Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
17/00301 tot en met 17/00323
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1977, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Belastingdienst heeft tegen betaling informatie ontvangen van een tipgever over buitenlandse bankrekeningen van Nederlanders. De belastingaanslagen in de onderhavige procedure zijn voor een deel opgelegd naar aanleiding van die informatie. Het gaat met name om de vraag of het bewijsmateriaal dat de Belastingdienst van de tipgever heeft gekocht, ook mocht worden gebruikt voor het opleggen van belastingaanslagen.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1715 is het hof van oordeel dat de wijze waarop het bewijsmateriaal door de tipgever en/of de inspecteur is verkregen, niet leidt tot uitsluiting van dat bewijsmateriaal. Het hof is echter van oordeel dat het bewijsmateriaal van gebruik moet worden uitgesloten, omdat er vragen zijn over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal en twijfels over de betrouwbaarheid van de tipgever. De correcties ten aanzien van c-bank komen daarom te vervallen.

Voor het overige zijn de aanslagen gebaseerd op in het buitenland aangehouden tegoeden bij een andere bank. Het hof acht die correcties door de inspecteur aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-11-2020
V-N Vandaag 2020/2897
FutD 2020-3518
NTFR 2020/3718 met annotatie van mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 17/00301 tot en met 17/00323

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 maart 2017, nummers BRE 15/2273 tot en met 15/2284, 15/2286, 15/2287 en 16/8604 tot en met 16/8612, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister),

betreffende de hierna vermelde belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd:

Aanslag

Soort

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

Nummer rechtbank

Kenmerk hof

Navorderingsaanslag

IB/PVV

1998

H.88

31-12-2010

15/2273

17/00301

Navorderingsaanslag

IB/PVV

1999

H.97

25-03-2011

15/2274

17/00302

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2000

H.07

25-03-2011

15/2275

17/00303

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2001

H.17

25-03-2011

15/2276

17/00304

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2002

H.27

25-03-2011

15/2277

17/00305

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2003

H.37

25-03-2011

15/2278

17/00306

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2004

H.47

25-03-2011

15/2279

17/00307

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2005

H.57

25-03-2011

15/2280

17/00308

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2006

H.67

19-03-2011

15/2281

17/00309

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2007

H.77

19-03-2011

15/2282

17/00310

Aanslag

IB/PVV

2008

H.86

07-01-2012

15/2283

17/00311

Aanslag

IB/PVV

2009

H.96

04-04-2012

15/2284

17/00312

Navorderingsaanslag

VB

1999

K.98

31-12-2010

15/2286

17/00313

Navorderingsaanslag

VB

2000

K.07

25-03-2011

15/2287

17/00314

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2001

H.18

04-02-2013

16/8604

17/00315

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2002

H.28

04-02-2013

16/8605

17/00316

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2003

H.38

04-02-2013

16/8606

17/00317

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2004

H.48

04-02-2013

16/8607

17/00318

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2005

H.58

04-02-2013

16/8608

17/00319

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2006

H.68

04-02-2013

16/8609

17/00320

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2007

H.78

04-02-2013

16/8610

17/00321

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2008

H.87

04-02-2013

16/8611

17/00322

Navorderingsaanslag

IB/PVV

2009

H.97

04-02-2013

16/8612

17/00323

Bij de genoemde belastingaanslagen zijn boete- en heffingsrentebeschikkingen gegeven.

1.2.

Het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de hiervoor vermelde (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente is bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft ten aanzien van de procedurenummers 15/2273 tot en met 15/2284, 15/2286 en 15/2287 (hierna ook aan te duiden als: de eerste tranche belastingaanslagen):

- de beroepen gegrond verklaard;

- de uitspraken op bezwaar vernietigd;

- bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de (navorderings)aanslagen en de aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente in stand blijven;

- de boetebeschikkingen behorend bij de navolgende (navorderings)aanslagen tot de volgende bedragen verminderd:

Navorderingsaanslag IB/PVV 1998

ƒ 40.469

Navorderingsaanslag IB/PVV 1999

ƒ 42.352

Navorderingsaanslag IB/PVV 2000

ƒ 42.635

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 6.484

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 6.534

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 6.534

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 6.452

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

€ 6.534

Navorderingsaanslag IB/PVV 2006

€ 6.534

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007

€ 6.534

Aanslag IB/PVV 2008

€ 3.364

Aanslag IB/PVV 2009

€ 3.566

Navorderingsaanslag VB 1999

ƒ 7.089

Navorderingsaanslag VB 2000

ƒ 6.988

- de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.225,25;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 vergoedt;

- de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 3.882;

- de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 618.

De rechtbank heeft ten aanzien van de procedurenummers 16/8604 tot en met 16/8612 (hierna ook aan te duiden als: de tweede tranche belastingaanslagen):

- de beroepen gegrond verklaard;

- de uitspraken op bezwaar vernietigd;

- bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de (navorderings)aanslagen en de aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente in stand blijven;

- de boetebeschikkingen behorend bij de navolgende navorderingsaanslagen tot de volgende bedragen verminderd:

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 5.740

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 6.099

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 6.332

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 6.551

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

€ 6.946

Navorderingsaanslag IB/PVV 2006

€ 7.557

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007

€ 7.738

Navorderingsaanslag IB/PVV 2008

€ 9.896

Navorderingsaanslag IB/PVV 2009

€ 9.411

- de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.225,25;

- de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.923;

- de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 577.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Dat incidentele hoger beroep richt zich mede tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank in haar tussenuitspraak van 4 februari 2016 om de volgende stukken ongeschoond in het geding te moeten brengen:

- Artikel 4, lid 3, 4 en 5 van de overeenkomst met de tipgever (bijlage 4B): de exacte details ten aanzien van de beloning;

- AH-3 (bijlage 4H): de passage op bladzijde 2 welke volgens r.o. 4.19 van de tussenuitspraak moest worden vrijgegeven, maar niet is vrijgegeven; en

- G1-01 (bijlage 4D): de passages welke volgens r.o. 4.18 van de tussenuitspraak moesten worden vrijgegeven, maar niet zijn vrijgegeven.

1.6.

Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.7.

De inspecteur heeft van de stukken ten aanzien waarvan hij een beroep op geheimhouding doet, een ‘ongeschoonde’ versie aan de geheimhoudingskamer overgelegd. In de ‘ongeschoonde’ versie zijn de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond gebleven.

1.8.

Vervolgens is het dossier in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. Bij brief van 8 mei 2018 heeft de inspecteur het incidentele hoger beroep gedeeltelijk ingetrokken. Bijlagen 4B en 4H zijn overgelegd overeenkomstig de tussenuitspraak van de rechtbank van 4 februari 2016. De inspecteur heeft bij de brief van 8 mei 2018 ook een drietal nieuwe stukken (bijlagen U tot en met W) ingebracht. Twee van deze stukken (bijlagen V en W) zijn gedeeltelijk geschoond ingebracht. Daarvoor heeft de inspecteur ook een beroep op geheimhouding gedaan.

1.9.

Op 19 juni 2018 heeft een comparitiezitting (in de vorm van een regiezitting) van de geheimhoudingskamer plaatsgevonden.

1.10.

De geheimhoudingskamer heeft op 23 november 2018 een tussenuitspraak gedaan. De geheimhoudingskamer heeft vervolgens de zaken naar de meervoudige belastingkamer verwezen voor behandeling van de hoofdzaken en het procesdossier, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer in gesloten enveloppen overgelegde ‘ongeschoonde’ stukken, ter beschikking gesteld aan de meervoudige belastingkamer.

1.11.

Vervolgens hebben partijen op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.12.

Partijen hebben vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd aan de wederpartij.

1.13.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 december 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Daar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.14.

Belanghebbende heeft tijdens deze zitting een (aanvullende) pleitnota met als bijlagen ‘ontvangstbewijs inzake geheimhouderinformatie’, e-mails van 12 december 2018, een specificatie van declaraties en een fax van 5 april 2017 gericht aan de rechtbank overgelegd.

De inspecteur heeft geen bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de hiervoor genoemde bijlagen.

1.15.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.16.

Op 30 april 2019 heeft het hof aan partijen bericht dat, gelet op de overeenkomsten tussen de onderhavige zaak en een eerdere, vergelijkbare zaak1 waarin op dat moment een conclusie was genomen2, in de onderhavige zaak geen uitspraak wordt gedaan tot de Hoge Raad arrest heeft gewezen in die vergelijkbare zaak.

1.17.

Op 18 november 2019 heeft het hof aan partijen bericht dat het onderzoek op grond van artikel 8:68 Awb wordt heropend. Partijen zijn hierbij door het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van de Hoge Raad in de hiervoor genoemde vergelijkbare zaak.3

1.18.

De inspecteur heeft in haar stuk van 6 december 2019 gebruik gemaakt van de onder 1.17 genoemde gelegenheid. Belanghebbende heeft dat gedaan in zijn stukken van 9 januari 2020.

1.19.

De inspecteur heeft in haar stuk van 22 januari 2020 kenbaar gemaakt dat zij naar aanleiding van de reactie van belanghebbende van 9 januari 2020 op een nadere zitting wil worden gehoord.

1.20.

Op 3 april 2020 heeft het hof aan de inspecteur verzocht om schriftelijke inlichtingen te verstrekken.4

1.21.

De inspecteur heeft op 14 april 2020 de schriftelijke inlichtingen aan het hof verstrekt.

1.22.

Bij brief van 22 april 2020 heeft het hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op die schriftelijke inlichtingen.

1.23.

De inspecteur heeft op 11 juni 2020 nadere stukken ingediend. Een kopie van die nadere stukken is in afschrift aan de wederpartij verstrekt.

1.24.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegestuurd aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de andere partij.

1.25.

De nadere zitting heeft met behulp van digitale communicatiemiddelen plaatsgevonden op 26 juni 2020 te ‘s-Hertogenbosch. Aan die zitting hebben deelgenomen [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 3] en [inspecteur 2] .

1.26.

Aan het einde van de nadere zitting heeft het hof het onderzoek gesloten.

1.27.

Van de zittingen van 19 juni 2018, 13 december 2018 en 26 juni 2020 zijn processen-verbaal opgemaakt, die in afschrift aan partijen zijn verzonden.

2 Feiten

2.1.

In de onderhavige periode was belanghebbende gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote) en was hij woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats] .

2.2.

Belanghebbende heeft voor de in geschil zijnde jaren geen aangiften VB gedaan. Belanghebbende is ook niet uitgenodigd om aangiften VB te doen. Belanghebbende is voor de in geschil zijnde jaren wel uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV.

2.3.

De FIOD-ECD is benaderd door een persoon (hierna: de tipgever) die stelde over informatie te beschikken betreffende bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij drie banken, te weten [a-bank] Luxembourg, [b-bank] en [c-bank] Luxembourg. In een eerste gesprek is door de FIOD-ECD met de tipgever afgesproken dat de tipgever een deel van de informatie over zou dragen zodat de FIOD-ECD kon beoordelen of deze informatie van belang was voor de belastingheffing. Naar aanleiding van diverse gesprekken heeft de tipgever zijn informatieverstrekking uitgebreid.

2.4.

In het “Memo Tipgever Luxemburg” van 2 juli 2009 (hierna: het Memo Tipgever), dat in geschoonde versie tot het procesdossier behoort, is de Belastingdienst tot de conclusie gekomen dat de door de tipgever verstrekte informatie van belang is voor de belastingheffing. In het Memo Tipgever staat onder meer het volgende:

Inleiding

In maart 2009 heeft zich een tipgever gemeld bij de FIOD-ECD. Hij beweerde informatie te

hebben over Nederlandse belastingplichtigen met banktegoeden en effectenportefeuilles in

Luxemburg. Deze tipgever is in gesprek geraakt met de CIE, vanwege de door hem

gewenste anonimiteit. Uit overleg met de landsadvocaat is gebleken dat de anonimiteit van

de tipgever uiteindelijk niet gegarandeerd kan worden.¹ De CIE heeft de tipgever in contact

gebracht met de afdeling Account/Opsporingsinformatie van de FIOD-ECD, kantoor

[plaats] en de zaak overgedragen. Met de tipgever is in het eerste gesprek op 30 maart

afgesproken dat hij een deel van de informatie overdraagt aan de FIOD-ECD om te bepalen

of de informatie van belang is voor de belastingheffing. Dit kostte enige overredingskracht

de tipgever wilde namelijk eerst een overeenkomst sluiten over de te ontvangen vergoeding.

Uiteindelijk is door hem een klein deel van de informatie gegeven, onder de afspraak dat de

Belastingdienst geen gebruik maakt van de informatie voordat de waarde van de informatie is bepaald en een overeenkomst ter zake de vergoeding is gesloten. Alleen onder die

voorwaarde heeft de tipgever de eerste beperkte informatie verstrekt op 30 maart.

In wisselende samenstelling is op 30 maart en op 19 mei 2009 gesproken met de tipgever.

Op 19 mei 2009 is naar aanleiding van de eerste beoordeling van de informatie met de

tipgever afgesproken dat hij zijn informatieverstrekking uitbreidt tot alle klantinformatie

m.b.t. de [a-bank] en dat hij van 20 cliënten informatie levert m.b.t. [c-bank] . Dit laatste om de toegevoegde waarde voor het project 'Bank zonder Naam' te toetsen. De tipgever had wat tijd nodig om de informatie te ordenen. Op 8 juni heb ik de tipgever nogmaals gesproken bij het overhandigen van aanvullende documenten. In het laatste gesprek dat ik met de tipgever heb gevoerd op 10 juni 2009, heeft hij wederom, na aandringen, een aantal documenten overhandigd. Hij blijft daarin terughoudend, omdat hij vreest dat de Belastingdienst de informatie gaat gebruiken zonder dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Ik heb hem verzekerd dat de regel: 'afspraak = afspraak', geldt.

Team Handhavingsbeleid van DG Belastingdienst en MT FIOD-ECD hebben mij gevraagd te beoordelen wat de fiscale relevantie is van door de tipgever aangeboden informatie. Voor het bepalen van die relevantie moet onderscheid worden gemaakt tussen de inhoudelijke

relevantie en de bewijskracht van de informatie. In mijn analyse heb ik mij vooral gericht op

de inhoudelijke relevantie. Voor de beoordeling van de bewijskracht is deskundigheid uit de

projecten Buitenlands Vermogen/Bank zonder Naam onontbeerlijk.

De informatie

De tipgever heeft aangegeven dat de informatie terzake [c-bank] betrekking heeft op zo’n 150 klanten met in totaal een belegd vermogen (banktegoeden en effecten) van ongeveer NLG 400 miljoen. De standgegevens gaan terug naar 1998. (…)

De informatie gaat over de jaren 1995 – 1998. Het betreft werkaantekeningen van de tipgever zelf, klantenlijsten van de tipgever, klantenlijsten van collega’s (soms vanwege waarneming in zijn bezit), enkele voorbeelden van correspondentie tussen de bank en cliënten, interbancaire correspondentie over prospects, uitdraaien uit de administratie van de bank en richtlijnen voor beleggingsbeleid t.a.v. sommige cliënten. Het betreft beslist niet een kopie van de administratie van de bank, zoals we deze in het rekeningenproject KB Lux of Bank zonder Naam hebben ontvangen. Dit beperkt mogelijk de bewijskracht van de informatie. De tipgever beschikt echter ook over vertrouwelijke documenten op briefpapier van de verschillende banken. Dit verhoogt naar mijn mening de betrouwbaarheid van de informatie als geheel.

[c-bank]

Alle ontvangen informatie betreft het jaar 1998 (banktegoeden en posities in effecten). De

volgende informatie is van de tipgever ontvangen:

Op 30 maart 2009 ontvangen:

■ mondelinge mededeling betreffende 6 cliënten van [c-bank] Luxemburg (naam,

woonplaats, vermogen).

Op 8 en 10 juni 2009 ontvangen:

■ een lijst met 20 cliënten van [c-bank] (naam, adres, woonplaats, telefoonnummer,

rekeningnummer en vermogen in NLG), hierin zijn ook de eerder genoemde 6 cliënten

opgenomen;

■ globale persoonsgegevens van één cliënt uit de gokautomatenbranche van wie hij

repercussies vreest bij het bekend worden van zijn identiteit;

■ persoonsgegevens van een Nederlander die naar België is geëmigreerd;

■ kopieën van 22 visitekaartjes van cliënten;

■ nadere informatie over één van de cliënten in de vorm van een 'performance

evaluation' op briefpapier van de bank;

■ nadere informatie over één van de cliënten in de vorm van een 'valuation of account' en

een overzicht van transacties in de vorm van uitdraaien uit het systeem van de bank

(komt overeen met de lay-out van de uitdraaien in Bank zonder Naam);

■ documentatie betreffende de melding van een prospect door het kantoor [woonplaats]

aan kantoor Luxemburg;

■ een lijst met zo'n 85 klanten van vermogensbeheerders en adviseurs die opties mogen

doen;

■ twee lijsten met relatiegegevens van zo'n 67 klanten van de tipgever, hierop is de

ultimate beneficial owner van coderekeningen terug te vinden, deze lijst klopt

inhoudelijk met de informatie in het project Bank zonder Naam;

■ een bezoekerslijst (datum bezoek/datum volgend bezoek);

■ een lijst met genodigde 'feeders' ter gelegenheid van de opening van het nieuwe

gebouw in Luxemburg (geen financiële informatie, zijn aanbrengers van klanten);

■ een lijst met personen die zich hebben aangemeld voor deze opening en daarbij ook

hotelovernachtingen hebben gemeld;

■ een lijst met 57 klanten in vermogensbeheer, van de tipgever, met informatie over de

verhoudingen binnen het belegde vermogen (aandelen/obligaties) en mogelijkheden het

totaal belegde vermogen te berekenen (na nadere toelichting);

■ een document met daarin de uitgangspunten voor het beleggingsbeleid t.a.v. een cliënt,

op briefpapier van de bank;

■ een lijst met ongeveer 65 klanten die een kaspositie van meer dan EUR 25.000 hebben

op een beleggingsrekening, met een lay-out die overeenkomt met de documenten zoals

beschikbaar in Bank zonder Naam;

■ een 'equity order note' waarbij de aankoop van aandelen Ahold wordt toebedeeld aan

de cliënten.

Van de 20 cliënten, sommige met coderekening, zijn 17 herkend in Bank zonder Naam, drie

cliënten zijn 'nieuw'. Ten aanzien van de herkende cliënten geldt dat in drie gevallen een

strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd, in twee gevallen zijn aanslagen opgelegd, bij vier

loopt de fiscale behandeling nog en in acht gevallen was er volgens het project Bank zonder

Naam geen Nederlands heffingsbelang. Ten aanzien van de drie 'nieuwe' cliënten geldt, dat

behandeling zou kunnen starten. Deze cliënten zijn nu te identificeren. Door deze personen

is er volgens de informatie van de tipgever NLG 4,5 mio vermogen ondergebracht bij [c-bank]

Luxemburg. De overige informatie, zoals de lijsten die gebruikt zijn bij de opening

van het nieuwe gebouw en de effectenorder, is mogelijk interessant als extra informatie. Dit

zal vooral het geval zijn indien reeds geïdentificeerde personen zijn aangeschreven en

(blijven) ontkennen. De tipgever heeft aangegeven over +/- 150 klanten informatie te hebben. Slechts over 20 klanten is informatie ontvangen, de informatie over de overige +/- 130 klanten is dus niet beoordeeld, noch is bekend wat de hoogte is van het vermogen.

(…)

Het operationele nut van de informatie van [c-bank] voor het project 'Bank zonder

Naam' is aanwezig, omdat niet alle rekeninghouders in dat project zijn geïdentificeerd.

¹ Gezien de aard van de aangeboden informatie (werkaantekeningen, exceloverzichten en worddocumenten naast enkele originele bankstukken) is er een gerede kans dat de tipgever gevraagd zal worden te getuigen. Dit omdat van zelf geproduceerde stukken een mindere bewijskracht uitgaat dan van kopieën van bankadministraties zoals we die in het verleden hebben gekregen.”.

2.5.

Naar aanleiding van deze bevindingen is met de tipgever een overeenkomst gesloten die door de tipgever is ondertekend op 15 september 2009. Deze overeenkomst is namens de Belastingdienst ondertekend op 16 september 2009. Naar aanleiding van het sluiten van deze overeenkomst heeft de tipgever extra informatie verstrekt aan de Belastingdienst.

In de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen de tipgever en de Staat der Nederlanden (de Minister van Financiën), de Belastingdienst, is het volgende opgenomen:

“Partijen

1. De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën), de Belastingdienst,

waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de Belastingdienst,

ten dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de directeur-generaal,

[A] ,

2. (…)

wonende te (…)

hierna te noemen: de tipgever,

overwegende

- dat de tipgever zich begin maart 2009 op eigen initiatief heeft gemeld bij de Fiscale

inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD-ECD) met de mededeling dat hij beschikt over

informatie over een groot aantal Nederlandse belastingplichtigen met buitenlands

vermogen dat mogelijk (nog) niet in de Nederlandse belastingheffing is betrokken;

- dat de tipgever niet in dienst is of is geweest of anderszins werkzaam is of is geweest

voor de Belastingdienst of enig ander onderdeel van de Staat en dat noch de Belastingdienst noch enig ander onderdeel van de Staat op enige wijze betrokken is geweest bij de verwerving van de informatie die voorwerp van deze overeenkomst

vormt;

- dat de tipgever zich bereid heeft verklaard de informatie waarover hij beschikt aan

de Belastingdienst over te dragen in ruil voor een vergoeding;

- dat hierover in de periode maart 2009-augustus 2009 gesprekken hebben

plaatsgevonden tussen de tipgever en de Belastingdienst;

- dat de Belastingdienst de tipgever tijdens deze gesprekken verschillende malen heeft gewezen op de mogelijkheid en wenselijkheid zich van rechtsbijstand te voorzien en

dat de tipgever telkens uitdrukkelijk heeft aangegeven van die mogelijkheid geen

gebruik te willen maken;

- dat de Belastingdienst de tipgever heeft gewezen op de persoonlijke risico's die voor

hem verbonden kunnen zijn aan de overdracht van de informatie aan de Belastingdienst, waaronder aanspraken van derden, en dat de tipgever heeft aangegeven zich daarvan bewust te zijn en deze risico's te aanvaarden;

- dat de tipgever in de gesprekken met de Belastingdienst heeft aangegeven anoniem

te willen blijven maar dat de Belastingdienst heeft aangegeven dat op dit punt geen

garanties kunnen worden verstrekt;

- dat de tipgever ondanks het ontbreken van een garantie van anonimiteit bereid is de

informatie waarover hij beschikt tegen een vergoeding aan de Belastingdienst over te

dragen;

- dat de Belastingdienst zich bewust is van de algemene zorgplicht van de Staat,

volgens de daarvoor geldende kaders, in geval de identiteit van de tipgever buiten

diens schuld wordt geopenbaard en de veiligheid van de tipgever tot het treffen van

maatregelen noopt;

- dat de Belastingdienst de tipgever heeft gewezen op strafrechtelijke en andere

juridische risico's die er voor zijn persoon verbonden kunnen zijn aan de overdracht

van de informatie aan de Belastingdienst en dat de tipgever heeft aangegeven zich

daarvan bewust te zijn en deze risico's te aanvaarden;

- dat de tipgever de Belastingdienst in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen

van een deel van de informatie teneinde de betrouwbaarheid daarvan te kunnen

beoordelen;

- dat onderzoek van de Belastingdienst sterke aanwijzingen heeft opgeleverd dat de

informatie betrouwbaar is en kan leiden tot de oplegging van navorderingsaanslagen,

mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie EG van 11 juni 2009 (nr. C-155/08

en C-157/08), waaruit volgt dat de verlengde navorderingstermijn ex artikel 16 lid 4

Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet in strijd is met het EG-recht;

- dat de informatie van de tipgever noodzakelijk is in het kader van een richtige

belastingheffing en dat de in deze overeenkomst vastgestelde vergoeding in een

redelijke verhouding staat tot de waarde van de door de tipgever verstrekte

informatie;

- dat de Belastingdienst en de tipgever op 27 augustus 2009 in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de tipgever bereid is de informatie aan de Belastingdienst te verstrekken en dat de Belastingdienst de tipgever daarbij ter voorkoming van misverstand uitdrukkelijk heeft gewezen op het feit dat op betalingen van de Belastingdienst uit hoofde van deze overeenkomst de vigerende fiscale wet- en regelgeving van toepassing is;

- dat deze overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen

de tipgever en de Belastingdienst;

- dat de Belastingdienst aan de tipgever op 11 september 2009 een concept voor de

tekst van de onderhavige overeenkomst heeft voorgelegd en heeft gewezen op de

mogelijkheid om daarover juridisch advies in te winnen;

- dat de Belastingdienst bij het verstrekken van informatie aan de tipgever over de

hierna te noemen vergoedingsgrondslag is gebonden aan de geheimhoudingsplicht uit

hoofde van artikel 67 AWR;

- dat partijen hun overeenstemming over de voorwaarden waaronder de tipgever de informatie aan de Belastingdienst zal verstrekken in het onderstaande wensen vast te

leggen;

- dat de tipgever zich voorafgaand aan het ondertekenen van deze overeenkomst aan de hand van een geldig legitimatiebewijs heeft gelegitimeerd.

zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1 De informatie

1. De tipgever verstrekt aan de Belastingdienst mondeling en schriftelijk alle informatie waarover hij beschikt die naar het oordeel van de Belastingdienst van belang kan zijn voor de uitvoering van enige taak van de Belastingdienst met betrekking tot mogelijk in het buitenland aangehouden vermogen(sbestanddelen). De tipgever verstrekt de desbetreffende

documenten in originele vorm. De tipgever verstrekt informatie waarover hij (ook) digitaal de beschikking heeft, ook in digitale vorm.

2. Binnen drie werkdagen nadat beide partijen deze overeenkomst hebben ondertekend, verstrekt de tipgever alle in lid 1 bedoelde informatie en ondertekent hij een schriftelijke verklaring dat hij de Belastingdienst volledig en juist heeft geïnformeerd over al hetgeen mogelijkerwijs relevant kan zijn in verband met het gebruik van de door de tipgever verstrekte informatie.

3. De tipgever verleent alle medewerking die de Belastingdienst in verband met het gebruik van de in lid 1 bedoelde informatie ten aanzien van derden zal vragen. De tipgever verleent onder meer medewerking aan het geven van een toelichting op de inhoud en herkomst van de in lid 1 bedoelde informatie en op zijn eigen positie, het beantwoorden van vragen die de Belastingdienst daarover heeft, het opstellen van processen-verbaal van verhoor door de

Belastingdienst en aan zijn verhoor als getuige in het kader van juridische procedures die (mede) betrekking hebben op de in lid 1 bedoelde informatie.

4. De tipgever zal, indien daartoe opgeroepen of gedagvaard, als getuige vrijwillig verschijnen en zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen. Deze verplichting geldt zowel voor verhoren door de Belastingdienst, als voor verhoren ten overstaan van rechterlijke autoriteiten, een en ander in verband met het gebruik van de in lid 1 bedoelde informatie ten aanzien van derden.

5. Alle door de tipgever verstrekte stukken zullen worden veiliggesteld door deze in bewaring te geven aan de FIOD-ECD. Aan de tipgever wordt desgevraagd inzage verstrekt in de door hem verstrekte stukken, indien dit in het kader van de voldoening aan wettelijke verplichtingen dan wel de verlening van enige medewerking op grond van deze overeenkomst voor de tipgever geboden is.

Artikel 2 Identiteit tipgever en contact Belastingdienst

1. De Belastingdienst zal zich, voor zover redelijkerwijze feitelijk en rechtens mogelijk en voor zover het belang van een goed gebruik van de door de tipgever verschafte informatie en/of te verschaffen informatie zich daartegen niet verzet, ervoor inspannen dat de identiteit van de tipgever niet openbaar wordt. Deze bepaling laat de verplichtingen van de tipgever uit hoofde van artikel 1, leden 3 en 4, van deze overeenkomst onverlet.

2. De Belastingdienst zal één of meer contactpersonen aanwijzen die namens de Belastingdienst de contacten met de tipgever zal/zullen onderhouden en tot wie de tipgever zich te allen tijde kan wenden (en die kan of kunnen beschikken over de contactgegevens van de tipgever).

3. De tipgever houdt zich bereikbaar voor de in lid 2 bedoelde contactperso(o)n(en).

4. In geval de identiteit van de tipgever wordt geopenbaard, zal de Belastingdienst de geëigende instanties binnen de Staat benaderen met het oog op de bescherming van de veiligheid van de tipgever overeenkomstig de algemene zorgplicht van de Staat en volgens de geldende kaders.

Artikel 3 Het gebruik van de informatie

De Belastingdienst is gerechtigd de door de tipgever verstrekte informatie te gebruiken ter uitvoering van zijn wettelijke taken, in de meest ruime zin.

Artikel 4 Vergoeding en voorschot

1. De Belastingdienst verstrekt aan de tipgever een vergoeding voor de informatie als bedoeld in artikel 1, die zal worden berekend op de wijze omschreven in lid 2 en 3 van deze bepaling.

2. De grondslag voor de berekening van de vergoeding ("de vergoedingsgrondslag”) is de opbrengst uit de heffing van belasting (inclusief heffingsrente), die:

(i) betreft de heffing van belasting op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964 en de Wet inkomstenbelasting 2001, en

(ii) betrekking heeft op de belastingjaren tot en met 2008, en

(iii) betrekking heeft op belastingplichtigen die worden genoemd in c.q. kunnen worden geïdentificeerd op basis van de door de tipgever verstrekte informatie, van wie op basis van de door de tipgever verstrekte informatie inkomens- en/of vermogensbestanddelen na het sluiten van deze overeenkomst in de belastingheffing kunnen worden betrokken, welke inkomens- en/of vermogensbestanddelen zonder de door de tipgever verstrekte informatie en voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomst niet in de belastingheffing konden worden betrokken, voor zover de heffing samenhangt met in de door de tipgever verstrekte informatie genoemd(e) vermogen(sbestanddelen), en

(iv) is vastgesteld bij aanslagen die onherroepelijk zijn komen vast te staan, en

(v) feitelijk door de belastingschuldige is voldaan.

De voorwaarden (i) tot en met (v) gelden cumulatief. Bij de berekening van de vergoedingsgrondslag worden boetes buiten beschouwing gelaten.

3. Voor zover de vergoedingsgrondslag 0 (nul) euro tot en met 10 (tien) miljoen euro bedraagt, bedraagt de vergoeding 5 (vijf) procent daarvan. Voor zover de vergoedingsgrondslag meer dan 10 (tien) miljoen euro en evenveel of minder dan 15 (vijftien) miljoen euro bedraagt, bedraagt de vergoeding over dit meerdere 3,5 (drieëneenhalf) procent. Voor zover de vergoedingsgrondslag meer dan 15 (vijftien) miljoen euro en evenveel of minder dan 20 (twintig) miljoen euro bedraagt, bedraagt de vergoeding over dit meerdere 2,5 (tweeëneenhalf) procent. Over het meerdere van 20 (twintig) miljoen euro wordt geen vergoeding voldaan.

4. Aan de tipgever wordt binnen zeven dagen na het verstrekken van alle informatie als bedoeld in artikel 1 lid 1 en het afleggen van de in artikel 1 lid 2 bedoelde verklaring, een voorschot op de vergoeding als bedoeld in lid 3 van deze bepaling betaald van 100.000 (honderdduizend) euro op een door de tipgever aan te wijzen (Nederlands) rekeningnummer.

5. Indien en voor zover het voorschot meer bedraagt dan de vergoeding waarop de tipgever op grond van lid 1 tot en met 3 aanspraak heeft, rust op de tipgever geen verplichting het meerdere aan de Belastingdienst terug te betalen. Indien en voor zover de vergoeding waarop de tipgever op grond van lid 1 tot en met 3 aanspraak heeft meer bedraagt dan het voorschot, zal het meerdere aan de tipgever worden voldaan op een door de tipgever aan te wijzen (Nederlands) rekeningnummer met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.

Artikel 5 Belastbaarheid van de vergoeding

1. Op de aan de tipgever te betalen vergoeding is de vigerende fiscale wet- en regelgeving van toepassing.

2. De Belastingdienst zal de inspecteur die belast is met de heffing van belasting ten aanzien van de tipgever informeren over betalingen die overeenkomstig artikel 4 en 6 aan de tipgever worden gedaan.

3. Concessies in de heffings- en invorderingsfeer, van welke aard dan ook, worden niet gedaan. Ook toezeggingen zoals het afzien van maatregelen die tot strafvervolging kunnen leiden of het niet of tot een te laag percentage opleggen van een verhoging blijven achterwege. De tipgever is niet gerechtigd eigen betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst te verrekenen met betalingsverplichtingen van de Belastingdienst aan de

tipgever op grond van deze overeenkomst.

4. De Belastingdienst zal ervoor zorg dragen dat de fiscale gegevens van de tipgever binnen de systemen van de Belastingdienst extra worden afgeschermd met dien verstande dat die gegevens uitsluitend voor daartoe geautoriseerde medewerkers van de Belastingdienst toegankelijk zijn.

Artikel 6 Verantwoording en betaling vergoeding

1. De Belastingdienst zal maatregelen treffen die het mogelijk maken om per belastingplichtige te administreren of en, zo ja, in hoeverre de heffing van belasting is aan te merken als heffing van belasting als bedoeld in artikel 4 lid 2.

2. De Belastingdienst zal, met inachtneming van het bepaalde in artikel 67 AWR, in de maand januari 2010 aan de tipgever verslag doen van de voortgang in het project op basis van de door de tipgever verstrekte informatie.

3. De Belastingdienst zal vanaf het eerste kwartaal van 2010 binnen dertig dagen na afloop van elk kwartaal op basis van de in lid 1 bedoelde administratie aan de tipgever, met inachtneming van het bepaalde in artikel 67 AWR, een overzicht verstrekken, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen: (a) de omvang van de vergoedingsgrondslag tot en met het kwartaal in kwestie, (b) de omvang van de vergoeding waarop de tipgever

overeenkomstig artikel 3 aanspraak heeft, (c) het bedrag dat tot aan het kwartaal in kwestie is betaald en (d) het saldo van b en c, zijnde het bedrag dat nog aan de tipgever moet worden uitbetaald.

4. Betaling van het in lid 3 onder (d) bedoelde saldo vindt plaats binnen dertig dagen na afloop van elk kwartaal op een door de tipgever aan te wijzen (Nederlands) rekeningnummer.

Artikel 7 Toepasselijk recht

Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Artikel 8 Geschillenregeling

Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen - met uitsluiting van de gewone rechter - bij wege van arbitrage worden voorgelegd aan een scheidsgerecht van drie arbiters. Op de arbitrage is het Arbitrage Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut van 13 november 2001, alsmede de eerste titel van het vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, behoudens het bepaalde in artikel 1058, eerste lid onder b en behoudens voor zover hiervan bij of krachtens het navolgende wordt afgeweken. De arbitrage zal niet verlopen onder auspiciën van het Nederlands Arbitrage Instituut. De tipgever en de Belastingdienst benoemen ieder één arbiter. Deze twee arbiters benoemen gezamenlijk de derde arbiter, tevens voorzitter. Het scheidsgerecht beslist naar de regelen des rechts. De plaats van arbitrage is Den Haag. De procedure zal worden gevoerd in de Nederlandse taal. Een afschrift van het vonnis wordt aan deze overeenkomst gehecht. Het scheidsgerecht zal ook op de voet van artikel 1051 Rv,

met uitsluiting van het kort geding ten overstaan van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 254 Rv, in kort geding vonnis kunnen wijzen.

Artikel 9 Geheimhouding en publiciteit

Aan het sluiten van de onderhavige overeenkomst kan bekendheid worden gegeven door het Ministerie van Financiën/de Belastingdienst. De tipgever betracht, behoudens andersluidende wettelijke verplichting, behoudens enige verplichting uit hoofde van deze overeenkomst dan wel behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Belastingdienst, geheimhouding omtrent de onderhavige overeenkomst, waaronder begrepen de inhoud, wijze van totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst alsook de informatie waarop deze betrekking heeft.

Artikel 10 Ontbinding en vernietiging

Indien de tipgever zijn verplichtingen uit deze overeenkomst niet, niet volledig of niet tijdig nakomt, is de Belastingdienst gerechtigd deze overeenkomst buiten rechte te ontbinden zonder dat een ingebrekestelling is vereist. In dat geval verliest de Belastingdienst niet het recht de door de tipgever verstrekte informatie te gebruiken. De financiële verplichtingen van de Belastingdienst uit hoofde van deze overeenkomst komen daarmee te vervallen.”.

2.6.

Op 1 oktober 2009 is door de Belastingdienst de identiteit van de tipgever gecontroleerd. Van deze controle is een ambtsedige verklaring opgemaakt, waarvan een geschoonde versie behoort tot de stukken van het geding.

2.7.

Op 1 oktober 2009 heeft eveneens een gesprek plaatsgevonden tussen de tipgever en twee medewerkers van de Belastingdienst. Van dit gesprek is door de desbetreffende ambtenaren een ambtsedige verklaring opgemaakt (codenummer AH-3, bijlage 4H), waarvan een geschoonde versie tot de gedingstukken behoort. In het gespreksverslag wordt onder andere melding gemaakt van het volgende:

“Algemene vragen

1. In eerste instantie is door u een aantal namen mondeling geleverd, gevolgd door een 20-tal namen op papier. Hoe heeft u deze lijst samengesteld? Bij de levering van de stukken op 21/9 was dit document met 20 namen niet nogmaals geleverd. Heeft dit een speciale achtergrond, of bent u er van uit gegaan dat we het toch al hadden?

Antwoord:

Ik had het document samengesteld op basis van dit materiaal. De lijst van 20 namen kunt u gewoon toevoegen aan het dossier.”.

Verder is in de ambtsedige verklaring AH-3 vastgelegd de door de tipgever gegeven toelichting op stukken die aan de FIOD zijn overhandigd. De toelichting ziet op de stukken die door de FIOD zijn voorzien van het kenmerk D-028 tot en met D-059. Voor zover van belang bevatten deze gegevens de volgende informatie (hierna: het bewijsmateriaal):

- ‘Bijlage D-49 45842’. Op dit overzicht staat rechts bovenin vermeld “8/10/97”. Hierop valt verder de volgende informatie te lezen:

“Name # Subaccount Beneficial Owner Residence Telephone

(…)

[naam] [xxxxx] idem NL- [woonplaats] [nummer 1] ”

- ‘Bijlage D-30 45842’. Op dit overzicht staat links bovenin “ [c-bank] (Luxembourg) S.A.”, meer in het midden “BALANCE GREATER THAN 500.000 FLUX” en rechts bovenin “DATE: 12/01/98”. In het overzicht staat verder onder andere, de volgende informatie:

“Client Racine Short name Mon Value

(…)

[xxxxxxx] 001 000 [B] [nummer 2] ”

- ‘Bijlage D-40 45842’. Op dit overzicht staat rechts bovenin “19/01/98”. In het overzicht staat verder onder meer vermeld:

“Clients # Holding p/a

(…)

[naam] [nummer 3] ”

- ‘Bijlage D-38 45842’. Op dit overzicht staat rechts bovenin “14/10/1998”. In het overzicht staat verder onder meer vermeld:

“Clients # Holding p/a

(…)

[naam] [nummer 3] ”

In de kolommen na de kolom “Holding p/a” zijn 22 kolommen met namen en daaronder getallen weergegeven. Volgens de toelichting van de tipgever (codenummer AH-3, bijlage 4F bij het verweerschrift) op onder meer Bijlage D-38 betreft de kolom “Holding p/a” het bedrag per aandeel en staan in de daaropvolgende kolommen de aandelen die in portefeuille worden gehouden. Het aantal aandelenposities moet volgens de verklaring worden vermenigvuldigd met het bedrag per aandeel om te komen tot de waarde van de portefeuille die in aandelen wordt aangehouden per 14 oktober 1998. Ter zake van Bijlage D-40 verklaart de tipgever dat het eenzelfde soort document betreft, maar dan van eerdere datum en dat de kolommen dezelfde betekenis hebben als in Bijlage D-38.

- Visitekaartje op naam van ‘Ing. [B] sales manager business equipment’. Onder de contactgegevens privé staat vermeld: ‘ [adres 1] [postcode 1] [woonplaats] [telefoonnummer] ’. Bovenaan het kaartje staat handgeschreven vermeld ‘Mobiel [mobielnummer] ’.

2.8.

Door de inspecteur is een overzicht verstrekt van informatie die op 7 oktober 2010 door de tipgever is aangeleverd. Die stukken zijn door de FIOD voorzien van het kenmerk D-060 tot en met D-088.

2.9.

Naar aanleiding van de van de tipgever ontvangen informatie is de Belastingdienst een project opgestart onder de naam “ Derde Categorie ”. Het project is gestart op 8 oktober 2009. In deze fase zijn de renseignementen in behandeling genomen die betrekking hebben op bankrekeningen bij [a-bank] in Luxemburg. Over de renseignementen die betrekking hadden op [c-bank] Luxembourg, is in het ‘Plan van aanpak project: Derde Categorie ’ van 5 oktober 2009 het volgende opgenomen:

 “Gegevens met betrekking tot de [c-bank] (vestiging Luxemburg) zijn erg divers aangeleverd. Gegevens zullen vermoedelijk na intensieve sorteringsslag kunnen worden ingebracht bij het lopende project Bank Zonder Naam. Een aantal van de overgelegde gegevens (en namen) zijn reeds bekend in het project, echter de gegevens leveren ook zeker nieuw en ondersteunend bewijs op voor het lopende project. (conclusie: nader onderzoek binnen BZN)”.

2.10.

Tot de gedingstukken behoren door de inspecteur overgelegde uitdraaien van het systeem BVR (Beheer van relaties; bijlage 4K). Op één van die uitdraaien staat onder meer “selectie raadplegen adres”, voorzien van de naam en geboortedatum van belanghebbende en een overzicht van adressen waar belanghebbende ingeschreven heeft gestaan. Eén van de andere uitdraaien heeft als omschrijving “Raadplegen persoon algemeen” en ziet eveneens op belanghebbende. Alle uitdraaien hebben als datum “19-10-2009”.

2.11.

Met dagtekening 18 juni 2010 is de aanslag IB/PVV over het jaar 2007 in afwijking van de aangifte vastgesteld naar een berekende verschuldigde IB/PVV van € 13.669.

2.12.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat hem uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende gerechtigd is of is geweest tot in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Hij verzoekt belanghebbende dienaangaande gegevens en inlichtingen te verstrekken van de door hem na 31 december 1994 (te hebben) aangehouden buitenlandse bankrekeningen door middel van het invullen en retourneren van de bijgevoegde formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. In deze brief is belanghebbende gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en de gevolgen van het niet verstrekken van de gevraagde informatie.

2.13.

Belanghebbende heeft de onder 2.12 genoemde verklaring en opgaaf op 5 juli 2010 ondertekend en teruggezonden naar de inspecteur. In de verklaring en de opgaaf heeft belanghebbende vermeld dat hij de volgende drie bankrekeningen heeft aangehouden die op 5 juli 2010 de volgende saldi hadden:

Rekeningnummer

naam bank

vestigingsland

jaar opening bankrekening

huidig saldo

[rekeningnummer 1]

[d-bank]

Luxemburg

2001

358.425

[rekeningnummer 2]

[d-bank]

Luxemburg

2001

70.136

[rekeningnummer 3]

[d-bank]

Luxemburg

2001

112.055

Belanghebbende heeft als toelichting gegeven dat (i) hij medio 1996 op verzoek van zijn vader een rekening bij de toenmalige [a-bank] in Luxemburg heeft geopend; (ii) het op deze rekening aanwezige saldo in 1998 op een rekening bij de [e-bank] in Luxemburg is gezet; (iii) in 2001 het saldo op de rekening bij de [e-bank] in Luxemburg op de bankrekeningen bij [d-bank] in Luxemburg is gezet en (iv) hij niet meer over de betreffende rekeningnummers van [a-bank] en [e-bank] beschikt.

2.14.

Op 10 november 2010 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden met de toenmalige advocaat van belanghebbende waarin is verzocht om meer gegevens.

2.15.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 21 december 2010 en 31 januari 2011 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2008 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1999 en 2000 met 100% vergrijpboeten (op grond van artikel 67e AWR) op te leggen. De inspecteur heeft dit onder meer toegelicht met de vermelding dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat belanghebbende en/of de echtgenote één of meerdere bankrekeningen aanhouden en/of hebben aangehouden in het buitenland, dat zij niet hebben voldaan aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR en dat de inspecteur genoodzaakt is voor het opleggen van de navorderingsaanslagen uit te gaan van geschatte bedragen. De geschatte vermogens per 1 januari van de jaren 1999 en 2000, alsmede de te belasten inkomens over de jaren 1998 tot en met 2008 zijn in de brieven vermeld.

2.16.

Met dagtekening 31 december 2010, 19 maart 2011 en 25 maart 2011 heeft de inspecteur de volgende navorderingsaanslagen met boete- en heffingsrentebeschikkingen opgelegd naar de volgende bedragen:

Soort navorderingsaanslag

Jaar

Nagevorderde belasting

Boete

Heffingsrente

IB/PVV

1998

ƒ 50.587

ƒ 50.587

ƒ 23.001

IB/PVV

1999

ƒ 52.941

ƒ 52.940

ƒ 22.483

IB/PVV

2000

ƒ 53.294

ƒ 53.294

ƒ 20.699

IB/PVV

2001

€ 8.105

€ 8.105

€ 2.794

IB/PVV

2002

€ 8.168

€ 8.168

€ 2.546

IB/PVV

2003

€ 8.168

€ 8.168

€ 2.325

IB/PVV

2004

€ 8.065

€ 8.065

€ 2.013

IB/PVV

2005

€ 8.168

€ 8.168

€ 1.630

IB/PVV

2006

€ 8.168

€ 8.168

€ 1.539

IB/PVV

2007

€ 8.168

€ 8.168

€ 1.171

VB

1999

ƒ 8.862

ƒ 8.862

ƒ 3.763

VB

2000

ƒ 8.736

ƒ 8.736

ƒ 3.393

2.17.

Bij brieven van 15 september 2011 en 3 oktober 2011 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat hem uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Bij deze brieven heeft de inspecteur belanghebbende verzocht opgaaf van de in het jaar 2008, respectievelijk de jaren 2008 en 2009 aangehouden bankrekeningen en/of beleggingen in het buitenland en een opgaaf van de aanwezige saldi op deze rekeningen en/of beleggingen per 1 januari 2008 en 31 december 2008, respectievelijk 1 januari 2008, 31 december 2008, 1 januari 2009 en 31 december 2009. In deze brief is belanghebbende gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 AWR en de gevolgen van het niet verstrekken van de gevraagde informatie.

2.18.

Met dagtekening 31 oktober 2011 heeft de inspecteur in verband met de behandeling van de aangiften voor de jaren 2008 en 2009 informatiebeschikkingen aan belanghebbende gegeven. Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

2.19.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 19 december 2011 op de hoogte gesteld dat hij voornemens is om bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 af te wijken van de ingediende aangiften en tevens om boeten op te leggen.

2.20.

Met dagtekening 7 januari 2012 heeft de inspecteur in afwijking van de aangifte de aanslag IB/PVV over het jaar 2008 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.656 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.326. Gelijktijdig is een boetebeschikking gegeven van € 4.206 en een heffingsrentebeschikking van € 475.

2.21.

[C] ( [C] ), medewerker bij de Belastingdienst, heeft op 16 maart 2012 een ambtsedige verklaring opgemaakt. In de ambtsedige verklaring staat dat hij naar aanleiding van de door de tipgever verstrekte bescheiden (Bijlagen D-30, D-38, D-40, D-49 en visitekaartjes), de daarop volgende bevindingen via het systeem Beheer van Relaties en via telefoongegevens, belanghebbende heeft geïdentificeerd als rekeninghouder bij de [c-bank] (Luxembourg) S.A. van de bankrekening met nummer [nummer 4] . De ambtsedige verklaring is een verslag van de identificatie zoals die op een eerder moment heeft plaatsgevonden.

2.22.

Belanghebbende heeft, samen met anderen, op 8 maart 2012 een kort geding tegen de Staat aangespannen om de stukken ongeschoond te mogen inzien. De Staat heeft hierbij in reconventie geëist dat belanghebbende alsnog de gevraagde informatie verstrekt onder het verbeuren van een dwangsom bij niet-nakoming. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 april 2012 de vordering van belanghebbende afgewezen en heeft belanghebbende bevolen om - binnen zeven dagen na het uitspreken van dit vonnis en nadat de Belastingdienst de wijze van informatieverstrekking heeft bepaald - aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende in het buitenland aangehouden bankrekeningen en/of andere vermogensbestanddelen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000 voor iedere dag dat belanghebbende daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 300.000.

2.23.

Met dagtekening 4 april 2012 heeft de inspecteur in afwijking van de aangifte de aanslag IB/PVV over het jaar 2009 opgelegd. De verschuldigde belasting in verband met de correctie wegens buitenlands vermogen bedraagt € 4.458. Gelijktijdig is een boetebeschikking gegeven van € 4.458 en een heffingsrentebeschikking van € 322.

2.24.

Bij brief van 5 april 2012 heeft de inspecteur, naar aanleiding van het vonnis van 3 april 2012, belanghebbende laten weten dat hij de informatie kan verstrekken door de bijgevoegde formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” in te vullen en te retourneren vóór 17 april 2012.

2.25.

Belanghebbende heeft deze formulieren ingevuld en geretourneerd. Bij deze formulieren is een bijlage gevoegd waarin belanghebbende het volgende vermeldt:

“Naar aanleiding van uw verzoek van vorige week heb ik aan CAI alle gewenste informatie vanaf de opening van de rekeningen opgevraagd, maar men deelde mij mede dat de bewaarplicht voor Luxemburgse banken 10 jaar is.

Om deze redenen kan ik u helaas geen enkele informatie verstrekken over de jaren vóór 2002.

(…)

Bijgaand een overzicht van de saldo’s per 31 december over de jaren 2002 tot en met 2011. Rekening [rekeningnummer 5] en [nummer 6] zijn inmiddels wegens het te lage saldo beëindigd.”.

2.26.

Gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep tegen het onder 2.22 genoemde vonnis van 3 april 2012 bij arrest van 24 april 20125 de Staat in het gelijk gesteld.

2.27.

Bij brief van 26 april 2012 heeft de inspecteur, naar aanleiding van voornoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag, belanghebbende nogmaals verzocht alle gegevens en inlichtingen te verstrekken over de door belanghebbende in de periode 1 januari 1998 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen en/of andere in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Bij deze brief is tevens een overzicht van de stortingen/opnamen en totaalsaldi van de bankrekeningen bij [d-bank] Luxemburg gevoegd. In dit overzicht staat vermeld dat belanghebbende bij de volgende bankrekeningen bij [d-bank] op de volgende data –voor zover van belang– over de volgende saldi beschikte:

[rekeningnummer 1]

[rekeningnummer 5]

[rekeningnummer 6]

totaal

31-dec-01

€ 618.426,78

€ 1.097.136,56

-

€ 1.715.563,34

31-dec-02

€ 524.960,81

€ 478.374,82

€ 566.769,71

€ 1.570.105,34

31-dec-03

€ 584.433,81

€ 435.543,70

€ 480.040,43

€ 1.500.017,94

31-dec-04

€ 606.165,10

€ 252.396,71

€ 488.242,69

€ 1.346.804,50

31-dec-05

€ 655.414,04

€ 287.354,05

€ 426.041,33

€ 1.368.809,42

31-dec-06

€ 919.451,02

€ 305.752,72

€ 102.553,68

€ 1.327.757,42

31-dec-07

€ 808.792,25

€ 215.736,78

€ 101.518,87

€ 1.126.047,90

31-dec-08

€ 571.998,39

€ 119.876,95

€ 102.529,45

€ 794.404,79

31-dec-09

€ 437.897,26

€ 70.327,91

€ 112.110,65

€ 620.335,82

2.28.

Bij brief van 10 mei 2012 heeft belanghebbende hierop gereageerd. Belanghebbende heeft aangegeven de onderliggende bankbescheiden van de aangehouden bankrekeningen bij [e-bank] Luxembourg niet te kunnen overhandigen, nu het een nummerrekening met “hold mail” betrof. Over het overzicht van de stortingen/opnamen en totaalsaldi van de bankrekeningen bij [d-bank] Luxemburg vermeldt belanghebbende dat deze op enkele punten na goed zijn overgenomen. Voor zover hier van belang heeft belanghebbende aangegeven dat de vermelde storting in 2001 bij rekening [rekeningnummer 6] niet € 556.750 bedroeg maar € 550.000 en dat het vermelde resultaat in 2001 bij deze rekening niet € 10.019,71 bedroeg, maar € 16.769.

2.29.

Bij brief van 18 juni 2012 heeft de inspecteur het verzoek om informatie herhaald.

2.30.

Op 7 september 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende, vergezeld van zijn toenmalige gemachtigde, [D] , in het kader van de uitvoering van het in 2.26 vermelde arrest.

2.31.

Bij brief van 27 september 2012 heeft de landsadvocaat, [E] , namens de Belastingdienst belanghebbende medegedeeld dat belanghebbende nog niet volledig uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van 3 april 2012 en dat de Belastingdienst de deurwaarder de opdracht zal geven de tenuitvoerlegging van de dwangsommen in gang te zetten na 12 oktober 2012, tenzij voor dat moment alsnog volledige openheid van zaken wordt gegeven.

2.32.

In reactie hierop heeft belanghebbende per faxbericht van 11 oktober 2012 aangegeven begin november 2012 een gesprek te wensen met de inspecteur. Per faxbericht van eveneens 11 oktober 2012 heeft de landsadvocaat te kennen gegeven dat de Belastingdienst bereid is tot een gesprek begin november 2012, maar dat de landsadvocaat in het faxbericht van belanghebbende geen aanleiding ziet de executie van de dwangsommen te staken of op te schorten.

2.33.

Met dagtekening 6 november 2012 heeft de inspecteur een informatiebeschikking gegeven, wegens het - in verband met het vaststellen van de tweede tranche navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2009 en de aanslag IB/PVV 2010 - niet voldoen aan het informatieverzoek. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 3 december 2012 bezwaar gemaakt.

2.34.

Bij brief van 15 januari 2013 heeft de inspecteur aan belanghebbende geschreven:

“Ik heb van u geen reactie ontvangen op de informatiebeschikking van 6 november 2012. Hierdoor staat de informatiebeschikking onherroepelijk vast. Dat betekent dat u in de bezwaarfase tegen de belastingaanslagen waarop de beschikking ziet, moet ‘doen blijken’ dat die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast.”

In dezelfde brief heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2009 met 100% vergrijpboeten (op grond van artikel 67e AWR) op te leggen (“kennisgeving en mededeling navordering en boetemededeling”). De inspecteur heeft dit onder meer toegelicht met de vermelding dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat belanghebbende in het bezit is van buitenlandse tegoeden op bankrekeningen bij [d-bank] Luxemburg en [c-bank] te Luxemburg. Tevens is vermeld dat bij de aanslagregeling zal worden uitgegaan van de door belanghebbende verstrekte gegevens over de bankrekeningen bij [d-bank] en een geschat saldo aan buitenlandse tegoeden bij [c-bank] Luxemburg en het reeds in box 3 betrokken vermogen per 1 januari en 31 december van de desbetreffende jaren. Voor de schatting van het bij [c-bank] Luxemburg aangehouden vermogen is uitgegaan van een vermogen per eind 1998 van € 717.181 dat telkens aan het einde van ieder jaar met € 168.537,535 (zijnde 23,5% van 717.181) is verhoogd. In de brief wordt vermeld dat het vorenstaande in de volgende jaren leidt tot de volgende navorderingsaanslagen:

Jaar

Gemiddeld

Vermogen

Eerder opgelegd

Op te leggen

2e navordering

Opgelegd bij de echtgenote

2001

€ 2.856.307

€ 680.670

€ 1.428.153

€ 747.483

€ 0

2002

€ 2.949.897

€ 680.670

€ 1.474.948

€ 794.278

€ 0

2003

€ 3.010.662

€ 680.670

€ 1.505.331

€ 824.661

€ 0

2004

€ 3.067.549

€ 680.670

€ 1.533.774

€ 853.104

€ 0

2005

€ 3.170.482

€ 680.670

€ 1.585.241

€ 904.571

€ 0

2006

€ 3.329.496

€ 680.670

€ 1.664.748

€ 984.078

€ 0

2007

€ 3.376.653

€ 680.670

€ 1.668.326

€ 1.007.656

€ 0

2008

€ 3.278.514

€ 350.545

€ 1.639.257

€ 1.288.712

€ 350.545

2009

€ 3.194.195

€ 371.578

€ 1.597.098

€ 1.225.520

€ 371.578

2.35.

Met dagtekening 4 februari 2013 heeft de inspecteur de volgende navorderingsaanslagen met boete- en heffingsrentebeschikkingen (tweede tranche belastingaanslagen) opgelegd naar de volgende bedragen:

Soort

Jaar

Nagevorderde belasting

Boete

Heffingsrente

IB/PVV

2001

€ 8.969

€ 8.969

€ 3.586

IB/PVV

2002

€ 9.531

€ 9.531

€ 3.496

IB/PVV

2003

€ 9.895

€ 9.895

€ 3.361

IB/PVV

2004

€ 10.237

€ 10.237

€ 3.119

IB/PVV

2005

€ 10.854

€ 10.854

€ 2.765

IB/PVV

2006

€ 11.808

€ 11.808

€ 2.550

IB/PVV

2007

€ 12.091

€ 12.091

€ 1.996

IB/PVV

2008

€ 15.464

€ 15.464

€ 1.755

IB/PVV

2009

€ 14.706

€ 14.706

€ 1.167

2.36.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 20136, het onder 2.26 vermelde arrest van Gerechtshof Den Haag bevestigd.

2.37.

De inspecteur heeft op 11 maart 2015 uitspraak op de bezwaren gedaan.

2.38.

Op 10 november 2015 heeft het [H] aan de Luxemburgse autoriteiten een verzoek om informatie gedaan. Het verzoek om informatie bevat – voor zover van belang – het volgende:

“(Legal) person involved in Luxembourg

[c-bank] (Luxembourg) S.A.

(…)

It concerns bank account number [nummer 4]

(Legal) person involved in the Netherlands

Account no.

Held in the name of

Balance

[nummer 4]

[B]

590.460,45

Taxes and years concerned

Income tax regarding the period 1 January 2011 up to and including 31 December 2014.

Contents of the request

The Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) is conducting audits on Dutch taxpayers who have assets abroad. It has emerged that Dutch taxpayers hold bank accounts with [c-bank] in Luxembourg.

The NTCA, however, has (residual) information regarding accounts held with [c-bank] Luxembourg, of which the identities of the account holders (the ultimate beneficiaries – individuals) have not been established yet. The account numbers, the names in which the bank accounts are registered and the balances of these accounts are known. These details relate to the period prior to 1 January 2011 and the bank balances were very considerable.

In relation to account no. [nummer 4] the audit by the NTCA showed that Mr [belanghebbende] (date of birth: [geboortedatum] ) probably is the account holder.

However, Mr [belanghebbende] denies being the holder of this account. Meanwhile, tax

assessments have been imposed and though civil proceedings it was tried to obtain information (subject to a penalty payment). The NTCA was the party in whose favour the case was decided.

However, Mr [belanghebbende] has not provided any information so far. Allegedly, Mr [belanghebbende] has meanwhile moved to Belgium. The last known address in the Netherlands is [adres 2] , [postcode 2] [woonplaats] .

The levy of Dutch income tax takes into consideration taxpayers' assets at the beginning of a

calendar year. Bank balances of domestic and foreign bank accounts form a part of these assets. For the fiscal treatment of 2011 to 2014 it is essential to clarify the status of the bank account in question.

Information requested

In order to come to a correct levy of taxes I would ask you to answer the following questions:

1. Does account no. [nummer 4] still exist in the period 1 January 2011 - 31 December 2014?

2. If question 1 is answered affirmatively:

a. Who is/are the account holder(s)? Please provide full name and address details

b. Who is/are authorised to this account? Please provide full name and address details.

c. In case of a legal entity, I would like to receive the identity information of the ultimate

beneficiary/beneficiaries. Please provide full name and address details.

d. What are the contact details for the account? (Forwarding address, correspondence address

contact person.)

e. Who opened the account and when? Please provide the full name and address, and a copy of opening form. If available, I also would like to receive copies of the identification papers.

f. What are the balances of the account as at 01-01-2011, 01-01-2012 01-01-2013 01-01-2014

and 31-12-2014?

I would like to receive a list of the transactions that took place via this account from 1 January 2011 up to and including 31 December 2014.

3. I would like to receive information (bank account numbers and balances) of other bank accounts with [c-bank] (Luxembourg) S.A., held by the persons identified in item 2, from 1 January 2011 up to and including 31 December 2014.”.

2.39.

Op 26 februari 2016 hebben de Luxemburgse autoriteiten gereageerd op het verzoek van 10 november 2015:

“The account with n° [nummer 4] was closed prior to the underlying period January 1st

2001 to December 31st 2014.

The questions 2 and 3 are therefore not applicable.”.

2.40.

De inspecteur heeft van de stukken ten aanzien waarvan hij een beroep op geheimhouding doet, een ‘ongeschoonde’ versie aan de geheimhoudingskamer overgelegd. In de ‘ongeschoonde’ versie zijn de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond gebleven.

2.41.

De inspecteur heeft bij de brief van 8 mei 2018 een drietal nieuwe stukken (bijlagen 4U tot en met 4W) ingebracht. Bijlage 4U is genaamd ‘de verklaring van de tipgever van 15 juni 2017’, bijlage 4V betreft de gegevens van het project Bank zonder Naam en bijlage 4W betreft het memo ‘Voorbereiding project Derde Categorie ’ van 11 april 2011. Twee van deze stukken (bijlagen 4V en 4W) zijn gedeeltelijk geschoond ingebracht. Daarvoor doet de inspecteur ook een beroep op geheimhouding. Ook voor deze stukken geldt dat in de ‘ongeschoonde’ versie de gegevens die naar de identiteit van de tipgever leiden (naam en persoonsgegevens) nog steeds geschoond zijn.

2.42.

Bijlage 4U betreft een ‘Verklaring tipgever d.d. 15 juni 2017’ afgelegd ten overstaan van [F] , notaris te [plaats] . De tekst van die verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Ik wil graag anoniem blijven. Ik ben de tipgever die in september tweeduizend negen (2009) een overeenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst, omdat ik beschikte over informatie van Nederlandse belastingplichtigen met buitenlands vermogen dat mogelijk niet in de Nederlandse belastingheffing was betrokken.

Het is als volgt gegaan. Ik heb onder andere bij de [a-bank] in Luxemburg gewerkt. Ik ben eind jaren negentig ('90) bij de [a-bank] vertrokken. Jaren later, op enig moment in tweeduizend acht (2008), ruimde ik mijn zolder op. Ik kwam toen een verhuisdoos met papieren tegen die ik had gevuld toen ik bij de [a-bank] vertrok. Ik heb deze doos uitgeruimd. Toen ik deze doos uitruimde, zag ik dat het vooral papieren betrof die ik in de tijd zelf voor mijn werk had verzameld. Ik trof in de doos, behalve mijn eigen papieren, ook een geprint Excelsheet aan met namen erop van individuen, verschillende bankrekeningnummers en informatie over overzeese vennootschappen en trustbedrijven. Deze lijst had ik daarvoor nog nooit gezien. Ik denk dat ik op enig moment bij het printen of kopiëren van mijn stukken per ongeluk die lijst van de gezamenlijke printer heb meegenomen, omdat deze lijst toen waarschijnlijk al op de printer lag, en dat hij toen tussen mijn spullen is geraakt. Alle medewerkers van alle afdelingen van [a-bank] Luxemburg maakten gebruik van deze printer. Toen ik bij de [a-bank] vertrok, heb ik alle papieren op mijn bureau en uit mijn bureaulades zonder enige selectie in deze verhuisdoos gedaan. Ik had ook nog dozen met informatie van andere banen die ik heb gehad. Ik heb daar vervolgens nooit meer naar gekeken. Tot toen, ergens in tweeduizend acht (2008) dus. In ieder geval bevond deze geprinte Excellijst zich in de verhuisdoos.

Toen ik de lijst bekeek, dacht ik dat deze lijst afkomstig moest zijn van een collega. Ook trof ik in de doos een aantal andere papieren over bankrekeningen aan die waren voorzien van handgeschreven informatie. Waarom deze andere informatie zich in de doos bevond, weet ik niet. Het zou kunnen dat die informatie in die tijd in het kader van mijn werkzaamheden, bijvoorbeeld tijdens een vergadering, ter beschikking is gesteld. Eind tweeduizend acht (2008) denk ik, ontving ik een brief van de Belastingdienst met het verzoek informatie te verstrekken over mijn Luxemburgse bankrekening. Ik heb toen telefonisch contact gehad met de Belastingdienst en ik legde aan de belastinginspecteur uit dat ik die bankrekening in die tijd heb gebruikt om mijn salaris te ontvangen. Hij vertelde mij dat ze die vraag stelden in het kader van onderzoeken naar niet gefiscaliseerd buitenlands vermogen. Ik vertelde de Belastingdienst dat ik dit soort buitenlands vermogen niet bezat, maar zei dat ik wel in het bezit was van informatie over Nederlanders met buitenlandse rekeningen en trustvermogen. Ik had deze informatie immers net gevonden in die verhuisdoos. De belastinginspecteur met wie ik sprak vond dat interessant en heeft mij gevraagd of ik het goed vond dat ik zou kunnen worden benaderd door de Belastingdienst/FIOD.

Er zijn vervolgens, ik denk dat het inmiddels tweeduizend negen (2009) was, twee man bij mij op bezoek geweest voor een eerste gesprek en ik ben ook nog bij hen op kantoor geweest. Ik kan me van deze gesprekken niet veel details meer herinneren, maar ik weet wel dat zij mij vervolgens in contact hebben gebracht met de heer [G] . Ik heb vervolgens een aantal gesprekken met de heer [G] gevoerd. De heer [G] wilde zien wat voor informatie ik in mijn bezit had en wilde weten hoe ik eraan was gekomen. Dit heb ik hem ook verteld. Ik heb hem ook een deel van de informatie gegeven, waaronder de geprinte Excellijst. Vervolgens heeft hij onderzocht of hij wat kon met de informatie die ik in mijn bezit had, mede nu deze informatie betrekking had op oude jaren. Dit bleek het geval te zijn. Ik heb met de landsadvocaat in het bijzijn van de heer [G] onderhandeld over een financiële regeling en de voorwaarden van de overeenkomst. Ik heb meerdere gesprekken met de heer [G] gehad en heb hem op meerdere momenten informatie of uitleg gegeven. Alle informatie die ik heb verstrekt kwam uit mijn verhuisdozen. Het betrof fysieke stukken, geen digitale informatie. Ik heb niets aan de stukken veranderd of toegevoegd. Het waren stukken afkomstig van onder andere de [a-bank] . De documenten waren oud en zo zagen ze er ook uit. Op deze wijze is de informatie in de handen van de FIOD gekomen. Ik deed dit geheel vrijwillig en er is op geen enkele wijze misbruik van me gemaakt. (…)”

2.43.

De geheimhoudingskamer heeft op 23 november 2018 tussenuitspraak gedaan. In de tussenuitspraak heeft de geheimhoudingskamer de inspecteur onder meer opgedragen om de (rechtstreekse) gegevens omtrent de identiteit van de tipgever ongeschoond te laten in de stukken.

2.44.

De inspecteur heeft bij brief van 5 december 2018 aangegeven welke consequenties de inspecteur aan de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer verbindt. De inspecteur heeft als bijlage bij deze brief een deel van de stukken waarvoor een beroep op geheimhouding wordt gedaan opnieuw, maar dan minder geschoond, overgelegd. In deze stukken zijn echter nog steeds de (rechtstreekse) gegevens omtrent de identiteit van de tipgever geschoond. De inspecteur heeft hiermee geweigerd om te voldoen aan de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient het bewijsmateriaal van gebruik te worden uitgesloten, omdat dit onrechtmatig is verkregen?

II. Is het bewijsmateriaal betrouwbaar?

III. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

IV. Is sprake van een nieuw feit of kwade trouw zodat navordering gerechtvaardigd is?

V. Heeft de inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de navorderingsaanslagen de vereiste voortvarendheid betracht?

VI. Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?

VII. Zijn de (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen naar de juiste bedragen opgelegd respectievelijk vastgesteld?

VIII. Zijn de boetebeschikkingen terecht gegeven en is de hoogte daarvan passend en geboden?

IX. Dient aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding te worden toegekend?

X. Heeft de rechtbank de forfaitaire proceskostenvergoeding tot een te hoog bedrag vastgesteld?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging respectievelijk vermindering van de (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente en tot een integrale proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen over de proceskostenvergoeding.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vragen I tot en met III

4.1.1.

In het onderhavige geval staat vast dat de inspecteur heeft geweigerd te voldoen aan de opdracht van de geheimhoudingskamer van het hof om de NAW-gegevens van de tipgever in het geding te brengen. In zoverre heeft de inspecteur niet voldaan aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken (zonder blinderingen) in het geding te brengen. Het is aan de hoofdkamer van het hof om te beoordelen welk gevolg daaraan moet worden verbonden.7

Bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige bewijsvergaring?

4.1.2.

Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat het bewijsmateriaal moet worden uitgesloten wegens de onrechtmatige wijze waarop dat is vergaard, overweegt het hof als volgt. Het hof heeft in zijn uitspraak van 20 februari 20188 een normatief kader geschetst voor gevallen waarin de Belastingdienst, door middel van uitoefening van een ongebonden bevoegdheid, een overeenkomst sluit met het oog op het tegen betaling verkrijgen van (mogelijk) wederrechtelijk verkregen bewijsmateriaal ten dienste van de belastingheffing. Het hof heeft in die uitspraak tot uitdrukking willen brengen dat in dat geval een belangenafweging dient te worden gemaakt, welke belangenafweging, zij het marginaal, aan toetsing door de belastingrechter is onderworpen. In het kader van die belangenafweging moeten, volgens het destijds door het hof gegeven oordeel, onder andere bepaalde strafrechtelijke aspecten worden meegewogen. Het hof is in die eerdere uitspraak betreffende dezelfde tipgever tot bewijsuitsluiting gekomen omdat de inspecteur onvoldoende inzicht had gegeven in de gemaakte belangenafweging, waardoor een rechterlijke toetsing van die afweging niet mogelijk was.

4.1.3.

In zijn arrest van 8 november 2019 heeft de Hoge Raad de zojuist genoemde hofuitspraak gecasseerd.9 Wat er ook zij van de mate waarin die cassatie aansluit op oordelen die het hof heeft beoogd te geven,10 uit het arrest kan niet anders worden afgeleid dan dat het de Belastingdienst vrijstaat om met welke tipgever dan ook, tegen welke beloning dan ook, een overeenkomst te sluiten ter verkrijging van materiaal dat voor de maatschappelijke taak van belastingheffing kan worden gebruikt. Voor zover belanghebbendes betoog is gebaseerd op de wijze waarop het bewijsmateriaal door de tipgever en/of de inspecteur is verkregen, moet het dan ook worden verworpen.

Bewijsuitsluiting wegens onbetrouwbaarheid van het bewijsmateriaal?

4.1.4.

Belanghebbende heeft verder, onder aanvoering van diverse argumenten, betoogd dat de onder 4.1.1 bedoelde weigering van de inspecteur tot gevolg moet hebben dat het bewijsmateriaal van gebruik in de onderhavige procedure moet worden uitgesloten, omdat die weigering ertoe leidt dat dat materiaal niet op juistheid en betrouwbaarheid kan worden getoetst. De inspecteur heeft betoogd dat, mede gelet op het oordeel van het hof en de Hoge Raad in de zojuist aangehaalde eerdere tipgeverszaak, het materiaal betrouwbaar is en dat het niet nodig is de tipgever daaromtrent (als getuige) te horen.

4.1.5.

Het Memo Tipgever bevat de volgende passage over de aard van het door de tipgever overhandigde materiaal:

“De informatie gaat over de jaren 1995-1998. Het betreft werkaantekeningen van de tipgever zelf, klantenlijsten van de tipgever, klantenlijsten van collega’s (soms vanwege waarneming in zijn bezit), enkele voorbeelden van correspondentie tussen de bank en cliënten, interbancaire correspondentie over prospects, uitdraaien uit de administratie van de bank en richtlijnen voor beleggingsbeleid t.a.v. sommige cliënten. Het betreft beslist niet een kopie van de administratie van de bank, zoals we deze in het rekeningenproject KB Lux of Bank zonder Naam hebben ontvangen. Dit beperkt mogelijk de bewijskracht van de informatie. De tipgever beschikt echter ook over vertrouwelijke documenten op het briefpapier van de verschillende banken. Dit verhoogt naar mijn mening de betrouwbaarheid van de informatie als geheel.”.

4.1.6.

Het hof stelt voorop dat het materiaal in die eerdere zaak materiaal afkomstig was van [a-bank] en dat het onderhavige, voor deze zaak relevante, materiaal betrekking heeft op een (vermeende) bankrekening van belanghebbende bij [c-bank] . Die respectieve gegevens (van [a-bank] enerzijds en [c-bank] anderzijds) verschillen van elkaar. Het materiaal van [a-bank] was direct bruikbaar voor het identificeren en aanschrijven van (vermeende) rekeninghouders,11 hetgeen niet geldt voor het materiaal van [c-bank] . Dat laatstbedoelde materiaal was erg divers aangeleverd en moest worden onderworpen aan een intensieve sorteringsslag.12

4.1.7.

Verder is van belang dat het materiaal betreffende [c-bank] geleidelijk aan de Belastingdienst is verstrekt. Van die 150 zijn gegevens betreffende slechts 20 (beweerde) rekeninghouders voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de tipgever aan de Belastingdienst verstrekt. De gegevens betreffende de resterende 130 (beweerde) rekeninghouders zijn pas na het sluiten van de overeenkomst, namelijk op 21 september 2009, verstrekt.13 Voor het materiaal betreffende [a-bank] geldt dat de gegevens van alle (beweerde) 180 rekeninghouders voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomst waren overhandigd.14

4.1.8.

Van de gegevens betreffende [c-bank] is bekend dat onderzoek is gedaan naar de aanvankelijk, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de tipgever, verstrekte gegevens betreffende 20 (beweerde) rekeninghouders, waarvan 17 personen zijn herkend aan de hand van gegevens uit het project “Bank zonder Naam”. Verder moet op basis van de gedingstukken en de toelichting van de inspecteur ter zitting worden vastgesteld dat onbekend is of en in hoeverre de na het sluiten van de overeenkomst verkregen informatie betreffende de overige 130 (beweerde) rekeninghouders betrouwbaar bleek en in hoeverre die gegevens leidden tot identificeerbare rekeninghouders. Verder is ter zitting gebleken dat het de inspecteur onbekend is of de gegevens die betrekking zouden hebben op belanghebbende direct bij de eerste gelegenheid aan de inspecteur zijn verstrekt (als onderdeel van “de eerste 20 gevallen”), dan wel op een later moment, toen (belonings)afspraken waren gemaakt tussen de tipgever en de Belastingdienst. Dat betekent dat niet kan worden uitgesloten dat de gegevens betreffende belanghebbende pas zijn overhandigd na het sluiten van de overeenkomst met de tipgever.

4.1.9.

Van de gegevens betreffende [a-bank] is bekend dat de gegevens van de 180 aangeleverde (beweerde) rekeninghouders hebben geleid tot 76 identificaties, waarvan (in ieder geval) in 72 gevallen (uiteindelijk) het rekeninghouderschap is erkend. Het hof heeft in de eerdere tipgeverszaak in die statistiek (72 versus 76) aanleiding gezien het materiaal betreffende [a-bank] , ook zonder ondervraging van de tipgever daaromtrent, betrouwbaar te achten.15 De merites van het materiaal betreffende [c-bank] zijn in het kader van die eerdere uitspraak niet als zodanig aan de orde geweest. Eerst in de onderhavige zaak is het hof bekend geworden met de feitelijke informatie omtrent (de verkrijging van) dat materiaal.

4.1.10.

Wat betreft het materiaal betreffende [c-bank] , is buiten de hiervóór genoemde 20 gevallen niet bekend of en in hoeverre de gegevens konden worden gebruikt ter identificatie van rekeninghouders, dan wel ter bevestiging van reeds in het kader van het project “Bank zonder Naam”, dan wel anderszins, geïdentificeerde rekeninghouders. Het hof beschikt over niet meer informatie dan dat van de 150 personen waarvan gegevens door de tipgever zijn aangeleverd, 17 personen zijn herkend aan de hand van gegevens uit het project “Bank zonder Naam”. Omdat verder onbekend is of belanghebbende behoorde tot de 20 gevallen waarvan de tipgever vroegtijdig informatie heeft verstrekt, dan wel tot de resterende 130 gevallen, kan de betrouwbaarheid en/of van de op belanghebbende betrekking hebbende gegevens niet aan de hand van ervaringscijfers zoals ten aanzien van de [a-bank] -gegevens worden vastgesteld.

4.1.11.

Omdat ongewis is of de gegevens betreffende belanghebbende behoorden tot de aanvankelijk onderzochte 20 gevallen, dan wel de resterende 130, kan niet worden uitgesloten dat het laatste het geval is (zie reeds onder 4.1.8 hiervóór). Omdat de gegevens betreffende die resterende 130 gevallen, anders dan alle gegevens betreffende de [a-bank] en anders dan die van de bedoelde 20 gevallen, pas zijn verstrekt nadat de overeenkomst met de tipgever is gesloten, is het mogelijk dat de gegevens betreffende die 130 gevallen, anders dan de andere zojuist genoemde, niet of minder betrouwbaar zijn. Het ligt niet voor de hand dat de tipgever de gegevens die hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft overhandigd, heeft gemanipuleerd. Dat zou de kans op het sluiten van een voor hem gunstige overeenkomst immers geen goed doen. Wat betreft ná het sluiten van de overeenkomst verstrekte gegevens, geldt die logica niet zonder meer, omdat de tipgever, gezien de met hem gesloten overeenkomst, een belang heeft bij een zo hoog mogelijke belastingopbrengst en niet valt uit te sluiten dat bepaalde gegevens zijn gemanipuleerd met het oog op een (kunstmatige) verhoging van die opbrengst. In dit verband is verder van belang dat het hof in zijn algemeenheid twijfels heeft aan de geloofwaardigheid van de tipgever, mede gelet op de van diens zijde in het geding gebrachte schriftelijke verklaring, die het hof op onderdelen, bijvoorbeeld ten aanzien van de vergaring van het bewijsmateriaal door de tipgever, niet geloofwaardig acht.16

4.1.12.

Wat betreft de concrete informatie betreffende belanghebbende, zijn slechts op bijlage D.30 gegevens betreffende [c-bank] afgedrukt. Voor alle overige bijlagen betreffende belanghebbende geldt dat niet. Het is, louter afgaand op basis van de op belanghebbende betrekking hebbende gegevens, niet vast te stellen of en in hoeverre die gegevens, geheel of gedeeltelijke gemanipuleerd zouden kunnen zijn. De correspondentie met de Luxemburgse belastingautoriteiten (zie 2.38 en 2.39 hiervóór) maakt dat niet anders, omdat daaruit niet blijkt dat belanghebbende houder is geweest van een bankrekening bij [c-bank] . Verder is het gebrek aan voldoende ervaringsgegevens zoals hiervóór onder 4.1.10 van belang.

4.1.13.

In een zaak die overigens vergelijkbaar zou zijn met de onderhavige, afgezien van de weigering van de tipgever om te verschijnen voor een getuigenverhoor en de weigering van de inspecteur om diens NAW-gegevens met het oog op zo’n verhoor te verstrekken, zou een verzoek van de belanghebbende tot een getuigenverhoor van een overigens vergelijkbare tipgever zonder meer door het hof worden gehonoreerd, ook indien dat zou betekenen dat het hof zo’n tipgever als getuige zou moeten oproepen. Gelet op het voorgaande kan een dergelijk verhoor namelijk relevant zijn voor de waarheidsvinding omtrent de juistheid en betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal. Die waarheidsvinding kan in het onderhavige geval niet plaatsvinden als gevolg van de hier aan de orde zijnde weigering van de inspecteur om de op de zaak betrekking hebbende stukken ongeschoond in het geding te brengen. Omdat het hof niet alleen vragen heeft over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, maar ook twijfelt aan de geloofwaardigheid in zijn algemeenheid van de tipgever, én een normale en procedureel gerechtvaardigde vorm van waarheidsvinding ten aanzien van het bewijsmateriaal door aan de inspecteur toe te rekenen (proces)keuzes wordt gefrustreerd, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het bewijsmateriaal van gebruik uit te sluiten.

4.1.14.

Het voorgaande betekent, bij gebreke van ander bewijsmateriaal op grond waarvan die correcties in stand zouden moeten worden gelaten, dat alle in de onderhavige belastingaanslagen opgenomen correcties ter zake van (kortweg) [c-bank] komen te vervallen. De overige correcties blijven echter, anders dan belanghebbende kennelijk meent, in stand. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.1.15.

De eerste tranche belastingaanslagen is opgelegd naar aanleiding en op basis van de door belanghebbende verstrekte informatie over de rekeningen die hij aanhield bij de [d-bank] te Luxemburg. De informatie over de rekening bij [c-bank] te Luxemburg heeft bij de vaststelling van deze eerste tranche belastingaanslagen geen enkele rol gespeeld. Belanghebbende heeft zelf in antwoord op de vragenbrief van de inspecteur van 29 juni 2010 gemeld dat hij sinds 2001 drie rekeningen aanhield bij [d-bank] te Luxemburg (zie 2.12 en 2.13). De omstandigheid dat de vragenbrief van de inspecteur van 29 juni 2010 het gevolg was van de van de tipgever ontvangen informatie leidt niet ertoe dat de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens omtrent de rekeningen bij [d-bank] te Luxemburg van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Van die door belanghebbende zelf verstrekte gegevens kan niet worden gezegd dat deze rechtstreeks voortvloeien uit het van de tipgever ontvangen bewijsmateriaal.17

Vraag IV

Navorderingsbevoegdheid

4.2.1.

Voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2007 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000 (eerste tranche belastingaanslagen) is in geschil of de inspecteur bevoegd is tot navordering. Bij de tweede tranche belastingaanslagen is slechts voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2002, 2003, 2004 en 2008 in geschil of de inspecteur bevoegd is tot navordering. De inspecteur heeft in zijn brief van 14 april 202018 immers uiteengezet dat in het geval dat de correcties ter zake van [c-bank] komen te vervallen, de navorderingsaanslagen IB/PVV 2005, 2006, 2007 en 2009 van de tweede tranche belastingaanslagen komen te vervallen.

4.2.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit of kwade trouw. De rechtbank heeft hierover – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:

“4.3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat – nog daargelaten of er sprake was van een nieuw feit – belanghebbende te kwader trouw was. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

4.3.3.

Belanghebbende is voor de betreffende jaren uitgenodigd tot het doen van (enkel) aangiften IB/PVV. In zijn aangiften heeft belanghebbende geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden vermogen. Eerst nadat de inspecteur belanghebbende bij brief van 29 juni 2010 op de hoogte had gesteld dat uit onderzoek was gebleken dat belanghebbende gerechtigd was (geweest) tot in het buitenland aangehouden bankrekeningen heeft belanghebbende, in reactie op het verzoek de gegevens en inlichtingen te verstrekken van de door hem na 31 december 1994 aangehouden buitenlandse bankrekeningen, bij brief van 5 juli 2010 aangegeven vanaf 2001 drie bankrekeningen te hebben bij de [d-bank] Indosuez in Luxemburg die op 5 juli 2010 de volgende saldi hadden: € 358.425, € 70.136 en € 112.055. Pas na het vonnis van 3 april 2012 en de bevestiging van het vonnis door het Hof van 24 april 2012, heeft belanghebbende informatie verstrekt van de saldi van de drie bij [d-bank] Indosuez aangehouden bankrekeningen per 31 december over de jaren 2001 tot en met 2009.

4.3.4.

Van kwade trouw in de zin van artikel 16 van de AWR is sprake indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE80). Het feit dat grond heeft opgeleverd voor navordering is het in het buitenland aangehouden vermogen. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende van deze feiten op de hoogte was en dat hij wist of redelijkerwijs moet hebben beseft dat hij daarover belasting verschuldigd was.

(…)

4.3.6.

Nu belanghebbende aan de inspecteur de informatie over voormelde bankrekeningen heeft onthouden, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in verband met die feiten geen IB/PVV en VB daarover zou worden geheven en is sprake van kwade trouw die navordering rechtvaardigt. De rechtbank merkt voorts op dat zij in de enkele stelling van de gemachtigde dat het onzeker is of belanghebbende zelf de aangiften heeft gedaan en of de belastingdienst niet eerst had moeten onderzoeken of de aangiften door de boekhouder van belanghebbende waren gedaan –gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur– geen aanleiding ziet anders te oordelen. De inspecteur kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook navorderen op grond van artikel 16, eerste lid van de AWR.”.

4.2.3.

Het hof maakt deze overwegingen tot de zijne. Belanghebbende heeft daartegen in hoger beroep ook geen andere of nader onderbouwde grieven aangevoerd.

Vraag V

Voortvarendheid

4.3.1.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2005 en VB 1999 en 2000 (eerste tranche belastingaanslagen) en - voor zover van belang - de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2004 (tweede tranche belastingaanslagen) zijn met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR, opgelegd.

4.3.2.

Volgens vaste jurisprudentie dient de inspecteur, zodra hij in een concreet geval beschikt over aanwijzingen voor buitenlandse tegoeden, met redelijke voortvarendheid te handelen om de benodigde inlichtingen te verkrijgen en om (de) belastingaanslag(en) voor te bereiden en op te leggen.19 Daarbij moet de Belastingdienst over voldoende tijd kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke belastingplichtigen het gaat en vervolgens te beoordelen in hoeverre van elk van hen belasting moet worden nagevorderd. Indien wordt gekozen voor landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak, moet rekening worden gehouden met de tijd die daarmee is gemoeid. De belastingautoriteiten hebben verder beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van hun werkzaamheden, met dien verstande dat een voortvarende behandeling voldoende gewaarborgd moet zijn.20

4.3.3.

De rechtbank is in haar uitspraak tot het oordeel gekomen dat bij de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn voortvarend is gehandeld. Belanghebbende heeft dit oordeel bestreden met het betoog - kort gezegd - dat de verklaringen van de inspecteur niet gefundeerd zijn en het bovendien partijverklaringen betreft waaraan slechts beperkte bewijskracht toekomt.

4.3.4.

Het hof stelt voorop dat de voortvarendheid van het handelen van de inspecteur beoordeeld moet worden vanaf het moment dat de inspecteur beschikte over aanwijzingen dat belanghebbende tegoeden op een buitenlandse bankrekening en inkomsten hieruit heeft verzwegen, op basis waarvan een onderzoek kon worden ingesteld. Het moment waarop de tipgever voor het eerst contact heeft gehad met de inspecteur is daarvoor niet beslissend.21 De inspecteur kon ten aanzien van belanghebbende niet eerder over de hiervoor genoemde aanwijzingen beschikken dan op het moment dat de tipgever hierover gegevens heeft verstrekt aan de inspecteur. Uit de stukken van het geding, waaronder het Memo Tipgever, volgt dat de tipgever voor het eerst op 30 maart 2009 (beperkt) informatie heeft verstrekt. Op 8 en 10 juni 2009 heeft de tipgever onder meer een lijst met 20 rekeninghouders van [c-bank] overhandigd.22 Nadat de overeenkomst met de tipgever is gesloten, zijn op 21 september 2009 de overige 130 namen van [c-bank] rekeninghouders verstrekt. Of de naam van belanghebbende op de eerste lijst of op de tweede stond vermeld is niet duidelijk.23 Die onzekerheid komt voor rekening van de inspecteur. Het hof gaat daarom in het kader van de voortvarendheidseis ervan uit dat voor het eerst op 8 juni 2009 informatie over belanghebbende is verstrekt.

Het hof merkt hierbij nog op dat de op 30 maart 2009 door de tipgever mondeling gegeven informatie24 te summier is om te worden aangemerkt als ‘aanwijzingen’ op basis waarvan nader onderzoek kan worden geëntameerd. Gelet op het voorgaande kan aan de stelling van belanghebbende dat de tipgever als getuige zou moeten worden bevraagd over het eerste contactmoment met de Belastingdienst worden voorbijgegaan, omdat de vaststelling van dat eerste contactmoment niet relevant is voor de beslechting van het geschil.

4.3.5.

De inspecteur heeft inzicht gegeven in de handelingen die sinds 8 juni 2009 zijn verricht.25 De stellingen van de inspecteur worden ondersteund door diverse stukken die de inspecteur in de loop van de procedure heeft overgelegd. Het hof verwijst in dit verband onder andere naar het Memo Tipgever, de ambtsedige verklaring, gespreksverslag algemeen gedeelte d.d. 01-10-2009 (bijlage 4D), de ambtsedige verklaring AH-3 (bijlage 4H; zie 2.7), de ambtsedige verklaring identificatie d.d. 16-03-2012 (zie 2.21), de uitdraaien van het systeem BVR (bijlage 4K; zie 2.10), het plan van aanpak project derde categorie van 5 oktober 2009 (bijlage 4T) en het memo voorbereiding project derde categorie d.d. 11-04-2011 (bijlage 4W). Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop vanaf 8 juni 2009 tot aan het opleggen van de navorderingsaanslagen die met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, mede gelet op de zorgvuldigheid die daarbij betracht moet worden, niet ongeoorloofd lang is geweest. Dit geldt temeer nu het in het onderhavige geval een renseignement betrof van [c-bank] Bank in Luxemburg waarbij eerst nagegaan diende te worden of deze gegevens niet reeds op basis van het rekeningproject ‘Bank zonder naam’ bekend waren bij de Belastingdienst. Ook was – gelet op de aard van de overgelegde stukken met betrekking tot [c-bank] – een intensieve sorteringsslag vereist, terwijl dit bij de renseignementen ten aanzien van de [a-bank] niet het geval was.26 Ook neemt het hof hierbij in aanmerking dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de [c-bank] renseignementen binnen het lopende project ‘Bank Zonder Naam’ zouden worden behandeld en dat later, toen uit het antwoord op de vragenbrief van 29 juni 2010 het rekeninghouderschap van een andere bank dan [c-bank] bleek, het renseignement van belanghebbende, niet onbegrijpelijkerwijs, retour ging naar het project ‘ Derde Categorie ’.

Tijdens de bezwaarprocedure tegen de eerste tranche belastingaanslagen is, teneinde de benodigde gegevens alsnog te verkrijgen, door de Belastingdienst de civiele weg gekozen via een vordering in reconventie. Uiteindelijk heeft de civiele procedure geleid tot nadere informatieverstrekking door belanghebbende op basis waarvan vervolgens de tweede tranche belastingaanslagen is opgelegd.

Met wat de inspecteur heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat voldoende voortvarend is gehandeld. Van een onverklaarbare vertraging van langer dan 6 maanden is niet gebleken.

Belanghebbendes stellingen over het handelen van de Belastingdienst in de bezwaarfase behoeven geen behandeling, omdat eventuele traagheid in die fase geen afbreuk kan doen aan een voldoende voortvarende oplegging van (belasting)aanslagen in de onderhavige zin.

4.3.6.

Belanghebbende heeft in het kader van de verlengde navorderingstermijn verder nog een beroep gedaan op de arresten van de Hoge Raad van 16 maart 2018.27 Gelet op die arresten dient de inspecteur per bestanddeel aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor navordering met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De inspecteur zal dus met toepassing van de normale bewijslastverdeling per bestanddeel aannemelijk moeten maken dat dit bestanddeel in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Daarvan is geen sprake indien de verwerving en ontvangst van die bedragen een aanknopingspunt hebben met Nederland. Dat wordt ook niet anders indien die bedragen naderhand buiten het zicht van de Nederlandse Belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort.28

4.3.7.

Het hof stelt voorop dat voor de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000, de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 (eerste tranche belastingaanslagen) en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2004 (tweede tranche belastingaanslagen) beoordeeld moet worden of sprake is van een in het buitenland aangehouden bestanddeel. Dat is naar het oordeel van het hof voor al die belastingaanslagen het geval. Aannemelijk is dat belanghebbende in de genoemde jaren banktegoeden heeft aangehouden bij [d-bank] in Luxemburg. Belanghebbende heeft dit overigens zelf schriftelijk verklaard en daarvan schriftelijke bescheiden overgelegd.

4.3.8.

Ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1998 tot en met 2000 (eerste tranche belastingaanslagen) dient de inspecteur aannemelijk te maken dat sprake is van een bestanddeel dat in het buitenland is opgekomen.

4.3.9.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur voor de jaren 1998 tot en met 2000 eveneens aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden voor navordering met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Over de herkomst van de gelden op de bankrekeningen bij [d-bank] heeft belanghebbende verklaard dat deze afkomstig zijn van eerder aangehouden bankrekeningen bij [a-bank] in Luxemburg en [e-bank] in Luxemburg. De rente-inkomsten over de in het buitenland aangehouden gelden zijn dan opgekomen in het buitenland.

Vraag VI

4.4.1.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR, dan niet de vereiste aangifte is gedaan. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake kan zijn. Ook is de door de inspecteur gemaakte schatting niet redelijk, aldus belanghebbende. Het hof stelt voorop dat omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte niet aan de orde is voor de aanslagen in de vermogensbelasting, omdat belanghebbende niet is uitgenodigd tot het doen van aangiften in de vermogensbelasting.

4.4.2.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in een aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast.29

4.4.3.

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende geen vermogen op en geen inkomsten uit buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld in de aangiften IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2007. Belanghebbende heeft in de brief van 10 mei 201230 de bedragen van de bij [d-bank] aangehouden tegoeden, zoals deze zijn vermeld in 2.27, bevestigd dan wel gecorrigeerd. Naar het oordeel van het hof zijn de aangiften IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2007 zowel relatief als absoluut gezien tot een te laag bedrag gedaan. Ten aanzien van de jaren 1998 tot en met 2000 oordeelt het hof als volgt. Bij brief van 5 juli 2010 heeft belanghebbende laten weten dat het vermogen dat in 2001 op de bankrekeningen van [d-bank] is gezet, afkomstig is van de door hem voorheen bij de [e-bank] in Luxemburg aangehouden bankrekening(en) en daarvóór afkomstig was van door hem in 1996 aangehouden bankrekening(en) bij de toenmalige [a-bank] in Luxemburg. Belanghebbende heeft dit in zijn brief van 13 april 2012 bevestigd. Gelet hierop, acht het hof aannemelijk dat belanghebbende ook gedurende de jaren 1998 tot en met 2000 beschikte over aanzienlijke bedragen aan (inkomsten uit) vermogen die niet in de aangiften zijn vermeld. Naar het oordeel van het hof zijn de aangiften IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2000 zowel relatief als absoluut, rekening houdend met de voor die jaren geldende belastingvrije sommen/vrijstellingen en de eventuele voorheffingen, tot een te laag bedrag gedaan.

4.4.4.

Naar het oordeel van het hof wist of moet belanghebbende zich ervan bewust zijn geweest dat door zijn handelen een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, in het algemeen reeds op grond daarvan kan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van IB/PVV en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen.31

4.4.5.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat belanghebbende voor de jaren 1998 tot en met 2007 de vereiste aangifte IB/PVV niet heeft gedaan. De bewijslast is terecht omgekeerd en verzwaard.

4.4.6.

Voor de aanslagen IB/PVV 2008 en 2009 (eerste tranche belastingaanslagen) geldt dat deze zijn opgelegd nadat de voor deze jaren gegeven informatiebeschikkingen onherroepelijk vast stonden. Ingevolge artikel 27h, lid 2, AWR in verbinding met artikel 27e, lid 1, AWR wordt het hoger beroep dan ongegrond verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het hof ziet aanleiding voor het toepassen van het in artikel 27e, lid 1, AWR voorziene rechtsgevolg zodat ook voor deze jaren sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.4.7.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2002, 2003, 2004 en 2008 (tweede tranche belastingaanslagen) aannemelijk gemaakt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende voor die jaren de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Voor de jaren 2001 tot en met 2004 verwijst het hof naar hetgeen zij hiertoe heeft overwogen in 4.4.3. tot en met 4.4.5. Voor het jaar 2008 overweegt het hof als volgt. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende geen vermogen op buitenlandse bankrekeningen heeft vermeld in de aangifte IB/PVV over het jaar 2008. Belanghebbende heeft in de brief van 10 mei 2012 de bedragen van de bij [d-bank] aangehouden tegoeden zoals deze zijn vermeld in 2.27 bevestigd. De aangifte IB/PVV over het jaar 2008 is daarmee zowel relatief als absoluut gezien tot een te laag bedrag gedaan.

4.4.8.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat echter onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslagen van een redelijke schatting uit te gaan. Het vereiste van een redelijke schatting voorkomt dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.32 In dat kader rust op de inspecteur de taak de schatting van het inkomen zodanig te onderbouwen met feitelijke stellingen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.33 Indien de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, ingeval hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.34

4.4.9.

De inspecteur heeft de correcties ten aanzien van de aangehouden tegoeden bij [d-bank] , met uitzondering van de jaren 1998 tot en met 2000, gebaseerd op gegevens die door belanghebbende zijn verstrekt en waarvan de juistheid door belanghebbende is bevestigd (zie 2.25, 2.27 en 2.28). Ten aanzien van de jaren 1998 tot en met 2000 is het hof van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV berusten op een redelijke schatting. Bij brief van 5 juli 2010 heeft belanghebbende laten weten dat het vermogen dat in 2001 op de bankrekeningen van [d-bank] is gezet, afkomstig is van de door hem voorheen bij de [e-bank] in Luxemburg aangehouden bankrekening(en) en daarvóór afkomstig was van door hem in 1996 aangehouden bankrekening(en) bij de toenmalige [a-bank] in Luxemburg. Voor de jaren voor 2001 heeft de inspecteur rekening gehouden met een vermogen van 1.500.000 gulden dat volledig aan belanghebbende is toegerekend, hetgeen in overeenstemming is met de destijds geldende wettelijke bepalingen. Aangezien de inspecteur is uitgegaan van een saldo dat minder dan de helft bedroeg van het bekend

geworden saldo bij [d-bank] berusten deze navorderingsaanslagen op een redelijke schatting en zijn zij eerder te laag dan te hoog.

4.4.10.

Belanghebbende heeft niets aangevoerd waarmee hij heeft aangetoond dat de (navorderings)aanslagen onjuist zijn.

Vraag VII

4.5.1.

Op 3 april 2020 (zie 1.20) heeft het hof aan de inspecteur verzocht om een cijfermatige uitwerking van het scenario waarin uitsluitend de correcties ten aanzien van [d-bank] in stand zouden blijven.

4.5.2.

De inspecteur heeft in zijn brief van 14 april 2020 de cijfermatige uitwerking van dit scenario geschetst. De inspecteur heeft hierbij verwezen naar stukken die eerder door hem zijn overgelegd. De cijfermatige uitwerking van de inspecteur luidt als volgt:

Eerste tranche belastingaanslagen

Aanslag

Opgelegd naar een vermogen/

rendementsgrondslag van:

Cijfermatige uitwerking

Navorderingsaanslag IB/PVV 1998

Fl 1.500.000

Fl 1.500.000

Navorderingsaanslag IB/PVV 1999

Fl 1.500.000

Fl 1.500.000

Navorderingsaanslag IB/PVV 2000

Fl 1.500.000

Fl 1.500.000

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 680.670

€ 680.670

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 680.670

€ 680.670

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 680.670

€ 680.670

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 680.670

€ 680.670

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

€ 680.670

€ 678.903

Navorderingsaanslag IB/PVV 2006

€ 680.670

€ 674.141

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007

€ 680.670

€ 613.415

Aanslag IB/PVV 2008

€ 350.545

€ 350.545

Aanslag IB/PVV 2009

€ 371.578

€ 353.685

Navorderingsaanslag VB 1999

Fl 1.500.000

Fl 1.500.000

Navorderingsaanslag VB 2000

Fl 1.500.000

Fl 1.500.000

Tweede tranche belastingaanslagen

Aanslag

Opgelegd naar een extra rendementsgrondslag van:

Cijfermatige uitwerking

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 747.483

€ 178.220

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 794.278

€ 140.747

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 824.661

€ 86.860

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 853.104

€ 31.035

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

€ 904.571

Vernietiging

Navorderingsaanslag IB/PVV 2006

€ 984.078

Vernietiging

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007

€ 1.007.656

Vernietiging

Navorderingsaanslag IB/PVV 2008

€ 1.288.712

€ 129.568

Navorderingsaanslag IB/PVV 2009

€ 1.225.520

Vernietiging

4.5.3.

Bij brief van 22 april 2020 heeft het hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om uiterlijk bij tiendagenstuk te reageren op die schriftelijke inlichtingen. Belanghebbende heeft dat niet binnen die termijn gedaan. Ter zitting heeft belanghebbende de juistheid van de door de inspecteur genoemde bedragen betwist bij gebrek aan wetenschap, omdat belanghebbende geen aansluiting kan maken met de door de inspecteur genoemde bedragen.

4.5.4.

De inspecteur heeft in het schrijven van 14 april 2020 uiteengezet van welke saldi is uitgegaan en welk deel daarvan aan belanghebbende is toegerekend op grond van artikel 2.17, lid 5, Wet IB 2001 dan wel artikel 5 Wet IB 1964. Tegenover de uitvoerige cijfermatige uitwerking van inspecteur is de enkele stelling dat belanghebbende geen aansluiting kan vinden bij de gehanteerde cijfers van onvoldoende gewicht. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om gemotiveerd te betwisten waar cijfers geen aansluiting vinden bij de bekende saldi. Bovendien is de bewijslast voor de IB/PVV omgekeerd en verzwaard. Gelet op het oordeel van het hof ten aanzien van de zesde geschilvraag, rust op belanghebbende de last om aan te tonen dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV onjuist zijn. Daarin is belanghebbende niet geslaagd.

4.5.5.

De inspecteur is bij de cijfermatige uitwerking uitgegaan van een volledige toerekening van het vermogen aan belanghebbende voor de jaren vóór 2001. Vanaf 2001 heeft de inspecteur het vermogen voor 50% toegerekend aan belanghebbende en voor 50% aan zijn echtgenote. De toerekening van 50% van het vermogen is door belanghebbende niet weersproken. Voor zover belanghebbende de volledige toerekening voor de jaren vóór 2001 zou betwisten, overweegt het hof onder verwijzing naar het vermelde onder 4.4.9 dat de navorderingsaanslagen voor die jaren niet tot een lager bedrag zouden worden vastgesteld indien wordt uitgegaan van een toerekening van 50%.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen VB 1999 en VB 2000 overweegt het hof het volgende. Zoals hiervóór al is overwogen, geldt voor deze navorderingsaanslagen niet de omkering en verzwaring van de bewijslast. In 2001 zijn door belanghebbende op de [d-bank] rekeningen bedragen gestort van in totaal ruim € 1.700.000, welke bedragen afkomstig waren van in de jaren daarvoor aangehouden rekeningen in het buitenland. Aangezien het hoogst onwaarschijnlijk is dat een dergelijk groot bedrag binnen een periode van 2 tot 3 jaar is vergaard, moet het ervoor worden gehouden dat reeds aanzienlijke bedragen op 1 januari 1999 en 1 januari 2000 tot het vermogen van belanghebbende behoorden. Het hof acht de bedragen die de inspecteur in aanmerking heeft genomen van fl. 1.500.000 op de genoemde peildata aannemelijk. Belanghebbende heeft overigens die bedragen ook niet gemotiveerd bestreden.

4.5.6.

Het hof sluit voor de hoogte van de (navorderings)aanslagen aan bij de onder 4.5.2 genoemde bedragen. De beschikkingen heffingsrente zullen dienovereenkomstig worden gehandhaafd respectievelijk worden verminderd of vernietigd.

Vraag VIII

Ten aanzien van de boetebeschikkingen bij de eerste tranche belastingaanslagen

4.6.1.

In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat - kort gezegd - het oordeel van de rechtbank dat van rechtsgeldige inkeer geen sprake is, onbegrijpelijk is.

Het hof overweegt het volgende. Artikel 67n AWR is slechts van toepassing indien een belastingplichtige op eigen initiatief zijn aangiften verbetert, voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van die aangiften bekend is of binnenkort bekend zal worden. Het is daarbij dus de vraag of -objectief bezien - belanghebbende moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte was of binnenkort zou komen van de onjuistheid van belanghebbendes aangiften, en dat is ruimer dan de onjuistheid van de aangiften ten aanzien van een specifieke bankrekening bij [d-bank] . In de vragenbrief van 29 juni 2010 is vermeld dat onderzoek is gestart naar Nederlandse ingezetenen met banktegoeden in het buitenland waarbij het vermoeden bestaat dat daarvan geen opgaaf is gedaan in de aangiften IB/PVV en/of VB en dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Op basis daarvan is buiten redelijke twijfel dat belanghebbende moest vermoeden dat de inspecteur bekend was met de onjuistheid van de aangiften. Belanghebbende is pas met (onvolledige) informatie gekomen na die vragenbrief. Van vrijwillige verbetering is dan geen sprake.

4.6.2.

Op grond van artikel 67e AWR kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

Op grond van artikel 67d AWR kan in geval van opzet gelijktijdig met het opleggen van de aanslag een vergrijpboete worden opgelegd. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting.

4.6.3.

Ingeval van ‘opzet’ bedraagt de boete volgens beleidsregels van de Belastingdienst 50%35, tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden in welk geval de boete tot 100% kan worden verhoogd36.

4.6.4.

De bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de boetebeschikkingen rust op de inspecteur. Dit behelst ook de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de onderwerpelijke jaren rente-inkomsten en aangehouden vermogens niet heeft verantwoord37.

4.6.5.

Vaststaat dat belanghebbende in elk geval in de jaren 2001 tot en met 2009 over aanzienlijke vermogens beschikte die hij aanhield op drie bankrekeningen bij [d-bank] te Luxemburg en dat dit vermogen, dat in 2001 op de bankrekeningen van [d-bank] is gestort, afkomstig is van de door hem voorheen bij de [e-bank] in Luxemburg aangehouden bankrekening(en) en daarvóór afkomstig was van door hem in 1996 aangehouden bankrekening(en) bij, destijds, [a-bank] in Luxemburg. Daarmee is ook aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 1998 tot en met 2000 beschikte over aanzienlijke vermogens die hij aanhield op één of meerdere buitenlandse bankrekeningen.38

4.6.6.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in alle onderhavige jaren 1998 tot en met 2009, beschikte over aanzienlijke tegoeden op verscheidene buitenlandse bankrekeningen en dat hij deze vermogensbestanddelen in de onderscheiden jaren niet heeft aangegeven met het doel die tegoeden buiten het zicht van de fiscus te houden. Het is dan aan belanghebbendes opzet te wijten dat de aangiften tot te lage bedragen zijn gedaan en de aanslagen te laag zijn vastgesteld.

4.6.7.

Het willens en wetens ontduiken van belasting door een aanzienlijk vermogen in het buitenland op een bankrekening of anderszins aan te houden en dat vermogen te verzwijgen, vormt een dermate ernstige gedraging dat strafverzwaring van de boete tot 100% van de ontdoken belasting in beginsel gerechtvaardigd is.

4.6.8.

Ten aanzien van de boetegrondslag overweegt het hof het volgende. Zoals de inspecteur in de brief van 14 april 2020 heeft uiteengezet, blijven, ook in het geval het bewijsmateriaal zou moeten worden uitgesloten, de correcties in verband met de [d-bank] rekeningen overeind. Voor dat geval heeft de inspecteur gesteld dat de navorderingsaanslagen 1998 tot en met 2007 (eerste tranche belastingaanslagen) moeten worden gehandhaafd dan wel verminderd tot navorderingsaanslagen naar het (inkomen uit) vermogen en de rendementsgrondslagen als vermeld in 4.5.2.

Verder heeft de inspecteur gesteld dat de aanslag 2008, opgelegd naar een (extra) rendementsgrondslag van € 350.545, volledig in stand blijft en dat de aanslag 2009 moet worden verminderd tot een naar een (extra) rendementsgrondslag van € 353.685.

Zoals in 4.5.4 is overwogen heeft belanghebbende de berekening van de inspecteur van het vermogen dan wel de rendementsgrondslag bij gebrek aan wetenschap betwist, maar dat leidt niet tot een lagere belastinggrondslag.

De boetegrondslagen moeten daarom worden vastgesteld op de bedragen aan belasting die over voormelde vermogen en rendementsgrondslagen zijn verschuldigd. Boeten van 100% over die bedragen aan belasting acht het hof gelet op de omstandigheden van het geval ook passend en geboden. De hoogte van de verschuldigde belastingbedragen, voor zover die de inkomstenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2009 betreffen, is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast (zie 4.4.1. e.v.). Aangezien de (navorderings)aanslagen zijn berekend aan de hand van door belanghebbende aangehouden tegoeden bij [d-bank] ziet het hof in die omstandigheid geen reden tot boetematiging39. Dat de saldi voor de jaren 1998 tot en met 2000 door de inspecteur zijn geschat (zie 4.4.9) in die zin dat is uitgegaan van een saldo dat minder dan de helft bedroeg van het bekend geworden saldo bij [d-bank] leidt evenmin tot matiging van de boete.

4.6.9.

Omdat de redelijke termijn is overschreden dienen de boeten te worden verminderd met 20% van de boetegrondslag40. Voor verdere vermindering ziet het hof geen aanleiding.

4.6.10.

Het vorenstaande brengt het hof tot de slotsom dat de boetebeschikkingen behorend bij de volgende (navorderings)aanslagen tot de volgende bedragen dienen te worden verminderd:

Aanslag

Boete door rechtbank vastgesteld

Verschuldigde IB/PVV

Boete door hof vastgesteld

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

€ 6.534

€ 8.146 (30% x 4% x € 678.903)

€ 6.516

Navorderingsaanslag IB/PVV 2006

€ 6.534

€ 8.089 (30% x 4% x € 674.141)

€ 6.471

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007

€ 6.534

€ 7.360 (30% x 4% x € 613.415)

€ 5.888

Aanslag IB/PVV 2009

€ 3.566

€ 4.244 (30% x 4% x € 353.685)

€ 3.395

4.6.11.

De boetebeschikkingen behorende bij de overige (navorderings)aanslagen zoals deze door de rechtbank zijn verminderd, blijven in hoger beroep in stand, aangezien die boetegrondslagen onveranderd blijven en de rechtbank reeds een matiging van 20% heeft toegepast.

Ten aanzien van de boetebeschikkingen bij de tweede tranche belastingaanslagen

4.6.12.

Het hof stelt voorop dat het standpunt van belanghebbende dat, indien het bewijsmateriaal moet worden uitgesloten, de tweede tranche belastingaanslagen in zijn geheel komt te vervallen, onjuist is. Zoals de inspecteur in de brief van 14 april 2020 heeft uiteengezet blijven, ook in het geval het bewijsmateriaal zou moeten worden uitgesloten, de correcties in verband met de [d-bank] rekeningen overeind. Voor dat geval heeft de inspecteur, onvoldoende weersproken (zie 4.5.4 en 4.6.8), gesteld dat de navorderingsaanslagen (tweede tranche) moeten worden verminderd tot een naar een rendementsgrondslag van

Aanslag

Rendementsgrondslag

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 178.220

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 140.747

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 86.860

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 31.035

Navorderingsaanslag IB/PVV 2008

€ 129.568

De navorderingsaanslagen 2005, 2006, 2007 en 2009 komen te vervallen (zie 4.5.2 hiervoor), zodat ook de daarbij gegeven boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.

4.6.13.

In hoger beroep heeft belanghebbende de klacht herhaald dat het verbod van zelfincriminatie is geschonden. Hiervan is geen sprake; ten aanzien van de [d-bank] rekeningen is sprake van wilsonafhankelijk materiaal, ook al is dit via een civiele procedure afgedwongen.41

4.6.14.

Ten aanzien van de tweede tranche boetebeschikkingen verwijst het hof naar de overwegingen hiervoor in 4.6.2 tot en met 4.6.7; deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd met dien verstande dat ze betrekking hebben op de jaren 2001 tot en met 2004 en 2008.

4.6.15.

Gelet op 4.6.12 hiervóór moeten de boetegrondslagen worden vastgesteld op de bedragen aan belasting die over voormelde rendementsgrondslagen zijn verschuldigd. Boeten van 100% over die bedragen aan belasting acht het hof gelet op de omstandigheden van het geval ook passend en geboden. Aangezien de navorderingsaanslagen zijn berekend aan de hand van door belanghebbende aangehouden tegoeden bij [d-bank] ziet het hof geen reden tot matiging.42

4.6.16.

Omdat de redelijke termijn is overschreden, zal het hof de boeten verminderen met 20% van de boetegrondslag.43 Voor verdere vermindering ziet het hof geen aanleiding.

4.6.17.

Het hof stelt de boeten vast op 80% van de nagevorderde belasting over de rendementsgrondslag, en wel op de volgende bedragen:

Aanslag

Boete door rechtbank vastgesteld

Verschuldigde IB/PVV

Boete door hof vastgesteld

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

€ 5.740

€ 2.138 (30% x 4% x € 178.220)

€ 1.710

Navorderingsaanslag IB/PVV 2002

€ 6.099

€ 1.668 (30% x 4% x € 140.747)

€ 1.351

Navorderingsaanslag IB/PVV 2003

€ 6.332

€ 1.042 (30% x 4% x € 86.860)

€ 833

Navorderingsaanslag IB/PVV 2004

€ 6.551

€ 372 (30% x 4% x € 31.035)

€ 297

Navorderingsaanslag IB/PVV 2008

€ 9.896

€ 1.544 (30% x 4% x € 129.568)

€ 1.243

Vraag IX

4.7.1.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.7.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden geldt als uit uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.7.3.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 11 mei 2017, zodat met de uitspraak van heden de redelijke termijn met (afgerond) negentien maanden is overschreden, zodat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend van € 2.000, waartoe de Minister wordt veroordeeld. Die overschrijding wordt niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden en valt naar het oordeel van het hof niet toe te rekenen aan belanghebbende. Omdat alle zaken van dit geding (nummers 17/00301 tot en met 17/00323) betrekking hebben op hetzelfde onderwerp wordt dit bedrag slechts éénmaal voor alle zaken toegekend.

Vraag X

De door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding

4.8.1.

In zijn incidentele hoger beroepschrift stelt de inspecteur dat de rechtbank ten onrechte voor zowel het beroep tegen de eerste tranche belastingaanslagen als voor het beroep tegen de tweede tranche belastingaanslagen een proceskostenvergoeding heeft toegekend.

4.8.2.

De inspecteur stelt in dit verband terecht dat slechts één beroepschrift is ingediend tegen beide tranches belastingaanslagen en dat de behandeling van deze zaken door de rechtbank gelijktijdig heeft plaatsgevonden. Gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het besluit) is er dan sprake van samenhangende zaken omdat ook is voldaan aan de eis dat de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon. Dat de zaaknummers in de zaken die zien op de tweede tranche belastingaanslagen niet aansluiten op die van de zaken die zien op de eerste tranche belastingaanslagen is slechts veroorzaakt door een administratieve vergissing van de rechtbank en kan geen reden zijn om tweemaal een proceskostenvergoeding toe te kennen. Met betrekking tot de bezwaarfase stelt de inspecteur terecht dat er wel onderscheid gemaakt dient te worden ten aanzien van de eerste en tweede tranche belastingaanslagen. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur. Het hof ziet echter, mede in verband met belanghebbendes grief over de proceskostenvergoeding, aanleiding aan de onderhavige zaken, ook voor de behandeling door de rechtbank, een wegingsfactor van 2 toe te kennen. Het gevolg daarvan is dat belanghebbende recht heeft op dezelfde vergoeding van proceskosten voor de behandeling van de zaken in eerste aanleg dan de door de rechtbank toegekende. Het incidentele hoger beroep van de inspecteur is in zoverre derhalve ongegrond en is, gezien de beslissing van de geheimhoudingskamer, ook overigens ongegrond.

Ten aanzien van de toe te kennen kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.8.3.

Aangezien het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en het incidentele hoger beroep van de inspecteur ongegrond is, acht het hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur tot een tegemoetkoming in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de inspecteur dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand omdat hij bij voortduring heeft geweigerd te voldoen aan een rechterlijke beslissing. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om af te wijken van de forfaitaire normen van het besluit, op de grond van artikel 2, lid 3, van dat besluit.

4.8.4.

Vaststaat dat de inspecteur mag weigeren op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals de gegevens met betrekking tot de identiteit van de tipgever, in het geding te brengen, ook na een beslissing van de geheimhoudingskamer. De gevolgen daarvan kunnen proces- en bewijsrechtelijk worden geredresseerd op grond van artikel 8:31 Awb. Het hof ziet in die wegering daarom geen aanleiding voor een werkelijke proceskostenbeslissing. Verder kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur een beschikking heeft gegeven of een uitspraak heeft gedaan en in rechte gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk was dat die beschikking of uitspraak geen stand zou houden in de daartegen ingestelde procedure.44

Het hof ziet, zoals zojuist overwogen, wel aanleiding om in het kader van de forfaitair berekende proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 2 aan de onderhavige zaken toe te kennen, althans voor de rechterlijke fase. Voor de bezwaarfase acht het hof een wegingsfactor van 1 aangewezen. Dit betekent dat de door de rechtbank uitgesproken vergoeding van de kosten van het bezwaar en de proceskosten in stand blijft.

4.8.5.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep van de inspecteur ongegrond is.

4.8.6.

Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep op 4 (punten)45 x € 525 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 6.300.

Tussenconclusie

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 124 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.11.

Voor het oordeel van het hof ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten wordt verwezen naar 4.8.1 tot en met 4.8.6 hiervoor.

5 Beslissing

Het hof:

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 1998 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 1999 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 678.903;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 6.516;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 674.141;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 6.471;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 613.415;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 5.888;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;

Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2008 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2009 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2009 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 353.685;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 3.395;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag VB 1999 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag VB 2000 (eerste tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 178.220;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 1.710;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.747;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 1.351;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 86.860;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 833;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.035;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 297;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2005;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de rentebeschikking.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2006;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de rentebeschikking.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2007;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de rentebeschikking.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 tot een belastingaanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 129.568;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 1.243;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 (tweede tranche belastingaanslagen)

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2009;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de rentebeschikking.

Ten aanzien van alle jaren

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht, de vergoeding van de kosten van het bezwaar en de proceskosten en de immateriële schadevergoeding;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 124 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 2.000;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 6.300.

Aldus gedaan op 19 november 2020 door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel ondertekend door de voorzitter aangezien de griffier verhinderd is.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.

2 Conclusie Advocaat-Generaal IJzerman 25 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:295.

3 Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1715.

4 Artikel 8:45 Awb.

5 Gerechtshof Den Haag 24 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4595.

6 Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042.

7 Artikel 8:31 Awb.

8 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.

9 Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1715.

10 Zie het commentaar in NTFR 2019/2876.

11 Verweerschrift in hoger beroep, blz. 6.

12 Plan van aanpak 5 oktober 2009, blz. 3 van 12.

13 Memo Tipgever, blz. 3, gespreksverslag onder 2.7 hiervóór, proces-verbaal zitting 26 juni 2020, blz. 2, Plan van aanpak 5 oktober 2009, blz. 3.

14 Memo tipgever, blz. 4.

15 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515, ov. 4.17.

16 Zie ook ECLI:NL:GHSHE:2018:515, ov. 4.15 en 4.16.

17 vgl. het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1830.

18 Zie 1.20 en 1.21.

19 Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092.

20 Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689.

21 Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4165.

22 Zie het Memo Tipgever onder 2.4.

23 Zie 4.1.8.

24 Zie het Memo Tipgever onder 2.4.

25 Zie verweerschrift eerste aanleg 4.1.2 e.v., 4.2 e.v. en 7.4.2

26 Zie ook ov. 4.1.6 hiervóór.

27 Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303 en ECLI:NL:HR:2018:359.

28 Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303 en ECLI:NL:HR:2018:359.

29 Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.

30 Zie 2.28.

31 Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63

32 Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.

33 Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.

34 Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.

35 § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

36 § 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

37 Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350.

38 Zie ook 4.3.9 en 4.4.9.

39 Vgl. Hoge Raad 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1239.

40 Vgl. Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7.

41 Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.

42 Vgl. Hoge Raad 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1239.

43 Vgl. Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7.

44 Vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP2975.

45 1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en 2 punten voor het verschijnen op de zittingen.