Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3693

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
200.266.730_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over facturen voor het inlenen van personeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.266.730/01

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.F.J.M. van Rooy te Boxtel,

tegen

InControl Personeelsdiensten B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als InControl,

advocaat: mr. I.M. Mos-Bolier te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 september 2019 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 14 februari 2019 (het hof begrijpt dat bedoeld is het tussenvonnis van 25 april 2019) en 25 juli 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en InControl als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7607412 \ CV EXPL 19-1834)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties en eiswijziging.

Partijen hebben over en weer geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen. Het hof ziet ook ambtshalve geen bezwaar en zal verderop in het arrest uitleggen hoe de vorderingen worden begrepen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Kort weergegeven gaat deze zaak over het niet betalen van facturen door [appellant] . InControl heeft [appellant] facturen gestuurd voor ingeleend personeel voor stukadoorswerk in het nieuwe [ziekenhuis] in [vestigingsplaats] . [appellant] stelt dat het ingeleend personeel niet alle gedeclareerde uren heeft gewerkt en wil die uren niet betalen. Daarnaast stelt [appellant] dat twee personeelsleden het vak van stukadoor niet beheersten en dat hij daarom een lager uurtarief is verschuldigd.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. In 2018 heeft [appellant] een groot werk aangenomen in het nieuwe [ziekenhuis] in [vestigingsplaats] . Voor het uitvoeren van de stukadoorswerkzaamheden hiervoor heeft [appellant] personeel ingeleend van InControl tot en met week 51 van 2018.

b. Partijen zijn een uurtarief overeengekomen van € 33,50 (btw verlegd). InControl declareerde achteraf en hanteerde een zogenoemde reclamatietermijn van zeven dagen en een betalingstermijn van veertien dagen na ontvangst van de factuur.

c. Bij de facturen voegde InControl de weekbriefjes van haar personeel met de gewerkte uren per dag, die zijn voorzien van een handtekening van [appellant] .

d. [appellant] heeft de volgende facturen niet betaald:

- 10 oktober 2018 € 3.383,50

- 17 oktober 2018 € 3.484,00

- 23 oktober 2018 € 4.824,00

- 5 december 2018 € 1.340,00

- 19 december 2018 € 1.340.00 +

Totaal: € 14.371,50

e. Partijen hebben (ook) via WhatsApp met elkaar gecommuniceerd. [appellant] schrijft op 8 oktober 2018 om 16:31 uur: “ [naam] (…) die is geen stukadoor te duur” en om 16:37 uur “Kan niet verkopen die prijs voor die man”. Om 16:37 uur antwoordt InControl: “Moet ik hem wegsturen of wil je tariefverlaging dan ga ik met hem overleggen” en 16:40 uur: ”Laat me weten wat je er mee wilt”. Op 16 oktober 2018 om 07:50 uur schrijft [appellant] : “Heb je iemand anders [naam] komt wanneer hij zin heeft”. InControl laat om 11:05 uur weten dat er een vervanger komt. Om 13:31 uur antwoordt [appellant] : “Laat [naam] maar hier tot vrijdag en kom morgen die andere” en om 20:23 uur: “Morge vroeg [naam] kan nog even blijven maar die man heeft altijd iets”. Op 10 december 2018 heeft InControl aan [appellant] verzocht naar de betalingen te kijken “want dat loopt niet helemaal lekker meer”. [appellant] heeft daarop laten weten de boekhouder te zullen bellen en dat het goed komt. Nadat het inlenen was afgelopen, heeft InControl aan [appellant] geappt niet blij te zijn dat de betaling blijft openstaan. [appellant] heeft op 9 januari 2019 om 16:24 uur geschreven: “ben niet blij met uren die werken [naam] gaat 17 keer naar de auto per dag zal lijst sturen (…) slapen in auto”. Om 16:24 antwoordt InControl dat [appellant] daar dan binnen 7 dagen op had moeten reclameren en dat zij daar nu niet meer zoveel mee kan. Om 16:34 uur schrijft [appellant] : “Dan zal ik u de gegevens van de Bouw pas sturen dat geen 8 uur wort gewerk en [naam] 9 per dag naar zen auto loop (…) en ziek in de auto liggen”.

f. InControl heeft beslag gelegd voor haar vordering. Dit beslag trof een bedrag van € 3.268,11.

3.3.1.

In de onderhavige procedure in eerste aanleg vordert InControl in conventie samengevat om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van:

- de openstaande bedragen met een hoofdsom van € 14.371,50, vermeerderd met primair:

€ 334,49 aan rente tot 25 februari 2019 en de wettelijke handelsrente over € 14.371.50 vanaf 25 februari 2019 tot aan de dag van voldoening en subsidiair vanaf de vervaldata van de vorderingen;

- € 918,72 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- € 1.409,84 aan beslagkosten te vermeerderen met de proceskosten.

3.3.2.

Aan deze vordering heeft InControl samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

InControl heeft op verzoek van [appellant] personeel uitgeleend tegen een uurtarief van € 33,50 (btw verlegd). [appellant] heeft de daarvoor aan hem gestuurde facturen voor een bedrag van € 14.371,50 ten onrechte onbetaald gelaten.

3.3.3.

[appellant] heeft in de procedure in eerste aanleg gesteld een tegenvordering te hebben, omdat de in rekening gebrachte uren voor een deel niet zijn gemaakt door het personeel van InControl. Het personeel van InControl werkte niet de overeengekomen acht uur per dag, maar veel minder.

3.3.4.

[appellant] heeft verweer gevoerd in conventie. InControl heeft in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.4.

In het tussenvonnis van 25 april 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.5.

In het eindvonnis van 25 juli 2019 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] zijn verweer en zijn tegenvordering onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft de vordering van InControl in conventie toegewezen. De vordering van [appellant] in reconventie is afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

3.6.1.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn (voorwaardelijke) tegenvordering. De (voorwaardelijke) reconventie luidt in hoger beroep: om uitvoerbaar bij voorraad InControl te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 6.251,-- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 oktober 2018 tot aan de dag van voldoening vermeerderd met de proceskosten.

3.6.2

Aan deze vordering heeft [appellant] het volgende ten grondslag gelegd. Het personeel van InControl heeft minder uren gewerkt dan in rekening zijn gebracht. Dit levert een vordering op van € 2.646,50. De ingeleende personeelsleden [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [naam] leverden een te lage kwaliteit, zodat het uurtarief verlaagd wordt. De aanpassing van het uurtarief van deze personeelsleden komt neer op een vordering van € 3.604,50. [appellant] heeft twee vorderingen uit de dagvaarding in hoger beroep niet herhaald in de memorie van grieven en ook niet onderbouwd, zodat het hof begrijpt dat de vorderingen tot terugbetaling en de gevolgschade in hoger beroep niet meer behandeld hoeven worden.

3.6.3

InControl heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis, subsidiair tot toewijzing van het in eerste aanleg door haar gevorderde onder vermindering van het reeds afgedragen bedrag van € 3.268,11.

3.6.4.

Tegen het tussenvonnis van 25 april 2019 is geen grief gericht, zodat [appellant] in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is.

3.7.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover de grieven klagen over de mogelijke tekortkomingen van de procedure bij de kantonrechter waardoor [appellant] onvoldoende verweer heeft kunnen voeren, zal het hof daar niet op ingaan. Dit komt omdat in het hoger beroep [appellant] hiervoor weer de gelegenheid heeft gekregen.

Teveel in rekening gebrachte uren?

3.8.1.

[appellant] stelt dat de ingeleende personeelsleden van InControl niet acht uur per dag productief waren. [appellant] voert aan dat alle werklui bij [ziekenhuis] een toegangspas hadden waarbij alle uren op de bouw precies werden geregistreerd. Dit is te zien op zogeheten scanlijsten. Het is een sluitend systeem om te bepalen hoe lang een bepaalde persoon zich op de bouw heeft bevonden, aldus nog steeds [appellant] . Op basis van deze scanlijsten heeft [appellant] zijn mandagenregisters gecontroleerd en aangepast. [appellant] stelt dat is gebleken dat InControl 79 uren teveel in rekening heeft gebracht. Het gaat om een bedrag van 79 x € 33,50 = € 2.646,50.

3.8.2.

Het hof overweegt dat InControl haar werknemers urenbriefjes heeft verstrekt die wekelijks voorzien moesten worden van een handtekening van de inlener. [appellant] heeft wekelijks deze urenbriefjes van het ingeleende personeel in ontvangst genomen en van een handtekening voorzien. Daarmee heeft hij te kennen gegeven in te stemmen met de daarop ingevulde aantallen uren. Als [appellant] aanmerkingen had op het aantal gewerkte uren, dan had het voor de hand gelegen dat hij de uren had aangepast of geen handtekening op de urenbriefjes had gezet. Nu hij zijn handtekening wel heeft gezet, hebben die urenbriefjes dwingende bewijskracht. Dit betekent dat deze briefjes tussen partijen bewijs opleveren van de waarheid van die verklaring (art. 157 lid 2 Rv.). Daar wordt dus van uitgegaan, tenzij [appellant] het tegendeel aantoont. [appellant] stelt dat dit tegendeel volgt uit het sluitende systeem van de scanlijsten. Deze scanlijsten heeft hij echter ook in hoger beroep niet overgelegd, terwijl die volgens zijn eigen stellingen sluitend bewijs zouden leveren. [appellant] had uit eigen beweging de scanlijsten over moeten leggen. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is immers geen opdracht van de rechter vereist.

Wat [appellant] verder heeft aangevoerd is onvoldoende om zijn betwisting van het in rekening gebrachte aantal uren te onderbouwen. Zo zeggen immers de enkele mededelingen via WhatsApp in oktober 2018 dat ‘ [naam] komt wanneer hij zin heeft’ of ‘die man heeft altijd iets’ niets over het aantal gewerkte uren. Ook wordt onvoldoende gewicht in de schaal gelegd door de mededelingen aan InControl die [appellant] achteraf (na het afronden van de werkzaamheden in week 51 van 2018) heeft verzonden via WhatsApp en e-mail vanaf januari 2019 (rov. 3.2.1. onder e). Nog los van de vraag of iemand ondanks vaak heen en weer lopen naar zijn auto, niet toch voldoende uren kan werken. Ook de eigen aantekeningen, berekeningen van uren, urenstaten van [appellant] voor [V.O.F.] en een factuur naar aanleiding van een ‘afrekenstaat onderaannemers’ die [appellant] in tegenstelling tot de genoemde scanlijsten, wel als producties heeft overgelegd in hoger beroep, zijn in dit verband onvoldoende. Na de gemotiveerde stellingen van InControl en de duidelijke overwegingen van de kantonrechter daarover, heeft [appellant] dus ook in hoger beroep zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

Te hoog uurloon voor [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [naam] ?

3.9.1.

[appellant] stelt dat de heren [naam] het vak van stukadoor niet beheersten en zeer zeker niet als ervaren stukadoors konden worden aangemerkt. Dit heeft hij ook kortgesloten met InControl en dat is ook door hen erkend. Een ervaren stukadoor rechtvaardigt een uurtarief van € 33,50, maar de werkzaamheden van beide heren rechtvaardigen niet meer dan een uurtarief van € 20,-- (btw verlegd), aldus steeds [appellant] .

3.9.2.

Het hof overweegt dat partijen een uurtarief van € 33,50 zijn overeengekomen. Er is geen nadere afspraak over het uurtarief gemaakt. Weliswaar heeft [appellant] in oktober 2018 geschreven dat hij vond dat [naam] te duur was (rov. 3.2.1. onder e), maar op de daarop volgende vraag van InControl of [naam] weggestuurd moest worden, heeft [appellant] laten weten dat [naam] kon blijven werken. En uit de WhatsAppconversatie blijkt niet dat [appellant] is ingegaan op de vraag in datzelfde bericht of hij een tariefverlaging wilde. [appellant] stelt dat InControl zou hebben aangegeven te zullen komen met een aangepast uurtarief passend bij het niveau van [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [naam] , maar dat hij dat voorstel nooit heeft ontvangen. InControl heeft dit gemotiveerd betwist en uit de WhatsAppconversatie volgt dus eerder het tegendeel. Het kan echter in het midden blijven of InControl heeft laten weten een aangepast uurtarief te zullen voorstellen. Partijen zijn het er namelijk over eens dat een dergelijk voorstel is uitgebleven en geen ander uurtarief is overeengekomen. Desondanks is [appellant] [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [naam] blijven inzetten. Daarvoor geldt dus het aanvankelijk overeengekomen uurtarief van € 33.50. Daarmee komt het hof ook hier niet toe aan het bewijsaanbod van [appellant] .

Betalingen?

3.10

Het hof overweegt dat uit rov. 3.2. onder f blijkt dat het beslag doel heeft getroffen voor een bedrag van € 3.268,11. Dat dit bedrag inmiddels uit het beslag is voldaan, staat tussen partijen vast. Het kan dus niet opnieuw door InControl worden geïncasseerd. [appellant] heeft daarnaast nog gesteld (zonder nadere onderbouwing, zoals wanneer en hoe) dat hij een bedrag van € 4.852,39 heeft betaald aan InControl. Deze betaling wordt echter wel betwist door InControl. [appellant] heeft op dit punt geen bewijs aangeboden. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om ambtshalve op dit punt bewijs op te dragen. Dit betekent dus dat het hof niet van die betaling uitgaat. Mocht de betaling wel zijn gedaan, dan gaat het hof ervan uit dat InControl dit bedrag niet opnieuw zal proberen te incasseren en anders kan [appellant] dit in een executiegeschil aan de rechter voorleggen.

Beslag, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente

3.11.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij geen wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten of beslagkosten is verschuldigd vanwege verrekening en/of opschorting. Het hof overweegt dat uit het vorenstaande blijkt dat [appellant] niet mocht verrekenen of opschorten. [appellant] is in verzuim, zodat de wettelijke schadevergoeding over de vertraagde betalingen (voor een handelsovereenkomst) verschuldigd is. InControl maakt daarnaast aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het hof stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en dat er voldoende is gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 918,72 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en is verschuldigd. Ook de kosten voor het leggen van conservatoir beslag komen voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

3.12.

[appellant] is niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis. Zijn grieven tegen het eindvonnis treffen geen doel. Het hof zal dit vonnis dus bekrachtigen. [appellant] zal als verliezende partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van 25 april 2019;

bekrachtigt het eindvonnis van 25 juli 2019 door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen partijen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van InControl op € 2.020,-- aan griffierecht en op € 1.074,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, H.K.N. Vos en M.L.C.M. van Kalmthout en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2020.

griffier rolraadsheer