Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3689

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
27-12-2020
Zaaknummer
200.248.563_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:9495
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

meerwerk, redelijke prijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.248.563/01

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

[appellante] , t.h.o.d.n. [handelsnaam]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E. Koekoek te Barneveld,

tegen

[geintimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geintimeerde] ,

advocaat: mr. R.M. de Hair te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 oktober 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geintimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/236754 / HA ZA 17-313)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    de pleitnota van [appellante] ;

  • -

    de pleitnotities van [geintimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1

[geintimeerde] en [appellante] hebben voorafgaand aan deze procedure op regelmatige basis zaken met elkaar gedaan. [geintimeerde] is lid van de Metaalunie en hanteert de Metaalunievoorwaarden.

3.1.2

[geintimeerde] produceert (onder meer) raatliggers. De opdrachtgever levert daartoe stalen I-balken, die door [geintimeerde] met snijbranders volgens een patroon worden doorgesneden en opnieuw samengesteld, waardoor een honingraatmotief ontstaat. Het branden en opnieuw samenstellen is, aldus [geintimeerde] , min of meer standaardwerk.

3.1.3

Op 15 juli 2016 is de heer [algemeen directeur] , algemeen directeur van [geintimeerde] , per e-mail benaderd door de heer [intern controller] , intern controller bij [appellante] , in verband met een project waartoe [appellante] zich verbonden had jegens een derde. Ten behoeve van dat project diende [appellante] te beschikken over raatliggers, waartoe zij bij [geintimeerde] om een offerte vroeg.

De e-mail luidt als volgt:

“(…)

Wij hebben een werk in opdracht waar er 15 raatliggers in zitten. We hebben er nog niet veel tekeningen van. Dit is het enige.

Het zal rond week 36/37 gaan spelen. Hebben jullie hier tijd voor?

De liggers moeten 2 laags gespoten (100mu) worden.

Kan je hier al een prijs voor maken? Ik hoor graag van je.

(…)”.

3.1.4

Naar aanleiding van de e-mail is tussen [geintimeerde] en [appellante] gecorrespondeerd over de levertijd en de beschikbaarheid van productiecapaciteit bij [geintimeerde] . Bij e-mail van 18 juli 2016 heeft [geintimeerde] aangegeven in de weken 30 en 31 of 38 over ruimte in de productieplanning te beschikken.

3.1.5

Vervolgens heeft [appellante] bij e-mail van 22 juli 2016 11:54 aan [geintimeerde] bericht als volgt:

“(…)

Hierbij de tekeningen van de raatliggers.

De liggers van 14500mm zijn onderslagen waar 2 balken op aasluiten per kant. Dus per ligger komt er een kop-/voetplaat aan. En 4 platen met een plaat erachter.

Bij de lengtes van 20000mm komen er 5 balken tegen aan.

De liggers moeten 2 laags gespoten(100mu) worden.

Alles in S355 kwaliteit.

Graag zie ik de prijs tegemoet.

Als er dan nog vragen zijn dan hoor ik het wel.

(…)”.

3.1.6

De tekeningen zijn per separate e-mail van 22 juli 2016 11:57 aan [geintimeerde] gezonden.

3.1.7

Bij e-mail van 22 juli 2016 18:08 bericht [geintimeerde] aan [intern controller] :

“(…) In de bijlage tref je onze offerte aan. (…)”

In de offerte staat:

“(…)

Raatliggers HEA500/735 2x L= 14.588mm met toog 20mm

HEA550/810 7x L= 14.589mm met toog 20mm

HEA550/810 1x L= 14.599mm met toog 20mm

HEA700/1035 1x L= 20.233mm met toog 180mm

HEA800/1185 4x L= 20.231mm met toog 180mm

Gewicht: ca. 44.771 kg (s.g. 8 kg/dm3)

Conservering: geen

Inclusief: profielen op de gewenste lengte uitgevoerd, samengesteld en afgelast middels een I-naad, uiteinden op maat volgens tekening afgekort en dicht gezet, liggers voorzien van een parabolische toog zoals aangegeven op de tekeningen.

Exclusief: profielmateriaal, HEA 500 en HEA550 op 15,1 meter handelslengte en HEA700 en HEA800 op 21,1 meter handelslengte aan te leveren. Overige bewerkingen en materialen dan genoemd.

(…)

Prijs excl. BTW € 9.274,00

(…)”.

In de koptekst van deze e-mail is achter bijlagen vermeld:

“16242, [appellante] raatliggers.pdf; Metaalunievoorwaarden 2014.pdf”.

3.1.8

Op 5 september 2016 heeft [appellante] aan [geintimeerde] mondeling de opdracht verstrekt om op basis van de offerte de raatliggers te maken, waarbij partijen telefonisch een prijs van € 9.000,- excl. btw zijn overeengekomen.

3.1.9

Op 7 oktober 2016 heeft [appellante] per e-mail gegevens voor de raatliggers aan [geintimeerde] gezonden.

3.1.10

[geintimeerde] heeft bij e-mail van 10 oktober 2016 als volgt gereageerd:

“(…)

Is het de bedoeling dat wij de liggers compleet afmaken?

Wij hebben alleen de opdracht voor het produceren van de liggers als raatligger en geen verdere bewerkingen.

Laat ons aub even iets weten?

(…)”.

3.1.11

Bij e-mail van 10 oktober 2016 heeft [naam 1] namens [appellante] geantwoord:

“(…)

Volgens [intern controller] is er afgesproken dat jullie ze compleet maken. Zie ook de mail in de bijlage.

Graag contact met hem opnemen.

(…)”.

3.1.12

Voornoemde bijlage betreft een e-mail van [intern controller] van 10 oktober 2016. Deze e-mail luidt:

(…)

Onderstaand verhaal heeft hij ontvangen van mij dus hij moet ze compleet maken.

(…)”.

Het onderstaande verhaal betreft eerder gevoerde correspondentie, waaronder de e-mail van 22 juli 2016 11.54.

3.1.13

[geintimeerde] heeft geen contact opgenomen met [intern controller] .

3.1.14

Op 31 oktober 2016 heeft [intern controller] telefonisch contact opgenomen met [geintimeerde] en gevraagd naar de stand van zaken in verband met de planning van [appellante] .

3.1.15

In aansluiting op voornoemd telefonisch contact stuurt [intern controller] op 31 oktober 2016 14:21 een e-mail aan [geintimeerde] met de planning voor de aanlevering van de raatliggers en daarin schrijft hij dat hij de eerste fase graag donderdag wil laden en de tweede fase volgende week maandag/dinsdag. Daarop reageert [geintimeerde] vrijwel direct bij e-mail van 31 oktober 2016 14:47:

“Ik ga ervan uit dat je donderdag 10 november en maandag/dinsdag 14 of 15 november bedoelt. Wij gaan pas aankomende woensdagmiddag starten met het afbouwen van de raatliggers.”

.

[intern controller] reageert daarop bij e-mail van 31 oktober 2016 14:50:

“Nee aankomende donderdag. We gaan maandag starten met de constructie. We hebben hooguit een dag speling maar meer niet. We hebben de gegevens allemaal vroeg genoeg aangeleverd.”

Daarop reageert [geintimeerde] bij e-mail van 31 oktober 2016 16:03

“Zoals vanmorgen telefonisch aangegeven gaan wij pas aankomende woensdag opstarten met het afwerken van de raatliggers. Wij hebben hiervoor minimaal een doorlooptijd van

1 ½ tot 2 weken voor nodig.

(…)

Wij hebben destijds ook richting jullie werkvoorbereider/tekenaar verteld dat wij, indien wij deze liggers zouden moeten afwerken, wij dit niet direct konden oppakken daar wij vol gepland zaten met andere werkzaamheden. (…)”

Vervolgens reageert [appellante] bij e-mail van 31 oktober 2016 16:14 als volgt:

“(…)

Het is toch geen 1,5 week werk voor 15 balken. Zoveel zit er niet aan.

(…)”.

3.1.16

Op 2 en 7 november 2016 heeft [geintimeerde] de detaillering van de raatliggers ontvangen van [appellante] .

3.1.17

De raatliggers zijn op 16 en 28 november 2016 uitgeleverd aan [appellante] en door [appellante] verwerkt.

3.1.18

Op 25 november 2016 heeft [geintimeerde] haar factuur voor de volgens haar in de offerte opgenomen werkzaamheden opgemaakt en aan [appellante] gezonden. Deze factuur ad € 9.000,- excl. btw is door [appellante] zonder protest voldaan.

3.1.19

Op 29 november 2016 heeft [geintimeerde] haar factuur voor de, volgens haar, aanvullende werkzaamheden opgemaakt en aan [appellante] verzonden. [appellante] heeft op 8 december 2016 geprotesteerd tegen deze factuur ad € 35.177,16 excl. btw

(€ 42.564,36 incl. btw) en aangegeven dat volgens haar alle werkzaamheden van [geintimeerde] waren vervat in het bedrag van € 9.000,- uit de offerte.

3.1.20

Op dit protest van [appellante] heeft [geintimeerde] bij e-mail van 8 december 17:46 als volgt gereageerd:

“Naar aanleiding van onze offerte hebben wij mondeling op 5 september de opdracht van jullie ontvangen conform offerte 16242, in bijlage. Wij hebben deze werkzaamheden afgerond op € 9.000,00 excl. BTW.

Conform offerte en opdracht zouden wij alleen de basis liggers maken, jullie zouden deze in eigen beheer dan afwerken.

Op basis van genoemde en vermelde informatie in de door jouw gestuurde email op 22 juli 2016 kunnen, konden en doen wij geen prijsopgave.

Er staan totaal geen hoeveelheden op, geen plaat afmetingen, geen gaten, geen overige te bevestigen onderdelen, geen lasdetails etc.

Naar aanleiding van hoe verder te gaan hebben wij op 10 oktober 2016 contact met jullie gezocht. Wij hebben hierover gecommuniceerd met [naam 1] hoe en wat te doen. Hierop hebben we jullie email gehad op 10 oktober 2016 laat in de middag.

In deze email wordt beschreven dat wij de liggers compleet zouden moeten maken.

Op 7 november hebben wij van jullie de laatste definitieve informatie ontvangen inzake lasdetails e.d. Zie email. Op basis van deze definitieve informatie hebben wij de liggers uitgevoerd en geproduceerd.

Er is telefonisch diverse malen hierover contact geweest tussen onze Hr. [naam 2] en jullie (onder andere, [naam 1] ) over wat en hoe te doen.

Door dat wij de liggers compleet gingen maken en de hoeveelheid werk in en aan deze liggers niet in onze oorspronkelijke planning paste hebben wij als gevolg problemen gehad met de levertijden.

Dit is diverse malen gecommuniceerd middels email c.q. telefonisch overleg met onze hr. [naam 2]

Wij zijn overvallen door het feit dat wij deze liggers voor jullie uiteindelijk toch compleet gingen maken. Hierop hadden wij niet gerekend.

(…)

Wij hebben de factuur met daarop de extra werkzaamheden zo uitgebreid mogelijk be- en omschreven.”

3.1.21

Vervolgens heeft [appellante] bij e-mail van 9 december 2016 aan [geintimeerde] het volgende geschreven:

“In de mail van 22-7 heb ik juist aangegeven dat er platen aan kwamen e.d.. Daar is destijds ook nog een keer telefonisch contact hierover geweest. Dus conform offerte en opdracht zouden jullie niet alleen de basisliggers maken. Dit is ook zo aangegeven in de mail die [naam 1] 10 oktober gestuurd heeft.

(…)

Al met al heb ik de liggers bekeken en wil ik er natuurlijk goed uitkomen met jullie. Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken. Echter vind ik de hoogte van de factuur die we nu hebben ontvangen ook nergens op slaan.

(…)”

3.1.22

[appellante] heeft bij e-mail van 13 december 2016 een betalingsvoorstel aan [geintimeerde] gedaan, maar [geintimeerde] is daar niet op ingegaan. [appellante] heeft toen nagelaten de factuur van 29 november 2016 te betalen.

3.2.1

Daarop heeft [geintimeerde] bij dagvaarding van 6 juni 2017 [appellante] in rechte betrokken en gevorderd:

1. [appellante] te veroordelen tot betaling aan [geintimeerde] van € 42.564,36 in hoofdsom;

2. [appellante] te veroordelen tot de contractuele rente over de hoofdsom vanaf 29 december 2016 tot de dag der algehele voldoening, althans de wettelijke handelsrente vanaf 29 december 2016 tot de dag der algehele voldoening, althans de wettelijke handelsrente van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

3. [appellante] te veroordelen tot de buitengerechtelijke kosten ad € 2.848,20, althans ad

€ 1.200,64;

4. voor recht te verklaren dat [appellante] aansprakelijk is voor de zijdens [geintimeerde] gemaakte gerechtelijke kosten, nader op te maken bij staat;

5. [appellante] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten en de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

3.2.2

Aan deze vordering heeft [geintimeerde] , kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd.

Primair stelt [geintimeerde] zich op het standpunt dat haar offerte van 22 juli 2016 ziet op de productie van kale raatliggers. Nadien, in oktober 2016, is aan [geintimeerde] een nieuwe opdracht verstrekt in verband met door [appellante] gewenste aanvullende werkzaamheden. Voor die aanvullende werkzaamheden is geen richtprijs afgegeven door [geintimeerde] . Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd op regiebasis tegen door [geintimeerde] gewoonlijk gehanteerde tarieven.

Subsidiair - voor zover de opdracht van [appellante] tot het verrichten van aanvullende werkzaamheden geldt als gewenste toevoegingen en veranderingen in het overeengekomen werk als bedoeld in artikel 7:755 BW - stelt [geintimeerde] dat [appellante] wist, althans had moeten weten dat een prijsverhoging noodzakelijk was.

Meest subsidiair - voor zover [geintimeerde] geen contractueel recht op betaling zou hebben van haar werkzaamheden - stelt zij dat [appellante] ongerechtvaardigd is verrijkt.

3.2.3

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer houdt, kort gezegd, in dat [appellante] aan haar betalingsverplichtingen jegens [geintimeerde] heeft voldaan omdat zij in het kader van de aannemingsovereenkomst aan [geintimeerde] opdracht heeft gegeven om de complete liggers te fabriceren voor de overeengekomen prijs van

€ 9.000,- welke prijs zij heeft voldaan. Subsidiair betoogt [appellante] dat [geintimeerde] geen recht heeft op meerwerk omdat zij [appellante] niet vooraf in kennis heeft gesteld en de gevorderde meerprijs veel te hoog is gezien de aard en omvang van het werk. Meer subsidiair betoogt [appellante] dat, omdat er dus geen sprake is van een redelijke prijs, deze, als sprake is van regie, niet gevorderd kan worden. Van ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake.

3.2.4

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellante] , kort gezegd, veroordeeld

- om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 42.564,36 in hoofdsom,

- tot betaling van de contractuele rente over de hoofdsom vanaf 29 december 2016 tot de dag der algehele voldoening

- tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 2.848,20,

- in de beslagkosten en de proceskosten

het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.3

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en op nieuw rechtdoende tot afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde] , met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties.

[appellante] heeft tevens veroordeling van [geintimeerde] gevorderd om aan [appellante] te betalen € 61.054,23, met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018, tot aan de dag der algehele voldoening. Dit is het bedrag dat [appellante] ter voldoening aan het vonnis aan [geintimeerde] heeft betaald.

3.4

Met grief 5 nader aangevuld bij pleitnota betwist [appellante] primair de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden. Bij mondelinge overeenkomst van 22 juli 2016 - naar het hof begrijpt doelt [appellante] op de mondelinge overeenkomst van 5 september 2016 op basis van de offerte van 22 juli 2016 - zijn deze, aldus [appellante] , niet van toepassing verklaard. Subsidiair heeft zij de vernietiging van de Metaalunievoorwaarden ingeroepen, omdat deze bij mondelinge overeenkomst van 22 juli 2016 niet ter hand zijn gesteld.

3.5

Het hof verwerpt beide stellingen van [appellante] . In de offerte van 22 juli 2016 zijn Metaalunievoorwaarden van toepassing verklaard en uit het e-mailbericht van 22 juli 2016 blijkt dat de voorwaarden als bijlage zijn bijgevoegd (zie r.o. 3.17). Tussen partijen is niet in geschil dat deze de, als productie 4 bij akte overlegging producties, overgelegde Metaalunievoorwaarden betreffen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze op 22 juni 2016 bij toezending van de offerte van 22 juli 2016 ter hand zijn gesteld. [appellante] beroept zich ten aanzien van de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst op de offerte van 22 juli 2016. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn en dat deze voor het sluiten van de overeenkomst, op 5 september 2016, ter hand zijn gesteld. Grief 5 faalt.

Overeengekomen omvang en prijs van het werk; nieuwe opdracht?; meerwerk?

3.6

Kort samengevat verschillen partijen van mening over de inhoud van de door hen op 5 september 2016 op basis van de offerte van 22 juli 2016 gesloten aannemingsovereenkomst, meer in het bijzonder over de omvang van het daarbij overeengekomen werk. Volgens [geintimeerde] zien de offerte van 22 juli 2016 en de prijs van € 9.000,- enkel op de kale liggers. Zij verwijst daartoe naar de onder inclusief vermelde werkzaamheden: profielen op de gewenste lengte uitgevoerd, samengesteld en afgelast middels een I-naad, uiteinden op maat volgens tekening afgekort en dicht gezet, liggers voorzien van een parabolische toog zoals aangegeven op de tekeningen.

Volgens [appellante] betreffen de offerte van 22 juli 2016 en de prijs van € 9.000,- de gehele omvang van het verrichte werk, mede gebaseerd op de gegevens voor de raatliggers die [geintimeerde] op 7 oktober 2016, 2 november 2016 en 7 november 2017 van [appellante] ontving.

3.7

Het hof stelt het volgende voorop. De betekenis van een omstreden mondelinge overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het concrete geval beslissend, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

3.8

[geintimeerde] betoogt dat wanneer ervan uit moet worden gegaan dat zij bij het opstellen van de offerte van 22 juli 2016 over de tekening behorende bij de e-mail van 15 juli 2016, die als productie 3 bij memorie van grieven is overgelegd, beschikte, deze tekening nauwelijks relevante details bevat en dat zij op basis van de informatie in de e-mails van 15 juli 2016 9.07 uur en van 22 juli 2016 11.54 uur over de volgende informatie beschikte:

1. het betreft 15 raatliggers;

2. het betreft een onbekend aantal liggers van 14500 mm en onbekend aantal liggers van 20000 mm;

3. op de korte liggers sluiten 2 balken aan, zodat een verder onbekend kop- en voetplaat moet worden vervaardigd en gemonteerd;

4. er moeten 4 “platen met een plaat erachter” worden vervaardigd en gemonteerd;

5. op de lange liggers sluiten 5 balken aan, kennelijk zonder eisen;

6. alle liggers moeten gespoten worden.

Uit de aangeleverde tekeningen volgt volgens [geintimeerde] dat het telkens volledig “open” raatliggers zijn. Slechts de randen aan de uiteinden van de raatligger moeten worden dicht gezet. Alle andere raten blijven open. Op basis van die informatie, en hetgeen zij uit de tekeningen heeft afgeleid, heeft [geintimeerde] haar offerte opgemaakt. [geintimeerde] betwist dat de tekening behorende bij de e-mail van 15 juli 2016 (productie 3 bij memorie van grieven) en de tekeningen toegezonden bij e-mail van 22 juli 11:57 informatie geven over het dicht zetten van raten en kopplaten. Het dicht zetten van uiteinden heeft met het dicht zetten van raten niets te doen. De term raat verwijst naar de vorm van zeskantige cellen, deze bevinden zich niet aan het uiteinde van de ligger. [geintimeerde] heeft werkzaamheden (het dicht zetten van raten en het aanbrengen van kopplaten) bewust niet opgenomen, omdat zij daar niets zinnigs over kon zeggen en dus geen prijsberekening op kon maken. De tekeningen toegezonden bij e-mail van 22 juli 2016 11:57 geven daar geen enkele informatie over. Dat geldt ook voor de tekening genoemd in de e-mail van 15 juli 2016. [geintimeerde] heeft slechts het dicht zetten van uiteinden (soms halve raten, maar soms ook vormen die niets met een raat van doen hebben) meegenomen c.q. omschreven in haar offerte en niet het dicht zetten van de eerste volledige raat. [geintimeerde] betoogt dat de gegevens die zij op 7 oktober 2016 ontving de eerste vorm van detaillering was die zij van [appellante] ontving en informatie bevatte die een heel ander licht wierp op de benodigde werkzaamheden om tot het gewenste eindproduct te komen. Zij heeft daar meteen haar verbazing over uitgesproken en daarmee liet zij er geen misverstand over bestaan dat haar offerte slechts zag op het produceren van “kale” liggers en dat het in opdracht uitvoeren van nadere werkzaamheden zou leiden tot hogere kosten voor [appellante] .

3.9

[appellante] betoogt dat kop- en voetplaten bij het uitbrengen van de offerte expliciet door haar waren benoemd en zichtbaar waren op de tekening (in ieder geval op het dak overzicht), zoals op 15 juli 2016 aan [geintimeerde] toegezonden. [appellante] heeft voornoemde tekening als productie 3 bij memorie van grieven overgelegd. De tekening betreft een Plattegrond dak Praxis. Zij stelt dat [geintimeerde] als professioneel producent de gevraagde werkzaamheden op basis van het overzicht van het dak en detailtekeningen waarover deze op 15 juli 2016 beschikte, heeft kunnen inschatten. Volgens [appellante] wordt met het dicht zetten van de uiteinden in de offerte gedoeld op het aanbrengen van kop-/en voetplaten. Ter ondersteuning van dit betoog beroept zij zich op de offertes van 4 november 2014 en 10 november 2016. Beide offertes zijn van [geintimeerde] aan [appellante] .

3.10

Naar het oordeel van het hof vindt het betoog van [appellante] dat met dicht zetten uiteinden in de offerte het aanbrengen van kop-/en voetplaten is bedoeld geen steun in de offertes van 4 november 2014 en 10 november 2016. In de offerte van 4 november 2014 staat “(…) uiteinden lijf beide zijde dichtgezet met plaat(…)”. Volgens [appellante] betreft het een open raat. Het betreft volgens [appellante] andere bewoordingen dan in de offerte van 22 juli 2016. Dat betekent naar het oordeel van het hof evenwel niet dat daarom in de offerte van 22 juli 2016 met dicht zetten uiteinden het aanbrengen van kop-/ en voetplaten is bedoeld. In de offerte 10 november 2016 staat “(…) uiteinden op maat afgekort en 1e en laatste raat dicht gezet ende uiteinden voorzien van een kopplaat (…)”. Volgens [appellante] wordt het dicht zetten van de uiteinden uitsluitend in verband gebracht met het afkorten én het voorzien van een kopplaat. Met [geintimeerde] is het hof van oordeel dat in de offerte van 10 november 2016 een aan te brengen kopplaat, anders dan in de offerte van 22 juli 2016, uitdrukkelijk is genoemd. Ook wanneer er met [appellante] van uit moet worden gegaan dat op de tekening van het dak overzicht kop- en voetplaten zichtbaar waren, dan betekent dat nog niet dat zij ervan uit mocht gaan dat [geintimeerde] daar in haar offerte en prijsstelling rekening mee heeft gehouden. Gezien de door [appellante] als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde e-mail van 15 juli 2016 met bijlage begrijpt het hof dat [appellante] niet heeft beoogd te betogen dat [geintimeerde] op 15 juli 2016 over meer door [appellante] toegezonden tekeningen beschikte. [appellante] stelt zelf dat met [naam 3] , van [geintimeerde] , is besproken dat detailtekeningen nog zullen volgen. [appellante] heeft niet betwist dat [geintimeerde] pas op 7 oktober 2016 de eerste vorm van detaillering ontving. Dat zelfde geldt voor het betoog van [appellante] dat de kop- en voetplaten bij het uitbrengen van de offerte door [appellante] waren benoemd. [appellante] heeft evenmin betwist dat de gegevens die [geintimeerde] op 7 oktober 2016 ontving informatie bevatten die een heel ander licht wierp over de benodigde werkzaamheden om tot het gewenste eindproduct te komen.

3.11

Gezien het voorgaande en de bewoordingen van de offerte heeft [appellante] er naar het oordeel van het hof niet op mogen vertrouwen dat de offerte van 22 juli 2016 en de prijs van € 9.000,- de gehele omvang van het verrichte werk, namelijk complete liggers, conform de gegevens voor de raatliggers die [geintimeerde] op 7 oktober 2016 en op 2 en 7 november 2016 ontving, omvatten.

Naar het oordeel van het hof zien de offerte van 22 juli 2016 en de prijs van € 9.000,- slechts op ‘kale liggers’, zoals in de offerte nader omschreven, te weten profielen op de gewenste lengte uitgevoerd, samengesteld en afgelast middels een I-naad, uiteinden op maat volgens tekening afgekort en dicht gezet, liggers voorzien van een parabolische toog zoals aangegeven op de tekeningen, zoals in de offerte staat.

Uit het voorgaande volgt voorts dat geen sprake is van een nieuwe opdracht. Uit de e-mailwisseling in oktober en november 2016 blijkt immers niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe opdracht. Dat de factuur van 29 november 2016 vermeldt “e-mail opdracht d.d. 22 juli j.l. zonder prijsopgave” wijst ook niet op een nieuwe opdracht. [geintimeerde] betoogt zelf dat de informatie die zij op 7 oktober 2016 en 2 en 7 november 2016 ontving een detaillering betrof.

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat er sprake is van een toevoeging en/of verandering in het op 5 september 2016 overeengekomen werk als bedoeld in artikel 7:755 BW en daarmee van “meerwerk”.

Gezien het voorgaande is bewijslevering door [appellante] dat zij bij de e-mail van 15 juli 2016 een bijlage heeft gevoegd met een Plattegrond dak Praxis niet ter zake dienend. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij.

Bedrag van het meerwerk

3.12

Aangaande het bedrag van het meerwerk oordeelt het hof als volgt.

Volgens [geintimeerde] betreft de factuur van 25 november 2016 het werk volgens de offerte. De factuur van 29 november 2016 betreft de aanvullende werkzaamheden. [appellante] heeft dat niet betwist. [appellante] betoogt evenwel dat het dicht zetten van uiteinden zowel met de factuur van 25 november 2016 als met de factuur van 29 november 2016 in rekening is gebracht. In de factuur van 29 november 2016 is 50 x raat dicht zetten in rekening gebracht. Volgens [appellante] blijk uit de (detail)tekeningen niet dat sprake is van 50 raten in het midden, terwijl de factuur van 25 november 2016 ziet op dicht zetten van uiteinden (raten). Het hof passeert dit betoog. [appellante] stelt niet hoeveel raten in het midden moesten worden dicht gezet. [appellante] heeft voorts de opsomming van [geintimeerde] , bij memorie van antwoord onder 65, van hetgeen volgens [geintimeerde] blijkt uit de tekeningen die [geintimeerde] op 7 oktober 2016 ontving (productie 6 bij memorie van grieven), niet betwist. Uit deze opsomming blijkt dat sprake is van 50 raten. [geintimeerde] betoogt, zoals hiervoor overwogen, dat het dicht zetten aan het uiteinde niet het dicht zetten van een raat betreft. Bij het dicht zetten van een raat gaat het om zeskantige cellen. Deze bevinden zich niet aan het uiteinde van de raatligger. [appellante] heeft niet betoogd dat dit anders is. Dat kop- en voetplaten tweemaal zijn gefactureerd is niet gebleken. Nu [appellante] er niet op mocht vertrouwen dat [geintimeerde] daar in haar offerte en prijsstelling rekening mee heeft gehouden, valt niet in te zien dat deze in de factuur van 25 november 2016 reeds in rekening zijn gebracht. Om dezelfde reden als hiervoor verwerpt het hof het betoog van [appellante] dat het bijbehorende las en boorwerk tweemaal is gefactureerd.

Gezien het voorgaande gaat het hof er van uit dat de omvang van het meerwerk een bedrag van € 42.564,36, de factuur van 29 november 2016, betreft.

Waarschuwing

3.13

Het hof oordeelt dat [geintimeerde] [appellante] niet heeft gewezen op de noodzaak van een uit de gewenste toevoegingen en/of veranderingen voortvloeiende prijsverhoging als bedoeld in artikel 7:755 BW. Ook wanneer er met [geintimeerde] van uit moet worden gegaan dat dat in oktober 2016 niet van haar kon worden verwacht, omdat zij toen nog geen beeld kon hebben van de hoogte van de kosten, omdat detailinformatie tot november 2016 ontbrak, geldt dat het, na ontvangst van de informatie in november 2016, in beginsel wel op de weg van [geintimeerde] lag om [appellante] te waarschuwen voor een prijsverhoging. [appellante] had echter naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen als bedoeld in artikel 7:755 BW. Dat dit het geval was, blijkt ook uit de e-mail van 9 december 2016 van [intern controller] aan [geintimeerde] (zie r.o 3.1.21).

Daarin constateert deze namelijk zelf : (…) Nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken.(…)”.

3.14

[appellante] betwist evenwel dat sprake is van een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 BW. [appellante] heeft niet betwist dat de werkzaamheden opgenomen in de factuur van 29 november 2016 zijn verricht. Zij stelt dat een absurd hoog uurtarief in rekening is gebracht en dat te veel tijd in rekening is gebracht. [geintimeerde] betoogt dat zij de aanvullende werkzaamheden op regiebasis heeft uitgevoerd tegen de door haar gewoonlijk gehanteerde tarieven. [appellante] heeft dat niet betwist. [appellante] stelt dat zij zelf, net als [staalbouw] Staalbouw B.V. en vele andere concullega’s in de markt, voor de bewerkingen zoals in het onderhavige geval uitgevoerd een bedrag van € 38,- tot € 45,- per uur rekent. [appellante] heeft het voorgaande niet onderbouwd en evenmin het betoog van [geintimeerde] dat [appellante] en [staalbouw] Staalbouw B.V. geen producenten van liggers zijn betwist. Bewijslevering dat de door [geintimeerde] gehanteerde uurtarieven niet marktconform zijn is daarom niet aan de orde. Hiervoor is reeds overwogen dat [appellante] niet mocht verwachten dat de offerte betrekking had op het gehele verrichte werk. [geintimeerde] heeft, mede gelet op het voorgaande, niet de verwachting gewekt dat zij vermoedelijk een andere prijs voor de aanvullende werkzaamheden in rekening zou brengen dan een prijs op basis van de tarieven die zij gewoonlijk hanteerde voor op regiebasis uit te voeren aanvullende werkzaamheden als de onderhavige. [appellante] betwist dat 73 uur nodig is voor het boren van 874 gaten, zij stelt dat daar maar 5 uur mee gemoeid is. Voor het boren van een gat is 20 seconden nodig, aldus [appellante] . [geintimeerde] heeft met haar betoog, dat gaten niet lukraak in een ligger worden aangebracht, maar moeten worden uitgemeten aan de hand van de detailtekening en op het juiste formaat moeten worden geboord, voldoende onderbouwd dat daarmee 5 minuten per stuk is gemoeid. [appellante] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de verantwoording van de factuur van 29 november 2016 niet blijkt dat met een kiloprijs is gerekend. Het betoog van [appellante] in eerste aanleg dat de in rekening gebrachte kiloprijs te hoog was, is daarom in hoger beroep niet meer aan de orde is. Gezien het voorgaande en de omstandigheid dat is gesteld noch gebleken dat de factuur van 29 november 2016 overigens onjuistheden bevat of niet redelijk is, oordeelt het hof dat sprake is van een redelijke prijs, die [appellante] kon verwachten.

3.15

Gezien het voorgaande slaagt grief 2 in die zin dat van een nieuwe opdracht niet is gebleken. Het in zoverre slagen van grief 2 kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. De grieven 1, 2 voor het overige en 4 falen.

3.16

Met grief 3 heeft [appellante] zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] heeft erkend dat zij [geintimeerde] een bedrag van € 4.557,99 vanwege extra staal dat is gebruikt verschuldigd is. Met [appellante] is het hof van oordeel dat van een uitdrukkelijke erkenning in de zin van artikel 154 Rv, dat zij aan [geintimeerde] een bedrag van € 4.557,99 voor extra staal verschuldigd is, geen sprake is. Grief 3 slaagt. Dat kan echter niet leiden tot vernietiging van het vonnis waar van beroep. Dat voornoemd bedrag in mindering dient te worden gebracht op de factuur van 29 november 2019 is door [appellante] niet (onderbouwd) betoogd en zou gezien hetgeen hiervoor ten aanzien van de kiloprijs is overwogen ook niet toewijsbaar zijn.

3.17

Gezien het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.

[appellante] heeft veroordeling van [geintimeerde] gevorderd om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 61.054,23, met de wettelijke rente. Dit betreft het bedrag dat [appellante] ter voldoening aan het vonnis aan [geintimeerde] heeft betaald. Nu het hof het vonnis voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen bekrachtigt, zal deze vordering worden afgewezen.

[appellante] zal worden veroordeeld in proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] op € 1.978,- aan griffierecht en op € 3.918,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.W.H. van Wijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2020.

griffier rolraadsheer