Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3552

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
200.282.810_01 en 200.282.810_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 november 2020

Zaaknummers : 200.282.810/01 en 200.282.801/02

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/281246 /JE RK 20-1742

C/03/281247 JE RK 20-1743 en C/03/281248 / JE RK 20-1744

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.W.M. Mans,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedatum] 2011;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedatum] 2012;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedatum] 2014.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader), bijstaan door mr. H. Sanli.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, mondeling uitgesproken op 19 augustus 2020 en op schrift gesteld op 24 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 september 2020, heeft de moeder het hof in het incident verzocht om de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de beschikking van het hof in de hoofdzaak. Verder verzoekt de moeder het hof om voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er geen machtiging wordt verleend voor de uithuisplaatsing, en indien een machtiging toch wordt verleend de termijn te verkorten naar een periode van een maand.

In haar zelfstandig verzoek, verzoekt de moeder het hof om een bijzonder curator ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen, die de kinderen in en buiten rechte zal vertegenwoordigen.

Tot slot verzoekt de moeder het hof als, voorwaardelijk zelfstandig verzoek, om ingeval er toch een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend een contactregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen in dier voege dat de moeder en de kinderen eenmaal per week gedurende een periode van minimaal vier uren contact met elkaar zullen hebben en tweemaal per week met elkaar zullen videobellen gedurende 30 minuten, althans enige andere contactregeling die door het hof juist wordt geacht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2020, heeft de GI het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2020, heeft de vader het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroepschrift, althans alle verzoeken van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Mans.

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader, bijgestaan door mr. Sanli.

2.4.1.

Namens de raad is, met bericht van verhindering d.d. 2 oktober 2020, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 augustus 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen A tot en met D van de advocaat van de moeder d.d. 22 oktober 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen F tot en met K van de advocaat van de moeder d.d. 23 oktober 2020;

  • -

    het tijdens de mondelinge behandeling door de GI overgelegde emailbericht van 27 oktober 2020 dat is gericht aan de ouders en waarin een update is gegeven over de kinderen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] (België) op

[geboortedatum] 2011;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 2012;

- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 2014.

Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3.2.

De kinderen staan sinds 3 januari 2020 onder toezicht van de GI.

3.3.1.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 augustus 2020 zijn de kinderen middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een crisispleeggezin geplaatst voor de duur van twee weken, tot 24 augustus 2020.

3.3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , met ingang van 24 augustus 2020 voor de duur van de ondertoezichtstelling tot uiterlijk 3 januari 2021, uit huis te plaatsen in een crisis pleeggezin.

3.4.

De moeder kan zich met de beschikking waarvan beroep niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift - samengevat - het volgende aan.

Ten aanzien van het incident voert zij aan dat het oordeel van de rechtbank berust op een juridische en/of feitelijke misslag. Zij verzoekt het hof om met spoed te beslissen omdat de kinderen nu al op een vreemde plek verblijven, hun nieuwe schooljaar is begonnen op een vreemde school en al het contact tussen de moeder en de kinderen door de GI is ontzegd.

Voorts stelt de moeder dat de GI ten onrechte een spoedmachtiging heeft verzocht zonder naar een alternatief te zoeken. De kinderen hadden volgens de moeder met de stiefvader en hun halfbroertje mee naar huis gekund. De spoeduithuisplaatsing - na de aanhouding van de moeder door de politie op 10 augustus 2020 - is misbruikt als opstapje naar een reguliere uithuisplaatsing. Nu er in het voorliggende traject geen redenen waren die een uithuisplaatsing zouden rechtvaardigen heeft de GI misbruik van recht gemaakt en had de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeten handelen.

De moeder stelt verder dat niet is voldaan aan het wettelijk criterium zoals bepaald in artikel 1:265 b BW. De uithuisplaatsing is niet in het belang van de opvoeding en verzorging van de kinderen en niet noodzakelijk. Het welzijn van de kinderen en hun ontwikkeling kon en kan door [stichting] vanuit huis worden onderzocht. De moeder heeft ingestemd met de door de GI aan haar opgelegde observaties en meegewerkt aan de observaties vanuit Anacare. Er waren geen zorgen over haar als opvoeder.

De moeder wijst verder op de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 augustus 2020 inzake de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 7 juli 2020. Daarin is verwoord dat het plan van aanpak van de GI onvolledig was.

Door de GI is de samenwerking met de moeder niet opgezocht. De kinderen zijn verder niet door de GI onderzocht of betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Daar komt bij dat er tussen de moeder en de GI - over en weer - sprake is van wantrouwen. De GI verwijt de moeder dat zij liegt en de moeder voert aan dat wanneer zij kritisch is over de feitelijkheden die niet goed zijn weergegeven er door de GI wordt gedreigd met een uithuisplaatsing. De moeder begrijpt niet waarom de GI een negatief beeld van haar heeft.

Ingeval het hof van oordeel is dat er geen sprake is van misbruik van recht dan wijst de moeder erop dat inmiddels de wettelijke vereisten voor een spoedmachtiging zijn vervallen door haar invrijheidstelling. De kinderen kunnen derhalve bij haar worden teruggeplaatst.

Een uithuisplaatsing kan bovendien slechts als een uiterst redmiddel gebruikt worden en vormt bovendien een inmenging in het door artikel 8 EVRM genoemde “family life”.

Door een te snelle uithuisplaatsing is er geen ruimte gegeven voor ambulante hulpverlening. Bovendien gaat het niet goed met de kinderen in het gezinshuis en heeft de moeder na de mondelinge behandeling in eerste aanleg nog maar één keer met hen mogen videobellen, waarna haar al het contact is ontzegd. De impact daarvan is enorm en valt niet uit te leggen aan de kinderen.

De hypothese ouderverstoting is volgens de moeder ten onrechte als basis gebruikt voor de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing. De verandering van koers die door de GI, na de indiening van het verzoekschrift is bepaald en mondeling ter zitting bij de rechtbank is toegelicht, kan niet als gerechtvaardigde grondslag dienen voor de uithuisplaatsing.

De door de GI aangereikte informatie over ouderverstoting is bovendien slechts algemeen en niet toegespitst op de kinderen en de ouders dan wel met testresultaten en relevante stukken onderbouwd.

De rechtbank is verder ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat de GI het contact tussen de moeder en de kinderen geheel zou gaan ontzeggen. Op de verweren van de moeder is geen acht geslagen. Dit is in strijd met de rechten van het kind en artikel 8 EVRM. Er is door de GI niet gesteld of gebleken dat er sprake is van een ontzeggingsgrond.

Verder is de rechtbank voorbij gegaan aan de termijn waarvoor de machtiging is verleend en het feit dat de GI in haar verzoekschrift twee termijnen heeft genoemd waarvoor de machtiging zou moeten worden verleend. Niet is gesteld noch is gebleken dat de uithuisplaatsing moet voortduren tot 3 januari 2021.

Nu er sprake is van een dermate ernstige belangenstrijd wenst de moeder dat er alsnog een bijzondere curator wordt benoemd om de kinderen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

3.5.1.

Ter mondelinge behandeling heeft de moeder haar voorwaardelijk zelfstandig verzoek - om een contactregeling vast te stellen tussen de moeder en de kinderen ingeval het hof een machtiging tot uithuisplaatsing verleent - ingetrokken.

Zij heeft verder benadrukt dat zij weinig zicht heeft op de situatie van de kinderen en vindt het kwalijk dat er al in dit stadium wordt uitgegaan van ouderverstoting. De ouderverstoting wordt door de GI ten onrechte als vaststaand feit aangenomen.

De moeder begrijpt niet waarom zij geen dan wel onvoldoende informatie verkrijgt over de hulpverlening, dan wel van de school waar de kinderen nu naar toe gaan. De korte weergaves die de moeder ontvangt van de GI met informatie over de kinderen vanuit het gezinshuis acht zij tegenstrijdig.

De arrestatie en vrijheidsberoving van de moeder en de vader was aanvankelijk de aanleiding voor de uithuisplaatsing maar beide zaken zijn nu geseponeerd. De moeder is onrechtmatig van haar vrijheid beroofd en is nu weer thuis. Onderzoek door [stichting] kan daarom vanuit huis worden gedaan en ook contactherstel is, in tegenstelling tot hetgeen vanuit Team rond de Jeugdige (TRJ) is aangegeven, met de vader mogelijk.

3.6.

De GI heeft in het verweerschrift, alsmede ter mondelinge behandeling van het hof, de grieven van de moeder gemotiveerd betwist. De GI erkent dat het spoedelement van de uithuisplaatsing door de arrestatie van de moeder kwam. Naar aanleiding van de invrijheidsstelling van moeder heeft de GI echter de uithuisplaatsing van de kinderen opnieuw overwogen en deze heroverweging heeft de visie van GI tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg mede bepaald. De GI ondersteunt de beschikking van de rechtbank en deelt niet de visie van de moeder met betrekking tot het thema ouderverstoting. De GI verwijst naar het raadsonderzoek van november 2018 waarin reeds de risico’s van ouderverstoting zijn besproken. Verder is ook in de beschikking inzake de ondertoezichtstelling van de kinderen en de daaropvolgende beschikkingen het thema ouderverstoting benoemd. De werkwijze van GI is dan ook onder andere gericht geweest op het voorkomen van ouderverstoting bij de kinderen. Bij [minderjarige 1] leek hier al sprake van te zijn bij de start van de ondertoezichtstelling. De GI heeft daarom [stichting] als onafhankelijke instantie gevraagd om deze werkhypothese te toetsen op juistheid en om de benodigde hulpverlening in te zetten. De insteek is dat beide ouders weer een gelijkwaardige positie in de zorg en opvoeding van de kinderen krijgen. Het tijdspad van het onderzoek door [stichting] omvat 3 fases: een fase van evaluatiegesprekken, een fase van gezins-diagnostisch onderzoek en de laatste fase waarin [stichting] de bevindingen en behandeladviezen zal delen en bespreken met de ouders en de GI. Het gehele onderzoek is voor kerst 2020 afgerond.

In tegenstelling tot hetgeen de moeder betoogt, heeft de GI de ouders al voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank gesproken over het contact tussen de kinderen en ouders, vanuit de werkhypothese ouderverstoting. Ook tijdens dit gesprek heeft de GI een toelichting gegeven over de werkhypothese ouderverstoting en de wijze waarop het contact tussen de kinderen en hun ouders gedurende het onderzoek door [stichting] zal worden vormgegeven. De GI acht dit noodzakelijk om patronen daadwerkelijk te kunnen doorbreken en toe te komen aan de hulpverlening vanuit [stichting] en het opheffen van de bestaande ontwikkelingsbedreigingen.

Het benoemen van een bijzondere curator acht de GI niet in het belang van de kinderen aangezien [stichting] de aangewezen zorgaanbieder is die vanuit hun specialistische professionaliteit in staat is de belangen van de kinderen voorop te stellen. De GI acht het noodzakelijk om vanuit een therapeutische en diepere werkwijze te kijken naar hetgeen de kinderen vertellen en laten zien.

De GI meent dat de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om vanuit een neutrale plek te kunnen werken aan het opheffen van de fors aanwezige ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen.

3.7.

De vader voert in het verweerschrift en aangevuld ter mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar van voorraadverklaring dient volgens de vader te worden afgewezen. Het is door de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een geval of situatie waarbij de uitvoerbaarheid dient te worden geschorst.

Verder heeft de vader de grieven van de moeder gemotiveerd betwist.

Hij voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend. Niet enkel de aanhouding van de moeder was reden voor de uithuisplaatsing, maar ook diverse andere zorgen rondom de kinderen speelden een rol. Er is derhalve geen sprake van misbruik van recht door de GI.

Ook is er voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een dergelijke machtiging. De zorgen omtrent de ontwikkeling van de kinderen zijn nog steeds aanwezig.

Er is al jarenlang sprake van een juridische strijd aangaande de kinderen, waarbij de hypothese ouderverstoting aan de orde is geweest. Dat er niet eerder zou zijn gesproken over dit onderwerp, zoals de moeder stelt, is onjuist.

De GI onthoudt op de juiste gronden ieder contact tussen de kinderen en de ouders. De vader hoopt dat de kinderen thans op een neutrale plek tot rust kunnen komen.

De duur van de uithuisplaatsing kan niet korter duren dan de duur van ondertoezichtstelling; deze tijd is nodig om te werken aan de doelen die door de GI zijn gesteld.

Het verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator dient tot slot te worden afgewezen; de vader begrijpt niet wat de moeder met dit verzoek wenst te realiseren.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

In de zaak met nummer 200.282.810/02

Schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad

3.8.1.

Omdat het hof bij deze beschikking einduitspraak doet heeft de moeder geen belang meer bij de door haar verzochte schorsing in afwachting van de beschikking van het hof in de hoofdzaak voor de duur van deze procedure. Het hof komt aan een inhoudelijke bespreking van dat verzoek dan ook niet toe. Dit verzoek zal worden afgewezen.

In de zaak met nummer 200.282.810/01

Machtiging tot uithuisplaatsing

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.

Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

3.8.4.

Vaststaat dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen die onder meer is gelegen in de reeds jarenlange ex-partnerstrijd tussen ouders. De kinderen zitten klem in hun loyaliteit naar beide ouders. In de afgelopen jaren hebben de kinderen een steeds grotere weerstand opgebouwd om het contact met de vader aan te gaan. De conflicten en het op gang brengen en houden van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen zijn uitermate belastend gebleken. Met name [minderjarige 1] kampt met een zeer negatief vaderbeeld en met angstgevoelens. De kinderen lopen door dit alles een risico op identiteitsontwikkeling waardoor zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Ook de aan de ouders geadviseerde hulpverlening om hun onderlinge communicatie te verbeteren is niet van de grond gekomen. Het lukt de ouders niet om de in het vrijwillig kader ingezette hulpverlening op te pakken en te benutten.

3.8.5.

Sinds mei 2020 is er ook geen omgang meer geweest tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , en lukt het niet om een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen. De kinderen raken steeds meer van de vader verwijderd en de kans op ouderverstoting neemt toe. Ondanks inzet van hulp in het vrijwillig kader vanuit AnaCare om tot een contactherstel te komen tussen de vader en de kinderen is dit niet van de grond gekomen. AnaCare beschreef in rapportages medio juni 2020 onder meer het zorgelijke gedrag dat de kinderen lieten zien. Dit uitte zich in het consequent niet aankijken van de begeleidster van AnaCare, het niet reageren op vragen van haar alsook het in elkaar gedoken blijven zitten als de begeleidster de kinderen uit de auto wilde halen voor het begeleide contact met de vader. Na een escalatie medio augustus 2020 - waarbij zowel de vader als de moeder zijn gearresteerd door de politie - zijn de kinderen middels een spoedmachtiging uithuisgeplaatst.

Tijdens het verblijf op het politiebureau en in het gezinshuis is tijdens de observaties eveneens opvallend en zeer zorgelijk gedrag bij de kinderen gezien. De kinderen weigerden te praten met de gezinsvoogden en lieten extreem gesloten gedrag zien waarbij volwassenen genegeerd werden. Hoewel het hof begrijpt dat de kinderen in shock waren omdat de moeder werd gearresteerd, lijkt dit gedrag niet alleen daardoor te zijn veroorzaakt. Dit geldt temeer nu vergelijkbaar gedrag, zij het in mindere ernstige mate, ook al door de begeleidster van AnaCare werd gezien. Bovendien duurde dit gedrag voort in het gezinshuis. Daarbij waren zij voortdurend op hun hoede, keken de jongste kinderen voortdurend naar het oudste kind en hielden haar angstvallig in de gaten om te kijken wat zij wel en niet mogen zeggen of doen. Mede op basis van deze recente signalen, maar ook gelet op de raadsonderzoeken in het verleden (2016 en 2018), heeft de GI naar het oordeel van het hof de werkhypothese ouderverstoting als uitgangspunt kunnen nemen. De GI heeft [stichting] als onafhankelijke professionele partij betrokken om de werkhypothese ouderverstoting te toetsen en te adviseren over wat er nodig is voor de kinderen en de ouders om de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen weg te nemen en om te werken aan verbetering van de identiteits- en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en aan contactherstel.

Het hof acht het op grond van voornoemde problematiek van groot belang dat er meer zicht komt op de kinderen en is met de GI van oordeel dat het noodzakelijk is om vanuit een neutrale plek, en dus niet vanuit de thuissituatie bij moeder, het reeds ingezette onderzoek vanuit [stichting] voort te zetten om zo te achterhalen op welke manier de aanwezige ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen opgeheven kunnen worden. Gelet op het voorgaande verzet artikel 8 EVRM zich niet tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Alles overziende maakt dit dat de uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking en tevens dat dit op dit moment ook nog steeds noodzakelijk is.

3.8.6.

Om ervoor te zorgen dat de kinderen tot rust kunnen komen en met de juiste hulp van [stichting] weer in contact kunnen komen met wie ze zijn, wat ze zelf voelen en denken is het contact met de moeder en de vader voor een bepaalde periode helemaal stilgelegd. Uit de stukken is gebleken dat dit - in tegenstelling tot wat de moeder stelt - is besproken met beide ouders en het voor het welzijn van de kinderen vereist is in de door de GI voornoemde gekozen werkwijze.

Bovendien wordt er voortdurend door de GI en [stichting] bekeken en overlegd of er (tussentijds) een vorm van fysiek contact haalbaar is tussen de ouders en de kinderen.

De evaluatie van de eerste fase van het onderzoek stond gepland voor 29 oktober 2020, vervolgens zal er in de tweede fase het gezinssysteem daarbij betrokken worden en zal medio 19 december 2020 de eindevaluatie plaatsvinden.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken volgt dat de kinderen het goed maken bij het gezinshuis en zich geleidelijk aan meer openstellen voor de hulpverlening. Het hof begrijpt dat deze situatie de moeder veel verdriet doet en zij op deze manier niet de moeder kan zij die zij wil zijn. Het hof gaat echter voorbij aan de stelling van de moeder dat de kinderen aan deze uithuisplaatsing onderdoor gaan en dat de door het gezinshuis verstrekte informatie tegenstrijdig is. Uit de meest recente gegevens van de GI volgt eenduidig dat de kinderen zich meer openstellen voor contact, zij toenadering zoeken en meer ontspannen overkomen.

3.8.7.

Voor zover deze vraag in de huidige procedure voorligt, is het hof - anders dan de moeder - van oordeel, mede gelet op hetgeen hiervoor is beschreven, dat er geen misbruik van recht is gemaakt door de GI ten tijde van de aanvraag van de spoedmachtiging medio augustus 2020. De spoedeisendheid van de arrestatie van zowel de moeder als de vader was de directe aanleiding hiervoor. De GI heeft mede gelet op alle destijds beschikbare informatie - waaronder het politieonderzoek - gekozen voor de fysieke veiligheid van de kinderen. Onduidelijk was op dat moment of deze op een andere manier kon worden gegarandeerd.

Na de invrijheidstelling van de moeder heeft de GI bovendien de uithuisplaatsing opnieuw overwogen enis deze heroverweging aanleiding geweest tot het inleidend verzoek in de huidige procedure.

De hierboven beschreven noodzaak om de kinderen te onderzoeken in een voor hun neutrale omgeving maakt dat een terugplaatsing bij de moeder daarom thans niet haalbaar is. Dat een uithuisplaatsing niet meer nodig is door haar invrijheidsstelling, zoals de moeder stelt, gaat derhalve niet op. Uithuisplaatsing van de kinderen op een neutrale plek is nog steeds aangewezen, gelet op het zorgelijke gedrag van de kinderen, de aanhoudende strijd tussen de ouders en de forse afweer die de kinderen laten zien ten aanzien van vader.

De voornoemde behandeling van [stichting] zal in de toekomst mede bepalen of een plaatsing bij een van de ouders op termijn haalbaar is. Daarnaast speelt ten aanzien van de veiligheid ook mee dat het brede politieonderzoek (rondom de arrestaties van de ouders) nog niet is afgerond.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden om de termijn van de uithuisplaatsing aan te passen zoals de moeder verzoekt. De resterende periode is nodig om het ingezette onderzoek (en behandeling) van de kinderen voort te zetten.

3.8.8.

Nu de GI nauw samenwerkt met [stichting] - als gespecialiseerde deskundige op het gebied van behandeling van en hulpverlening aan kinderen - en het onderzoek van [stichting] thans gaande is en binnen enkele weken zal zijn afgerond, acht het hof de belangen van de kinderen voldoende behartigd. De moeder heeft ook niet duidelijk gemaakt wat een bijzondere curator op dit moment kan toevoegen voor de kinderen. Gelet op het intensieve traject dat de kinderen momenteel volgen, acht het hof het voorts onwenselijk dat zij ook nog belast worden met de introductie van een voor hen onbekend persoon. Het hof wijst het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator derhalve af.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.10.

Het hof zal het verzoek van de vader om de moeder in de proceskosten te veroordelen, gelet op de aard van de procedure, afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaken met nummer 200.282.810/01 en 200.282.810/02

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
19 augustus 2020;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.D.M. Lamers en P. Vlaardingerbroek en is op 19 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.