Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3687

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
200.248.054_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4500
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partijen verschillen van mening over uitleg van een overeenkomst betreffende de verdeling van de opbrengst van een aandelenoverdracht; bewijsopdracht van de gestelde uitleg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.248.054/01

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

[besloten vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans te Breda,

tegen

[besloten vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. van Oijen te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 28 februari 2018 en 18 juli 2018, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/337497 / HA ZA 17-733)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven (met producties 13 t/m 18);

de memorie van antwoord;

het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

de bij brief van 25 augustus 2020 door [appellante] toegezonden producties 19 en 20, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 18 juli 2018 in r.o. 2.1 t/m 2.8 de feiten vastgesteld waarvan in dit geschil moet worden uitgegaan. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat dit overzicht ook in hoger beroep uitgangspunt is. Naast deze feiten staan nog andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist vast. Het hof geeft daarom hierna een wat uitgebreider overzicht van de relevante feiten.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

Enig aandeelhouder en enig bestuurder van [appellante] is de heer [aandeelhouder/bestuurder 1] (hierna te noemen: [broer 1] ). Enig aandeelhouder en enig bestuurder van [geïntimeerde] is de heer [aandeelhouder/bestuurder 2] (hierna te noemen: [broer 2] ). [broer 1] en [broer 2] zijn broers. [broer 1] en [broer 2] zijn via hun ondernemingen tevens beiden middellijk aandeelhouder en middellijk bestuurder van [Beheer B.V.] (hierna: [Beheer B.V.] ). [Beheer B.V.] is enig aandeelhoudster van [Lederfabriek B.V.] , deze B.V. is op haar beurt enig aandeelhoudster van [Leder B.V.] en [Investeringsmij B.V.] [Beheer B.V.] , [Lederfabriek B.V.] , [Leder B.V.] en [Investeringsmij B.V.] vormen samen een groep vennootschappen (hierna: [Groep 1] ). [Groep 1] exploiteert al meer dan 100 jaar een leerlooierij in [vestigingsplaats] .

3.1.2.

Op 17 maart 2014 heeft [Beheer B.V.] tezamen met [besloten vennootschap A] (hierna: [besloten vennootschap A] ) [besloten vennootschap B] (hierna: [besloten vennootschap B] ) opgericht. [besloten vennootschap A] exploiteert een slachterij in [vestigingsplaats] . [besloten vennootschap A] maakt onderdeel uit van een groep vennootschappen met aan het hoofd de Luxemburgse vennootschap [besloten vennootschap C] . De aandelen in [besloten vennootschap C] worden (middellijk) gehouden door de Luxemburgse vennootschap [besloten vennootschap D] – van wie de (Belgische) familie [familie 1] aandeelhouder is – en de (Nederlandse) familie [familie 2] . De familie [familie 1] is tevens aandeelhouder van de Belgische vennootschap [naamloze vennootschap] , ook een slachterij. Sinds 17 maart 2014 houdt [Beheer B.V.] 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [besloten vennootschap B] en de overige 50% worden gehouden door [besloten vennootschap A] .

3.1.3.

Aangezien zij sinds 2014 aandeelhouders waren van [besloten vennootschap B] , hebben [Beheer B.V.] en [besloten vennootschap A] in april 2015 gesprekken gevoerd over een verdergaande samenwerking tussen [Beheer B.V.] en [besloten vennootschap A] . In dat verband hebben [besloten vennootschap C] en [besloten vennootschap D] aangegeven interesse te hebben in een overname van de door [appellante] en [geïntimeerde] (middellijk) gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van [Beheer B.V.] . Door de overname van de aandelen in [Beheer B.V.] zou [besloten vennootschap B] volledig worden ingelijfd in de [Groep 2] en de slachterijen van deze groepen zouden met de leerlooierij van de [Groep 1] direct een afnemer hebben voor hun huiden.

3.1.4.

Vanaf 2015 hebben [appellante] en [geïntimeerde] gesprekken gevoerd met de (buitenlandse) ondernemingen [besloten vennootschap C] en [besloten vennootschap D] (ten behoeve van de aan hen gelieerde ondernemingen [besloten vennootschap A] , [BVBA] BVBA en [naamloze vennootschap] ) over een overname van de aandelen in [Beheer B.V.] .

3.1.5.

Tussen [broer 1] en [broer 2] is discussie ontstaan over de waarde van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [Beheer B.V.] . Bij e-mail van 13 december 2015 met als onderwerp ‘Voorstel inzake rl/ [besloten vennootschap A] ’ heeft [broer 2] aan [broer 1] en [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] (voorzitter RvC [Beheer B.V.] en adviseur van [Beheer B.V.] ; hierna: [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] ) en [adviseur van geintimeerde] (adviseur van [geïntimeerde] ; hierna: [adviseur van geintimeerde] ) onder meer het volgende geschreven:

“Het is duidelijk dat [broer 1] en ik als 50% aandeelhouder verschillende visies hebben op een potentiële transactie met [besloten vennootschap A] . Waar ik van mening ben dat we met een verkoop voor [Beheer B.V.] van 6 mio een goede deal hebben, is [broer 1] van mening dat 8,2 mio een bedrag is dat meer recht doet aan de potentie van de gecombineerde onderneming. Ik laat even in het midden wat de waarde is die een register valuator aan de aandelen [Beheer B.V.] zou toekennen. Het volstaat voor nu om te concluderen dat afgezien van wat ‘de’ waarde is ieder zijn eigen prive redenen kan hebben om wel of niet te willen verkopen. Voor mij is dat op deze leeftijd niet meer mijn in [Beheer B.V.] aanwezige pensioenvermogen op het spel te zetten, voor [broer 1] speelt de overweging dat als de potentie eruit komt, bijv. bij 50-50 deal van scenario 2, hij uiteindelijk meer dan zijn 50% van zeg even 6 mio uiteindelijk ontvangt met daarnaast de wens [naam 1] een plek te geven in wat ten dele – for the time being – dan nog een familiebedrijf genoemd kan worden. Ook voor wat betreft een evt. verkoop van mijn aandelen aan [broer 1] kunnen we elkaar niet treffen: (…).

Ik wil het volgende voorstellen als compromis om een patstelling te voorkomen:

-de vraagprijs voor [Beheer B.V.] wordt 7,2 mio minus met een due diligence buffer van 200.000. We zijn bereid om uiteindelijk te zakken naar 6,6 mio onder gelijke voorwaarden als dat noodzakelijk mocht zijn maar niet verder. Als ze minder bieden ben ik er mee akkoord dat we de onderhandelingen staken over een verkoop van 100% van [Beheer B.V.] . Als we eruit komen op een bedrag van 6,6 mio of meer ben ik bereid, om de impasse te doorbreken, met 3 mio genoegen te nemen, zij het niet met een warm gevoel. Het meerdere gaat dan naar [broer 1] . (…)

3.1.6.

Bij e-mail van 4 januari 2016 heeft [advocaat] (hierna: [advocaat] , advocaat) aan [broer 1] , [broer 2] , [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] en [adviseur van geintimeerde] het volgende geschreven:

“Ik heb sinds onze bespreking van 21 december in aanwezigheid van [broer 1] , [broer 2] , [adviseur van geintimeerde] , [naam 1] , [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] en ondergetekende wat mails voorbij zien komen en hecht eraan even wat dingen op een rij te zetten.

1)

Ik ben benaderd door [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] om namens (de aandeel-/certificaathouders van) [Beheer B.V.] juridische begeleiding te geven aan het overname-proces met [besloten vennootschap A] . (…)

2)

Ik begreep dat met [besloten vennootschap A] op 15 december een bespreking is gevoerd waarbij partijen in beginsel overeenstemming hebben bereikt over de totstandkoming van de koopsom. Waar [broer 1] aanvankelijk een veel hogere waarde aan de aandelen toekende, is hij uiteindelijk akkoord gegaan met een koopsom van 6,5 miljoen (*). Ook [broer 2] heeft zich – zo begreep ik – in deze koopsom kunnen vinden waar hij weliswaar met een lagere koopsom ook genoegen zou hebben genomen, maar tijdens de bespreking van 15 december ook heeft aangegeven dat het in ieder geval geen € 6,4 miljoen moest zijn (te laag). Aldus is men met [besloten vennootschap A] op 15 december tot een koopsom van € 6,5 miljoen gekomen.

(*.) deze koopsom bestaat uit de volgende componenten”

- eigen vermogen per 31 december 2014 € 4,7 miljoen

- resultaat 2015 € 0,3 miljoen

- belastinglatentie € 0,5 miljoen

- goodwill € 1,0 miljoen

Totaal € 6,5 miljoen

3)

Juist vanwege het verschil in benadering van waardering van de aandelen hebben [broer 1] en [broer 2] onderling afgesproken dat [broer 1] van de koopsom van € 6,5 miljoen een deel van € 3,6 miljoen zal toekomen en [broer 2] een deel van € 2,9 miljoen. Afgezien van het discussiepunt over de waardering van de aandelen is er geen rechtvaardiging voor deze onderlinge verdeling, zo is mij verteld. Deze verdeling is enkel en alleen afgesproken om op deze manier de transactie voortgang te kunnen laten vinden. Iedere betrokkene is hier eigenlijk ongelukkig mee.

4)

Er is vervolgens discussie tussen [broer 1] en [broer 2] ontstaan over de vraag of deze € 6,5 miljoen een harde ondergrens is of niet. (…) [broer 1] is bereid te zakken tot € 6,4 miljoen (die ook [broer 2] – zo begreep ik – in de bespreking van 15 december als te laag had bestempeld). Uitdrukkelijk is aan het einde van de bespreking van 21 december aan de orde geweest en benoemd dat zodra de te realiseren verkoopprijs onder de € 6,4 miljoen zou zakken, dit zowel voor [broer 2] als [broer 1] reden zou kunnen zijn om uit de onderhandeling met [besloten vennootschap A] te stappen. (…)”

3.1.7.

[broer 1] en [broer 2] zijn het in februari 2016 eens geworden over dit voorstel van [broer 2] . Het voorstel is vervolgens door [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] schriftelijk uitgewerkt, waarna [Beheer B.V.] en [geïntimeerde] op 15 juli 2016 de volgende overeenkomst over de verdeling van de koopsom van de aandelen voor de aandelen [Beheer B.V.] gesloten (hierna: de verdelingsovereenkomst):

“Overeenkomst

tussen

[appellante] (“ [appellante] ”)

en

[geïntimeerde] (“ [geïntimeerde] ”)

gezamenlijk aan te duiden als “Partijen”

Overwegende

- dat [appellante] en [geïntimeerde] (indirect) eigenaar zijn van [Beheer B.V.] , ieder voor 50%;

- dat er momenteel onderhandelingen gaande zijn met [besloten vennootschap A] / [BVBA] / [naamloze vennootschap] (“Kopers”) om alle aandelen [Beheer B.V.] met onderliggende deelnemingen aan Kopers te verkopen;

- dat hiertoe een Loi is getekend en een due diligence onderzoek heeft plaatsgehad;

- dat een eerste concept overeenkomst inmiddels is opgemaakt, inclusief een opstelling van de koopsom;

- dat Partijen onderling een afspraak hebben gemaakt over de verdeling van de gehele opbrengst die resulteert uit de overname van [Beheer B.V.] ;

- dat deze verdeling afwijkt van de 50/50 eigendomsverhouding;

Reden waarom Partijen de afspraak dienaangaande bindend wensen vast te leggen in deze Overeenkomst.

1.Koopsom en verdeling

De (bruto) koopsom bestaat uit EV ultimo 2015 + € 1 miljoen Goodwill + 50% Belastinglatentie, of zulke andere formule als Partijen met de Kopers overeen zullen komen.

Uitgangspunt is geweest een EV van tenminste € 5 miljoen, een Goodwill van € 1 miljoen, een Belastinglatentie van € 1 miljoen, hetgeen een bruto opbrengstprijs oplevert van tenminste € 6,5 miljoen.

Van de koopsom van € 6,5 miljoen komt € 3,6 miljoen toe aan [appellante] en € 2,9 miljoen aan [geïntimeerde] . Het positief saldo van de koopsom boven de € 6,5 miljoen komt toe aan [appellante] , zijnde € 40.953.

Het (positieve of negatieve) saldo van correcties uit due diligence en positieve correctie uit rente verdeeld op 50:50 basis. Het negatieve saldo uit DD bedraagt € 8.556 volgens opgave van Kopers.

Volgens opstelling kopers op 29 juni 2016 verdeling

[broer 1] [broer 2]

EV 5.080.361

Goodwill 1.000.000

Bel. Latentie 460.592

(50% van € 921.184)

6.540.953 3.640.953 2.900.000

Correctie DD

(11.408 -/- 2.852)./.2 8.556 -/- 4.278 4.278 -/-

6.532.397 3.636.675 2.895.722

Uitgangspunt bij deze berekening is, dat er niets meer wijzigt in de concept jaarrekening 2015.

2 Verdeling overig

Voor zover er naast afwikkeling van de koopsom onder 1. nog andere (positieve of negatieve) verrekeningen zullen plaatsvinden zal dit geschieden op 50:50 basis. Dit kan betreffen rente over de koopsom, verrekening resultaat tussen 01-01-2016 en 30-06-2016, correcties onder de af te geven garanties.

3 Bijzondere afspraak [naam 1]

Indien [naam 1] vóór 31-12-2017 op initiatief van de werkgever gedwongen en anders dan om dringende redenen uit dienst treedt bij [Leder B.V.] of bij de groep waartoe [Leder B.V.] behoort of zal behoren, zal [appellante] aan [naam 1] een compensatie vergoeden van (bruto) € 94.000,00, verminderd met de bruto vergoeding die door de werkgever wordt betaald aan [naam 1] (transitievergoeding of anderszins), resulterend in “de Compensatie” .

[geïntimeerde] zal in voorkomend geval 50% van de compensatie voor zijn rekening nemen.

Als zich dit voordoet zal bij de afwikkeling rekening gehouden worden met een fiscaal zo gunstig mogelijke oplossing.

Voor de goede orde: tussen partijen staat expliciet vast dat de positie van [naam 1] geen deal-breaker zal zijn.

4 Volledige overeenkomst

Deze overeenkomst omvat de volledige en enige afspraak met betrekking tot de verdeling van de koopsom en overige kosten en opbrengsten. Andere afspraken, zowel mondelinge als die welke zijn vastgelegd in mailverkeer, documenten of anderszins, komen hiermee te vervallen.

(…)”

3.1.8.

Eind juli 2016 hebben [besloten vennootschap C] en [besloten vennootschap D] de beoogde transactie (hierna ook te noemen: de [Groep 2] of [besloten vennootschap A] deal) geannuleerd.

3.1.9.

Bij e-mail van 7 december 2016 heeft [broer 1] aan onder meer [broer 2] en [broer 3] (broer van [broer 1] en [broer 2] ), voor zover relevant, het volgende geschreven:

“5. Scenario’s

Na het afblazen van de deal door [besloten vennootschap A] , was het duidelijk dat we een andere (strategische) partner wilden vinden, in ieder geval voor het 50% pakket [broer 2] .

[naam 1] wil graag doorgaan, met de intentie om het aandelenpakket van mij te kopen en bij voorkeur met een andere investeerder/partner het gehele aandelenpakket [Beheer B.V.] te kopen. Een en ander moet wel financierbaar en realistisch blijven.

Er spelen nu concreet twee scenario’s:

5.1.

[besloten vennootschap D] / [naamloze vennootschap]

De 50% aandeelhouder van [Groep 2] / [besloten vennootschap A] heeft aangegeven dat hij wil nadenken over koop aandelenpakket [broer 2] . In dit scenario zullen [lid familie 1] (hof: van [besloten vennootschap D] ) en [naam 1] / [broer 1] nader overleg willen hebben over voorwaarden waarop en besluitvormingsproces.

Tevens heeft [lid familie 1] aangegeven dat een tweede optie kan zijn een deel van [broer 1] ’s pakket te willen kopen. Idemdito!

Zijn derde scenario: 100% [Beheer B.V.] kopen: dinsdag 6/12 wil hij hierover overleg plegen met [besloten vennootschap A] . (terug n/ oorspronkelijk scenario van begin augustus: een overname som van € 6,5 mio, vaststellen van de overnamedatum, vastleggen van de verrekening 2016 ( rente of netto resultaat)en addenda contracten [broer 2] en [naam 1] .

In dit scenario blijven de siteletter [broer 2] / [broer 1] en de financiële regeling wel van kracht.”

3.1.10.

In juni 2017 heeft [besloten vennootschap D] (hierna: [besloten vennootschap D] ) [appellante] en [geïntimeerde] benaderd om te onderhandelen over een overname van de aandelen in [Beheer B.V.] , dit keer zonder [besloten vennootschap C] .

3.1.11.

Bij e-mailbericht van 14 juni 2017 van 10.39 uur heeft [broer 1] aan onder meer [naam 2] (van [bedrijfsnaam] hierna: [naam 2] ), [broer 2] , [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] en [adviseur van geintimeerde] een memo gestuurd, ter voorbereiding op de bespreking met [besloten vennootschap D] een dag later. In deze e-mail heeft [broer 1] onder meer geschreven:

“7. Overeenkomst [broer 2] en [broer 1]

Ingeval de overname gaat plaatsvinden op de voorwaarden ed. zoals vorig jaar in een ver stadium overeengekomen, treedt de overeenkomst dd 15/7/16 welke [broer 2] en [broer 1] getekend hebben, in werking.”

[geïntimeerde] heeft aan de adviseur van de vennootschap ( [naam 2] , hof) laten weten dat de verdelingsovereenkomst van 15 juli 2016 niet geldt voor de mogelijk nieuwe transactie met [besloten vennootschap D] .

3.1.12.

[naam 2] heeft bij e-mail van 14 juni 2017 om 21.12 het volgende geschreven:

“Heren,

Vandaag werd ik verrast door het feit dat er mogelijk een verschil van inzicht bestaat tussen jullie omtrent de verdeling van de mogelijke verkoopopbrengst bij verkoop aan familie [familie 1] . Mogelijk kunnen we dit verschil van inzicht morgenochtend oplossen. Een gesprek morgenmiddag met [familie 1] heeft naar mening geen zin indien vooraf geen duidelijkheid bestaat over de verdeling van een mogelijke verkoopopbrengst. (…)

Ik veronderstel dat jullie met mij van mening zijn dat mijn opdracht namens jullie beiden is verstrekt en ik geen rol heb bij de individuele belangenbehartiging van aandeelhouders van [Beheer B.V.] . Dwz dat ik geen rol heb in de discussie tussen jullie beiden. Niettemin ben ik uiteraard bereid om morgenochtend met elkaar van gedachten te wisselen om deze vermeende discussie te slechten. (…)”

3.1.13.

[broer 1] heeft daarop bij e-mail van 14 juni 2017 om 21.47 uur als volgt gereageerd:

“ [naam 2] ,

Het is precies wat je zegt: jouw opdracht omvat het slagen van de deal.

Dus overleg met [lid familie 1] kan prima doorgaan.

Als blijkbaar [broer 2] de mening is toegedaan dat nu de overeenkomst, gesloten dd 15/7/16 niet meer geldt, zullen we dit nadien moeten uitvechten, one way or the other.

Morgen is het zaak een goede deal te realiseren op een prijs die beider akkoord heeft.

Het leek me nuttig in mijn hedenochtend verzonden uitvoerige mail (hof: zie r.o. 3.1.9) wel deze overeenkomst te benoemen ,enerzijds omdat jij daar nog geen kennis van had van anderzijds omdat dat gaat spelen zodra er een deal is met [naamloze vennootschap] op de voorwaarden van de (bijna) deal van afgelopen jaar. (…)”

3.1.14.

Op 15 juni 2017 is tussen [appellante] en [geïntimeerde] enerzijds en [besloten vennootschap D] anderzijds een principeovereenkomst koop-verkoop [Beheer B.V.] gesloten. Daarin staat:

“Het volgende wordt hierbij voor definitief akkoord overeengekomen:

- De grondslagen voor de overeengekomen prijs, luiden als volgt:

o EV [Beheer B.V.] geconsolideerd per 31/12/2016.

o Het aandeel in het verlies van [besloten vennootschap B] over 2014, wordt in mindering op het EV gebracht.

o Het aandeel in het verlies van [besloten vennootschap B] over 2015 en 2016 werden reeds verrekend in het EV per 31/12/2016.

o Goodwill van 1,6 mio euro.

o 100% koopsom wordt op een geblokkeerde rekening geplaatst, waarvan 2/3e binnen 14 dagen na ondertekening van de definitieve notariële overeenkomst vrijkomt.

o 1/3e na 12 maanden na ondertekening, hieruit kunnen aansprakelijkheden uit hoofde van verleende garanties worden verrekend die binnen de 12 maanden na ondertekening van de definitieve notariële overeenkomst opkomen.

(…)

Er wordt zo snel mogelijk een DDO uitgevoerd, uiterlijk af te ronden binnen de 2 maanden na ondertekening van de definitieve notariële overeenkomst.

De juridische documenten (met als basis het concept van 29/06/2016) welgekend door de Verkoper, zullen door [naam 3] worden bezorgd. In deze tekst worden geen substantiële en materiële wijzigingen aangebracht (met uitzondering van de Koper). (…)”

3.1.15.

[voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] heeft in een e-mail van 19 juni 2017 aan [broer 1] en [broer 2] het volgende meegedeeld:

“ [broer 2] vroeg mij de laatste “caféafspraak” toe te sturen.

Ik stuur jullie beiden het volgende toe:

  • -

    Afspraak zoals door mij op verzoek van jullie opgesteld. De laatste versie is van 15 juli 2016, hieronder in Word en PDF.

  • -

    Kopie van het mailverkeer van 14 en 15 juli 2016 (o.a. met [naam 4] )

(opmerking hof: genoemde bijlagen maken geen deel uit van de overgelegde productie)

Ik weet niet of het uiteindelijk getekend is door jullie.

Zoals de mail van [naam 4] laat zien, doet dat er niet werkelijk toe, als jullie het eens waren.

Na de (positieve) mails van 15 juli 2016 heb ik er volgens mij niets meer over vernomen.

De overeenkomst is indertijd (logischerwijze) geheel toegespitst op de deal met [besloten vennootschap A] , hetgeen bijvoorbeeld heel duidelijk in de cijfers naar voren komt.”

3.1.16.

Op 29 juni 2017 is tussen [appellante] en [geïntimeerde] als verkopers en [besloten vennootschap D] als koper een koopovereenkomst inzake de verkoop en levering van de aandelen van [Beheer B.V.] tot stand gekomen voor de koopprijs van € 6.463.000,00. In artikel 3.2 van de koopovereenkomst is overeengekomen - conform de principeovereenkomst - dat de notaris binnen 14 dagen na het verlijden van de notariële akte van levering van de Aandelen 2/3e deel van de overeengekomen koopprijs aan [appellante] en [geïntimeerde] overmaakt, ieder voor de helft (zijnde € 2.154.000,00), hetgeen ook is gebeurd. Het restant van de koopsom is op 14 juli 2018 door de notaris uitgekeerd.

3.1.17.

Bij brief van 13 juli 2017 heeft de (toenmalige) advocaat van [appellante] [geïntimeerde] verzocht om voor 19 juli 2017 schriftelijk te bevestigen dat zij de overeenkomst zonder voorbehoud zal nakomen. Daarvoor is in de brief het volgende aangevoerd:

“De afspraken ten aanzien van de verdeling van de koopsom bij de voorgenomen verkoop van [Beheer B.V.] zoals door u beiden neergelegd in de overeenkomst van 15 juli 2016 tussen [appellante] en [geïntimeerde] gelden nog steeds, omdat die overeenkomst nimmer is ontbonden of opgezegd.

Ik wijs erop dat de inhoudelijke uitgangspunten voor de overeenkomst van 29 juni 2017 dezelfde zijn als die voor de voorgenomen overeenkomst van juli 2016. Verder wijs ik er op dat recente onderhandelingen in juli 2017 zo snel tot resultaat hebben geleid omdat alle basis voorwaarden in 2016 al afgehandeld waren – o.a. geen letter of intent meer, geen uitgebreid due diligence vooraf etc.

Door [broer 1] is tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst van 29 juni 2017 herhaaldelijk gerefereerd aan de in juli 2016 voorgenomen overeenkomst en de voor [appellante] geldende condities als vastgelegd in de overeenkomst van 15 juli 2016.

.

Duidelijk is daarmee voor u steeds geweest wat de voorwaarden waren van [broer 1] voor het sluiten van de overeenkomst van 29 juni 2017; sterker nog: dat de overeenkomst van 15 juli 2016 onverminderd gelding had toen u akkoord ging met de overeenkomst van 29 juni 2017.

U heeft er althans niet vanuit kunnen of mogen gaan dat [broer 1] op enigerlei wijze medewerking heeft willen verlenen of heeft verleend heeft aan de beëindiging van de overeenkomst van 15 juli 2016.”

3.1.18.

Vervolgens heeft de (toenmalige) advocaat van [appellante] bij brief van 21 juli 2017 [geïntimeerde] gesommeerd om een bedrag van € 350.000,00 te voldoen, met verwijzing naar de verdelingsovereenkomst van 15 juli 2016. [geïntimeerde] heeft betaling geweigerd.

3.1.19.

Bij e-mail van 16 september 2017 heeft [bedrijfseconoom] (hierna: [bedrijfseconoom] ; bedrijfseconoom en register valuator) aan [broer 1] onder meer het volgende geschreven:

“De insteek van jouw advocaat zou moeten zijn, dat jullie een verdeling hebben afgesproken ter overbrugging van het grote verschil van mening over de waarde van het bedrijf ( [broer 1] € 8 mln ->water in wijn: € 7,2 mln, [broer 2] €6,0 mln->later 5,8 miljoen). Om jou bereid te krijgen om tot een overname over te gaan ( [broer 2] wilde dat heel graag, [broer 1] zat op spoor van zelfstandig verder gaan met [naam 1] ) is de verdeling 55% [broer 1] – 45% [broer 2] afgesproken. Voorgaande staat los van met wie de transactie wordt aangegaan ( [besloten vennootschap A] – [naamloze vennootschap] – [naam 5] – anderszins).”

3.1.20.

Op 27 augustus 2018 zijn [appellante] en [geïntimeerde] gedagvaard door [besloten vennootschap D] en [Beheer B.V.] en zij hebben gevorderd dat (samengevat) [appellante] en [geïntimeerde] worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van

€ 1,165.945,00 vanwege door hen gemaakte inbreuken op de in de koopovereenkomst neergelegde garanties. Deze procedure is in 2020 door een onderlinge regeling geëindigd.

3.2.1.

[appellante] heeft bij dagvaarding van 25 oktober 2017 [geïntimeerde] in rechte betrokken en, kort samengevat, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot nakoming van haar verplichtingen uit de verdelingsovereenkomst en dus tot betaling een bedrag van € 350.000,00, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer komt, kort samengevat, erop neer dat de verdelingsovereenkomst uitsluitend gold voor de beoogde [Groep 2] deal uit 2016. Aangezien deze aandelenoverdracht geen doorgang heeft gevonden, is daarmee de in de overeenkomst van 15 juli 2016 vastgelegde wijze van verdeling van de koopsom eveneens van de baan.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 28 februari 2018 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 27 juni 2018 heeft plaatsgevonden.

3.2.4.

In het eindvonnis van 18 juli 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de vraag voor ligt of de verdelingsafspraak van 15 juli 2016 van toepassing is op de deal met [besloten vennootschap D] in 2017 en dat de standpunten van partijen nopen tot uitleg van de verdelingsovereenkomst voor zover het de afspraken over verdeling betreft. Nadat de rechtbank heeft aangegeven dat de uitleg daarvan dient te geschieden aan de hand van (kort gezegd) de Haviltex-maatstaf, heeft de rechtbank (samengevat) geoordeeld:

- dat partijen in de processtukken en ter zitting geen melding hebben gemaakt van verklaringen en/of gedragingen voorafgaand aan of ten tijde van de totstandkoming van de verdelingsafspraak die kunnen bijdragen aan de uitlegging daarvan, zodat enkel de tekst van de verdelingsafspraak ten dienste staat bij de vraag van uitleg (r.o. 4.3 en 4.4);

- dat in de verdelingsovereenkomst [besloten vennootschap A] , [BVBA] en [naamloze vennootschap] tezamen als ‘Kopers’ worden genoemd, dat in de overeenkomst staat dat een Letter of Intent is opgesteld, een due diligence onderzoek heeft plaatsgevonden en dat een eerste concept overeenkomst is opgemaakt ten behoeve van déze deal, dat bovendien in artikel 1 van de verdelingsafspraak de “Koopsom’ uitgebreid is gespecificeerd en dat in artikel 2 een bepaling is opgenomen voor toekomstige verrekeningen over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 en dat in artikel 3 een bijzondere afspraak is opgenomen voor de (arbeidsrechtelijke) positie van de zoon van [broer 1] tot 31 december 2017 (r.o. 4.4).

De rechtbank heeft verder erop gewezen (r.o. 4.4) dat de tekst is toegespitst op de toen voorliggende deal en dat bewoordingen die duiden op een verdere strekking ontbreken.

Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat de tekst van de overeenkomst geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat partijen redelijkerwijs moesten begrijpen dat de afspraken in de verdelingsovereenkomst verder strekken dan de [Groep 2] deal en dat zij een dergelijke verderstrekkende betekenis daaraan moesten toekennen, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat aandeelhouders aanspraak hebben op een koopsom naar rato van hun aandelenpakket en dat afwijkingen hiervan bijzonder zijn en wilsovereenstemming vergen die voor beide partijen op duidelijke wijze tot uitdrukking is gebracht.

Daarop heeft de rechtbank de vordering van [Beheer B.V.] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het vonnis van 18 juli 2018 aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Er zijn geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 28 februari 2018, zodat [appellante] in het hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.4.

Met deze grieven ligt het geschil in volle omvang ter beoordeling voor. Het hof zal hierna zo nodig op de afzonderlijke grieven ingaan.

3.5.

Partijen verschillen van mening over de uitleg c.q. werkingsomvang van de door hen op 15 juli 2016 gesloten verdelingsovereenkomst, meer in het bijzonder leggen zij de daarin neergelegde betalingsafspraak verschillend uit.

[appellante] stelt zich primair op het standpunt dat deze verdelings-overeenkomst absolute werking heeft, in die zin dat de gemaakte betalingsafspraak van toepassing is op iedere overdracht van de aandelen van [Beheer B.V.] . Subsidiair stelt zij dat deze overeenkomst ook geldt voor de [besloten vennootschap D] deal, aangezien deze overeenkomst inzake de overdracht van de aandelen grotendeels overeenkomt met de afgeketste [Groep 2] deal.

[geïntimeerde] betwist gemotiveerd dat de verdelingsovereenkomst absolute werking heeft. Zij stelt daartoe dat die overeenkomst zich uitdrukkelijk beperkt tot de [Groep 2] deal uit 2016 en dat door het niet doorgaan van deze deal daarmee ook de overeenkomst is ophouden te bestaan.

3.6.

Ingeval partijen van mening verschillen over de uitleg van een overeenkomst dan kan de betekenis daarvan niet op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de gebruikte bewoordingen worden vastgesteld, maar dan dient de rechter de betekenis daarvan (mede) vast te stellen aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen.

3.7.

De rechtbank heeft terecht deze maatstaf vooropgesteld, maar heeft, zoals hiervoor overwogen, vervolgens geconcludeerd dat partijen noch in de processtukken noch ter zitting melding hebben gemaakt van verklaringen en/of gedragingen van partijen voorafgaand aan of ten tijde van de totstandkoming van de verdelingsafspraak die kunnen bijdragen aan de uitlegging daarvan. Zoals hierna zal blijken, hebben beide partijen wel degelijk ter onderbouwing van hun vordering c.q. verweer gewezen op feiten en omstandigheden, waaronder verklaringen en gedragingen als hiervoor bedoeld, die bij de uitleg van de overeenkomst van belang kunnen zijn. Grief 1, die tegen deze overweging is gericht, slaagt dan ook. Dat betekent echter nog niet dat het vonnis moet worden vernietigd.

Het hof zal aan de hand van de door partijen gestelde en met stukken onderbouwde feiten en omstandigheden de verdelingsafspraak in overeenstemming met de hiervoor vermelde maatstaf dienen uit te leggen.

3.8.

[appellante] heeft in eerste aanleg - en herhaald bij memorie van grieven - ter onderbouwing van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

- de onderliggende intenties van [broer 1] en [geïntimeerde] waren principieel c.q. fundamenteel van aard: [broer 1] was op basis van met deskundige hulp gemaakte berekeningen van mening dat de aandelen van [Beheer B.V.] een waarde vertegenwoordigden van € 8.200.000,00 en hanteerde vanwege het feit dat [besloten vennootschap B] nog geen winst realiseerde een ondergrens van € 7.200.000,00, zodat hij tenminste € 3.600.000,00 voor zijn (middellijk gehouden) belang in [Beheer B.V.] zou ontvangen, terwijl [broer 2] per se zijn aandelenbelang in [Beheer B.V.] wilde overdragen om te kunnen stoppen met werken en om die reden wilde [broer 2] akkoord gaan met het initiële bod van € 6.000.000,00;

- toen [Groep 2] en [besloten vennootschap D] niet meer wilden betalen dan € 6.500.000,00 heeft [broer 2] om de impasse te doorbreken in zijn e-mail van 13 december 2015 voorgesteld om af te wijken van de verdeling van de koopsom naar rato van ieders aandeelbelang en aangegeven dat hij akkoord gaat met € 2.900.000,00 zodat [broer 1] zijn ondergrens van € 3.600.000,00 zou ontvangen (zie hiervoor r.o. 3.1.5);

- [broer 2] wist dat [besloten vennootschap D] zowel in de in 2016 voorliggende transactie als in de transactie die in 2017 tot stand is gekomen – materieel gezien – de kopende partij was;

- volgens de inhoud van de koopovereenkomst van 29 juni 2017 is de inhoud van de concept koopovereenkomst uit 2016 als uitgangspunt genomen bij het opstellen van de (definitieve) koopovereenkomst met [besloten vennootschap D] en is slechts het eigen vermogen geactualiseerd naar de stand van eind 2016. [broer 2] wist dus dat de overeenkomst van 2017 identiek is aan de beoogde overeenkomst uit 2016, met dien verstande dat de overeenkomst is geactualiseerd;

- op grond van de e-mail van 14 juni 2017 wist [broer 2] vóór de aandelenoverdracht dat [broer 1] nakoming van de verdelingsovereenkomst verlangde;

- een e-mailbericht van [bedrijfseconoom] van 16 september 2017 aan [broer 1] (zie r.o. 3.1.15) waarin onder meer staat: “Om jou bereid te krijgen om tot overname over te gaan ( [broer 2] wilde dat heel graag, [broer 1] zat op spoor zelfstandig verder gaan met [naam 1] ) is de verdeling 55% [broer 1] – 45% [broer 2] afgesproken. Voorgaande staat los van met wie de transactie wordt aangegaan (…)”.

Bij memorie van grieven heeft [Beheer B.V.] zich voorts nog beroepen op het gespreksverslag van de aandeelhoudersvergadering van 8 januari 2016. Naar het hof begrijpt is dit verslag opgesteld door [bedrijfseconoom] en daarin staat op p. 1/2:

“ [broer 1] geeft aan, dat hij niet lager wil gaan dan de € 3,55 mln (€ 3,6 – 0,5 x 100K afwijking due diligence) en dat de directiepositie van [naam 1] een voorwaarde is. [broer 2] wil zich niet vooraf vastleggen op zijn ondergrens en eerst afwachten wat er uit de due diligence komt, (…)”.

3.9.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft [Beheer B.V.] de gestelde omstandigheden nader uitgewerkt. Daarbij is opgemerkt dat uit het e-mailbericht van [broer 1] van 7 december 2016 (zie r.o. 3.1.9) blijkt dat de gesprekken met [besloten vennootschap D] (familie [familie 1] ) steeds zijn blijven voortduren en er dus sprake is geweest van een voortdurend onderhandelingsproces. Daarom kan niet gezegd worden dat de onderhandelingen die aanvankelijk met [besloten vennootschap D] en [Groep 2] zijn gevoerd en die hebben geleid tot de conceptkoopovereenkomst van 29 juni 2016 een op zichzelf staand traject is geweest en dat dat traject met het afblazen van de onderhandelingen volledig is afgesloten. Het afblazen van de onderhandelingen is een fase geweest in het totale onderhandelingstraject dat uiteindelijk heeft geleid tot de transactie van juli 2017, aldus [appellante] .

Verder is namens [appellante] opgemerkt dat in 2020 – dus na de memorie van grieven en memorie van antwoord - door [appellante] en [geïntimeerde] met [besloten vennootschap D] een schikking is getroffen waarbij [geïntimeerde] € 100.000,00 méér heeft betaald aan [besloten vennootschap D] dan [appellante] en aldus wederom is afgeweken van een 50%/50%-verdeling.

3.10.

[geïntimeerde] heeft in het kader van haar betwisting van de door [appellante] verdedigde uitleg van de verdelingsovereenkomst gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

a. a) de tekst van de verdelingsovereenkomst van 15 juli 2016, opgesteld door [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] , waaruit blijkt dat de afspraak specifiek toezag op de desbetreffende transactie: er wordt expliciet verwezen naar gesprekken met [besloten vennootschap A] / [BVBA] / [naamloze vennootschap] als kopers en de naam van [besloten vennootschap D] wordt niet genoemd. De koopsom wordt in de overeenkomst gespecificeerd, waarna wordt afgesloten met:

“Deze overeenkomst omvat de volledige en enige afspraak met betrekking tot de verdeling van de koopsom en overige kosten en opbrengsten.”

Indien [Beheer B.V.] het wenselijk had geacht dat de verdelingsafspraak ook zou gelden voor toekomstige transacties, dan had dat in de overeenkomst moeten worden opgenomen. Dat de afspraak alleen toezag op de [besloten vennootschap A] -deal wordt bevestigd door [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] in zijn e-mail van 19 juni 2017:

“De overeenkomst is indertijd (logischerwijze) geheel toegespitst op de deal met [besloten vennootschap A] , hetgeen bijvoorbeeld heel duidelijk in de cijfers naar voren komt,”

b) de overeenkomst in 2017 is met een andere partij tot stand gekomen

c) de samenstelling van de koopsom van de [besloten vennootschap D] -deal wijkt aanzienlijk af van de samenstelling van de koopsom bij de [besloten vennootschap A] -deal: bij laatstgenoemde deal werd uitgegaan van een eigen vermogen per ultimo 2015 van € 5.080.361,00, een goodwill van € 1.000.000,00 en een belastinglatentie van € 460.592.00. Op basis van het reeds uitgevoerde due diligence zou een correctie dienen plaats te vinden van € 8.556,00, waarna een koopsom resteerde van € 6.532.397,00. De berekening van de koopsom bij de [besloten vennootschap D] -deal was geheel anders. Waar in de [besloten vennootschap A] -deal het aandeel in het verlies van [besloten vennootschap B] voor rekening van koper zou komen, dienden die verliezen bij de [besloten vennootschap D] -deal in mindering te strekken op het eigen vermogen van [Beheer B.V.] , hetgeen een aanzienlijke verlaging van de koopsom met zich bracht. [besloten vennootschap D] bleek bereid een goodwill te betalen van € 1.600.000,00, dus ruim

€ 600.000,00 meer dan in de [besloten vennootschap A] -deal. [besloten vennootschap D] betaalde in tegenstelling tot [Groep 2] geen vergoeding voor de belastinglatentie. Daarnaast week de [besloten vennootschap D] -deal op de volgende punten af van de [besloten vennootschap A] -deal:

 in de [besloten vennootschap A] -deal was geen sprake van een escrowbedrag;

 bij de [besloten vennootschap A] -deal was reeds een due diligence onderzoek verricht en bij de [besloten vennootschap D] -deal diende dat binnen twee maanden na het notariële transport van de aandelen plaats te vinden;

 de winst over het lopende boekjaar was bij de [besloten vennootschap D] -deal geen onderwerp van bespreking meer: er werd geleverd per balansdatum 31 december 2016 en de gerealiseerde winst over 2017 was voor rekening van de koper;

 indien de uitgangspunten van de [besloten vennootschap A] -deal zouden zijn gelegd op de besprekingen met [besloten vennootschap D] dan zou bij de [besloten vennootschap D] -deal de koopsom

€ 900.000,00 hoger zijn geweest.

Dat de koopsom van de [besloten vennootschap A] -deal en de [besloten vennootschap D] -deal zo dicht bij elkaar liggen is puur toeval.

d) de positie van [naam 1] : bij de [besloten vennootschap A] -deal was overeengekomen dat de positie van [naam 1] geen breekpunt zou zijn, maar het feit dat [broer 1] heeft aangegeven dat hij van de [besloten vennootschap D] -deal zou hebben afgezien indien hij zou hebben geweten dat de positie van [naam 1] niet gewaarborgd was, toont aan dat [broer 1] zich bij het aangaan van de uiteindelijke transactie niet gebonden voelde aan de verdelingsovereenkomst;

e) de achterliggende feiten en omstandigheden van beide deals zijn ten aanzien van de waarde bepaling van [Beheer B.V.] totaal verschillend: hoewel de koopsom van beide transacties redelijk dicht bij elkaar in de buurt komt is sprake van twee geheel verschillende deals tussen verschillende partijen op basis van verschillende uitgangspunten en verschillende inzichten bij zowel de koper als de verkopers;

f) [geïntimeerde] en [voorzitter RvC/adviseur Beheer B.V.] hebben expliciet aangegeven dat de verdelingsovereenkomst niet van toepassing was en [appellante] heeft in ieder geval het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat standpunt te delen, zodat [broer 1] rechtens geen andere heeft aanspraak op verdeling van de koopsom dan op basis van 50/50.

3.11.

Het uitleggen van de verdelingsovereenkomst houdt in dit geval in dat de betekenis, die in verband met de omstandigheden van het concrete geval redelijkerwijs door [broer 1] en [broer 2] aan elkaars verklaringen en/of gedragingen mocht worden gehecht, door het hof moet worden vastgesteld. Daarbij gaat het niet alleen om verklaringen en/of gedragingen van [broer 1] en [broer 2] voorafgaand aan of bij de totstandkoming van de verdelingsovereenkomst. Voor de aan de verdelingsovereenkomst te geven uitleg kunnen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na het sluiten van de verdelingsovereenkomst, waaronder gedragingen van [broer 1] en [broer 2] , van belang zijn (zie o.a. HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2651 en HR 18 september 2015:ECLI:NL:HR:2015:2741). In de kern gaat het bij deze uitleg om beantwoording van de vraag of de verdelingsovereenkomst, meer in het bijzonder de daarin gemaakte, afwijkende betalingsafspraak, ook van (overeenkomstige) toepassing is op de [besloten vennootschap D] -deal.

3.12.

Het hof is van oordeel dat in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] [appellante] op grond van de door haar gestelde feiten en omstandigheden mede gelet op de door beide partijen en/of hun adviseurs gewisselde e-mailberichten en overgelegde schriftelijke stukken niet is geslaagd in het bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de verdelingsafspraak. Het hof is vooralsnog van mening dat zowel voor het standpunt van [appellante] als voor het standpunt van [geïntimeerde] wat te zeggen valt. Eerst bij pleidooi in hoger beroep is de getroffen minnelijke regeling met [besloten vennootschap D] en [Beheer B.V.] gememoreerd alsmede de wijze waarop het door [appellante] en [geïntimeerde] te betalen bedrag door hen onderling zou zijn verdeeld.

3.13.

Aangezien [appellante] zich op deze uitleg beroept, rust de bewijslast daarvan op haar. In overeenstemming met haar bewijsaanbod wordt zij in de gelegenheid gesteld tot het bewijs daarvan en wel als volgt.

Laat [appellante] toe te bewijzen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de verdelingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat

I deze absolute werking heeft in die zin dat de overeengekomen verdeling van de opbrengst van de aandelenoverdracht van (overeenkomstige) toepassing is op iedere overdracht van de aandelen in Rompa [Beheer B.V.] , ongeacht wie de koper is;

dan wel

II de overeengekomen verdeling van de opbrengst van de aandelenoverdracht ook op een deal met [besloten vennootschap D] van (overeenkomstige) toepassing is omdat die grotendeels overeenkomt met de [Groep 2] -deal.

3.14.

Wat de tweede bewijsopdracht betreft, merkt het hof op dat [appellante] niet alleen dient te bewijzen dat de verdelingsovereenkomst van (overeenkomstige) toepassing is op de deal met [besloten vennootschap D] , maar ook dat de [besloten vennootschap D] deal grotendeels overeenkomt met de [Groep 2] -deal. [appellante] baseert haar subsidiaire standpunt immers op de omstandigheid dat beide overeenkomsten grotendeels overeenkomen. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist (zie hiervoor r.o. 3.10), zodat dit niet vaststaat. Daarom dient [appellante] dit eveneens te bewijzen.

3.15.

Ervan uitgaande dat [appellante] bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, wordt de zaak voor opgave verhinderdata van de getuigen, partijen en hun advocaten naar de rol verwezen. Ingeval zij tevens schriftelijk bewijs wenst te leveren, dient zij schriftelijke stukken - zoals stukken waaruit de gestelde onderlinge verdeling van de betaling van de in 2020 met [besloten vennootschap D] getroffen schikking en/of stukken waaruit de gestelde overeenkomst tussen de [besloten vennootschap D] deal en [Groep 2] deal blijkt - op voorhand aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te zenden.

3.16.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

Laat [appellante] toe te bewijzen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de verdelingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat

I deze absolute werking heeft in die zin dat de overeengekomen verdeling van de opbrengst van de aandelenoverdracht van (overeenkomstige) toepassing is op iedere overdracht van de aandelen in [Beheer B.V.] , ongeacht wie de koper is;

dan wel

II de overeengekomen verdeling van de opbrengst van de aandelenoverdracht ook op een deal met [besloten vennootschap D] van (overeenkomstige) toepassing is omdat die grotendeels overeenkomt met de [Groep 2] -deal.

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.W. Vermeulen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 12 januari 2021 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) voor de maanden februari tot en met juli 2021;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat ieder van partijen het schriftelijk bewijs dat zij wil bijbrengen uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.W.H. van Wijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2020.

griffier rolraadsheer