Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3684

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
200.232.708_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia; art.1:88 jo. art. 1:89 BW aanvang verjaringstermijn; en/of rekening tegenbewijs niet geleverd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.232.708/01

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 april 2020 in het hoger beroep van het vonnis van 19 oktober 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 april 2020;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 30 september 2020.

Partijen hebben afgezien van memories na enquête. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat de echtgenote van [appellant] vanaf de ontvangstdatum (in of omstreeks juni 1997 respectievelijk oktober 1997) van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] staan vermeld, althans vóór 13 maart 2000, daadwerkelijk bekend was met het bestaan van die overeenkomsten. Het hof had dit feit voorshands bewezen geacht op grond van het feit dat de betalingen aan en van Dexia in het kader van deze overeenkomsten van begin af aan hebben plaatsgevonden vanaf respectievelijk naar een bankrekening die was gesteld op naam van [appellant] en diens echtgenote, een zogeheten en/of-rekening.

6.2.

Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [appellant] zichzelf als getuige laten horen en zijn echtgenote [de echtgenote] (hierna: de echtgenote).

6.3.

Dexia heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

6.4.

Het hof neemt bij de bewijswaardering in aanmerking dat voor het slagen in het tegenbewijs tegen een door de rechter uit de vaststaande feiten en omstandigheden afgeleid bewijsvermoeden, voldoende is dat dit vermoeden door het tegenbewijs wordt ontzenuwd.

6.5.

Naar het oordeel van het hof is [appellant] niet geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen tegenbewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.

6.6.

[appellant] en zijn echtgenote hebben beiden verklaard dat beiden zelfstandig de beschikking hadden over de gezamenlijke bankrekening, waarvan betalingen op de effectenleaseovereenkomsten werden gedaan, en dat de echtgenote die bankrekening ook daadwerkelijk gebruikte. Zij hebben geen aannemelijke verklaring gegeven waarom de echtgenote de bankafschriften van die bankrekening nimmer heeft bekeken, anders dan dat de echtgenote zich afzijdig hield van de financiële zaken en [appellant] daarin vertrouwde. Hetzelfde geldt voor het niet lezen van de belastingaangiftes uit de desbetreffende periode, waarin – zo heeft Dexia onweersproken gesteld – de echtgenote de betaalde rente op de verschillende overeenkomsten heeft kunnen zien. Op het punt van de betrokkenheid van de echtgenote bij de financiële zaken van het huishouden is de verklaring van [appellant] niet consistent, en lopen de verklaringen van [appellant] en de echtgenote uiteen. De echtgenote heeft verklaard dat zij geen bemoeienis had met financiële zaken en dat zij en [appellant] grote financiële uitgaven in beginsel niet met elkaar bespraken. [appellant] heeft echter verklaard dat hij ongeveer een keer per maand met zijn echtgenote de bankzaken besprak, namelijk hoe zij er financieel voor stonden en of er te grote uitgaven of te veel uitgaven waren gedaan waardoor ze het financieel rustiger aan moesten doen. [appellant] heeft ook verklaard dat hij in principe alle financiële uitgaven die hij voor hen gezamenlijk deed van te voren met zijn echtgenote besprak.

6.7.

Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van het hof onvoldoende geloofwaardig dat [appellant] de effectenleaseovereenkomsten niet voor of bij het afsluiten daarvan, en/of in de periode daarna vóór 13 maart 2000, met zijn echtgenote heeft besproken. Gelet op de betrokkenheid die de echtgenote volgens [appellant] had bij de financiële gang van zaken van het huishouden en de zelfstandige beschikking die zij had over de gezamenlijke bankrekening waarvan betalingen op de effectenleaseovereenkomsten werden gedaan, acht het hof het ook onvoldoende geloofwaardig dat de echtgenote de bankafschriften van die bankrekening in de desbetreffende periode nooit heeft bekeken. Het hof houdt het er daarom voor dat zij dat wel heeft gedaan. Daarmee wist zij van het bestaan van financiële producten die kennelijk aanleiding gaven tot een periodiek beroep op de gezinsfinanciën.

6.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat [appellant] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. [appellant] is derhalve niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Daarmee staat vast dat de echtgenote reeds vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. Dit betekent dat de bevoegdheid tot vernietiging van die overeenkomst door de echtgenote reeds was verjaard op het moment van stuiting door de collectieve actie. De echtgenote kon derhalve op dat moment de genoemde overeenkomsten niet meer rechtsgeldig vernietigen. Van een vordering uit onverschuldigde betaling is dan ook niet gebleken. De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot terugbetaling van wat hij heeft betaald voor die overeenkomsten zijn daarom terecht door de kantonrechter afgewezen en de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en niet zijn vernietigd, zijn daarom terecht door de kantonrechter toegewezen.

6.9.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, zodat dit vonnis zal worden bekrachtigd.

6.10.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van Dexia als volgt begroot:

– griffierecht € 726,-

– salaris advocaat (1,5 punten x tarief II € 1.074,-) € 1.611,-

totaal € 2.337,-.

De door Dexia gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in het dictum is bepaald.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 19 oktober 2017;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en stelt die kosten tot op heden aan de zijde van Dexia vast op € 2.337,-, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, S.C.H. Molin en A.C. Metzelaar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 december 2020.

griffier rolraadsheer