Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3617

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
200.248.943_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3066
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5371
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot tussenkomst door reeds gevoegde partij; afwijzing vanwege gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.248.943/01

arrest van 24 november 2020

gewezen in het incident tot tussenkomst ex artikel 217 Rv in de zaak van

[curator] q.q., in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde],

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep in de hoofdzaak,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna aan te duiden als: de curator,

advocaat: mr. P.E. Butterman te Breda,

tegen

1 [assurantiebedrijf] Assurantiën B.V .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep in de hoofdzaak,

appellante in incidenteel hoger beroep in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna aan te duiden als: [assurantiebedrijf] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2 [verzekeringsadvocaten] Verzekeringsadvocaten B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep in de hoofdzaak, gevoegd aan de zijde van [assurantiebedrijf] ,

eiseres in het incident,

hierna aan te duiden als: [verzekeringsadvocaten] ,

advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 juli 2018, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen enerzijds de curator als eiseres en anderzijds [assurantiebedrijf] als gedaagde en [verzekeringsadvocaten] als gevoegde partij.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/326013/HA ZA 17-48)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tegen [verzekeringsadvocaten] verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties 12 tot en met 17;

  • -

    de bij brief van 14 mei 2020 door de curator overgelegde productie 18 die geacht wordt bij pleidooi in het geding te zijn gebracht;

  • -

    het pleidooi waarbij de curator en [assurantiebedrijf] pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de memorie inzake artikel 3:43 BW van de curator;

  • -

    de memorie inzake artikel 3:43 BW van [assurantiebedrijf] ;

  • -

    het door [verzekeringsadvocaten] gezuiverde verstek;

  • -

    de memorie houdende incidentele vordering tot tussenkomst van [verzekeringsadvocaten] met producties 15 en 16;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van de curator;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [assurantiebedrijf] ;

  • -

    de akte in het incident van [verzekeringsadvocaten] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a) Bij vonnis van 29 juni 2014 is mevrouw [gefailleerde] (hierna: [gefailleerde] ) in staat van faillissement verklaard. [gefailleerde] was ten tijde van haar faillietverklaring bestuurder van een stichting die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder was van [consultants] Consultants B.V. (hierna: [consultants] ), voorheen genaamd [holding] Holding B.V.

b) De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 augustus 2014 eindvonnis gewezen in een door [consultants] tegen [assurantiebedrijf] aangespannen procedure (zaak-/rolnummer C/02/209403 / HA ZA 09-1764). Bij dit vonnis is [assurantiebedrijf] veroordeeld om aan [consultants] een bedrag aan schadevergoeding te betalen van € 307.273,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 mei 2008, en een bedrag van € 16.160,25 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

c) De advocaat van [consultants] in de desbetreffende procedure was aanvankelijk mr. Boemaars. Deze is later vervangen door mr. Ripmeester, een advocaat van [verzekeringsadvocaten] . Tot zekerheid voor de betaling van de advocaatkosten, heeft [consultants] aan [verzekeringsadvocaten] een pandrecht verleend op de vordering van [consultants] op [assurantiebedrijf] . De pandakte is namens [consultants] getekend op 21 januari 2013 en namens [verzekeringsadvocaten] op 21 februari 2013 en is op 22 februari 2013 geregistreerd. Aan (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars is een tweede pandrecht verleend.

d) Na het vonnis van 27 augustus 2014 heeft mr. M. Ripmeester ( [verzekeringsadvocaten] ) namens [consultants] met [assurantiebedrijf] onderhandeld over een regeling. Medio oktober 2014 hebben partijen overeenstemming bereikt over een bedrag van
€ 180.000,-. De curator heeft desgevraagd geen toestemming verleend voor de regeling.

e) Op 17 november 2014 heeft [verzekeringsadvocaten] de curator geïnformeerd over haar pandrecht op de vordering van [consultants] op [assurantiebedrijf] .

f) Op 31 december 2014 heeft de curator conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [assurantiebedrijf] in verband met een vordering van [gefailleerde] op [consultants] uit hoofde van een geldlening ten bedrage van € 333.429,-. De curator is vervolgens een procedure gestart tegen [consultants] , waarin zij terugbetaling heeft gevorderd van deze geldlening.

g) Op 22 januari 2015 heeft [assurantiebedrijf] een verklaring derdenbeslag afgegeven. In deze verklaring heeft [assurantiebedrijf] – kort gezegd – aangegeven dat tegen het eindvonnis van 27 augustus 2014 hoger beroep is aangetekend omdat de juistheid van het vonnis en daarmee de toewijsbaarheid van de vorderingen nog steeds wordt betwist.

h) [consultants] , daarbij vertegenwoordigd door mr. Ripmeester van [verzekeringsadvocaten] , en [assurantiebedrijf] hebben op 26 januari 2015 respectievelijk 2 februari 2015 een vaststellingsovereenkomst (hierna: vaststellingsovereenkomst I) ondertekend, waarin is bepaald dat partijen zijn overeengekomen dat [assurantiebedrijf] aan [consultants] een bedrag betaalt van € 180.000,- tegen finale kwijting.

i) [verzekeringsadvocaten] heeft bij e-mail van 3 februari 2015, gericht aan de advocaat van [assurantiebedrijf] , het pandrecht ingeroepen. [assurantiebedrijf] heeft aangegeven slechts bereid te zijn tot betaling aan [verzekeringsadvocaten] over te gaan van het onder de vaststellingsovereenkomst I verschuldigde bedrag, indien [verzekeringsadvocaten] [assurantiebedrijf] ter zake zou vrijwaren tegen aanspraken van derden. [verzekeringsadvocaten] heeft daarmee ingestemd en op 26 februari 2015 is een vrijwaringsovereenkomst getekend door [verzekeringsadvocaten] en [assurantiebedrijf] . Daarop heeft (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van) [assurantiebedrijf] het bedrag van € 180.000,- aan [verzekeringsadvocaten] voldaan. Uit deze opbrengst heeft [verzekeringsadvocaten] de kosten van executie voldaan en het aan haar toekomende bedrag van in totaal € 94.404,45. Het resterende bedrag van € 85.595,55 is onder een notaris gestort, die als gerechtelijke bewaarder optrad. Op dit bedrag werd aanspraak gemaakt door (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars als tweede pandhouder en door de curator als beslaglegger. Vervolgens heeft de Belastingdienst ten laste van [consultants] derdenbeslag gelegd onder de notaris.

j) Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 augustus 2016 (zaak-/rolnummer C/02/294190 / HA ZA 15-73) is de vordering van de curator tegen [consultants] toegewezen. [consultants] is bij dit vonnis veroordeeld tot betaling aan de curator van een bedrag van € 366.065,02, vermeerderd met de contractuele rente over de hoofdsom vanaf 1 juni 2014.

k) Bij e-mail van 13 september 2016 heeft de notaris aan [consultants] bericht dat er met betrekking tot het bedrag in depot overleg is geweest tussen (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars (pandhouder), de curator (beslaglegger) en de Belastingdienst (beslaglegger), en dat zij zijn overeengekomen dat aan (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars een bedrag kon worden uitgekeerd van € 48.500,- en aan de Belastingdienst het restantbedrag. Op deze wijze is het depot door de notaris uitgekeerd.

l) Op 21 oktober 2016 heeft de curator het tussen haar en [consultants] gewezen vonnis laten betekenen aan [consultants] en laten overbetekenen aan [assurantiebedrijf] . [assurantiebedrijf] is daarbij in gebreke gesteld en gesommeerd om aanvullend te verklaren met betrekking tot het beslagen bedrag, aangezien zij had aangegeven dat hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van 27 augustus 2014, als ook om het bedrag over te boeken naar de kwaliteitsrekening van de deurwaarder.

m) Na overleg tussen de curator en (advocaten van) [assurantiebedrijf] en haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, heeft de verzekeraar zich op het standpunt gesteld – kort gezegd – dat de vordering van [consultants] op [assurantiebedrijf] op nihil moet worden gewaardeerd, omdat vaststellingsovereenkomst I (de getroffen regeling tussen [consultants] en [assurantiebedrijf] ) alle partijen bindt en ook de curator aangezien overeenstemming over de hoogte van het te betalen bedrag al was bereikt voor de beslaglegging, en dat het onder de regeling betaalde bedrag van € 180.000,- bevrijdend is betaald aan de pandhouder, nu de verpanding zowel aan de regeling als aan de beslaglegging is voorafgegaan. De curator heeft dit standpunt bestreden.

3.2.

De curator heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 420.455,02, vermeerderd met de wettelijke rente. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd, primair, dat [assurantiebedrijf] op grond van artikel 477a lid 4 Rv conform haar verklaring moet betalen wat zij op grond van het vonnis van 27 augustus 2014 aan [consultants] verschuldigd is, subsidiair, dat [assurantiebedrijf] dit bedrag op grond van artikel 477a lid 1 Rv moet betalen als ware zij daarvan zelf schuldenaar, en meer subsidiair op grond van betwisting van de verklaring van [assurantiebedrijf] en gerechtelijke vaststelling van de verklaring op grond van artikel 477a lid 2 Rv.

3.3.

[assurantiebedrijf] heeft als verweer gevoerd dat de tussen haar en [consultants] getroffen regeling aan de curator kan worden tegengeworpen, aangezien de wilsovereenstemming tussen partijen over het schikkingsbedrag van € 180.000,- tot stand is gekomen vóór de beslaglegging door de curator op 31 december 2014. Volgens [assurantiebedrijf] heeft zij dit bedrag bevrijdend betaald aan de pandhouders zodat zij niets verschuldigd is aan de curator.

3.4.

Bij vonnis van 17 mei 2017 is het [assurantiebedrijf] toegestaan om [verzekeringsadvocaten] in vrijwaring op te roepen. Bij vonnis in incident van 6 september 2017 is [verzekeringsadvocaten] toegestaan zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van [assurantiebedrijf] .

3.5.

[verzekeringsadvocaten] heeft bij conclusie van antwoord onder meer aangevoerd dat [consultants] en [assurantiebedrijf] eind 2014 wilsovereenstemming hebben bereikt over het nog door [assurantiebedrijf] aan [consultants] verschuldigde bedrag van € 180.000,-. [assurantiebedrijf] heeft dit bedrag bevrijdend betaald aan [verzekeringsadvocaten] , zodat [assurantiebedrijf] niets meer aan [consultants] verschuldigd is volgens [verzekeringsadvocaten] . De curator was volgens [verzekeringsadvocaten] op de hoogte van het pandrecht van [verzekeringsadvocaten] en van het feit dat het pandrecht ouder was dan het door de curator gelegde derdenbeslag. [verzekeringsadvocaten] heeft de curator bij e-mail van 17 november 2014 over haar pandrecht geïnformeerd en begin februari 2015 over het uitoefenen van haar pandrecht. De curator was tevens op de hoogte van het feit dat [verzekeringsadvocaten] haar pandrecht had uitgewonnen en dat zij het resterende bedrag in bewaring had gegeven. De curator wist tevens van het bestaan van het tweede pandrecht van (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars, dat eveneens was gevestigd voordat zij in december 2014 conservatoir derdenbeslag legde. De curator is daarnaast akkoord gegaan met een uitdeling van het onder de notaris gestorte executieoverschot aan de tweede pandhouder en de Belastingdienst. [verzekeringsadvocaten] stelt dat de curator artikel 21 Rv heeft geschonden door hiervan in haar dagvaarding geen melding te maken. Deze schending heeft tot gevolg gehad dat [assurantiebedrijf] jegens [verzekeringsadvocaten] een beroep heeft gedaan op de vrijwaringsovereenkomst en aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van € 180.000,-, aldus [verzekeringsadvocaten] .

3.6.

De rechtbank is in het eindvonnis van 4 juli 2018 tot het oordeel gekomen dat vaststellingsovereenkomst I aan de curator kan worden tegengeworpen, en dat het derdenbeslag rustte op een bedrag van € 180.000,- dat is uitgekeerd aan de pandhouder en vervolgens met instemming van de curator is verdeeld onder (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars en de Belastingdienst zodat aan de curator dus niets meer valt uit te keren. De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen.

3.7.

Bij dagvaarding van 2 oktober 2018 heeft de curator [assurantiebedrijf] en [verzekeringsadvocaten] in hoger beroep gedagvaard. De curator heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 4 juli 2018 en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. [verzekeringsadvocaten] heeft verstek laten gaan. [assurantiebedrijf] is verschenen en heeft verweer gevoerd.

In het incidenteel hoger beroep heeft [assurantiebedrijf] grieven gericht tegen de afwijzing van haar vordering tot het stellen van zekerheid door de curator voor de proceskosten en tegen de afwijzing van haar vordering tot veroordeling van de curator in de volledige proceskosten.

3.8.

Bij gelegenheid van pleidooi heeft het hof aan de curator en [assurantiebedrijf] gevraagd naar hun standpunt over de mogelijke (ambtshalve) toepassing van artikel 3:43 lid 1 BW en de gevolgen daarvan voor de ingestelde vorderingen en het daartegen gevoerde verweer. Artikel 3:43 lid 1 BW bepaalt onder meer dat rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door advocaten van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht, onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen, nietig zijn. Deze bepaling is van openbare orde.

De curator en [assurantiebedrijf] hebben ter pleidooizitting hun standpunten over dit onderwerp ingenomen. Het hof heeft de curator en [assurantiebedrijf] in de gelegenheid gesteld bij memorie hun standpunten (uitsluitend) hierover nog nader uiteen te zetten. Partijen hebben daar bij memories van 21 juli 2020 gebruik van gemaakt.

3.9.

Op de roldatum waarop laatstgenoemde memories zijn genomen heeft [verzekeringsadvocaten] het verstek gezuiverd. Zij heeft tevens bij incidentele memorie gevorderd te mogen tussenkomen in het geding tussen de curator en [assurantiebedrijf] .

3.10.

Ter onderbouwing van haar vordering tot tussenkomst heeft [verzekeringsadvocaten] aangevoerd dat zij, in december 2015, een vaststellingsovereenkomst (hierna: vaststellingsovereenkomst II) heeft gesloten met de curator. [verzekeringsadvocaten] stelt dat zij en de curator daarbij zijn overeengekomen dat [verzekeringsadvocaten] een bedrag van € 30.000,- zou betalen aan de curator ter beslechting van de discussie of [verzekeringsadvocaten] de boedel heeft benadeeld door haar pandrecht uit te winnen. [verzekeringsadvocaten] mocht ingevolge de vaststellingsovereenkomst II het door haar uitgewonnen bedrag van € 94.404,25 houden, en de curator zou mogelijk in de toekomst nog aanspraak maken op de resterende gelden, namelijk het bedrag van € 85.172,05 dat op de derdengeldenrekening van de notaris was gestort. Na betaling van het bedrag van € 30.000,- zouden [verzekeringsadvocaten] en de curator niets meer van elkaar te vorderen hebben. [verzekeringsadvocaten] heeft het bedrag van € 30.000,- aan de curator betaald. De curator heeft daarnaast ook ingestemd met uitdeling van de zich onder de notaris bevindende resterende gelden, aan de tweede pandhouder - (het advocatenkantoor van) mr. Boemaars - en de Belastingdienst. Door het voeren van de onderhavige procedure tegen [assurantiebedrijf] , waarbij de curator volledige betaling heeft gevorderd van de vordering van [consultants] op [assurantiebedrijf] , handelt de curator in strijd met de vaststellingsovereenkomst die zij heeft gesloten met [verzekeringsadvocaten] . [verzekeringsadvocaten] dreigt als gevolg hiervan ernstig te worden benadeeld. Als de vordering van de curator op [assurantiebedrijf] wordt toegewezen, kan [verzekeringsadvocaten] vervolgens door [assurantiebedrijf] in vrijwaring worden aangesproken tot een bedrag van € 180.000,-. [verzekeringsadvocaten] heeft daarom belang bij tussenkomst om een of meer eigen vorderingen in te stellen jegens de curator, onder meer i) een verklaring voor recht dat de curator in strijd handelt met de tussen de curator en [verzekeringsadvocaten] gesloten vaststellingsovereenkomst II, en ii) een veroordeling tot nakoming door de curator van haar verplichtingen onder vaststellingsovereenkomst II. Nakoming van vaststellingsovereenkomst II houdt in dat de curator zich ter zake het uitgewonnen bedrag van € 180.000,- niet tot [assurantiebedrijf] kan wenden, aldus [verzekeringsadvocaten] .

3.11.

De curator verzet zich tegen toewijzing van de gevorderde tussenkomst. De curator heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd. Vaststellingsovereenkomst II is gesloten naar aanleiding van het aansprakelijk stellen van [verzekeringsadvocaten] door de curator, op grond van onrechtmatige daad, voor het handelen van [verzekeringsadvocaten] rondom de totstandkoming van vaststellingsovereenkomst I. De curator had in dit verband ook een tuchtklacht ingediend tegen mr. Ripmeester. Ter afdoening van het gehele geschil, aansprakelijkstelling en tuchtklacht, heeft de curator een bedrag van € 30.000,- geaccepteerd ter dekking van zijn kosten. Nadrukkelijk bepaalt vaststellingsovereenkomst II dat de curator vaststellingsovereenkomst I en het depot niet erkent en dat derden aan de regeling tussen [verzekeringsadvocaten] en de curator geen rechten kunnen ontlenen. Het feit dat [verzekeringsadvocaten] een vrijwaring heeft afgegeven aan [assurantiebedrijf] , en dus het risico kende dat [assurantiebedrijf] zou kunnen worden aangesproken door de curator en dit risico niet in vaststellingsovereenkomst II heeft betrokken, komt voor rekening van [verzekeringsadvocaten] . De curator procedeerde ten tijde van het sluiten van vaststellingsovereenkomst II tegen [consultants] en had in dat kader beslag gelegd op de vordering van [consultants] op [assurantiebedrijf] . [consultants] werd in die procedure bijgestaan door [verzekeringsadvocaten] (mr. Ripmeester) en wist dus dat de curator zich zou gaan verhalen op die vordering. Die procedure is na het sluiten van vaststellingsovereenkomst II gewoon voortgezet zonder enig verzet van [verzekeringsadvocaten] daartegen. [verzekeringsadvocaten] heeft ook in de onderhavige procedure, in eerste aanleg, niets gezegd over vaststellingsovereenkomst II. [verzekeringsadvocaten] heeft geen belang bij de gevorderde tussenkomst. Vanwege het risico dat [verzekeringsadvocaten] € 180.000,- aan [assurantiebedrijf] moet betalen, heeft [verzekeringsadvocaten] ervoor gekozen zich te voegen aan de zijde van [assurantiebedrijf] . [verzekeringsadvocaten] heeft niet gemotiveerd waarom tussenkomst noodzakelijk is. Vaststellingsovereenkomst II kan niet in de weg staan aan het innen van de vordering van de curator op [assurantiebedrijf] nu [assurantiebedrijf] zelf niet is gekweten in of rechten kan ontlenen aan vaststellingsovereenkomst II. Dit is nu juist expliciet uitgesloten in die vaststellingsovereenkomst, aldus nog steeds de curator.

3.12.

[assurantiebedrijf] verzet zich niet tegen de gevorderde tussenkomst.

3.13.

Het hof stelt voorop dat een partij op de voet van artikel 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Onder nadeel is in dit verband onder meer te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering zal kunnen hebben voor degene die de tussenkomst vordert. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

3.14.

[verzekeringsadvocaten] heeft voldoende onderbouwd dat zij nadeel kan ondervinden van de uitspraak in de hoofdzaak, namelijk wanneer [assurantiebedrijf] daarbij zou worden veroordeeld om het bedrag van € 180.000,- dat [assurantiebedrijf] aan [verzekeringsadvocaten] heeft betaald, te betalen aan de curator, en [assurantiebedrijf] [verzekeringsadvocaten] onder de vrijwaring of anderszins aanspreekt tot (terug)betaling van dit bedrag. De curator heeft dit mogelijke nadeel als zodanig niet weersproken. Deze mogelijke nadelige gevolgen die [verzekeringsadvocaten] kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor [assurantiebedrijf] rechtvaardigen dan ook de positie van gevoegde partij die [verzekeringsadvocaten] in deze procedure reeds inneemt.

3.15.

[verzekeringsadvocaten] heeft onvoldoende onderbouwd wat, gegeven haar positie als gevoegde partij, haar belang is bij de vorderingen die zij in deze procedure wenst in te stellen als tussenkomende partij. De vorderingen die [verzekeringsadvocaten] heeft aangekondigd gaan ervan uit dat vaststellingsovereenkomst II inhoudt dat de curator zich jegens [verzekeringsadvocaten] heeft verplicht om zich ter zake het uitgewonnen bedrag van € 180.000,- niet tot [assurantiebedrijf] te wenden. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van dit standpunt, kan dat, zonder meer, niet leiden tot afwijzing van de vordering van de curator jegens [assurantiebedrijf] . [assurantiebedrijf] is immers geen partij bij die vaststellingsovereenkomst, terwijl [verzekeringsadvocaten] niet heeft gesteld dat de overeenkomst een derdenbeding bevat ten gunste van [assurantiebedrijf] . De stelling van de curator dat de vaststellingsovereenkomst juist het tegendeel bepaalt, namelijk dat derden daaraan geen rechten kunnen ontlenen, heeft [verzekeringsadvocaten] (bij de nadere akte) niet weersproken. Bovendien, voor zover de verplichtingen die de curator in vaststellingsovereenkomst II op zich heeft genomen op enigerlei wijze in de weg kunnen staan aan toewijzing van de vorderingen van de curator jegens [assurantiebedrijf] , kan [verzekeringsadvocaten] dit als gevoegde partij aan de zijde van [assurantiebedrijf] naar voren brengen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet in wat het instellen van een vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst jegens [verzekeringsadvocaten] , of een verklaring voor recht dat deze overeenkomst jegens [verzekeringsadvocaten] wordt geschonden door de curator, kan toevoegen aan wat [verzekeringsadvocaten] in dit verband als gevoegde partij aan de zijde van [assurantiebedrijf] kan aanvoeren.

Het hof is daarom van oordeel dat [verzekeringsadvocaten] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij, gelet op haar positie als gevoegde partij, voldoende belang heeft bij de gevorderde tussenkomst. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

3.16.

[verzekeringsadvocaten] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van de curator en [assurantiebedrijf] .

In de hoofdzaak

3.17.

Na zuivering van het verstek heeft [verzekeringsadvocaten] , in haar memorie in het incident, aangegeven dat zij heeft kennis genomen van de memorie van grieven van de curator en de memorie van antwoord van [assurantiebedrijf] , en dat zij zich volledig kan vinden in de inhoud van die memorie van antwoord. Overeenkomstig haar verzoek zal het hof deze memorie van antwoord ook beschouwen als de memorie van antwoord van [verzekeringsadvocaten] .

3.18.

De curator en [assurantiebedrijf] hebben hun memorie inzake artikel 3:43 BW gelijktijdig genomen. Zoals besproken met de advocaten van partijen op de pleidooizitting was het de bedoeling dat de advocaten hun memorie voorafgaand aan indiening aan elkaar zouden sturen zodat in de eigen memorie nog een reactie kon worden opgenomen op de memorie van de wederpartij. De advocaat van [assurantiebedrijf] heeft aangegeven dat dit voor hem niet voldoende duidelijk was, en dat hij zijn memorie niet aan de advocaat van de curator heeft gestuurd. De curator heeft verzocht een antwoordmemorie te mogen nemen. Daartegen heeft [assurantiebedrijf] geen bezwaar. Het hof zal partijen daarom toestaan een antwoordmemorie te nemen. Voor de duidelijkheid: de curator wordt in de gelegenheid gesteld een antwoordmemorie te nemen (uitsluitend) in reactie op de memorie van [assurantiebedrijf] d.d. 21 juli 2020 en [assurantiebedrijf] wordt in de gelegenheid gesteld gelijktijdig een antwoordmemorie te nemen (uitsluitend) in reactie op de memorie van de curator d.d. 21 juli 2020. Ook [verzekeringsadvocaten] wordt in de gelegenheid gesteld gelijktijdig een antwoordmemorie te nemen (uitsluitend) in reactie op de memorie van de curator d.d. 21 juli 2020.

3.19.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor genoemde antwoordmemories. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [verzekeringsadvocaten] af;

veroordeelt [verzekeringsadvocaten] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van de curator worden begroot op € 1.074,- aan salaris advocaat en aan de zijde van [assurantiebedrijf] op € 1.074,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2020 voor het gelijktijdig nemen van antwoordmemories door de curator, [assurantiebedrijf] en [verzekeringsadvocaten] zoals bepaald in 3.18;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, S.C.H. Molin en J.G.A. Struycken en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2020.

griffier rolraadsheer