Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3640

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
200.269.348_01 en 200.269.351_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:10054
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen bindende eindbeslissing in rechtsoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/6
RBP 2021/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.269.348/01 en 200.269.351/01

zaaknummers rechtbank : C/03/252316 / FA RK 18-2586

C/03/254754 / FA RK 18-3404

beschikking van de meervoudige kamer van 26 november 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.G.M.M. van Montfort te Heerlen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.L.B. Koelman-Duijf te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 19 augustus 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 18 november 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 19 augustus 2019.

2.2.

Ter griffie van het hof is geen verweerschrift ontvangen.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- de door de man verzonden productielijst behorend bij het procesdossier in eerste aanleg met als bijlage productie 17, ingekomen op 27 november 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 31 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 31 juli 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2020 plaatsgevonden.

De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

Namens de vrouw is haar advocaat verschenen.

De vrouw is met bericht van verhindering niet ter mondelinge behandeling verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 2 juli 2004 te [plaats] met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 16 september 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op

€ 1.631,- per maand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank verder onder meer ter zake de verdeling van de huwelijksgemeenschap overwogen dat de rechtbank te zijner tijd zal bepalen dat ieder van partijen voor 50% draagplichtig is voor de genoemde schuld aan het CJIB uit hoofde van de ten laste van de vrouw toegewezen ontnemingsvordering van de Staat. De rechtbank heeft iedere verder beslissing aangehouden.

4.2.1.

De grieven van de man ten aanzien van de partneralimentatie zien op zijn draagkracht en ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap op de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagplicht van partijen ter zake de schuld aan de Staat/het CJIB.

4.2.2.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking uitsluitend ten aanzien van de partneralimentatie te vernietigen , alsmede ten aanzien van de draagplicht van de schuld aan de Staat/het CJIB en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. te bepalen dat de man € 500,- dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bedrag te bepalen dat het hof juist acht;

2. te bepalen dat de ontnemingsvordering, zijnde een schuld aan het CJIB ten bedrage van

€ 79.300,- niet in de huwelijksgemeenschap valt en dat de (rest)schuld voor 100% door de vrouw dient te worden voldaan.

4.3.

Deze zaken zijn ter griffie van het hof geadministreerd onder de zaaknummers 200.269.348/01 (partneralimentatie) en 200.269.351/01 (draagplicht ten aanzien van de schuld aan de Staat/het CJIB). De zaken zijn tegelijk behandeld en zij worden tegelijk beslist.

5 De motivering van de beslissing

Met betrekking tot de zaak met zaaknummer 200.269.351/01

5.1.1.

De man heeft in zijn beroepschrift en bij de mondelinge behandeling gesteld dat de overweging van de rechtbank ter zake de draagplicht van partijen ter zake de schuld aan de Staat/het CJIB gezien moet worden beschouwd als een bindende eindbeslissing waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. De rechtbank Limburg (Maastricht) heeft inmiddels bij beschikking van 2 juni 2020 bepaald dat ieder van partijen in de onderlinge verhouding voor 50% draagplichtig is voor de gemeenschapsschuld aan het CJIB uit hoofde van de ten laste van de vrouw toegewezen ontnemingsvordering van de Staat der Nederlanden. De rechtbank is in die beschikking niet teruggekomen op haar beslissing ter zake de onderlinge draagplicht van partijen als verwoord in de bestreden beschikking en in de visie van de man was daar ook geen ruimte voor. Het hof dient het verzoek van de man als geformuleerd in het petitum onder 2. in het kader van deze procedure te beoordelen en te beslissen.

5.1.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij is van mening dat ter zake de draagplicht van partijen voor de schuld aan de Staat/CJIB sprake is van een tussenbeschikking waartegen geen hoger beroep mogelijk is. Ook heeft de rechter in eerste aanleg geen toestemming gegeven voor hoger beroep op dit punt. De man dient in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.1.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.8.8. het navolgende overwogen: “Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank te zijner tijd zal bepalen dat ieder van partijen voor 50% draagplichtig is voor de genoemde schuld van de gemeenschap.” De beslissing op dat punt werd aangehouden.

Op grond van vaste jurisprudentie is er sprake van een bindende eindbeslissing als de rechter over een geschilpunt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist. Na wisseling van de standpunten van partijen heeft het hof de mondelinge behandeling voor korte tijd geschorst voor intern beraad.

Na de schorsing heeft het hof partijen medegedeeld dat het van oordeel is dat uit de bewoordingen van de rechtbank in de rechtsoverweging “… te zijner tijd zal bepalen … ”, welke overigens niet helder en duidelijk zijn geformuleerd, niet volgt dat de rechter ter zake de schuld aan de Staat/het CJIB uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing heeft gegeven en dat er sprake is van een bindende eindbeslissing. De man zal in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, zijn verzoek zal in het kader van deze procedure niet inhoudelijk worden behandeld. Desgewenst dient de man hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 2 juni 2020.

Met betrekking tot de zaak met zaaknummer 200.269.348/01

Ingangsdatum

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen partneralimentatie dient in te gaan op 16 september 2019, zodat het hof daarvan uitgaat.

Behoefte van de vrouw

5.3.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw (niveau 2019) € 2.100,- netto per maand bedraagt, zodat het hof ook daarvan uitgaat.

Behoeftigheid van de vrouw

5.4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft niet aangetoond dat ze geen werkzaamheden kan verrichten. De vrouw is arbeidsgeschikt, zij kan planten knippen en uit niets blijkt dat zij niet kan werken.

5.4.2.

De vrouw heeft het navolgende aangevoerd. Zij verneemt het standpunt van de man ten aanzien van de behoeftigheid voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. De vrouw is op leeftijd, zij heeft geringe werkervaring. Gedurende het huwelijk heeft zij nooit gewerkt en altijd gezorgd voor het huishouden. De vrouw heeft geen ervaring met planten knippen, zij heeft in het verleden daartoe slechts gelegenheid aan anderen geboden, niet meer dan dat. Gelet op de leeftijd van de vrouw (57 jaar) zal het ook moeilijk zijn om aan werk te komen. De vrouw kan niet in haar levensonderhoud voorzien en zij heeft behoefte aan een bijdrage van de man.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft de behoeftigheid van de vrouw eerst tijdens de mondelinge behandeling ter discussie gesteld. De vrouw is op deze stelling ten aanzien van de behoeftigheid ingegaan en heeft deze stelling van de man tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd weersproken. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en volledig in haar levensonderhoud kan voorzien niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Gelet op de leeftijd van de vrouw en mede gelet op het feit dat de vrouw gedurende het huwelijk (15 jaar) niet heeft gewerkt, is niet aannemelijk dat de vrouw thans volledig in haar levensonderhoud kan voorzien, zodat de vrouw op dit moment behoefte heeft aan de hierna vast te stellen partneralimentatie.

Draagkracht van de man

5.5.

De man heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 1.631,- aan de vrouw te voldoen. Zijn draagkracht bedraagt maximaal € 500,- per maand. De vrouw is van mening dat de man voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde partneralimentatie te betalen.

5.6.1.

De man heeft het navolgende gesteld. De rechtbank is voor het berekenen van zijn draagkracht ten onrechte uitgegaan van het fictief fiscaal loon van € 60.457-. dat hij in 2018 heeft verdiend. Op initiatief van zijn werkgever is het dienstverband per 1 januari 2019 omgezet van continudienst naar dagdienst, tegen een lager salaris. De man had voor zijn gevoel geen andere keus dan op het aanbod van de werkgever in te gaan. Bij weigering van zijn kant zou hij zijn baan op het spel hebben gezet en dat risico heeft hij niet willen nemen. De situatie was voor de werkgever nijpend wegens het uitvallen van een werknemer in de dagdienst. De betreffende (vrijgekomen) en vervolgens aan de man aangeboden functie kon op dat moment ook alleen door de man worden opgevuld vanwege zijn lange ervaring. De man heeft niet zomaar kunnen weigeren. Daarbij heeft de man 38 jaar in continudienst gewerkt, in 2017 heeft hij een hartinfarct gehad en voortzetting van continudiensten kon ook in zoverre niet meer van hem worden gevergd. Voor het berekenen van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van het feitelijk fiscaal loon dat hij in 2019 heeft verdiend van € 45.443.-.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

5.6.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man, thans 58 jaar, 38 jaar in dienst is bij zijn werkgever; aanvankelijk bij [bedrijf 1] te [plaats] , later door overname, bij [bedrijf 2] te [plaats] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd het navolgende verklaard. In continudienst bekleedde hij de functie van senior-analist met gasspecialisatie, thans is hij in dagdienst als senior-analist met de applicatie beheer werkzaam. Het basissalaris is hetzelfde gebleven, alleen heeft hij geen recht meer op toeslagen, waardoor hij een lager fiscaal loon heeft. Het initiatief voor wijziging van het dienstverband kwam van de zijde van de werkgever, zoals ook blijkt uit de in eerste aanleg overgelegde brief d.d. 18 december 2018 van de bedrijfsjurist [bedrijfsjurist] aan de man. De man heeft de situatie destijds wel overwogen maar als hij zou weigeren liep hij het risico dat het dienstverband beëindigd zou worden. Naar later is gebleken zijn twee oud-collega’s van de continu-afdeling ontslagen en twee oud-collega’s zijn overgeplaatst. Op de continu-afdeling werken thans minder mensen die in financieel opzicht minder op de begroting drukken. De man is later ter ore gekomen dat, als hij het aanbod van zijn werkgever niet zou hebben geaccepteerd, hij wegens boventalligheid zou zijn ontslagen.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht het hof het te billijken dat de man het aanbod van zijn werkgever en daarmee de wijziging van het dienstverband heeft geaccepteerd.
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het feitelijk fiscaal loon in 2019 van € 45.443,- zoals blijkt uit de jaaropgaaf 2019.

5.7.

De man heeft als productie 2 bij het journaalbericht van 29 juli 2020 een draagkrachtberekening in hoger beroep overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw terecht bezwaar gemaakt tegen het feit dat de man het bedrag van € 45.443,- heeft opgenomen als bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking waarop de ingehouden pensioen premie is ingehouden. De jaaropgaaf 2019 vermeldt het fiscaal loon (belastbaar loon) van € 45.443,-, waarin de ingehouden pensioenpremie reeds is verdisconteerd.

Wat betreft de fiscale aspecten houdt het hof onder meer rekening met een eigenwoning forfait van € 1.149,- per jaar en een hypotheekrente van € 10.346,-, zoals blijkt uit de door de voormelde draagkrachtberekening van de man, nu deze posten door de vrouw niet zijn betwist. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.026,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening, waarnaar het hof verwijst.

5.8.

Met betrekking tot het draagkrachtloos inkomen heeft het hof onder meer rekening gehouden met de premie ziektekostenverzekering van totaal € 143,- per maand en een verplicht eigen risico van € 32,- per maand nu de vrouw deze premie niet heeft weersproken.
Het hof houdt geen rekening met het door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerde en door de vrouw in eerste aanleg en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep betwiste bedrag van € 63,- per maand ter zake niet vergoede ziektekosten, en evenmin met het bedrag van € 318,- per maand ter zake aflossing schulden. De man heeft deze kosten niet, althans niet voldoende onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw wel op zijn weg had gelegen.

5.9.

Het hof becijfert de beschikbare draagkracht van de man op € 672,- per maand. Gelet op het fiscaal voordeel dat aan de vrouw dient toe te komen berekent het hof de door de man aan de vrouw met ingang van 16 september 2019 te betalen partneralimentatie op € 1.085,- per maand (zie bijlage).

Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 € 1.112,13 per maand.

5.10.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.269.351/01

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

in de zaak met zaaknummer 200.269.348/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 19 augustus 2019 uitsluitend voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud dient te betalen:

- van 16 september 2019 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 1.085,- per maand, en

- met ingang van 1 januari 2020 een bedrag van € 1.112,13 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.B. van den Beld en

K.A. Boshouwers en is op 26 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.