tot en met 2014;

- drie verklaringen van deskundigen op het gebied van woonwagenbouw, die verklaren dat de ruwbouwkosten van de woonwagen zoals afgebeeld op de bouwtekening geschat kan worden op respectievelijk € 170.000, € 180.000 exclusief btw en € 185.000;

- een verslag van de Belastingdienst van het derdenonderzoek bij [A BV] (hierna: Caravanbouw ) op 20 mei 2015;

- een verklaring van Caravanbouw met een overzicht van de van belanghebbende ontvangen betalingen in de periode 7 december 2011 tot en met 8 mei 2012, de verklaring dat de wagen is besteld op 7 december 2011, bij levering het geheel is betaald en de wagen casco wordt geleverd, dus zonder keuken, badkamer, stucwerk, verlichting e.d.;

- een brief van Caravanbouw aan belanghebbende van 8 mei 2012 met een restantfactuur ten behoeve van de renovatie van de woonwagen van € 10.000 en de mededeling dat het door zijn vader aanbetaalde bedrag van € 18.000 ook is aangewend voor de renovatie;

- een kopie van het kasboek van [B] , waarop is vermeld dat op 12 mei 2012 een bedrag van € 2.000 is betaald voor transport;

- een koopovereenkomst gesloten tussen [C] en belanghebbende ten aanzien van de koop van een keuken met een totaal te betalen bedrag van € 33.042 exclusief montage;

- een opleverrapport van [C] op naam van en getekend door belanghebbende;

- een handgeschreven verklaring dat een aanbetaling van € 8.500 is voldaan op 15 maart 2012;

- drie verkoopfacturen tot bedragen van € 24.542, € 8.500 en € 1.990,94 met factuurnummers [nummer 1] , [nummer 2] respectievelijk [nummer 3] ;

- bankafschriften van [C BV] met daarop kasstortingen van € 11.080, € 1.600 en € 500 en een overboeking van [D] van € 24.542 onder vermelding van restbetaling order 265014, factuur [nummer 1] , [naam] ; en

- een verklaring van [D] van [C] [plaats 3] dat een man een restant betaling voor een keuken contant heeft voldaan, hij het geld in ontvangst heeft genomen, na zijn werk naar de dichtstbijzijnde [bank] is gereden om van het geld af te zijn, hij niet rechtstreeks op de [C] rekening kon / mocht storten, maar wel op zijn eigen rekening bij [bank] , hij het bedrag diezelfde dag of de dag erop heeft overgeboekt naar [C] onder vermelding van ordernummer en factuurnummer.

2.10.

De inspecteur heeft overeenkomstig het voornemen vermeld in de brief van 2 december 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 aan belanghebbende opgelegd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2011 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27. Tevens is bij beschikking € 10.365 heffingsrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete van € 40.134 opgelegd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.000. Tevens is bij beschikking € 6.947 belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete van € 37.462 opgelegd.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd. De boetebeschikkingen zijn verminderd tot € 23.879 voor 2011 en tot € 22.289 voor 2012.

2.11.

Belanghebbende heeft een brief van Caravanbouw van 22 maart 2016 aan hem overgelegd. Daarin heeft Caravanbouw onder verwijzing naar hun brief van 8 mei 2012 en de daarbij gevoegde factuur bevestigd dat belanghebbende voor het renoveren van zijn woonwagen € 28.000 aan Caravanbouw heeft betaald.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is er een grond voor navordering?

II. Moet de bewijslast worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangifte?

III. Zijn de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?

IV. Zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep de ontvangst van de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen voor het doen van de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 betwist. Aangezien deze stelling relevantie heeft voor meerdere geschilpunten, zal het hof die stelling als eerste behandelen.

4.2.

Belanghebbende heeft voor het eerst op de zitting bij de rechtbank het volgende gesteld:

“Wat betreft te kwader trouw aan de zijde van belanghebbende; belanghebbende heeft in het verleden nooit aangifte inkomstenbelasting gedaan, omdat hij alleen een uitkering genoot. Hij heeft nooit aangifte gedaan omdat de inkomsten zo gering waren.

In de periode dat belanghebbende wel aangifte had moeten doen, verbleef belanghebbende niet thuis. Op 24 januari 2013 werd belanghebbende aangehouden en in verzekering gesteld. Deze detentie duurde tot 28 maart 2013. Hij heeft toen geen aangifte kunnen doen, omdat hij in voorarrest heeft gezeten. Derhalve is sprake van een situatie van overmacht.

Wat betreft de omkering van de bewijslast: belanghebbende heeft de aanmaning niet ontvangen omdat hij niet aan de [adres 1] verbleef. De fiscus had moeten weten dat belanghebbende niet thuis verbleef.”

4.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat zij aan dit standpunt van belanghebbende voorbij gaat, omdat de aanmaningsbrieven ná 28 maart 2013 naar de [adres 1] in [woonplaats] zijn verzonden.

4.4.

In het hoger beroepschrift heeft belanghebbende het volgende gesteld:

“Dat appellant over de jaren 2011 en 2012 geen belastingaangiftes heeft gedaan omdat hij daartoe niet was uitgenodigd;

Dat appellant ook geen aanmaningen heeft ontvangen om alsnog belastingaangiftes te doen over de jaren 2011 en 2012;

Dat het vorenstaande te wijten is aan het feit dat appellant deels in voorarrest vertoefde en hij geen post heeft bekomen en derhalve ook niet de aanslagen;

Dat indien appellant het verzoek zou hebben gehad om belastingaangiftes te doen, dan zou hij aan deze verzoeken gevolg hebben gegeven;

Dat appellant, indien hij vervolgens verzoeken of sommaties zou hebben ontvangen, dan zou hij daaraan eveneens gevolg hebben gegeven;

Dat appellant echter van geïntimeerde niets ontving noch verzoeken om het doen van belastingaangifte noch verzoeken of sommaties om alsnog aangifte te doen;”

4.5.

Op de zitting hebben de gemachtigde en belanghebbende daarover het volgende verklaard:

“Gemachtigde:

Belanghebbende heeft geen bericht gehad dat hij aangiften moest indienen. Ik heb eerder erop gewezen dat hij een bepaalde periode in voorarrest zat. Ook gaat het op het woonwagencentrum vaak fout met de post.

Belanghebbende:

De post komt op één centraal punt binnen. De post wordt daarna onder de bewoners verdeeld. Nu is het goed geregeld. Nu hebben we allemaal een eigen postbus.

Gemachtigde:

Belanghebbende is ook verhuisd in 2014.

Hof:

De verhuizing was na verzending van de brieven.

Belanghebbende:

Het zou kunnen dat het is misgegaan bij de verdeling van de post. Normaal komen andere bewoners van het woonwagencentrum de post brengen als het verkeerd is bezorgd, maar ik heb niets gehad.

Hof:

Belanghebbende heeft ook de aanslagen niet ontvangen?

Gemachtigde:

Dat klopt, de aanslagen zijn ook niet ontvangen.

Hof:

Er is wel tijdig bezwaar gemaakt. Hoe kan dat dan?

Gemachtigde:

Ik trek dat punt in.”

4.6.

In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen op het adres van belanghebbende zijn ontvangen, dan wel dat deze belanghebbende op andere wijze hebben bereikt. Indien echter evident sprake is van een ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van een besluit, wordt de ontvangst daarvan genoegzaam aannemelijk geacht zonder bewijs van de verzending van dat besluit.1

4.7.

Het hof acht de ontkenning door belanghebbende van de ontvangst van de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen evident ongeloofwaardig. Belanghebbende heeft pas voor het eerst op de zitting bij de rechtbank de ontvangst van de aanmaningen betwist. Op dat moment werd als verklaring daarvoor enkel gewezen op de periode dat belanghebbende in detentie zat. Pas nadat de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen dat diverse brieven buiten dit tijdsbestek zijn verzonden, heeft belanghebbende zijn stellingname in hoger beroep gewijzigd en gesteld dat hij geen uitnodigingen, herinneringen, aanmaningen en belastingaanslagen heeft ontvangen. De belastingaanslagen zijn echter evident wel door belanghebbende ontvangen, zoals ook ter zitting is erkend. Geconfronteerd met de omstandigheid dat de (beperkte) duur van belanghebbendes detentie begin 2013 geen verklaring kan vormen voor de niet-ontvangst van alle uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, heeft belanghebbende – voor het eerst ter zitting van het hof – gesteld dat de niet-ontvangst van die stukken het gevolg zou zijn van de wijze waarop post wordt bezorgd en verdeeld op het woonwagencentrum. Het hof acht belanghebbendes steeds wisselende stellingen omtrent de niet-ontvangst van de bedoelde stukken geheel ongeloofwaardig. Daarom moet, ook zonder verzendbewijs van de inspecteur, worden uitgegaan van de aannemelijkheid van de ontvangst van de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen door belanghebbende.

4.8.

In verband met belanghebbendes verwijten aan de inspecteur inzake de beweerdelijk onjuiste adressering van stukken overweegt het hof ten overvloede als volgt. De inspecteur hoefde de brieven niet naar het adres van de PI te verzenden; de inspecteur mocht op het moment van verzending uitgaan van de adresgegevens in BVR. Niet is gebleken dat belanghebbende op dat moment als toezendadres een ander adres dan zijn woonadres had opgegeven en dat sprake zou zijn van een aan de Belastingdienst te wijten onjuiste adressering. Daarnaast ligt het ontbreken van een eigen postbus en de verdeling van de post binnen het woonwagencentrum in de risicosfeer van belanghebbende. Deze omstandigheden doen daarom niet af aan de rechtsgeldige verzending van stukken door de inspecteur.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof aannemelijk dat belanghebbende rechtsgeldig is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangiften IB/PVV 2011 en 2012 te doen.

Vraag I

4.10.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.2

4.11.

De inspecteur stelt allereerst dat sprake is van een nieuw feit. Op 15 april 2015 heeft de inspecteur de beschikking gekregen over de luchtfoto’s, welke de aanleiding vormden voor nader onderzoek en uiteindelijk het opleggen van de navorderingsaanslagen. De aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 waren daarvoor al vastgesteld of in elk geval administratief verwerkt. Bij het opleggen van de aanslagen was hij dus niet op de hoogte van de bevindingen ten aanzien van de luchtfoto’s en het daaropvolgende onderzoek. Subsidiair stelt de inspecteur dat sprake is van kwade trouw, in welk geval navordering ook zonder nieuw feit mogelijk is. Een belastingplichtige is te kwader trouw, indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.3

4.12.

De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:

“4.1.5. De rechtbank zal eerst het subsidiaire standpunt van de inspecteur behandelen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen aangifte IB/PVV te hebben gedaan vanwege het lage inkomen dat hij genoot. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende opzettelijk zijn inkomsten heeft verzwegen en daarmee te kwader trouw is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat aan Caravanbouw de opdracht is gegeven tot het verbouwen van de woonwagen van belanghebbende en dat voor het realiseren daarvan de woonwagen is weggehaald en naar ‘ [plaats 1] is vervoerd. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij € 10.000 in contanten aan Caravanbouw heeft betaald. Deze verklaringen passen bij de verklaringen van Caravanbouw . De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat wat Caravanbouw tegenover de inspecteur heeft verklaard over de contante betalingen door belanghebbende met betrekking tot het (ver)bouwen van de woonwagen, niet juist is en acht die geloofwaardig. Belanghebbende heeft in de jaren 2011 en 2012 contante uitgaven gedaan uit niet bij de inspecteur bekende inkomsten en dat inkomen niet aangegeven, terwijl dit gezien de hoogte daarvan wel had gemoeten. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthouden. De inspecteur heeft derhalve een navorderingsgrond.”

4.13.

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Het hof ziet evenals de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaringen van Caravanbouw , gegeven tijdens het derdenonderzoek in mei 2015. De brief van Caravanbouw van 22 maart 2016 aan belanghebbende brengt daarin geen verandering. Hetgeen daarin is geschreven is consistent met de overige door Caravanbouw gegeven verklaringen. Het hof acht, mede gelet op de luchtfoto’s van de woonwagen, aannemelijk dat in deze brief niet alle betalingen zijn vermeld en dat belanghebbende ook de overige gestelde contante betalingen aan Caravanbouw heeft gedaan. Ook acht het hof aannemelijk dat belanghebbende degene is die de betalingen heeft gedaan, aangezien in alle stukken de naam van belanghebbende als opdrachtgever wordt genoemd, belanghebbende ook zelf stelt dat hij de woonwagen heeft laten renoveren en hij ook op dat adres stond ingeschreven. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat belanghebbende in 2011 en 2012 aanzienlijke contante uitgaven heeft gedaan uit niet bij de inspecteur bekende inkomsten. Belanghebbende heeft de inkomsten niet aangegeven, terwijl dit gezien de hoogte daarvan wel had gemoeten. Belanghebbende was daartoe ook verplicht, omdat hij was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte te doen. Door desondanks geen aangiften te doen heeft belanghebbende de inspecteur de juiste inlichtingen onthouden.

4.14.

Aannemelijk is dat belanghebbende zich ervan bewust was dat dit aanzienlijke inkomen moest worden aangegeven, aangezien hij zelf op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat hij over jaren vóór 2011 geen aangifte had gedaan vanwege het lage inkomen dat hij destijds genoot. Het hof acht ook aannemelijk dat belanghebbende de inkomsten niet heeft willen aangeven, omdat hij ze buiten het zicht van de Belastingdienst wilde houden. Belanghebbende is daarom te kwader trouw. De inspecteur mocht navorderen. In het midden kan blijven of de inspecteur beschikte over een nieuw feit.

Vraag II

4.15.

De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Vaststaat dat belanghebbende geen aangiften IB/PVV over de jaren 2011 en 2012 heeft ingediend. Hetgeen hiervoor onder 4.7. tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. Gelet hierop is de vereiste aangifte voor de onderhavige jaren niet gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.4

Vraag III

4.16.

Omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt vastgesteld. Indien de door de inspecteur gebruikte gegevens kunnen worden geaccepteerd als basis voor de redelijke schatting, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting van de inspecteur betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.5

4.17.

Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van de belastingaanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is openheid van zaken te geven. Daarvan uitgaande, zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de navorderingsaanslagen niet onredelijk en dus niet willekeurig is.6

4.18.

Het hof acht niet onredelijk dat de inspecteur bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning als uitgangspunt heeft genomen dat belanghebbende in de jaren 2011 en 2012 een zodanig inkomen heeft genoten dat hij de aanschafwaarde van een nieuwe woonwagen kon bekostigen. Uit de luchtfoto’s van de [adres] in de periode 2012 tot en met 2014, de hoogte van de betalingen aan Caravanbouw , de kosten van de keuken die is besteld bij [C] en de verklaring van Caravanbouw dat de woonwagen casco is opgeleverd, mocht de inspecteur afleiden dat de woonwagen is vernieuwd dan wel aanzienlijk is verbouwd. Met hetgeen belanghebbende hiertegenover heeft gesteld, heeft hij niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat slechts sprake was van een veel minder omvangrijke renovatie.

4.19.

Het hof is echter van oordeel dat de inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, de schatting van de aanschafwaarde van de woonwagen van € 350.000 onvoldoende heeft onderbouwd. De door de inspecteur genoemde verklaringen van deskundigen, inhoudende dat de totale kostprijs van de woonwagen, gelet op de bouwtekening, ongeveer € 350.000 bedraagt, behoren niet tot het dossier. Voor zover de schatting daarop is gebaseerd, moet zij bij gebreke van enige onderbouwing als willekeurig worden beschouwd.

Uit de wél tot de gedingstukken behorende verklaringen volgt slechts dat de ruwbouwkosten op maximaal € 185.000 worden geschat. De inspecteur beschikt verder over aanknopingspunten dat belanghebbende € 124.000 heeft betaald aan Caravanbouw , € 35.142 voor een nieuwe keuken en € 2.000 voor het transport van de woonwagen. Verder heeft Caravanbouw verklaard dat de woonwagen casco is opgeleverd. Het ligt daarom in de rede dat belanghebbende kosten heeft moeten maken voor de verdere afwerking van de woonwagen. De inspecteur heeft echter geen inzicht gegeven in de geschatte kosten daarvan. De stellingen van de inspecteur over het luxe karakter van de keuken en het bezit van horloges door belanghebbende kunnen niet als redelijke onderbouwing van de totale inkomenscorrectie van € 350.000 worden beschouwd; in zoverre is de schatting van de inspecteur slechts speculatief van aard. De inspecteur heeft ter zitting, zonder nadere substantiering, gesteld dat belanghebbende ook nog andere kosten, zoals kleding en vervoer, zal hebben gehad, die ook moeten zijn bekostigd uit inkomen. Deze kosten kunnen echter de sprong tussen de kosten waarvoor aanknopingspunten bestaan en de waarde van € 350.000 niet verklaren. Dat betekent dat de schatting van belastbare inkomens uit werk en woning van € 175.000 in 2011 en 2012 als willekeurig moet worden aangemerkt.

4.20.

Omdat de schatting van de inspecteur niet als redelijk kan worden beschouwd, zal het hof op basis van alle feiten en omstandigheden van het geval het belastbare inkomen uit werk en woning in zowel 2011 als 2012 op schattenderwijs vaststellen op € 125.000. Daarbij gaat het hof uit van (ver)bouwkosten van de woonwagen van € 250.000. Het is immers redelijk te veronderstellen dat belanghebbende uit verzwegen inkomsten de aanschaf of ingrijpende renovatie van de woonwagen heeft bekostigd, alsmede de volledige inrichting daarvan.

4.21.

Belanghebbende heeft niet doen blijken dat hiermee het belastbaar inkomen op te hoge bedragen is geschat. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat hij in 2011 en 2012 niet de eigenaar of gebruiker van de woonwagen was. Zoals het hof onder 4.13 heeft overwogen acht het hof aannemelijk dat belanghebbende de betalingen zelf heeft gedaan. Verder zijn de stellingen van belanghebbende dat de woonwagen veel minder waard is, dat hij veel minder heeft betaald aan Caravanbouw en dat hij de overige kosten niet zelf heeft betaald, zonder nadere onderbouwing onvoldoende om overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De waarde die door belanghebbende is ingevuld in het kader van een aanvraag voor legalisatie leidt ook niet tot een ander oordeel.

4.22.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de navorderingsaanslagen worden verminderd, waarbij het belastbare inkomen uit werk en woning voor zowel 2011 als 2012 wordt vastgesteld op € 125.000.

Vraag IV

4.23.

De inspecteur heeft boetes van 50% opgelegd, omdat het aan opzet van belanghebbende zou zijn te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.7 Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van grove schuld van belanghebbende.

4.24.

De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:

“4.9.1. De rechtbank is van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te

weinig belasting is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen in 4.1.5 is overwogen. Daaruit volgt dat belanghebbende in de onderhavige jaren aanzienlijk inkomsten heeft genoten per jaar. Belanghebbende heeft daarvan bewust geen aangifte gedaan. Hij deed immers geen aangifte omdat de inkomsten te laag zouden zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende willens en wetens geen aangifte heeft gedaan met het doel over de genoten inkomsten geen belasting te hoeven betalen. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde boeten passend en geboden zijn.”

4.25.

Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven. Het hof verwijst in dit kader naar overweging 4.1.5. van de rechtbank opgenomen onder 4.12 in deze uitspraak en hetgeen is overwogen onder 4.13 en 4.14. Aangezien belanghebbende overigens in hoger beroep geen nieuwe standpunten heeft ingenomen, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De inspecteur heeft terecht boetes van 50% opgelegd. De grondslag waarover de boetes worden berekend, wijzigt echter wel door de vermindering van de navorderingsaanslagen. Het belastbare inkomen uit werk en woning wordt verminderd met (€ 175.000 -/- € 125.000 =) € 50.000 per jaar. Dit leidt tot een vermindering van de verschuldigde belasting met (€ 50.000 x 52% =) € 26.000 en een vermindering van de boetes met (€ 26.000 x 50% =) € 13.000. De boete voor het jaar 2011 bedraagt dan € 27.134 en voor het jaar 2012 wordt de boete € 24.462.

4.26.

Het hof ziet evenals de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen vanwege de omstandigheid dat de navorderingsaanslagen met toepassing van omkering van de bewijslast zijn vastgesteld.8 Zoals al onder 4.19. en 4.20. is overwogen nemen de gegevens uit de derdenonderzoeken en de verklaringen van deskundigen niet weg dat de schatting van de totale kosten en de toerekening van het inkomen een bepaalde ruwheid in zich heeft en voor een deel in goede justitie plaatsvindt. Hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd over de kosten van levensonderhoud en de kosten van de auto’s die op naam van belanghebbende hebben gestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden maken immers geen onderdeel uit van de feitelijke gedragingen waarop de boetes zijn gebaseerd. Het hof zal wel uitgaan van een matiging met 20%, leidend tot boetes van 40%. De boetes bedragen voor de jaren 2011 en 2012 na matiging respectievelijk € 21.707 en € 19.569. Het hof acht deze boetes passend en geboden.

4.27.

De rechtbank heeft de boetes verder gematigd met 15% in verband met overschrijding van de redelijke termijn met 19 maanden. Het hof zal de rechtbank daarin volgen. Aangezien de redelijke termijn in hoger beroep niet verder is overschreden, dient de boete over 2011 te worden gematigd tot € 18.450 en de boete over 2012 tot € 16.633.

Tussenconclusie

4.28.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten. De navorderingsaanslagen IB/PVV worden verminderd, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning voor zowel 2011 als 2012 wordt vastgesteld op € 125.000. Aangezien geen gronden zijn aangevoerd tegen de in rekening gebrachte rente, dienen de rentebeschikkingen dienovereenkomstig te worden verminderd. De boetes over 2011 en 2012 worden verminderd tot respectievelijk € 18.450 en € 16.633.

Ten aanzien van het griffierecht

4.29.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 128 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.30.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. De inspecteur dient de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener te betalen, omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.9

4.31.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)10 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.050.

4.32.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.000;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente en belastingrente evenredig;

  • -

    vermindert de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 opgelegde boete tot € 18.450;

  • -

    vermindert de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegde boete tot € 16.633;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 128 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.050; en

  • -

    bepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener

De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, J.M. van der Vegt en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 4 december 2020 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. Centrale Raad van Beroep 19 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4548.

2 Artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160.

4 Artikel 27e, lid 1, AWR.

5 Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.

6 Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.

7 Artikel 67e, lid 1, AWR.

8 Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962.

9 Artikel 8:75, lid 2, Awb.

10 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.