Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3599

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
20-000065-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een locatie- en contactverbod voor tweemaal belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000065-20

Uitspraak : 12 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 november 2019 in de strafzaak met parketnummer 01-175747-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1986,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van tweemaal ‘belaging’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 750,-, en voor het overige zijn de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot is er een maatregel, inhoudende een locatieverbod, opgelegd. Dit verbod houdt in dat verdachte zich niet mag ophouden op of in de directe nabijheid van de [locatie] en voor het fietspad dat achter en langs de [locatie] loopt. Tevens is er een maatregel opgelegd, inhoudende en een contactverbod met [benadeelde 2] en [benadeelde 1] voor de duur van 3 jaren en zijn deze verboden dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren;

- verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van het voorarrest;

- de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- een locatieverbod voor op of in de directe nabijheid van de [locatie] en voor het fietspad dat achter en langs de [locatie] loopt en een contactverbod met [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zal opleggen voor de duur van 3 jaren en deze verboden dadelijk uitvoerbaar zal verklaren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen (dreig)brieven heeft geschreven en heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging betoogd dat ze gematigd dienen te worden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 15 september 2018 tot en met 15 januari 2019 te Helmond, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , door

- meermalen e-mailberichten te sturen naar die [benadeelde 1] en/of

- veelvuldig te bellen naar die [benadeelde 1] en/of (vervolgens) voicemailberichten in te spreken, al dan niet van bedreigende en/of beledigende aard en/of

- meermalen brieven te sturen naar die [benadeelde 1] en/of

- meermalen (dreig)brieven en/of Messenger-berichten te sturen naar [benadeelde 2] (zijnde de nieuwe relatie van die [benadeelde 1] ), schrijvende over die [benadeelde 1] ,

met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2018 tot en met 7 januari 2019 te Helmond, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 2] , door meermalen (dreig)brieven en/of Messengerberichten te sturen, schrijvende over [benadeelde 1] (zijnde de relatie van die [benadeelde 2] ) en/of bevattende (naakt)foto's van die [benadeelde 1] , met het oogmerk die [benadeelde 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak feiten 1 en 2

Door de raadsman is bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het versturen van (dreig)brieven, nu verdachte dit ontkent, terwijl hij de overige tenlastegelegde handelingen wel heeft bekend.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij gewezen op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 116) met bijlagen.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Zowel aangeefster [benadeelde 1] als aangever [benadeelde 2] heeft in de aangifte verklaard dat [benadeelde 2] twee keer een brief heeft ontvangen. De eerste brief was handgeschreven. De tweede brief bevatte een getypte tekst, maar was verstuurd in een handgeschreven envelop. Kopieën van deze brieven zijn bij hun beider aangiftes gevoegd.

Vervolgens heeft aangeefster [benadeelde 1] kopieën van twee aan haar gerichte handgeschreven briefjes van de verdachte aan verbalisant [verbalisant 1] overgelegd, opdat hij de handschriften kon vergelijken met de aan [benadeelde 2] gerichte brieven.

Bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 oktober 2020 heeft de verdachte ontkend dat hij (dreig)brieven naar [benadeelde 2] heeft gestuurd.

Het hof stelt vast dat er geen vergelijkend handschriftenonderzoek door een deskundige op dat gebied heeft plaatsgevonden.

Onder deze omstandigheden blijft twijfel bestaan over de afzender van de brieven aan [benadeelde 2] . Bij deze stand van zaken geldt dat het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de afzender van de brieven was, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het verweer wordt gehonoreerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 15 september 2018 tot en met 15 januari 2019 te Helmond wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , door

- meermalen e-mailberichten te sturen naar die [benadeelde 1] en

- veelvuldig te bellen naar die [benadeelde 1] en (vervolgens) voicemailberichten in te spreken, al dan niet van bedreigende en/of beledigende aard en

- meermalen Messengerberichten te sturen naar [benadeelde 2] (zijnde de nieuwe relatie van die [benadeelde 1] ), schrijvende over die [benadeelde 1] , met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen en/of te dulden;

2.
hij in de periode van 15 oktober 2018 tot en met 7 januari 2019 te Helmond wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 2] , door meermalen Messengerberichten te sturen, schrijvende over [benadeelde 1] (zijnde de relatie van die [benadeelde 2] ) en/of bevattende (naakt)foto's van die [benadeelde 1] , met het oogmerk die [benadeelde 2] te dwingen iets te doen en/of te dulden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

Nu verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft bekend en er ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

  1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] d.d. 18 november 2018, dossierpagina’s 87-89, met bijlagen, dossierpagina’s 90-97;

  2. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] d.d. 7 januari 2019, dossierpagina’s 60-63, met bijlagen, dossierpagina’s 65-70;

  3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 17 januari 2019, dossierpagina 129, met bijlagen, dossierpagina’s 130-194;

  4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 oktober 2020.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft [benadeelde 1] herhaaldelijk lastiggevallen door haar meermalen te e-mailen, meer dan duizend keer te bellen en voicemailberichten in te spreken. Ook heeft de verdachte de partner van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , lastiggevallen door hem meermalen Facebookmessengerberichten te sturen, schrijvende over die [benadeelde 1] . Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] . Uit de voorgedragen slachtofferverklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 oktober 2020 is gebleken dat belaging een delict is dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagden en daardoor een forse psychische belasting heeft opgeleverd. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2020, waaruit blijkt dat hij door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 29 juni 2020 (parketnummer 01-287211-19) onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Vanwege deze veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het gegeven dat blijkens de slachtofferverklaring van [benadeelde 1] de verdachte sinds januari 2020 kennelijk is opgehouden met het lastigvallen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Tot slot heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte een Wajong-uitkering ontvangt en hij graag wil gaan werken.

Alles overziende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en het gegeven dat de verdachte ook nadien nog veroordeeld is ter zake van belaging van [benadeelde 1] zal het hof ter voorkoming van (nieuwe) strafbare feiten de in eerste aanleg opgelegde maatregelen van een contactverbod met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en locatieverbod, op of in de directe nabijheid van de [locatie] en op het fietspad dat achter en langs de [locatie] loopt, opleggen.

Aangezien het hof er ernstig rekening mee houdt dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zal het hof deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.950,72, bestaande uit materiële schade van € 350,72 en immateriële schade van € 1.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag: € 1.350,72, bestaande uit € 350,72 materiële schade en € 1.000,- naar billijkheid geschatte immateriële schade. De gevorderde wettelijke rente is, gelet op de bewezenverklaring, toewijsbaar vanaf 15 januari 2019, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde belaging. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering tot vergoeding van de immateriële schade af voor zover die het toegewezen bedrag van € 1.000,- te boven gaat.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 1.350,72. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.871,15, bestaande uit materiële schade van € 2.271,15 en immateriële schade van € 1600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder feit 2 rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden naar billijkheid geschatte bedrag € 750,-, bestaande uit immateriële schade.

Het hof wijst de vordering tot vergoeding van de immateriële schade af voor zover die het toegewezen bedrag van € 750,- te boven gaat.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van materiële schade is het hof van oordeel dat deze ten aanzien van de post ‘Verlies arbeidsvermogen’ niet voldoende is onderbouwd. Het onderzoek van de zaak heropenen om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen dit deel van de vordering alsnog nader te onderbouwen, is een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor zover de vordering ziet op de post ‘Tegemoetkoming uren’ is deze voldoende onderbouwd en is deze schade het rechtstreekse gevolg van het ten aanzien van het verdachte onder feit 2 bewezenverklaarde handelen. Het hof zal dit deel van de materiële schade, te weten € 98,75 dan ook toewijzen.

De gevorderde wettelijke rente is, gelet op de bewezenverklaring, toewijsbaar vanaf 7 januari 2019, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde belaging. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 848,75. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied op of in de directe nabijheid van de [locatie] én op het fietspad dat achter en langs de [locatie] loopt. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedag 2] 1970 te [geboorteplaats 2] en [benadeelde 2] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 3] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.350,72 (duizend driehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 350,72 (driehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.350,72 (duizend driehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit

€ 350,72 (driehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 848,75 (achthonderdachtenveertig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 98,75 (achtennegentig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van de immateriële schade voor het overige af.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 848,75 (achthonderdachtenveertig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit

€ 98,75 (achtennegentig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2019.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. E.G.M. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,

en op 12 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.E.C.N. Schlüter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie, Eenheid Oost-Brabant, district Helmond, registratienummer PL2100-2019113102, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , ondertekend en gesloten op 16 mei 2019, doorgenummerde dossierpagina’s 1-227, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.