Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3647

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
200.271.616_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:8874
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrechtrecht

zaaknummer : 200.271.616/01

zaaknummer rechtbank : C/03/238648 / FA RK 17-2911

beschikking van de meervoudige kamer van 26 november 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.A.J. van der Leeuw te Roermond,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. Y.L.S. Schipper te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 2 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 20 december 2019 in hoger beroep gekomen van een de voormelde beschikking van 2 oktober 2019.

2.2.

De man heeft op 23 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4.

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw de huurovereenkomst woonruimte d.d. 27 december 2019 overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 4 mei 1988 te [plaats] met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, Deze beschikking is op 16 maart 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van de bestreden beschikking bepaald op

€ 316,- per maand.

4.2.1.

De grief van de vrouw ziet op haar aanvullende behoefte en op de draagkracht van de man.

4.2.2.

De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking wat betreft de uitkering tot levensonderhoud te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

primair, te bepalen dat de man € 1.515,- per maand aan de vrouw dient te betalen als uitke-ring tot levensonderhoud met ingang van 2 oktober 2019, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans enig ander bedrag of met enige andere datum die het hof juist acht, en, te bepalen dat de man vanaf 2 maart 2020, het moment dat de overdracht van de echtelijke woning van partijen aan de kopers heeft plaatsgevonden, een bijdrage dient te leveren in het levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van € 2.335,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans enig ander bedrag of enige andere datum die het hof juist acht,

subsidiair, te bepalen dat een deskundige wordt benoemd ter beoordeling en vaststelling van een redelijk inkomen van de als directeur grootaandeelhouder (DGA) van de onderneming en op basis van dat inkomen en het inkomen uit loondienst, de draagkracht van de man voor de maandelijkse uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw vast te stellen, en te bepalen dat de man dat vastgestelde bedrag met ingang van 2 oktober 2019, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen, of enige andere datum te bepalen die het hof juist acht, en dat vanaf 2 maart 2020, het moment dat de overdracht van de echtelijke woning van partijen aan de kopers heeft plaatsgevonden, op basis van dat inkomen en het inkomen uit loondienst de draagkracht van de man voor de maandelijkse uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw vast te stellen, en te bepalen dat de man dat vastgestelde bedrag met ingang van 2 maart 2020, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen, althans met ingang van enige andere datum die het hof juist acht.

4.3.

De man heeft verzocht:

I. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de grief te verwerpen,

II. zowel de primaire als de subsidiaire verzoeken van de vrouw af te wijzen als niet-ontvankelijk, althans deze verzoeken af te wijzen als rechtens niet gegrond en niet bewezen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling is de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de aan de man opgelegde partneralimentatie aan de orde geweest. Gelet op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand, zal het hof de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te bepalen partneralimentatie bepalen op 16 maart 2020 (verg Hoge Raad 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2961).

Hoogte van de behoefte vrouw

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw

€ 3.761,- netto per maand bedraagt (niveau 2019). Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de vrouw met ingang van 1 januari 2020 afgerond € 3.855,- netto per maand.

Aanvullende behoefte van de vrouw

5.3.1.

De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De rechtbank is voor het bepalen van de aanvullende behoefte ten onrechte uitgegaan van een arbeidsinkomen van de vrouw uit de onderneming van de man, [beheer] Beheer B.V., van € 2.500,- bruto per maand. De vrouw was in dienst bij de onderneming van de man, maar de man betaalde per 21 juni 2016 nog maar een salaris van € 1.400,- netto per maand, in plaats van € 1.960,- netto per maand (het equivalent van € 2.500,- bruto per maand, aldus de vrouw). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat de kantonrechter haar arbeidsovereenkomst met de BV heeft ontbonden per 1 oktober 2020. De vrouw heeft getracht het achterstallig loon te vorderen, maar de kantonrechter heeft die vordering afgewezen omdat de vrouw geen werkzaamheden meer in de onderneming heeft verricht. Met ingang van 1 oktober 2020 heeft de vrouw geen arbeidsinkomsten meer. De vrouw is wegens depressieklachten onder behandeling van een psycholoog. Zij is wel aan het solliciteren, vooralsnog gelet op haar medische klachten voor 20 uur per week, onder meer in de zorg. Mede gelet op haar leeftijd en gelet op het gebrek aan relevante werkervaring, zijn de inspanningen tot heden zonder resultaat gebleven. De vrouw heeft behoefte, thans na levering van de echtelijke woning, aan de verzochte partneralimentatie van € 2.335,- per maand.

5.3.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De vrouw moet in staat worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft voldoende werkervaring opgedaan in de onderneming van de man; zij deed onder meer de administratie. In die branche is voldoende werk te krijgen. Verder is de vrouw tekenlerares. Ook in het onderwijs is er voldoende emplooi, zeker gelet op het tekort aan leerkrachten. De leeftijd van de vrouw vormt daarin geen enkele belemmering.

5.3.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het navolgende gebleken. De vrouw, thans 56 jaar, heeft een opleiding voor tekenlerares gevolgd, maar zij heeft die opleiding niet afgemaakt en geen diploma behaald. De vrouw ontmoette de man, zijn gehuwd en zij kregen (thans volwassen) kinderen. De vrouw is in de onderneming van de man gaan werken, verzorgde onder meer de administratie, de BTW aangiftes en zij maakte offertes. Om fiscale redenen werd aan de vrouw een salaris betaald van € 30.000,- bruto per jaar. De vrouw heeft 33 jaar in de onderneming van de man gewerkt. Vanaf 2015 heeft de vrouw daar geen werkzaamheden meer verricht. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij staat ingeschreven voor werk in de thuiszorg. De vrouw staat onder behandeling van een psycholoog en mede gelet daarop is zij thans werkzoekende, voor 20 uur per week en niet te ver van huis.

De man heeft onweersproken tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij tot 1 oktober 2020, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, het bedrag van € 1.400,- per maand netto aan de vrouw heeft betaald. Op de vraag van het hof ter zake de verdiencapaciteit van de vrouw heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw in staat moet worden geacht minimaal het wettelijk minimumloon (hof: gemiddeld € 1.523,- netto per maand) te verdienen. Het hof zal van dit laatste bedrag uitgaan. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij om medische redenen niet een dienstbetrekking van 36 uur kan aanvaarden maar zich moet beperken tot werk van maximaal 20 uur per week. Voorts heeft de vrouw niet laten zien dat zij zich heeft ingespannen om werk te vinden terwijl niet bestreden is dat er voor haar geschikte vacatures zijn. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de vrouw vanaf de ingangsdatum van de partneralimentatie het minimumloon kan verdienen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw tot 1 oktober 2020 € 1.400,- netto per maand van de man als arbeidsvergoeding heeft ontvangen en zij met geringe arbeid inkomen op het niveau van het minimumloon kon verwerven.

Gelet op het voorgaande constateert het hof dat de vrouw, rekening houdend met een huwelijksgerelateerde behoefte in 2020 van afgerond € 3.855,- netto per maand, thans in ieder geval behoefte heeft aan de door haar, na levering van de echtelijke woning, en met ingang van 2 maart 2020 verzochte partneralimentatie van € 2.335,- (bruto) per maand.

Draagkracht van de man

5.4.1.

De vrouw heeft het navolgende gesteld. De rechtbank is voor de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte uitgegaan van het DGA salaris van € 50.000,-. De man maakt meer omzet in zijn onderneming dan hij opgeeft. In de visie van de vrouw moet rekening gehouden worden met een DGA salaris van € 78.060,72. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte rekening gehouden met de huur van werkruimte van de man te [woonplaats] van

€ 250,- per maand, nu de man deze werkruimte niet nodig heeft. Ook heeft de rechtbank ten onrechte rekening gehouden met de huur van een woning te [plaats] van € 1.227,- per maand. De man woont samen met zijn partner te [woonplaats] zodat in redelijkheid geen sprake kan zijn van deze woonkosten. De voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man bedraagt in de visie van de vrouw per de datum van levering van de woning d.d. 2 maart 2020, € 2.335,- per maand.

5.4.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. De man is interieurarchitect en waar in 2016 nog een omzet werd behaald van € 128.825,- (met een DGA salaris van [beheer] Beheer B.V. van € 78.060,72) is de omzet in 2017 teruggelopen naar € 104.074 en zal de omzet in 2018 en 2019 nog verder dalen.

De omzet in de onderneming laat een DGA salaris toe van € 50.000,-. De account van de man heeft medio 2017 aangekondigd dat de liquiditeiten in de onderneming zwaar onder druk komen te staan en dat gedurende het jaar 2017 zal blijken of met dit lagere DGA salaris de continuïteit van de onderneming gewaarborgd is, dan wel dat andere maatregelen moeten worden genomen. De man heeft verder gesteld dat de werkruimte in [woonplaats] noodzakelijk is om de tekeningen, die hij als interieurarchitect maakt, uit te kunnen spreiden. De man woont niet samen met zijn partner en het is gerechtvaardigd dat hij woonruimte huurt te [plaats] . De man heeft onvoldoende draagkracht om de door de vrouw verzochte partneralimentatie te betalen.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een bruto jaarinkomen van de man van

€ 31.235,- dat hij als docent op de Hogeschool [hogeschool] verdient. Dat inkomen van de man is tussen partijen niet in geschil en daar zal het hof dan ook van uit gaan.

De man is verder directeur grootaandeelhouder van [beheer] Beheer BV (hierna; de BV). Deze vennootschap houdt de aandelen van de werkmaatschappij [BV] B.V. Met betrekking tot de onderneming van de man heeft de vrouw de stelling van de man gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft onder meer de stelling van de man dat de omzet in zijn onderneming sterk is gedaald en dat de man zich, gelet op de liquiditeiten in de onderneming, in ieder geval geen hoger DGA salaris kan toekennen van € 50.000,- per jaar, gemotiveerd weersproken. Ook heeft de vrouw gesteld dat de man ten onrechte een deel van zijn omzet onderbrengt in de eenmanszaak van zijn nieuwe partner.

Het hof constateert dat de man met betrekking tot zijn financiële situatie en die van zijn onderneming slechts heeft overgelegd:

- de geconsolideerde jaarrekeningen 2015 tot en met 2017 van [beheer] Beheer BV;

- een geconsolideerd kasstroomoverzicht 2016;

- de jaarrekening 2017 van de werkmaatschappij [BV] BV;

- de aangifte Inkomstenbelasting 2015;

- de concept aangifte Inkomstenbelasting 2016.

Het hof constateert dat recente verifieerbare financiële gegevens geheel ontbreken. Zo zijn onder meer niet overgelegd (geconsolideerde) jaarstukken 2018 en 2019 van [beheer] Beheer BV, dan wel de definitieve cijfers, dan wel de voorlopige. Ook ontbreken kwartaal-cijfers 2020 en de prognose 2021. Aangiften Omzetbelasting ontbreken voorts geheel, evenals aangiften en aanslagen Vennootschapsbelasting. Recente aangiften Inkomstenbelasting en aanslagen Inkomstenbelasting ontbreken eveneens.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte partneralimentatie te betalen in het geheel niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zeker in dit hoger beroep, wel op zijn weg had gelegen. De man heeft het hof geheel niet, althans onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn inkomenspositie en daarmee zijn beschikbare draagkracht naar behoren te beoordelen, hetgeen wel op zijn weg had gele-gen. Dit dient geheel voor rekening en risico van de man te komen.

Conclusie

5.5.

Gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien zal het hof het primaire verzoek van de vrouw, voor zover dat betrekking heeft op de situatie na levering van de echtelijke woning, toewijzen. Aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vrouw komt het hof niet toe.

5.6.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 2 oktober 2019, uitsluitend voor zover het betreft de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 16 maart 2020 aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud € 2.335,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.A.R.M. van Leuven en H.J. Witkamp en is op 26 november 2020 door M.J. van Laarhoven uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.