Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3635

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
20-003987-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. De door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding is door het hof gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003987-18

Uitspraak : 25 november 2020

TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 december 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-866147-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de door de benadeelde partij [aangeefster] ingediende vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 567,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening en is ter hoogte van voornoemd geldbedrag de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd bewezen zal verklaren en hem te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstaf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof die vordering geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding heeft de verdediging verzocht deze af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair heeft de raadsman een aantal opmerkingen gemaakt zoals verwoord in de pleitnota.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 april 2016 in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de borst(en) van een persoon genaamd [aangeefster] en/of (vervolgens)

- terwijl die [aangeefster] van hem, verdachte, wegliep, achter die [aangeefster] aan lopen en/of gaan en/of (vervolgens)

- (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de bil(len) van die [aangeefster] ,

die [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst(en) en/of de bil(len) van die [aangeefster] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 april 2016 in [plaats] door een feitelijkheid, te weten eenmaal

- onverhoeds met zijn, verdachtes, hand grijpen naar/bij/van en knijpen in de borst van een persoon genaamd [aangeefster] en vervolgens

- terwijl die [aangeefster] van hem, verdachte, wegliep, achter die [aangeefster] aan lopen en vervolgens

- onverhoeds met zijn, verdachtes, hand grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de bil van die [aangeefster] ,

die [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds met zijn, verdachtes, hand grijpen naar/bij/van en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst en bil van die [aangeefster] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Het stamproces-verbaal d.d. 12 april 2017 (p. 2-7), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] , beiden brigadier gecertificeerd zedenrechercheurs van politie, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 12 april 2016, omstreeks 14:30 uur, meldde zich aan de balie van het politiebureau [plaats] de latere aangeefster [aangeefster] .

[aangeefster] was in het gezelschap van haar moeder en haar baas [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] . In verband met het zedenaspect nam de dienstdoende receptionist contact op met mij, verbalisant [verbalisant II] , daar ik toevallig in [plaats] aanwezig was, waarna ik kort met [aangeefster] sprak.

Kort en samenvattend weergegeven deelde [aangeefster] mede dat:

  • -

    zij werkzaam is bij [binnenspeeltuin] , een binnenspeeltuin, [adres 2] in [plaats] ;

  • -

    zij daar vanmorgen (op 12 april 2016) aan het werk was;

  • -

    de vader van haar baas, die ook eigenaar is, daar ook klusjes doet;

  • -

    zij op de bovenverdieping in gesprek was met hem;

  • -

    hij haar plotseling met zijn handen, over haar shirt, bij haar borsten greep;

  • -

    zij schrok, zich omdraaide en wegliep;

  • -

    toen zij wegliep hij haar in haar kont kneep, dat voelde ze;

  • -

    zij naar beneden ging;

  • -

    zij haar baas [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] heeft gebeld;

  • -

    zij omstreeks 13:03 uur met haar baas heeft gesproken en hij toen direct naar het bedrijf kwam.

Aan [aangeefster] werden de mogelijkheden voor een informatief gesprek en aangifte uitgelegd waarna een afspraak werd gemaakt voor een informatief gesprek met aansluitend een aangifte.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 april 2016 (p. 21-27), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster] :

V: vraag/opmerking verbalisant

A: antwoord/opmerking aangeefster

Ik doe aangifte van aanranding tegen meneer [verdachte] gepleegd op dinsdag 12 april 2016, omstreeks 10:00 uur in [plaats] .

V: Vertel eens kort wat er gebeurd is?

A: Dat was dinsdag en toen was ik aan het werken. De vader van de eigenaar van het werk (het hof begrijpt: de verdachte) was daar aan het klussen en vroeg of ik boven wilde komen kijken. Uit het niets greep hij naar mijn borsten. Toen schrok ik en wilde ik weglopen en toen greep hij naar mijn kont.

V: En toen?

A: Toen ben ik weggegaan en ben ik mensen gaan helpen bij de balie. Toen kwam hij naar mij toe. Hij vroeg toen aan mij of ik nog een melding ging maken.

Later kwam hij terug met 25 euro. Ik heb dat niet aangenomen. Ik denk dat het zwijggeld was.

V: Wanneer is hetgeen gebeurd wat je zojuist verteld hebt?

A: Dinsdag 12 april 2016.

V: Hoe laat was dat ongeveer?

A: Rond 10.00 uur in de ochtend.

V: Waar was dat?

A: Bij [binnenspeeltuin] in [plaats] . Dat is een binnenspeeltuin en daar werk ik.

(…) Die meneer [verdachte] verbouwt alleen op de bovenverdieping.

V: Jij vertelde net wat er is gebeurd, waar precies is dat gebeurd dat hij jou aanraakte?

A: Boven, in een doolhof. Er is een bovenverdieping en daar is een doolhof, maar dat is nog niet af en dat is hij aan het verbouwen.

V: Hoe ging dat dan?

A: Hij vroeg mij of ik boven wilde komen kijken. Hij stond boven en riep naar beneden naar mij of ik boven wilde komen. Ik ben naar boven gedaan. Wij waren aan het overleggen over het doolhof. En toen greep hij uit het niets naar mijn borsten.

V: Waar deed hij dat mee?

A: Met zijn handen.

V: Deed hij dat met 1 hand of met allebei zijn handen of anders?

A: Hij deed dat met 1 hand.

V: Wat deed hij met zijn hand bij jouw borsten?

A: Hij greep er naar. Hij kneep er ook in en het ging heel snel. Ik draaide mij toen snel om, omdat ik weg wilde.

V: Welke borst raakte hij aan van jou?

A: Mijn linkerborst. Hij stond namelijk links van mij.

(…) Dat aanraken van mijn borst was over mijn T-shirt.

V: Zei jij wat toen hij dat deed?

A: Nee, ik heb er niet op gereageerd. Ik wilde gewoon weg. Ik schrok er van wat er gebeurde.

V: Hoe was jouw contact met meneer [verdachte] voor de aanranding?

A: Ik ging met hem om alsof hij mij opa was. Het is een man van 62 en ik ging er gewoon mee om. Hij heeft nooit iets raars gezegd, maar die dag zei hij wel iets raars. Hij zei: “Goedemorgen [aangeefster] met die mooie ogen van je”. Ik vond dat wel een beetje raar, want hij had nog nooit zoiets gezegd tegen mij.

V: Hoe lang werkte meneer [verdachte] daar al?

A: Hij is er vanaf het begin al bij geweest, toen ze open gingen.

V: Je vertelde dat hij jou ook aan jouw billen heeft aangeraakt. Hoe ging dat?

A: Ik wilde weglopen, omdat hij mijn borsten had aangeraakt en toen kwam hij achter mij aan en pakte vol mijn billen.

V: Hoe weet je dat hij achter je aankwam?

A: Ik zag het wel een beetje in mijn ooghoek.

V: Hoe weet je dat hij jouw billen aanraakte?

A: Dat voelde ik. Ik voelde een greep met zijn handen. Ik weet niet meer of het een of twee handen waren.

V: Raakte hij allebei jouw billen aan?

A: Dat weet ik ook niet meer. Ik dacht alleen maar ‘ik wil hier weg’.

V: Waar raakte hij jouw billen aan?

A: Midden op de bil.

V: En hoe was dat eigenlijk bij jouw borst?

A: Hij pakte echt mijn hele borst vast met zijn hand.

V: Wat deed hij met zijn hand bij jouw bil?

A: Volgens mij hetzelfde als bij mijn borst, vol vastpakken. Op mijn broek.

V: Zei je iets toen hij jouw bil aanraakte?

A: Nee, ik ben doorgelopen. Ik ben naar beneden gegaan naar de balie.

V: En meneer [verdachte] ?

A: Die kwam weer achter mij aan.

Ik ging mensen helpen.

V: En toen?

A: Toen kwam hij later weer, toen ik de mensen had geholpen en dat was een paar minuutjes later. Hij vroeg toen of ik een melding ging maken.

V: En dan?

A: Een kwartiertje daarna kwam hij weer naar mij toe, hij kwam van boven en liep naar mij bij de balie. Hij gaf mij toen 25 euro. Hij had het op de balie gelegd. Het waren twee briefjes van 10 en een briefje van 5. Ik reageerde dat ik het niet wilde. Hij heeft het laten liggen en is weggelopen. Ik heb het alleen achter de balie neergelegd, zodat klanten het niet mee konden nemen, maar ik heb het niet aangenomen.

V: En dan?

A: Ik had eerst nog een collega gebeld, [getuige] uit [plaats] , en had gevraagd of die langs kon komen, omdat ik niet alleen met hem (het hof begrijpt: de verdachte) wilde zijn.

V: Kwam die ook?

A: Ja.

V: Wat heb je tegen hem gezegd toen je hem belde?

A: In het kort wat er was gebeurd en dat ik niet alleen wilde zijn.

V: Wat heb je precies verteld?

A: Dat ik aangeraakt was door de vader van [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] (hof: de eigenaar van de binnenspeeltuin en baas van aangeefster).

V: Heb je hem trouwens geappt of gebeld?

A: Ik heb hem eerst geappt en daarom wist ik ook hoe laat het was gebeurd.

V: Mogen wij dat appje gebruiken voor het onderzoek?

A: Ja.

O: App wordt doorgestuurd naar verbalisant [verbalisant III] .

V: Wie waren er nog meer in het gebouw aanwezig toen het gebeurde?

A: Niemand, behalve ik en meneer [verdachte] .

V: Waren er wel gasten dan?

A: Ja, die waren er wel, maar die kunnen niks zien. Die gasten waren beneden, want boven is nog niet open voor gasten.

V: Na [getuige] , met wie heb je toen overlegd wat er was gebeurd?

A: (…) Later heb ik mijn moeder gebeld rond 12:30 uur.

V: Wat heb je verteld aan je moeder?

A: Precies waar hij mij heeft aangeraakt en uitgelegd wat er was gebeurd. Mijn moeder schrok en die zei dat ik meteen [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] (het hof begrijpt: de eigenaar van de binnenspeeltuin en baas van aangeefster) moest bellen. Ik heb toen [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] gebeld. Ik heb hem in het kort uitgelegd wat er was gebeurd. Hij is direct gekomen en ik heb mijn moeder gebeld. Toen zijn wij met z’n allen naar de politie gegaan.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een overzicht van Whatsapp-berichten d.d. 12 april 2016 tussen [getuige] (getuige [getuige] ) en [aangeefster] (aangeefster [aangeefster] ) gevoegd achter de aangifte van [aangeefster] (p. 28-32), voor zover inhoudende:

12-04-16,

10:01 — [aangeefster] : Jo nigga wat doe je vandaag

10:02 — [getuige] : Uhm… moet met me bradda na boxmeer

10:02 — [aangeefster] : Okeh

10:04 — [getuige] : Why?

10:04 — [aangeefster] : Dus je komt niet relaxen

10:05 — [getuige] : Is r niks te doen dan

10:05 — [aangeefster] : No

10:05 — [aangeefster] : 4 kindjes

10:06 — [aangeefster] : En de pa van [baas van aangeefster en zoon van de verdachte]

10:10 — [getuige] : je moet die ff luisteren is echt lache

10:12 — [aangeefster] : Is dat nje de gewone

10:45 — [aangeefster] : Ik voel me zo vies omg (het hof begrijpt: O my God)

10:58 — [aangeefster] : Ik moet je eg f wat zeggen man

10:58 — [getuige] : Wat dan jonge?

10:58 — [aangeefster] : Ja weet nie of ik dat via app moet zeggen

10:58 — [aangeefster] : Bah

10:59 — [aangeefster] : Die pa van [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] is echt vies

10:59 — [getuige] : Wat dan?

10:59 — [aangeefster] : Oke verwijder je dit gesprek zo aub als ik t heb gezeht

11:00 — [getuige] : Joe

11:03 — [aangeefster] : Ik moest net f boven komen kijken. En stonden daar gewoon f normaal te pratwn. Pakte dje opeens mn tiet. Wtd man. Ik weet efht niet wat ik moet

doen. Voel me zo kut

11:03 — [getuige] : Noooo

11.04 —

[aangeefster] : En raakte did ook nog mn kont aan. Ja zweet het. Wtf moet ik nu

man. Voel me eg vies. Hij kwam ne wel zn excusses aanbieden

11:04 — [getuige] : Meen je deze of is fatoe? (het hof begrijpt: fatoe is “straattaal’ voor grap)

11:05 — [aangeefster] : En even daarna kwam die 25 euro geben zegf die is voor jou

extratje kmdat je altijd zo vele doet. [getuige] dit is echt. Denk je dat ik zo iets ga

verzinnen. Is al erg zay. Wil eigg echt na huis nu weg hiet. Bah

11:05 — [getuige] : Uhm…/Wtf

11:05 — [aangeefster] : Ja js echt. Ik zei dat geld hoefik niet

11:06 — [aangeefster] : Denk dat hij bang is dat ik het ga zeggen tegen [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] ofzo. Dat die me probeert om te kopen.

11:06 — [getuige] : Uhm… Wtf. Die gast he!!! Hij is echt niet goed

11:06 — [aangeefster] : Nee toch. Wat moet ik nu man

11:07 — [aangeefster] : [collega van aangeefster] (het hof begrijpt: een collega van aangeefster) komt vanmiddag ook ma durf dit hem niet te zeggen. Voel me dan wel beter als hij er is. [collega van aangeefster] gaat er meteen heen sws. Is gwn aanranding man. Bah.

11:07 — [getuige] : Ja moet je dan ma tegen [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] zeggen ofz? Of toch politie? Dit is niet normaal joh.

11:08 — [aangeefster] : Ja mja. Dat durf ik niet man.

11:09 — [getuige] : Hoe laat komt [collega van aangeefster] ?

11:09 — [aangeefster] : Denk laat vanmiddag.

11:10 — [aangeefster] : Jij bent de enige die t nu weet.

11:10 — [getuige] : Moet ik ff die kant op komen?

11:10 — [aangeefster] : Uhmm. Ja weet nie of je tijd hebt. Voel me hier echt niet goed. Kan wel janken.

11:10 — [getuige] : Uhm… Tot 12:00

11:11 — [aangeefster] : Heb stekenin mn hart

11:11 — [getuige] : Ja wtf… Dan kom ik wel ff die kant op half uurtje. Dan moet ik echt weer gaan.

11:12 — [aangeefster] : Oke

11:21 — [aangeefster] : Hij (het hof begrijpt: de verdachte) is er nog.

11:28 — [getuige] : Ik kom er nu aan.

11:29 — [aangeefster] : Oke.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 mei 2016 (p. 33-36), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :

V: vraag/opmerkingen van de verbalisanten

A: antwoord/opmerking getuige

V: Waar ken jij [aangeefster] van?

A: Van school (…). En nu is zij mijn leidinggevende bij het werk bij [binnenspeeltuin] gelegen aan [adres 2] in [plaats] .

V: Wat kun jij verklaren over hetgeen [aangeefster] is overkomen?

A: Ik weet niet meer precies wanneer het gebeurd is. [aangeefster] zei dat het op 12 april 2016 gebeurde.

Ik zat die dag thuis op de bank en ik kreeg een app van haar (het hof begrijpt: van [aangeefster]). Wat ik nog weet is dat ze appte dat de vader van de baas van [binnenspeeltuin] haar had aangeraakt. Ik dacht eerst dat het een grapje was. [aangeefster] schreef toen dat zij daar niet over zou liegen. [aangeefster] schreef dat ze niet meer alleen wilde zijn.

Toen ik bij [binnenspeeltuin] kwam, was [aangeefster] over haar toeren, ze huilde nog net niet. Ze wist echt niet wat ze moest doen, ze trilde, ze was er niet bij met haar hoofd.

Op enig moment kwam de vader van de baas naar buiten en zei: “He [getuige] ik zag je zitten, kom je me effe helpen met verbouwen?” Wij noemen hem de vader van [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] . De baas heet [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] .

V: Wat heeft [aangeefster] gezegd wat er gebeurd zou zijn?

A: Dat die vader aan haar borsten en aan haar kont had gezeten. Dit zou boven in het doolhof zijn gebeurd. Die vader is dat doolhof daar aan het maken. Die vader had tegen [aangeefster] gezegd: “ga boven even kijken, hoe het wordt” en toen is [aangeefster] naar boven gegaan. [aangeefster] zei dat ze niks gezegd had, nadat het gebeurd was.

[aangeefster] is naar beneden gegaan en daarna kwam ik.

Op enig moment ging de vader weg. Toen heeft [aangeefster] haar moeder gebeld. Ik hoorde dat [aangeefster] tegen haar moeder zei dat die vader haar had aangeraakt. De moeder van [aangeefster] is toen ook naar [binnenspeeltuin] gekomen en die moeder zei ook dat [aangeefster] [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] , de baas moest bellen. [aangeefster] heeft [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] gebeld. Tegen [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] zei [aangeefster] ook dat die vader haar had aangeraakt.

V: Wat heeft [aangeefster] nog meer verteld over wat die vader gedaan heeft?

A: O ja, ik ben nog iets vergeten. [aangeefster] zei dat die vader haar geld had aangeboden.

V: Wat heeft zij gezegd over hoe die vader dat gedaan heeft?

A: Uit het niets. Ze stonden gewoon te praten en toen pakte hij haar borst en toen ze weg liep pakte hij, of tikte hij, tegen haar billen aan.

5. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg d.d. 15 mei 2018, voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

Ik was aan het werk. Meneer [verdachte] was daar boven aan het verbouwen, een doolhof aan het maken. Hij vroeg of ik naar boven kwam om te kijken of het kindvriendelijk was. Toen ik boven kwam, hadden we een normaal gesprek, maar toen, uit het niets, greep meneer [verdachte] naar mijn borsten en daarna naar mijn billen. Daarna heeft hij geld aangeboden.

Ik was heel erg bang. Als zoiets gebeurt, dan bevries je. Je schrikt je kapot. Je verwacht totaal niet dat zoiets gebeurt.

Vraag: U heeft verklaard dat meneer [verdachte] met een hand naar uw borst greep. (…) U zegt ook dat hij u achterna kwam. Kunt u dat wat preciezer beschrijven?

Ik ben toen verder het doolhof ingegaan zodat ik veilig was. Ik hoorde toen dat er iemand aan de balie stond. Op dat moment greep hij mij bij mijn billen.

Toen die vrouw aan de balie stond ben ik naar beneden gegaan om haar te helpen. Meneer [verdachte] is daarna naar de balie gekomen en heeft me toen geld aangeboden. Ik heb het geld niet aangenomen. Ik heb het achter de balie neergelegd.

Ik heb [getuige] (het hof begrijpt: [getuige] ) gevraagd om te komen, want ik was alleen met meneer [verdachte] . Ik wist niet wat ik moest doen.

6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg d.d. 15 mei 2018, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :

[aangeefster] (het hof begrijpt: [aangeefster] ) stuurde mij een paniekerig appje met wat er allemaal was gebeurd. Ik ben toen naar haar toegegaan. Meneer [verdachte] heeft mij nog gevraagd of ik kwam meehelpen met klussen. [aangeefster] vertelde mij dat meneer [verdachte] haar geld had aangeboden. Ik heb dat geld ook zien liggen.

Ik ken [aangeefster] al langer dan vandaag. Ik kon merken aan het appje dat het serieus was en (…) dat ze wilde dat ik naar haar toe kwam.

De verklaring die ik bij de politie heb afgelegd is uiteraard juist.

Ze was over haar toeren. Ze was niet de normale [aangeefster] .

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 20 november 2018, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Op een gegeven moment stond zij boven (het hof begrijpt: boven in de binnenspeeltuin [binnenspeeltuin]) in de gang te kijken. Ik was de wand aan het afschroeven met een accuboormachine.

Boven heb ik gevraagd hoe ze vond dat het (het hof begrijpt: de bouw van het doolhof) geworden was. Ik heb € 25,00 neergelegd.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern het navolgende aangevoerd:

I. De verklaringen van aangeefster [aangeefster] en getuige [getuige] zijn – gelet op bepaalde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden – onbetrouwbaar dan wel ongeloofwaardig en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Er is onwaarheid gesproken over het contact dat beiden hebben gehad voorafgaand aan de verhoren bij de politie en de rechter-commissaris. Verder heeft [aangeefster] verklaard dat zij met de verdachte bouwtechnisch overleg heeft gehad, maar zij heeft uiteraard geen bouwtechnische kennis. In het Whatsapp-gesprek met [getuige] spreekt [aangeefster] over ‘aanraken’ en dat is van wezenlijke andere aard dan ‘vol de billen pakken’. [aangeefster] heeft bij de rechter-commissaris een onware verklaring gegeven op de vraag of zij voorafgaand aan het getuigenverhoor van [getuige] bij de politie nog contact met hem heeft gehad. De omstandigheden dat [aangeefster] na het beweerdelijke incident mensen ging helpen en dat zij samen met [getuige] een broodje is gaan smeren en dat buiten op het terras heeft opgegeten conveniëren niet met ‘de ervaringsregel over hevige emoties direct na een zedenmisdrijf’.

II. Er is onvoldoende steunbewijs. Volgens de aangifte van [aangeefster] heeft het incident omstreeks 10:00 uur plaatsgevonden. Uit de Whatsapp-berichten tussen [aangeefster] en [getuige] volgt dat er tussen 10:00 uur en 10:45 uur sprake was van luchtig contact. Er is geen sprake van een heftige emotie onmiddellijk na het beweerdelijke incident. Bovendien zijn de emoties door [getuige] op zijn vroegst anderhalf uur na het beweerdelijke incident waargenomen en waren die niet zo heftig, zodat die waarneming onvoldoende steun biedt aan de aangifte. Voorts heeft het Y-chromosomaal DNA-onderzoek niets opgeleverd. Het DNA-onderzoek wijst erop dat eerder sprake is geweest van een aanraakspoor dan van een greepspoor.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat zaken als de onderhavige doorgaans worden gekenmerkt door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Indien de veronderstelde dader de handelingen ontkent, leidt dat in veel gevallen ertoe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt evenwel dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet mag worden aangenomen op de enkele verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer). De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich in dit verband niet in algemene zin beantwoorden, maar vraagt een beoordeling van het concrete geval.

In het onderhavige geval dient het hof te beoordelen of de verklaringen van aangeefster [aangeefster] betrouwbaar zijn. Daarnaast zal het hof moeten bepalen of voor haar beweringen voldoende (steun)bewijs in het dossier aanwezig is en dient het hof, in dat verband, ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige] te beoordelen.

Anders geformuleerd: de juistheid van de kern van de tenlastelegging moet niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van het slachtoffer volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron.

Ad I. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster]

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [aangeefster] zich op 12 april 2016, omstreeks 14:30 uur, op het politiebureau meldde. Zij was daar samen met haar moeder en haar baas [baas van aangeefster en zoon van de verdachte] , de zoon van de verdachte. [aangeefster] sprak met verbalisant [verbalisant II] . Hieromtrent is gerelateerd dat [aangeefster] mededeelde dat zij op 12 april 2016 aan het werk was bij [binnenspeeltuin] , de vader van haar baas daar klusjes doet en dat zij op de bovenverdieping met hem in gesprek was. Plotseling greep hij [aangeefster] bij haar borsten en toen zij wegliep, voelde zij dat hij in haar kont kneep.

[aangeefster] heeft zich aldus op dezelfde dag bij de politie gemeld om haar verhaal aldaar te kunnen doen. Vervolgens heeft zij op 18 april 2016 een informatief gesprek gevoerd en aangifte gedaan. Uit die aangifte blijkt dat [aangeefster] boven in [binnenspeeltuin] met de verdachte in gesprek was en dat hij uit het niets naar haar borsten greep. Hij greep er naar en kneep er in. Het was de linkerborst van [aangeefster] . [aangeefster] schrok en wilde weglopen en toen greep hij naar haar kont en pakte die vol vast, net als bij haar borst.

[aangeefster] heeft ook bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Uit deze verklaring volgt dat zij boven in [binnenspeeltuin] een gesprek had met de verdachte en dat hij toen uit het niets greep naar haar borsten en daarna naar haar billen.

Het hof is van oordeel dat [aangeefster] concrete en consistente verklaringen over de ontuchtige handelingen heeft afgelegd. Zo heeft [aangeefster] steeds verklaard dat de verdachte uit het niets naar haar borsten greep. Ook heeft [aangeefster] over de volgorde van de beweerdelijke gedragingen consistent verklaard, namelijk dat de verdachte eerst naar haar borsten greep en daarna toen zij weg wilde lopen naar haar billen. Het hof acht haar verklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In dit verband heeft het hof mede de Whatsapp-berichten in ogenschouw genomen, die [aangeefster] kort na het incident naar [getuige] heeft verstuurd en waarin zij vertelt wat er was gebeurd.

De door de verdediging genoemde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen hebben naar het oordeel van het hof betrekking op ondergeschikte punten en maken niet dat op basis daarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [aangeefster] .

De verklaringen van [aangeefster] vinden ook steun in ander bewijs. Het hof zal dat bewijs hieronder nader bespreken.

Ad II. Steunbewijs en betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige]

Steunbewijs voor hetgeen [aangeefster] heeft verklaard kan worden gevonden in de verklaringen van getuige [getuige] . [getuige] heeft eerst bij de politie een verklaring afgelegd en nadien ook bij de rechter-commissaris. Gelet op de inhoud van die verklaringen (bewijsmiddel 4 en bewijsmiddel 6) is het hof van oordeel dat (ook) [getuige] consistent heeft verklaard. Het is het hof niet gebleken dat [getuige] door [aangeefster] zou zijn beïnvloed.

De door de verdediging genoemde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen hebben naar het oordeel van het hof betrekking op ondergeschikte punten en maken niet dat op basis daarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [getuige] .

De verklaringen van [getuige] acht het hof derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

[aangeefster] heeft op 12 april 2016 zeer kort na het incident via Whatsapp contact opgenomen met [getuige] en zij heeft aan hem verteld wat er was gebeurd, waarbij zij ook gelijk gevoelens heeft geuit over hetgeen haar is overkomen. Het eerste contact tussen beiden vond op 12 april 2016 plaats tussen 10:01 uur en 10:13 uur. Uit de Whatsapp-berichten die in voornoemd tijdsbestek zijn verstuurd, leidt het hof af dat er tussen [aangeefster] en [getuige] sprake was van normaal contact en dat er op dat moment op het werk bij [binnenspeeltuin] nog niets was gebeurd.

Het volgende contact tussen [aangeefster] en [getuige] vond vervolgens plaats op 12 april 2016 vanaf 10:45 uur. [aangeefster] heeft verklaard dat zij [getuige] eerst heeft geappt en daarom wist zij ook hoe laat het was gebeurd. Om 10:45 uur stuurde [aangeefster] naar [getuige] het Whatsapp-bericht ‘ik voel me zo vies omg’. In berichten daarna liet [aangeefster] weten dat de verdachte haar ‘tiet’ en haar ‘kont’ heeft aangeraakt.

Gelet op de inhoud van de Whatsapp-berichten is het voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat het tenlastegelegde tussen 10:13 uur en 10:45 uur heeft plaatsgehad en dat [aangeefster] aldus kort na het incident [getuige] van de ontuchtige handelingen door de verdachte op de hoogte heeft gebracht.

Dat [aangeefster] bij de politie heeft verklaard dat het incident omstreeks/rond 10:00 uur heeft plaatsgevonden, is – gelet ook op het beperkte tijdsverschil – daarmee naar het oordeel van het hof niet in strijd.

Bovendien is [getuige] – gelet op de tijdstippen waarop de Whatsapp-berichten zijn verstuurd – kort daarna nog naar [aangeefster] gegaan. Bij de politie heeft [getuige] verklaard over de emotionele en fysieke gemoedstoestand van [aangeefster] op dat moment: zij was over haar toeren, ze huilde nog net niet, ze wist echt niet wat ze moest doen, ze trilde en was er met haar hoofd niet bij. Ook bij de rechter-commissaris heeft [getuige] verklaard dat [aangeefster] over haar toeren was, alsmede dat zij niet de ‘normale [aangeefster] ’ was. Het hof is van oordeel dat deze waarnemingen van [getuige] zodanig kort na het tenlastegelegde zijn gedaan en dat die waarnemingen ook op een dusdanige emotionele en/of fysieke toestand van [aangeefster] duiden, dat daarin steun voor de verklaring van [aangeefster] wordt gevonden.

Naast het feit dat voor de verklaring van [aangeefster] steun kan worden gevonden in hetgeen [getuige] heeft verklaard en (betreffende de emotionele gesteldheid van [aangeefster] ) heeft waargenomen, stelt het hof vast dat de verklaring van [aangeefster] op bepaalde onderdelen overeenstemt met de verklaring van de verdachte. Uit zowel de verklaring van de verdachte als van [aangeefster] volgt namelijk dat het incident boven bij [binnenspeeltuin] heeft plaatsgehad, alwaar de verdachte op 12 april 2016 bezig was met het bouwen van een doolhof. Ook hebben beiden verklaard over het feit dat de verdachte na het voorval een geldbedrag ten bedrage van € 25,00 aan [aangeefster] heeft aangeboden.

Met betrekking tot hetgeen de verdachte (overigens nog) heeft verklaard, overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft eerst ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij [aangeefster] wel heeft aangeraakt met de bovenkant van zijn hand of met zijn elleboog, doch dat zulks niet bewust was. Hij heeft ontkend dat hij aan de borsten en billen van [aangeefster] heeft gezeten. De verdachte moest in verband met zijn werkzaamheden [aangeefster] passeren en hij heeft haar in het voorbij lopen – gelet op de omstandigheid dat de gangpaden in het doolhof 60 tot 65 centimeter breed waren – aangeraakt. Dit is één keer gebeurd, aldus de verdachte. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij € 25,00 voor [aangeefster] heeft neergelegd. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat hij dit geldbedrag heeft neergelegd, omdat het per ongeluk was gebeurd en hij er spijt van had.

De verklaring van de verdachte dat hij [aangeefster] in het voorbij lopen per ongeluk heeft aangeraakt, acht het hof niet aannemelijk geworden. In dit verband heeft het hof in aanmerking genomen dat deze verklaring niet strookt met hetgeen [aangeefster] ‘gelijk’ heeft verklaard en hetgeen is gebleken uit de Whatsapp-gesprekken en de verklaringen van getuige [getuige] . [aangeefster] heeft van meet af aan verklaard dat de ontuchtige handelingen “uit het niets” door de verdachte zijn gepleegd. Bovendien is naar het oordeel van het hof de door de verdachte gestelde gang van zaken – inhoudende dat hij [aangeefster] in het voorbij lopen heeft aangeraakt en dat dit één keer is gebeurd – niet passend bij een situatie waarin hij eerst de borst van [aangeefster] heeft “gegrepen” en daarna, terwijl [aangeefster] doende was weg te lopen (ook nog) haar bil, kort gezegd, heeft betast.

Voor zover de verdachte naar voren heeft gebracht dat hij [aangeefster] per ongeluk heeft aangeraakt, vermag het hof niet in te zien waarom hij haar vervolgens een geldbedrag heeft aangeboden. Een en ander levert naar het oordeel van het hof veeleer een bevestiging op dat dat sprake is geweest van een situatie waarover de verdachte zich schuldig voelde en derhalve een bevestiging dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen.

In de bemonstering van de regio van de linkerborst van het T-shirt van aangeefster [aangeefster] is een aanwijzing gevonden voor een relatief zeer geringe hoeveelheid Y-chromosomaal DNA (afkomstig van een man). Het Nederlands Forensisch Instituut heeft echter geen Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Het hof kan uit dit resultaat (dat iets zegt op bronniveau), anders dan de raadsman heeft gesteld, niet de conclusie trekken (op activiteitenniveau) dat deze uitkomst wijst op een aanraakspoor in plaats van een greepspoor. De uitkomst van het rapport kan derhalve naar het oordeel van het hof niet afdoen aan de bewezenverklaring.

Op grond van het bovenstaande en de gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren in al hun onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op:

- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 12 april 2016 schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid door slachtoffer [aangeefster] bij de borst en in de bil te grijpen/vastpakken en daarin te knijpen. Het slachtoffer was op 12 april 2016 aan het werk bij binnenspeeltuin [binnenspeeltuin] in [plaats] . De verdachte, vader van de eigenaar van de binnenspeeltuin en werkgever van het slachtoffer, was die dag daar ook aan het werk. Hij was boven bezig met het maken van een doolhof. Op een gegeven moment werd het slachtoffer door de verdachte naar boven geroepen om te komen kijken. Het slachtoffer is hierop naar boven gegaan. Op het moment dat het slachtoffer met de verdachte stond te praten, greep de verdachte uit het niets in haar borst en kneep hij daarin. Terwijl het slachtoffer daarna van de verdachte wegliep, is hij achter haar aan gelopen en greep hij naar en kneep hij in de bil van het slachtoffer. Het gaat om handelingen die naar het oordeel van het hof naar hun aard onmiskenbaar een seksuele lading hebben. Door het bewezenverklaarde handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Daarbij heeft de verdachte geenszins rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Dat de gevolgen van het handelen van de verdachte groot zijn geweest, blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Uit deze verklaring blijkt onder andere dat het slachtoffer ten gevolge van het handelen van de verdachte psychosomatische klachten heeft ondervonden en daarvoor is behandeld.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 september 2020. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen niet eerder is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 1 november 2018. Blijkens voornoemd reclasseringsadvies wordt het risico op recidive door de reclassering ingeschat als laag. Volgens de reclassering bestaan er geen zorgen op het gebied van wonen en woonomgeving, noch omtrent het sociaal netwerk van de verdachte. Evenmin bestaan er financiële problemen of problemen ter zake van middelengebruik. In het reclasseringsadvies wordt voorts naar voren gebracht dat de reclassering de verdachte – ten tijde van het opmaken van het rapport – gelet op zijn psychische gesteldheid ten tijde van het opmaken van het rapport niet in staat achtte een taakstraf te verrichten.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – ongeveer twee jaren nadat het rapport door de reclassering is opgesteld – is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat de fysieke en/of psychische toestand van de verdachte thans in de weg staat aan het verrichten van een taakstraf, waarbij het hof ook acht slaat op de termijn waarbinnen een taakstraf kan worden verricht.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een taakstraf op te leggen van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de redelijke termijn in eerste aanleg overweegt het hof als volgt.

De redelijke termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 24 mei 2016, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is gehoord. Vanaf dat moment kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 4 december 2018 vonnis gewezen. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is met ruim zes maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn in eerste aanleg dan ook geschonden. Gelet op de hierboven genoemde straf – een taakstraf van minder dan honderd uren – ziet het hof, conform bestendige rechtspraak, geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal derhalve volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij [aangeefster] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.067,20, waarvan € 67,20 wegens materiële schade (reiskosten) en € 1.000,00 in verband met immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding ter zake van de gevorderde materiële schade – een bedrag van € 67,20 – toegewezen. Betreffende de gevorderde immateriële schade is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 500,00. Het toegewezen bedrag van € 567,20 is vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening. De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd ter hoogte van voornoemd geldbedrag. De benadeelde partij is voor het overige – de meer gevorderde immateriële schade – niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 67,20 ter zake van materiële schade. De gevorderde kosten – bestaande uit gemaakte reiskosten in verband met behandelafspraken bij het ziekenhuis en GGZ-Van Gogh – zullen derhalve worden toegewezen.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, die niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Totale schade en (aanvangsdatum) wettelijke rente

Het hof zal de hiervoor genoemde totale schade vaststellen op een bedrag van € 567,20. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de materiële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op 6 april 2017, te weten de laatste datum waarop de benadeelde partij – blijkens de bij de vordering tot schadevergoeding gevoegde afspraakkaart – reiskosten heeft gemaakt in verband met een behandelingsafspraak bij GGZ-Van Gogh. De aanvangsdatum van de wettelijke rente in verband met de immateriële schade zal worden bepaald op de datum van het bewezenverklaarde feit, te weten 12 april 2016.

Kostenveroordeling

Het hof zal de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangeefster] is toegebracht tot een bedrag van € 567,20. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 567,20 (vijfhonderdzevenenzestig euro en twintig cent) bestaande uit € 67,20 (zevenenzestig euro en twintig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 567,20 (vijfhonderdzevenenzestig euro en twintig cent) bestaande uit € 67,20 (zevenenzestig euro en twintig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

6 april 2017 en voor de immateriële schade op 12 april 2016.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 25 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Onder dit kopje wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar paginanummers van het dossier van de Politie Eenheid Limburg, dienst regionale recherche, afdeling zeden, proces-verbaalnummer 2016065123, gesloten d.d. 12 april 2017, met de doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 57. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisant(en) en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Het geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 van het Wetboek van Strafvordering wordt alleen tot bewijs gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.