Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:370

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
200.256.499_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.256.499/01

zaaknummer rechtbank : C/02/338347 / FA RK 17-6510

beschikking van de meervoudige kamer van 6 februari 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 21 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 18 maart 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 21 december 2018.

2.2.

De man heeft op 30 april 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 11 juni 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 november 2019 met bijlagen, ingekomen op 7 november 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 november 2019 met bijlagen, ingekomen op 11 november 2019;

- een faxbericht van de zijde van de man van 12 november 2019 met bijlagen, ingekomen op 12 november 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 19 november 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6.

Na de mondelinge behandeling is ingekomen een journaalbericht van de zijde van de man van 9 januari 2020 met bijlagen. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, slaat het hof daarop geen acht.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 20 augustus 1993 te [plaats] met elkaar gehuwd.

3.4.

Bij de bestreden beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 21 januari 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is voorts bepaald, voor zover thans van belang, dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (21 januari 2019) aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen van € 163,- bruto per maand. De rechtbank heeft het verzoek van de man om de partneralimentatie na drie jaar op nihil te stellen afgewezen.

4.2.

De vrouw en de man kunnen zich met de beslissing ten aanzien van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) niet verenigen.

4.3.

De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep zien op de draagkracht van de man.

In principaal hoger beroep heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft, te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende, de partneralimentatie alsnog te bepalen op € 2.213,- bruto per maand.

4.4.

De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen.

4.5.1.

De grieven van de man in incidenteel hoger beroep zien op het samenwonen van de vrouw als ware zij gehuwd, de behoeftigheid van de vrouw, de draagkracht van de man, waarbij tevens in hoger beroep sprake is van een wijziging van omstandigheden, en op de nihilstelling van de partneralimentatie.

De man heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft, te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

A. Primair:

Voor recht te verklaren dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 22 december 2017 (datum uittreksel BPR), dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, van rechtswege is geëindigd op de grond dat de vrouw met ingang van die datum samenwoont met de heer [naam] als ware zij gehuwd in de zin van artikel

1:160 Burgerlijk Wetboek (BW);

Subsidiair:

Voor het geval het hof van mening is dat de vrouw aanspraak kan maken op partneralimentatie en dat er aan haar zijde sprake is van behoeftigheid en de man draagkracht heeft voor partneralimentatie, te bepalen dat de partneralimentatie na drie jaren op nihil wordt gesteld;

B. Te bepalen dat de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw per 1 maart 2019 op nihil wordt gesteld.

4.6.

De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans de verzoeken van de man af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

4.7.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Artikel 1:160 BW

5.1.1.

De man heeft -kort weergegeven- het navolgende gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het beroep van de man op artikel 1:160 BW niet slaagt. De vrouw en de heer [naam] hebben een affectieve relatie, zij worden regelmatig samen gezien in het centrum van [plaats] . Uit de basisregistratie personen blijkt dat de vrouw en de heer [naam] op hetzelfde adres wonen. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijkt niet dat de vrouw en de heer [naam] ieder voor zich de huur betalen. De man veronderstelt daarom dat er ook sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging; de vrouw en de heer [naam] doen regelmatig gezamenlijk boodschappen in de supermarkt. De man beschikt niet over de financiële middelen om een privédetective in te schakelen voor het verzamelen van meer bewijs.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist

5.1.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander met elkaar samenwonen, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen. Het gevolg is immers dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud verliest.

Het hof is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet, althans onvoldoende concreet heeft gesteld, althans aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW tussen de vrouw en de heer [naam] op grond waarvan de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zou dienen te eindigen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De vrouw heeft betwist dat er sprake is van een affectieve relatie met de heer [naam] . De heer [naam] is een goede vriend. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling aanvullend het navolgende verklaard. De heer [naam] woonde al op het adres in [plaats] . Er kwam een appartement vrij waarin de vrouw na het uiteengaan van partijen haar intrek kon nemen. Zij heeft een eigen ingang met een eigen sleutel, een eigen keuken en een eigen woon- en slaapvertrek. De man heeft dit ter mondelinge behandeling verder niet betwist.

De verklaringen van de man ter mondelinge behandeling dat de vrouw en de heer [naam] het leuk hebben samen, dat zij veel samen doen en dat de overgelegde foto’s voldoende zeggen is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een duurzame affectieve relatie en van samenwonen.

Het hof is daarbij van oordeel dat de man niet, althans niet voldoende met feiten onderbouwd heeft gesteld dat aan de overige te stellen eisen in het kader van artikel 1:160 BW - de gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging - is voldaan. Dat de man niet over voldoende financiële middelen beschikt om een privédetective in te schakelen maakt dit niet anders.

De grief van de man in het incidenteel hoger beroep faalt.

Gelet op het voorgaande wijst het hof het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de onderhoudsverplichting op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd, af.

De partneralimentatie

Ingangsdatum

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vast te stellen partneralimentatie dient in te gaan op 21 januari 2019.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.3.

Tussen partijen is verder ook niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.453,- netto per maand bedraagt, conform hetgeen is overwogen bij de bestreden beschikking (niveau 2018).

Behoeftigheid aanvullende behoefte van de vrouw

5.4.

De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De rechtbank heeft ten onrecht overwogen dat de man heeft erkend dat, ook in het geval uitgegaan wordt van de door de man gestelde verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.100,- bruto per maand, zij niet een zodanig inkomen zal kunnen genieten dat er geen aanvullende behoefte meer is.

De vrouw werkte in het verleden op een assurantiekantoor. Rekening houdend met de indexring kan de vrouw in die branche thans een salaris verdienen van € 2.150,- netto per maand. Van de vrouw kan worden verwacht dat zij fulltime werkt nu het UWV de vrouw volledig heeft goedgekeurd. Het verschil met de huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.453,- per maand is zodanig gering, dat de vrouw geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw een goede opleiding heeft, dat zij een goede baan heeft gehad, dat zij weliswaar ook pech heeft gehad, maar dat is niet zodanig dat zij thans niet fulltime kan werken.

5.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling het navolgende verklaard. Tijdens het huwelijk heeft zij 28 uur per week gewerkt op een assurantiekantoor, maar de laatste jaren van het huwelijk heeft zij, vanwege gezondheidsproblemen, niet meer gewerkt. In 2016 heeft de vrouw weer wat werk kunnen oppakken. Zij heeft op basis van een nul-urencontract korte tijd gewerkt bij de [Bouwmarkt] Bouwmarkt de [plaats] tegen een salaris van € 438,- netto per maand. Dat contract is geëindigd omdat de vrouw weer ziek werd. De vrouw heeft verder verklaard dat zij geen assurantie diploma heeft en dat zij nimmer € 2.150,- netto per maand kan verdienen. Haar verdiencapaciteit kan, aldus de vrouw ter mondelinge behandeling, hooguit op € 438,- netto per maand worden gesteld.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en de verklaringen van de vrouw ter mondelinge behandeling, die de man verder niet heeft weersproken, is gebleken dat de vrouw al lange tijd niet meer heeft gewerkt, gelet op haar medische problematiek. De vrouw tracht sinds enige tijd weer aan het arbeidsproces deel te nemen en weer werk op te pakken. Het hof overweegt dat de vrouw na de echtscheiding enige tijd moet worden gegund om weer in het arbeidsproces te komen, mede gelet op haar leeftijd, thans 53 jaar, alsmede op het feit dat de vrouw weliswaar over werkervaring maar niet - zoals zij onweersproken heeft gesteld - over een diploma in de assurantiebranche beschikt, waardoor de vrouw in de assurantiebranche niet eenvoudig kan terugkeren. Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat thans niet uitgegaan kan worden van de door de man in hoger beroep gestelde verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.150,- netto per maand. Zou uitgegaan worden van een verdiencapaciteit van de vrouw van

€ 2.100,- bruto per maand, conform de stelling van de man in eerste aanleg, dan bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw, grof geschat, toch omstreeks € 1.500,- netto per maand. Het hof overweegt daarom dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan de hierna vast te stellen partneralimentatie. De grief van de man in incidenteel hoger beroep faalt.

Draagkracht van de man

5.5.

De vrouw heeft gesteld dat de man voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie te voldoen van € 2.213,- bruto per maand. De man heeft dat gemotiveerd betwist. Mede door een wijziging in zijn inkomenssituatie heeft de man gesteld dat hij thans geheel geen inkomen heeft en niet in staat is enige partneralimentatie aan de vrouw te voldoen, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft weersproken.

Inkomen van de man

5.6.

De man is ondernemer. De besloten vennootschappen [BV 1] BV en [BV 2] BV zijn opgeheven. De man had, in ieder geval tot kort na de echtscheiding, een eenmanszaak [eenmanszaak] te [plaats] .

5.7.1.

De man heeft het navolgende gesteld. Hij heeft noodgedwongen zijn onderneming in maart 2019 moeten verkopen. De man had gezondheidsklachten, hij is afgekeurd door de Arbo-arts die in het kader van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering is ingeschakeld. Het ging al geruime tijd niet goed met de onderneming, er waren ernstige liquiditeitsproblemen. De man had moeite met voortzetting van de onderneming. De man heeft krediet bij de Rabobank gevraagd vanwege zijn betalingsverplichting aan de vrouw van € 47.500,- wegens overbedeling. Hij heeft dat krediet ook gekregen, maar de bank stelde de eis dat het bedrijfspand moest worden verkocht. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat verkoop van het bedrijfspand toen niet lukte en dat het pand alleen tezamen met de onderneming kon worden verkocht. Verkoop van het bedrijfspand en van de onderneming heeft aldus per 1 maart 2019 plaatsgevonden. De accountant heeft de man gezegd dat hij failliet zou zijn gegaan als hij niet tot verkoop was overgegaan. Het bedrijfspand is verkocht voor hetzelfde bedrag (€ 46.000,-/€ 47.000,-) als waarvoor het in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is gewaardeerd. De man heeft daarvan belasting betaald, er resteert nog een bedrag van € 5.000,-. Er staat nog een belastingschuld open van € 19.000,-. De man is thans doende een nieuwe onderneming op te zetten. Hij heeft voor de verkoop van de door hemzelf gemaakte beelden, een galerie geopend onder de naam [naam galerie] . De opbrengst van de verkoop van de onderneming ten bedrage van € 30.000,- wendt hij aan ten behoeve van deze nieuwe onderneming. De man is verder op zoek naar verkoopruimte en naar investeerders om de onderneming rendabel te maken. Op dit moment heeft de man hoegenaamd geen inkomsten. De man heeft geen draagkracht om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.

5.7.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de opbrengst van de verkoop van het bedrijfspand geweest en die van de onderneming evenmin.

De vrouw heeft verder het navolgende gesteld. Zij betwist dat de man het bedrijfspand niet kon verkopen anders dan tezamen met de onderneming, de man heeft zulks ook op geen enkele wijze onderbouwd. De vrouw betwist daarom de gestelde noodzaak van de verkoop van de onderneming. In 2019 heeft de man nog een winst gerealiseerd die, geëxtrapoleerd naar een heel jaar, zou resulteren in een resultaat van € 40.000,-. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt dat er ook financiële noodzaak bestond om de onderneming te verkopen. Kasstroomoverzichten heeft de man niet overgelegd.

5.7.3.

Het hof overweegt het navolgende.

5.7.3.1. Het hof overweegt dat de man niet, althans niet voldoende met feiten heeft onderbouwd dat hij genoodzaakt was de onderneming te verkopen, dat het financieel de enige mogelijkheid was om faillissement te voorkomen en dat verkoop ook noodzakelijk was omdat hij anders het bedrijfspand niet kon verkopen (aangenomen dat de bank hem daartoe had verplicht), hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op de weg van de man had gelegen.

Uit het door de man overgelegde jaarrapport 2019 van de onderneming blijkt een winst uit onderneming tot 1 maart 2019 van € 6.229,-. Geëxtrapoleerd naar een geheel jaar zou dat hebben kunnen resulteren in een winst van ruim € 37.000,-. Die winst ligt in de lijn met de positieve resultaten in de voorgaande jaren, te weten van € 35.908,- in 2018, € 31.378,- in 2017 en € 39.990,- in 2016. Deze winstcijfers vormen geen indicatie om aan te nemen dat het niet goed zou gaan met de onderneming.

Dat er liquiditeitsproblemen waren heeft de man niet, althans niet voldoende onderbouwd. De door de man overgelegde e-mailberichten van zijn accountant (productie 17 en 19) zijn daartoe onvoldoende nu deze berichten niet met stukken zijn onderbouwd en onder meer ook kasstroomoverzichten ontbreken. Daarbij heeft de rechtbank in de bestreden beschikking overwogen, hetgeen in hoger beroep tussen partijen ook niet in discussie is, dat recent een kapitaalinjectie van 2 ton uit de verkoop van de echtelijke woning in de onderneming is gestoken die volledig is aangewend voor het aflossen van schulden en dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de onderneming van de man niet meer levensvatbaar zou zijn. In hoger beroep heeft de man daar onvoldoende tegenover gesteld. Ook blijkt uit de door de man overgelegde (hof: niet door partijen ondertekende) koopovereenkomst, dat de man een bedrag van € 30.000,- zou hebben ontvangen en dat de verkochte goederen zelfs uit goodwill hebben bestaan, hetgeen niet te rijmen valt met de stellingen van de man omtrent de slechte financiële positie van de onderneming.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man ter zake de noodzaak van verkoop van zijn onderneming en de daarmee samenhangende financiële verwikkelingen onvoldoende heeft laten zien. Het hof passeert de stellingen van de man.

5.7.3.2. Gelet op het voorgaande houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden in die zin dat het hof uitgaat van een verdiencapaciteit van de man conform zijn gemiddelde verdiensten in de laatste jaren, 2016, 2017, 2018, als ondernemer. Het hof gaat uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 35.759,-. Voor wat betreft de fiscale aspecten verwijst het hof naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening.

De grief van de vrouw in principaal hoger beroep slaagt in zoverre.

Premie lijfrente

5.8.

Het hof houdt geen rekening met de premie lijfrente van € 113,- per maand en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat partijen in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn overeengekomen dat de lijfrentepolissen zullen worden gesplitst. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de polissen premievrij kunnen worden gemaakt. Ter mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat de polissen na splitsing premievrij zijn en dat hij thans geen premie betaalt. Dat de premievrije situatie, zoals de advocaat van de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard, pas is aangevangen per medio 2019 maakt de draagkrachtberekening niet anders (het hof maakt geen ‘knip’), te meer niet nu de man geen bewijs heeft overgelegd van eventueel in 2019 wel betaalde premie voor de lijfrente en het overigens ten opzichte van de ingangsdatum een relatief korte periode betreft.

De grief van de vrouw in principaal hoger beroep slaagt.

Draagkrachtloos inkomen van de man

5.9.

Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

Uit de, door de vrouw niet weersproken, productie 10 van de man in hoger beroep blijkt een premie verzekering ZVW van € 137,- per maand. Voorts gaat het hof, evenals de rechtbank, uit van een verplicht eigen risico van € 32,- per maand, minus het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW (2019) van € 35,- per maand.

Woonlasten van de man

5.10.

Uitgaande van de door de man in hoger beroep overgelegde productie 8 houdt het hof ten aanzien van de woonlasten rekening met het door de man gestelde bedrag ter zake kost en inwoning van € 200,- per maand. Dat het inwoning bij de broer van de man betreft, zoals de vrouw ter mondelinge behandeling heeft gesteld, doet daar niet aan af. Dat de man, zoals de vrouw ook heeft gesteld, niet op het adres van zijn broer zou verblijven heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet, althans niet voldoende onderbouwd, zodat het hof aan die stelling van de vrouw voorbij gaat.

Aflossing schuld

5.11.1.

De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de aflossing van € 200,- per maand op een in familieverband aangegane lening en dat geen rekening met deze aflossing moet worden gehouden. De man heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden gehouden met een bedrag van € 500,-, het bedrag dat de man feitelijk betaalt.

5.11.2.

Het hof houdt bij de berekening van draagkracht van de man geen rekening met de aflossing op de lening en overweegt daartoe als volgt.

De man heeft in hoger beroep gesteld dat hij aantoonbaar vanaf het aangaan van de lening maandelijks € 500,- heeft afgelost conform de afspraken in de overeenkomst. Daarvan uitgaande overweegt het hof dat er op de ingangsdatum van de partneralimentatie € 6.500,- op de lening is betaald en dat er derhalve nog een te betalen bedrag resteert van € 8.500,-. Het hof is van oordeel dat van de man, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, gevergd kan worden dat hij zich van deze restantschuld bevrijdt, bijvoorbeeld door deze in zijn geheel af te betalen met de vrijgekomen gelden uit de lijfrente polissen.

De grief van de vrouw in principaal hoger beroep slaagt.

Advocaatkosten

5.12.

Het hof houdt ten slotte geen rekening met de advocaatkosten. De man heeft weliswaar gesteld dat het een bedrag van ruim € 23.000,- betreft, maar de man heeft niet, althans onvoldoende met stukken onderbouwd en inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst van verkoop van het bedrijfspand is geweest en evenmin welk bedrag de man daadwerkelijk uit de verkoop van de onderneming heeft ontvangen en waaraan deze gelden zouden zijn besteed of waarvoor deze zouden zijn bestemd. Bij gebrek aan adequate financiële gegevens gaat het hof ervan uit dat de man de advocaatkosten uit deze opbrengsten kan voldoen.

De grief van de vrouw in principaal hoger beroep slaagt.

Vaststelling van de alimentatie

5.13.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.547,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening waarnaar het hof verwijst.

Na aftrek van voormelde draagkrachtloos inkomen van de man van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 848,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie.

Nu partneralimentatie aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, geheel ten goede komt aan de vrouw, heeft de man met ingang van 21 januari 2019 de draagkracht om een partneralimentatie van € 1.137,- per maand te betalen, aan welke bijdrage de vrouw behoefte heeft. Het hof zal de bijdrage aldus vaststellen. Analoog aan de wettelijke indexering zal de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 worden vastgesteld op € 1.165,43 per maand.

Nihilstelling

5.14.

De man heeft (subsidiair) verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, zoals hij ter mondelinge behandeling heeft bevestigd primair met ingang van 1 maart 2019, subsidiair na verloop van drie jaar na de ingangsdatum van de partneralimentatie. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het hof wijst voormeld verzoek van de man, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging overneemt en tot de zijne maakt, af.

5.15.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Op het principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 21 december 2018, uitsluitend voor zover het de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, 21 januari 2019, tot en met 31 december 2019 als bijdrage in haar levensonderhoud een bedrag van € 1.137,- per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2020 € 1.165,43 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en C.L.M. Smeets en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.