Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3549

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
20-002459-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:7064, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van de eendaadse samenloop van poging tot moord (feit 1 primair) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 5) en de eendaadse samenloop van poging tot moord (feit 2 primair), poging tot doodslag, meermalen gepleegd (feit 3 primair impliciet subsidiair) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 6) - met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn - tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en de inbeslaggenomen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0870
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002459-18

Uitspraak : 18 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-700410-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van de eendaadse samenloop van:

  • -

    poging tot moord (feit 1 primair) en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 5)

en de eendaadse samenloop van:

  • -

    poging tot moord, meermalen gepleegd (feit 2 primair en feit 3 primair) en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 6)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts is bij voormeld vonnis beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Uit de appelakte d.d. 24 juli 2018 blijkt dat het hoger beroep niet is gericht tegen de nietigverklaring van de dagvaarding onder 4. Het hoger beroep is daarmee uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 5 en 6 tenlastegelegde feiten. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, conform de rechtbank zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 5 en 6 is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat het hof conform de rechtbank zal beslissen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Tot slot hebben de advocaten-generaal gevorderd dat het hof ten aanzien van de onder 1, 2 en 22 op de beslaglijst vermelde goederen zal beslissen tot teruggave aan de rechthebbende en ten aanzien van de onder 3 tot en met 21 op de beslaglijst vermelde goederen zal beslissen dat deze zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte van de tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken en subsidiair verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 3 primair tenlastegelegde feit. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman ter zake van de materiële schade naar voren gebracht dat de medische kosten voldoende zijn onderbouwd en de overige posten worden betwist en ter zake van de immateriële schade verzocht tot matiging van het toe te wijzen bedrag. Ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat hij zich ten aanzien van de beslissing op de inbeslaggenomen goederen schaart achter het standpunt van de advocaten-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzittingen in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes bus, in welke bus op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes busje, in welk busje op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een vuurwapen te schieten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten;

3.
hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en/of een wapen van categorie III (te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool) en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;

6.
hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en/of munitie van categorie II, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de onder 3 primair tenlastegelegde poging tot moord

Onder feit 3 is primair tenlastegelegd dat de verdachte zich op 1 maart 2016 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Het hof zal hierna onder het kopje ‘2. Voorbedachte raad?’ uiteenzetten dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gehandeld met de voor poging tot moord vereiste voorbedachte raad, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair (poging doodslag), 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij op 29 december 2014 te Echt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen heeft geschoten op een Mercedes bus, in welke bus op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair
hij op 01 maart 2016 te Echt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair impliciet subsidiair
hij op 01 maart 2016 te Echt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano ( [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op 29 december 2014 te Echt een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad;

6.
hij op 01 maart 2016 te Echt een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben in hoger beroep gevorderd dat het hof conform de rechtbank zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 5 en 6 is tenlastegelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Daartoe is – op gronden als verwoord in de pleitnota, kort gezegd – aangevoerd dat het in de visie van de verdediging onverantwoord is om te oordelen dat het OVC-gesprek van 27 juli 2016 betrekking heeft op de tenlastegelegde feiten. Het is verder onmogelijk om te beoordelen of het gesprek daderwetenschap bevat, maar het lijkt er sterk op dat dat niet het geval is. En zelfs als het gesprek over [slachtoffer 1] zou gaan en een (min of meer) juiste weergave van de gebeurtenissen zou zijn, dan nog is niet te beoordelen of hier sprake is van een bekentenis naar waarheid. De verdachte stelt immers dat hij niets met de schietpartijen te maken heeft. Voorts is er geen ander betrouwbaar bewijs op basis waarvan, al dan niet in samenhang met het OVC-gesprek, de daderschap van de verdachte met overtuiging kan worden aangenomen, aldus de raadsman.

Het oordeel van het hof

I. Verdachte dader van beide aanslagen?

Op grond van de hierna te noemen aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 december 2014 en 1 maart 2016 te Echt met een wapen en munitie van categorie II heeft geschoten op auto’s waarin [slachtoffer 1] reed. Op 1 maart 2016 bevonden zich in de auto ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de vrouw en zoon van [slachtoffer 1] .1

1 De aanslagen

1.1

De aanslag op 29 december 2014

[slachtoffer 1] heeft op 12 oktober 2016 aangifte gedaan van poging tot moord op 29 december 2014. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij die dag als bestuurder in een (het hof begrijpt: Mercedes) Vito bus met daarachter een paardentrailer reed. [betrokkene 1] zat als bijrijder naast hem in de bus en zijn zoon [betrokkene 2] reed, samen met diens vriend [betrokkene 3]2 [betrokkene 3] 3[betrokkene 3] , in een Toyota Aygo achter hem. Toen zij vanuit Obbicht, langs het tankstation in Roosteren, richting Aalsterberg (het hof begrijpt: te Echt) reden, zag [slachtoffer 1] in zijn buitenspiegel dat er een BMW erg kort op [betrokkene 2] reed, hem als het ware leek te duwen en probeerde in te halen. Hij zag dat de BMW [betrokkene 2] vervolgens inhaalde. Toen de BMW ook de Vito met [slachtoffer 1] vervolgens inhaalde, waarvoor de bestuurder van de BMW met twee wielen in de linkerberm moest rijden, zag [slachtoffer 1] dat het portierraam aan de passagierszijde van de BMW was geopend. [slachtoffer 1] keek vanuit de bus naar links en zag een loop. [slachtoffer 1] zag dat een klein gedeelte van de loop uit het geopende raam stak en zag dat het wapen ergens op rustte. [slachtoffer 1] hoorde meteen hierna een knal, waarop hij op de rem trapte en de BMW slingerend wegreed.4

Het hof ziet geen reden aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen. Die verklaring wordt ondersteund door de navolgende verklaringen van getuigen en andere onderzoeksbevindingen.

De zoon van [slachtoffer 1] , [betrokkene 2] , is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij die dag met zijn vader in Obbicht was geweest en dat hij in een auto achter zijn vader reed. Zijn vader was de bestuurder van een Mercedes met een paardentrailer en naast zijn vader zat [betrokkene 1] . Op enig moment zag [betrokkene 2] achter hem een BMW, die hem met hoge snelheid naderde. De bestuurder van de BMW haalde hem in. Op het moment dat de BMW naast hem reed, keek [betrokkene 2] naar links en zag een man achter het stuur zitten. Toen de man vervolgens met dezelfde snelheid naast zijn vader reed, hoorde hij een knal en zag hij rook tussen de BMW en de bus van zijn vader. Hierop zag hij dat de BMW zijn snelheid verhoogde en wegreed. Zijn vader stopte, kwam naar hem toelopen en zei dat er op hem was geschoten.5

Ook [betrokkene 1] is als getuige gehoord en heeft op 15 september 2016 verklaard dat hij die dag als bijrijder bij [slachtoffer 1] in de auto, een grijze Mercedes, zat en dat ze uit Obbicht kwamen. Achter de auto hing op dat moment een paardentrailer. Achter de auto van [slachtoffer 1] reed zijn zoon [betrokkene 2] samen met een vriend in een Toyota Aygo. Zij reden over de Aasterbergerweg (het hof begrijpt: te Echt) komende uit de richting van Roosteren en rijdende in de richting van Ohé en Laak. Zij werden ingehaald door een grijs/groenachtige BMW, toen [betrokkene 1] een knal hoorde. [betrokkene 1] keek naar links en zag dat in de BMW die hen inhaalde een man achter het stuur zat. Hij zag dat de bestuurder met zijn rechterarm een pistool vasthad en op hen richtte. Het pistool was zwart van kleur en stond op een statief dat op de bijrijdersstoel stond. [slachtoffer 1] trapte toen vol op de rem, is gestopt en zei dat er op hen was geschoten. Vervolgens stapte [slachtoffer 1] bij [betrokkene 2] in de auto en zijn zij met hoge snelheid achter de BMW aan gegaan. Voordat [slachtoffer 1] wegreed, zei hij tegen [betrokkene 1] dat hij de politie moest bellen. [betrokkene 1] heeft toen 112 gebeld.6 In die melding onmiddellijk na het incident sprak [betrokkene 1] over een automatisch pistool dat stond op de zitting van de bijrijderskant van een grijze BMW station.7

[getuige 1] is op 29 december 2014 gehoord en heeft verklaard dat hij die dag omstreeks 11.00 uur het gehucht Aasterberg naderde, toen hij zag dat een grijze BMW die hem eerder had ingehaald, achter een auto reed die weer achter een paardentrailer reed die werd voortgetrokken door een Mercedes Vito. Toen zij het gehucht Aasterberg inreden, zag hij dat de Mercedes met paardentrailer vaart minderde voor een drempel en bijna stilstond. Op dat moment gaf de grijze BMW flink gas, haalde het voertuig in en stopte ter hoogte van de Mercedes Vito. [getuige 1] hoorde toen een knal. Hij zag vervolgens dat de BMW met zeer hoge snelheid verder reed in de richting van Echt. [getuige 1] reed vervolgens door en zag toen een gat/deuk ter hoogte van de B-stijl aan de bestuurderszijde van de betreffende Mercedes.8

[getuige 2] heeft in zijn verhoor van 29 december 2014 verklaard dat hij zich die dag omstreeks 11.15 uur bevond in zijn woning gelegen aan de Aasterbergerweg 86 te Echt, toen hij een harde knal hoorde. Hij zag op dat moment een aantal personenauto’s, waaronder een Mercedes Vito busje met daarachter een paardentrailer, op de openbare weg staan. [getuige 2] is toen naar de Mercedes Vito gelopen en zag een kogelinslag aan de bestuurderszijde achter de deurklink van het bestuurdersportier.9

Door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] werd op 29 december 2014 forensisch onderzoek verricht aan de Mercedes van [slachtoffer 1] . De verbalisanten zagen een rond gat in het voorportier aan de bestuurderszijde van het voertuig. De diameter van het gat bedroeg ongeveer 9 mm. Het deurpaneel van het portier aan de bestuurderszijde was door het projectiel doorboord. Achter het deurpaneel bevond zich een kokerbalk, de B-stijl, van het voertuig, waarin zich eveneens een gat bevond waar de B-stijl was doorboord. In de B-stijl zagen de verbalisanten enkele projectielresten op de kokerafsluiting aan de onderzijde van de B-stijl liggen. De projectielresten werden uit de B-stijl verwijderd, veiliggesteld, verpakt en voorzien van SIN AAIA8607NL. De verbalisanten hebben daarbij opgemerkt dat de bestuurder zeer waarschijnlijk door het projectiel was geraakt, indien het projectiel (horizontaal) 5 centimeter naar links in het portier van het voertuig was ingeslagen.10

1.1.1

Het bij de aanslag op 29 december 2014 gebruikte wapen en munitie

Onder SIN AAIA8607NL zijn door het NFI een kogelmanteldeel en een loden kerndeel ontvangen. Onder de aanname dat het kogelmanteldeel en het loden kerndeel van één kogel afkomstig zijn, passen de massa van het kogelmanteldeel en het kerndeel samen, de afmetingen van de herkenbare kogelbasis in het loden kerndeel en de nog aanwezige systeemsporen in het kogelmanteldeel tezamen het best bij een kogel van het kaliber 9mm Parabellum. Binnen dit kaliber passen de systeemsporen in het kogelmanteldeel onder andere bij (semi-)automatisch werkende machinepistolen van het type Uzi, zo heeft NFI-deskundige wapens en munitie, [deskundige] , Msc, in zijn herzien rapport d.d. 1 augustus 2017 geconcludeerd.11 Voornoemde [deskundige] is op 23 april 2020 als getuige deskundige door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft verklaard dat er is besloten tot het opmaken van bovengenoemd herzien rapport, omdat er in het oorspronkelijke rapport van 4 februari 2015 een fout was opgetreden met betrekking tot het type vuurwapen (Skorpion) waarmee het projectiel vermoedelijk zou zijn afgeschoten. Naar aanleiding van een opmerking van een externe collega buiten het NFI dat deze twijfels had over de juistheid van het genoemde type wapen (Skorpion) vanwege het opgenomen kaliber kogel (9mm Parabellum), heeft [deskundige] zijn ten behoeve van het eerste rapport uit 2015 schriftelijk vastgelegde waarneming nog eens nagekeken en daarin zag hij dat het niet om een Skorpion, maar om een Uzi zou gaan en dat de vermelding van het merk Skorpion in het oorspronkelijke rapport van 2015 vermoedelijk een menselijke fout is geweest. Dat is de reden waarom hij heeft besloten tot het opstellen van een herzien rapport. [deskundige] heeft verklaard dat hij tot de conclusie was gekomen dat 9mm Parabellum 4 rechts het best passend was op basis van de kenmerken van de stukken van overtuiging (het kogelmanteldeel en het loden kerndeel) en het voorkomen van kalibers bij Nederlandse schietincidenten. Vervolgens is [deskundige] in het NFI-datasysteem gedoken om te bezien welk type of model wapen bij dit kaliber zou passen. Dat is het datasysteem dat gegevens over vele jaren beslaat en waarin de schietincidenten in Nederland zijn opgenomen, althans de kalibers en systeemsporen van de daarbij gebruikte vuurwapens. Dit systeem bestaat zeker meer dan 10 jaar. In de database zijn het kaliber en de systeemsporen opgenomen in combinatie met het type, merk en model vuurwapen. Een zoekactie in dit systeem heeft 12 data opgeleverd, waarbij [deskundige] verwijst naar het lijstje in bijlage 1 bij het verhoor als onderdeel van de schriftelijke neerslag van zijn waarnemingen van begin 2015. Een van deze resultaten is op basis van het type loop uit te sluiten, aldus [deskundige] . Alle andere 11 pasten bij het type Uzi. Daarom is [deskundige] tot het oordeel gekomen dat het waarschijnlijk om een Uzi is gegaan.12

Conclusie

Gezien de deskundigheid van [deskundige] en zijn verklaring zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris, in combinatie met de daarmee overeenkomende schriftelijke neerslag van zijn waarneming bij het onderzoek van 30 januari en 4 februari 2015 zoals gevoegd als bijlage 1 bij het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 april 2020, ziet het hof geen reden aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door hem beschreven totstandkoming en – in het verlengde daarvan – inhoud van het herziene rapport te twijfelen. Het hof merkt hierbij nog op dat de aanname dat het kogelmanteldeel en het loden kerndeel van één kogel afkomstig zijn, past bij de uit de voorgaande bewijsmiddelen te trekken conclusie dat het kogelmanteldeel en het loden kerndeel niets anders kunnen zijn dan de resten van het projectiel (één knal) dat is ingeslagen in het voorportier aan de bestuurderszijde van Mercedes Vito.

Op grond van dit rapport in samenhang met voormelde verklaringen van [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] die spreken over een wapen dat ergens op rustte, stelt het hof vast dat de aanslag op 29 december 2014 is gepleegd met een Uzi.

Dit is een vuurwapen geschikt om automatisch mee te vuren en daarmee een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie. Het hof stelt verder vast dat met munitie van dezelfde categorie is geschoten.

1.2

De aanslag op 1 maart 2016

Voorts heeft [slachtoffer 1] op 3 maart 2016 mede namens zijn echtgenote [slachtoffer 2] en zoon [slachtoffer 3] aangifte gedaan van poging tot moord gepleegd op 1 maart 2016. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij die avond met zijn echtgenote [slachtoffer 2] en zoon [slachtoffer 3] naar de bioscoop in Sittard was geweest. Op de terugweg heeft hij vanaf de Rijksweg de afslag Echt genomen en is meteen daarna de rotonde opgereden in de richting van Stevensweert. [slachtoffer 1] was de bestuurder van de Mercedes-Benz Viano, zijn vrouw [slachtoffer 2] zat rechts naast hem op de passagiersstoel en [slachtoffer 3] zat op de achterbank. Toen hij boven op de brug reed, zag hij een grote personenbus vanuit Stevensweert richting de brug rijden. Hij is toen ongeveer 30 meter voor de splitsing gestopt zodat de bus beter de draai kon maken naar de brug.13 De betreffende buschauffeur, [getuige 3] , heeft dit bevestigd.14 [slachtoffer 1] heeft meteen daarna gas gegeven met zijn auto en rechtsaf gedraaid. Hij hoorde en zag meteen schoten. In zijn beleving werd er vanuit het struikgewas in hun richting geschoten. Hij meende dat er iets of iemand in het struikgewas stond. [slachtoffer 1] heeft op een situatiefoto (op dossierpagina 1365) aangegeven waar een en ander plaatsvond. [slachtoffer 1] heeft aangegeven dat hij reed op de Aasterbergerweg die uitkomt op een T-splitsing, waar de weg langs de “bovenzijde” van die T is begroeid met struikgewas. Die laatste weg is [slachtoffer 1] met een bocht naar rechts opgedraaid waarbij hij werd beschoten. [slachtoffer 1] heeft met een “2” aangegeven waar hij vermoedde dat iemand in het struikgewas had gestaan.15Het hof merkt op dat die “2” zich bevindt in voormeld struikgewas achter de vangrail kort voorbij de splitsing en wel net na/in de bocht naar rechts die [slachtoffer 1] met zijn auto heeft gemaakt. [slachtoffer 1] schat dat er zeker 6 of 7 keer is geschoten. Hij voelde dat hij daarbij werd geraakt in zijn knieën. Hij kon niet meer rijden met zijn been en heeft toen met zijn handen zijn been opgetild en op het gaspedaal geduwd. Hij is toen doorgereden tot onderaan de Laak, waarna de auto stopte. Ondertussen was [slachtoffer 2] 112 aan het bellen.16

[slachtoffer 2] is op 1 maart 2016 als getuige gehoord en heeft verklaard dat zij samen met haar man [slachtoffer 1] en zoon [slachtoffer 3] naar de bioscoop was geweest. Toen zij vanuit Echt over de brug over het Julianakanaal reden, gingen zij aan het einde van deze weg rechtsaf. Zij lieten eerst nog een bus voorrijden. Toen zij verder reden, werden zij ineens beschoten. Haar man zei dat hij was geraakt en dat zij 112 moest bellen.17

[getuige 4] heeft in zijn verhoor d.d. 3 maart 2016 verklaard dat hij in de avond van 1 maart 2016 vanuit Echt in de richting van Roosteren reed. Op de brug over het Julianakanaal werd hij gepasseerd door een hem tegemoetkomende bus. Nadat hij deze bus hem had gepasseerd, reed hij door naar de T-splitsing van de Aasterbergerweg. Toen hoorde [getuige 4] schoten en zag hij tegelijkertijd een auto slingerend over de weg rijden in de richting van de berm. Volgens [getuige 4] kwamen de schoten achter de vangrail rechts voor hem vandaan aan de andere kant van de weg. De getuige markeert op de foto van de T-splitsing op bijlage 1 bij dat verhoor de plaats waar de schoten vandaan zijn gekomen.18Het hof merkt op dat dit op ongeveer dezelfde plaats is als [slachtoffer 1] heeft gedaan (zie dossierpagina’s 164 en 1365). [getuige 4] heeft snel achter elkaar ongeveer 7 à 8 knallen gehoord.19

Door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is forensisch onderzoek naar sporen verricht aan de Mercedes-Benz Viano, voorzien van het [kenteken] , waarin [slachtoffer 1] reed op 1 maart 2016. Bij dat onderzoek werden zes inslagen van projectielen aangetroffen: twee in de motorkap, één in het linker voorscherm en drie in het linker voorportier. Uit de uitgevoerde reconstructie is gebleken dat het projectiel van een van de inslagen in het linker voorportier de verwondingen aan de knieën van het slachtoffer heeft veroorzaakt.20

1.2.1

De positie van de schutter en het gebruikte wapen en munitie

Op de locatie van het schietincident, te weten de T-splitsing op de Aasterbergerweg te Echt, werd eveneens sporenonderzoek verricht. Daarbij werden verspreid over het wegdek van de T-splitsing in totaal 13 hulzen aangetroffen en veiliggesteld, naast de twee hulzen die in de berm net voor de vangrail werden aangetroffen. Deze hulzen werden veiliggesteld en voorzien van de SIN-nummers AAJJ8281NL tot en met AAJJ8295NL. Het hof merkt op dat deze laatste twee hulzen lagen rechts van de richtingengeleider die zich pal op de kop van de T boven de vangrail bevond (blijkens foto 21 op dossierpagina 38021 in vergelijking met de foto van de gehele situatie op pagina 1365).22 In de berm achter die vangrail stond enkele meters rechts van de richtingengeleider op de kop van T een grijze schakelkast. Op de bovenzijde van deze schakelkast werd door [verbalisant 4] op 4 maart 2016 een veeg aangetroffen, mogelijk een contactspoor van kleding, veroorzaakt door het steunen op de schakelkast. Vanaf de achterzijde van de schakelkast zag de verbalisant verstoringen in de begroeiing in het talud naar onderen door het bos naar een weg die parallel aan de Aasterbergerweg, onder langs de dijk, loopt. Die verstoringen duiden erop dat mogelijk een of meerdere perso(o)n(en) door het bos had(den) gelopen c.q. gegleden. Gezien het aangetroffen sporenbeeld, vanaf de achterzijde van de schakelkast achter de vangrail van de Aasterbergerweg, door het bos naar de parallelweg, is het waarschijnlijk dat er een of meerdere personen vanaf de achterzijde van de schakelkast, door het bos omlaag naar de parallelweg is/zijn gelopen c.q. gegleden.23

Gezien de hoeveelheid aangetroffen hulzen (te weten: 15) en het kaliber (7,62x39 mm) is hierbij zeer waarschijnlijk een automatisch vuurwapen gebruikt.24 Gezien de bodemstempels en de afmetingen zijn de hulzen van het kaliber 7,62x39 mm. In de hulzen bevinden zich sporen die zijn veroorzaakt tijdens het verschieten uit een vuurwapen. Zo zijn er sporen te zien van een slagpin, een stootbodem, een hulsuitwerper, een patroontrekkerhaak en de kamer van een loop. De algemene vorm, plaats en grootte van deze systeemsporen komen overeen in de 15 hulzen [AAJJ8281NL t/m -95NL]. Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de hulzen is gebleken dat de oneffenheden in de slagpinindrukken voor een deel overeenkomen, de kraslijnen en oneffenheden in de hulsuitwerpersporen voor een deel aansluiten en overeenkomen en in de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden waargenomen. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn gevonden dat de hulzen zijn verschoten met één vuurwapen. De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht: 10.000-1.000.000) wanneer de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De vorm en de ligging van de systeemsporen in de hulzen vertonen sterke gelijkenis met die van een (semi-)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov. De hulzen [AAJJ8281NL t/m -95NL] zijn dan ook vermoedelijk verschoten met een (semi-)automatisch werkend aanvalsgeweer van het kaliber 7,62x39mm, type Kalasjnikov.25

Conclusie

Gelet op voormelde bevindingen van het sporenonderzoek op de plaats delict, in onderling verband en samenhang bezien met de overeenkomende verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 4] over de plek waarvandaan werd geschoten, alsmede de hiervoor beschreven plekken waar de hulzen zijn aangetroffen, stelt het hof vast dat de schutter vanachter de schakelkast achter de vangrail in de berm van de Aasterbergerweg op de auto van [slachtoffer 1] heeft geschoten.

De munitie waarmee is geschoten betreft munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie, die is verschoten met een Kalasjnikov, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren.

1.2.2

Het door de aanslag veroorzaakte letsel bij [slachtoffer 1]

Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer 1] bij de aanslag op 1 maart 2016 aan beide knieën verwondingen heeft opgelopen, zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde. Dat betrof in- en uitschotverwondingen. Verder had [slachtoffer 1] botbreuken van beide onderbenen en van een bovenbeen (gefragmenteerde botbreuken in het linker en rechter kniegewricht). [slachtoffer 1] is geopereerd en op 4 mei 2016 ontslagen uit het ziekenhuis. Hij kon toen lopen met krukken. Op 3 februari 2017 is links een knieprothese geplaatst en er zou waarschijnlijk ook een knieprothese worden geplaatst in de rechterknie.26 Uit de stukken die bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zijn gevoegd, blijkt dat die rechterknieprothese inmiddels is geplaatst en dat [slachtoffer 1] op 16 mei 2018 nog steeds met krukken liep.27

2 De betrokkenheid van de verdachte bij de aanslagen

De betrokkenheid van de verdachte bij de hierboven beschreven aanslag op 29 december 2014 blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] met betrekking tot daderwetenschap waarover de verdachte kort na die aanslag beschikte. Voorts blijkt de betrokkenheid van de verdachte bij de aanslagen op 29 december 2014 én 1 maart 2016 uit de hieronder weergegeven inhoud van de OVC-gesprekken van 27 en 28 juli 2016, in onderling verband en samenhang bezien met de verklaringen van [slachtoffer 1] en getuigen, alsmede de overige onderzoeksbevindingen zoals hieronder wordt uiteengezet.

2.1

[betrokkene 4] over daderwetenschap van de verdachte van de aanslag uit 2014

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij in de middag van 29 december 2014 werd geconfronteerd met [voornaam] , zoals hij de verdachte noemt, die kwam met een heel gedetailleerd verhaal. Hij vertelde [betrokkene 4] dat hij was gebeld door zijn vriend [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] tegen hem had gezegd dat er op hem zou zijn geschoten vanuit een (zilver)grijze BMW. Dat was gebeurd bij één of andere wegversmalling tussen de woning van [slachtoffer 1] en Grevenbicht. De verdachte vertelde [betrokkene 4] ook heel specifiek dat er één schot zou zijn gelost. [betrokkene 4] is toen de mutatie gaan lezen die er op dat moment was. In die mutatie was helemaal geen sprake van welk schietincident dan ook. De dag erop of de dag daarop heeft [betrokkene 4] de verdachte geconfronteerd met de stukken die hij had uitgedraaid. [betrokkene 4] zei tegen de verdachte: “Hoe kun jij in godsnaam vertellen dat dit en dit en dit speelt, terwijl er uit de stukken blijkt dat het eigenlijk heel anders was”. Toen waren de stukken bijgewerkt. De eerste stukken gaven een ander verhaal. [slachtoffer 1] werd in eerste instantie helemaal niet genoemd in het verhaal. Het was een andere meneer die zou zijn beschoten of in ieder geval was het toen een heel wazig verhaal, terwijl de verdachte kwam met alle details. [betrokkene 4] heeft verklaard dat de verdachte dus kwam met feiten die hij eigenlijk niet kon weten.28

2.1.1

De betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 4]

Het hof bezigt deze verklaring van [betrokkene 4] – in weerwil van het pleidooi van de verdediging – voor het bewijs. De verdediging is zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid gesteld [betrokkene 4] als getuige te ondervragen. De omstandigheid dat [betrokkene 4] zich in die verhoren op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, maakt niet dat het gebruik van die verklaring op gespannen voet staat met het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof acht bovenstaande verklaring van [betrokkene 4] betrouwbaar, nu deze in voldoende mate wordt ondersteund door onderzoeksbevindingen en de verklaringen van [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] .

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De bevindingen met betrekking tot de eerste poging tot liquidatie van [slachtoffer 1] die plaatsvond op 29 december 2014 omstreeks 11.03 uur zijn vastgelegd in BVH onder registratienummer PL2300-BVH-2014173261. BVH staat voor Basis Voorziening Handhaving en is de applicatie die de politie gebruikt voor de basis politiezorg. Incidenten die op de politie afkomen en de acties die daaruit volgen, worden hierin vastgelegd. Uit de analyse van de verkregen data met betrekking tot [betrokkene 4] blijkt dat de user [usernaam] op 29 december 2014 in BVH de zaak met registratienummer PL2300-BVH-2014173261 heeft geselecteerd. Daarbij kan het volgende worden opgemerkt. [betrokkene 4] had op 29 december 2014 een vrije dag. Om 11.18 en 14.14 uur wordt zijn toegangspas geregistreerd in bureau Geleen. Om 14.48 uur wordt in BVH in de zaak met registratienummer 2014173261 het voorval 1477316 geselecteerd door user [usernaam] en om 14.49 uur wordt in BVH een voorval bevindingen met sleutel 1477392 geselecteerd door user [usernaam] . Voorval 1477316 betreft het relaas waarin kort de genoemde eerste poging tot liquidatie en alle activiteiten van de betrokken politieambtenaren worden beschreven. Sleutel 1477392 betreft een proces-verbaal van bevindingen in de zaak met registratienummer 2014173261.29 Uit de processen-verbaal van bevindingen met registratienummers PL2300-2014173261-3 en -6 blijkt dat aanvankelijk uit het onderzoek bleek dat melder [betrokkene 1] vermoedelijk was beschoten vanuit een rijdende auto op de Aasterbergerweg te Echt.30 In de 112-melding had [betrokkene 1] geen melding gemaakt van het beschieten van [slachtoffer 1] .31 [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij 112 had gebeld en niet goed wist wat hij moest vertellen en toen het verhaal heeft verteld dat hij daar reed met zijn Audi. Dat verhaal klopte echter niet, aldus [betrokkene 1] .32 In eerste instantie was derhalve, zoals [betrokkene 4] heeft verklaard, niet bekend dat [slachtoffer 1] de persoon was die was beschoten. Bovendien heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij op de dag van de aanslag niet met de verdachte heeft gesproken en dat hij ook nooit met de verdachte heeft gesproken over dit schietincident.33

2.2

OVC-gesprekken met betrekking tot de aanslagen

In het politieonderzoek [onderzoek 1] werd vertrouwelijke communicatie opgenomen. Aan de opgenomen gesprekken nam de verdachte deel. Hij is dan in gesprek met twee mannen genaamd [betrokkene 5]34[betrokkene 5] en [betrokkene 6] . De gesprekken zijn uitgewerkt in het dossier.

Op 27 juli 2016 gaat het gesprek over een niet met name genoemde man. De verdachte zegt in dat gesprek met sessienummer 14292 tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] :

“Ik heb twee acties heb ik gedaan op hem. Ene keer doet het ding het niet. Was perfect, ga ik met bodyguards en alles achter zich. Ondertussen met een snelle auto erachter in een keer. Had ik een mooie stellage gemaakt zo met de uzi zo erop, doorgelaaije en al in het midden. Vroooeem vroooeeem vrooeemm krrtsj tak, doet maar een schot. Ik denk conjo, ik door. Komen meer auto’s, afgeblazen. De tweede keer mooie ambush, maar ja hij had de hele familie bij zich, moest ik kijken hoe ik dat moest doen, bambambambambambam!! Hij loopt nou…”,

waarop door de tolk is toegevoegd dat [betrokkene 6] in het Papiaments zegt:

“Op dinges… hij is gehandicapt geworden (gebleven) ntv”.

Vervolgens wordt gezegd:

“Weet je…. op krukken…. op krukken”.35

Het hof merkt op dat het fragment tot zoverre is beluisterd door het hof ter terechtzitting van 4 november jl. en dat het hof daar heeft vastgesteld dat voormelde tekst daarvan de correcte weergave is.

De verdachte zegt dan:

“Maar… als we hem zouden kunnen pakken, pakken we misschien 10 miljoen, zoveel geld heeft ie. Maar hij kent me. Hij heeft echt veel geld.”.

Daarop zegt [betrokkene 6] :

“Maar we kunnen die jongens hem laten pakken”.

De verdachte zegt daarop:

“Die kunnen hem pakken, ook mee, maar op de background. Als we die hebben, dat is een actie…. en daarna maken we hem kapot. Maar dan zeg ik je hè, gegarandeerd, we pakken dan miljoenen. Want die heeft echt veel… (..) Die heeft ergens verstopt twintig of dertig… (..) Hey die heeft echt miljoenen maar daarna moet die echt kapot want die is echt…. Daar kunnen we meteen aan werken, want dat is die job van die twintig. We kunnen zeggen dit, dan pakken we die veertig in de zak, dus twintig twintig of misschien vijftig omdat ze blij zijn, ja. Maar als we die man pakken, hij heeft vrouw en kind en we pakken die daar”.36

De volgende dag, 28 juli 2016, heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden waaraan de verdachte heeft deelgenomen. Dit gesprek is geregistreerd onder de sessienummers 14438 tot en met 14446.37

In het gesprek met sessienummer 14438 zegt de verdachte tegen [betrokkene 5] :

“Ik heb twee acties gedaan. Ik heb twee keer pieken laten gaan. Het probleem is… hij kènt me. En als hij me ziet… gewoon maar in de buurt rijden, dan weet ie waarom. Dus ik ben, moet altijd zooó voorzichtig zijn. Zooó voorzichtig. Check check dubbel check, alles afchecken weet je. (..) Hè… vertelt niemand waar hij gaat wanneer die komt, niks en hij is zelf ook een man van de straat weet je maar. Kijk nu is het dit, want ja ik heb hem wel te pakken gehad. Hij heeft geluk gehad. Maar… hij is ook gevaarlijk met geld als hij weet hoe of wat. De actie moet goed gaan. Het makkelijke is, ik weet nou een paar punten, weer nieuwe waar die komt. Ik kan er geen plan op maken, begrijp je? (..) Je moet gewoon daar in de buurt zijn. En ik weet nou een mooie plek waar hij komt. Dat is een hele mooie plek. Ik zou het daar ook nog zelf wel helemaal alleen kunnen. Maar ik wil…. dus twee keer heeft hij echt geluk gehad. Eerste keer weigeren, de tweede keer heeft hij fucking geluk gehad. En de derde keer mag niet, dan wil ik gewoon, de derde keer moet met tweeën. Doet die het niet, dan kan de tweede nog, snap je”.38

De verdachte vervolgt in hetzelfde gesprek met sessienummer 14439:

“Speciale munitie, twee schoten, de hele deur eruit hier. Dat spul heb ik allemaal man. En snipers heb ik nog liggen. (..) Het gaat zich niet om het stoer doen. Of voor kijk.... Nee het gaat zich om de job, het gaat zich om het resultaat. Al doe je het met een vinger. Weet je het resultaat moet goed zijn. (..) Ja weet je wat het is [betrokkene 5] . Nu weet ik waar hij heen gaat. Hij kan nou niet lopen, niks. Hij komt op twee plekken. En de kloterij is gewoon, ik moet me helemaal vermommen en moet ook heel anders gaan lopen, en dan nog misschien herkent hij me. Want want hij kent mij ook al jaren, snap je. (..) Ik wou het met jullie doen. (..) Want dit… kan altijd want als we… dit kunnen doen, dan pakken we misschien 10 à 20 miljoen, die heeft ie… snap je, die heeft ie (..)”.39

Vervolgens refereert de verdachte in hetzelfde gesprek met sessienummer 14443 naar iets waarover hij zojuist heeft gesproken en zegt:

“Maar om nou geld te hebben, snel geld. Nou dat is die ene wat ik je nou net zei. Heb ik al gedaan laatst. Hij loopt daar nou nog op dít, hij krijgt nieuwe dit. (..) Is op televisie geweest, zwaar in het nieuws”.

Daarop zegt [betrokkene 6] : “manage” en bevestigt de verdachte dat als volgt: “Ja, nee, dat weet ik. Ik weet een plekje op die manege”.40

2.2.1

De betrouwbaarheid van die OVC-gesprekken

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte in de hierboven aangehaalde OVC-gesprekken waarheidsgetrouw heeft gesproken over de door hem gepleegde aanslagen op [slachtoffer 1] . Het hof zal de inhoud daarvan – in weerwil van het verzoek van de verdediging – dan ook tot het bewijs bezigen. Het hof komt op grond van het navolgende tot dit oordeel.

1. De verdachte waande zich onbespied tijdens deze OVC-gesprekken

Het hof gaat ervan uit dat de verdachte in die gesprekken vrijelijk spreekt, nu zowel hij als zijn gesprekspartners niet wisten dat zij daarbij werden afgeluisterd en dat de gesprekken werden opgenomen.

2. De uitlatingen van de verdachte stroken met de feiten van de eerste aanslag

Over de eerste actie vertelt de verdachte in het gesprek met sessienummer 14292 namelijk: “Ene keer doet het ding het niet. Was perfect, ga ik met bodyguards en alles achter zich. Ondertussen met een snelle auto erachter in een keer. Had ik een mooie stellage gemaakt zo met de uzi zo erop, doorgelaaije en al in het midden. Vroooeem vroooeeem vrooeemm krrtsj tak, doet maar een schot. Ik denk conjo, ik door. Komen meer auto’s, afgeblazen” en in het gesprek met sessienummer 14438: “Ik heb twee acties gedaan (..) Eerste keer weigeren”.

Het hof heeft vastgesteld dat de eerste aanslag is gepleegd met een Uzi, die stond gepositioneerd op een stellage op de bijrijdersstoel van het voertuig waarin de dader reed. Een Uzi betreft een vuurwapen dat geschikt is om automatisch mee te vuren. Nu [slachtoffer 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard slechts één knal te hebben gehoord en nadien één gat met daarin projectielresten in het voertuig van [slachtoffer 1] werd aangetroffen, stelt het hof vast dat het wapen na het eerste schot weigerde, zoals de verdachte in het gesprek naar voren brengt. Op 29 december 2014 reed de zoon van [slachtoffer 1] , [betrokkene 2] , samen met diens vriend [betrokkene 3] , in een auto achter de auto van het slachtoffer. Het hof stelt vast dat de uitlating van de verdachte over ‘bodyguards’ door die omstandigheid is te verklaren. Verder spreekt de verdachte met betrekking tot de eerste actie over een ‘snelle auto’. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is gebleken dat bij de eerste aanslag op [slachtoffer 1] door de dader gebruik werd gemaakt van een snelle BMW.

3. De uitlatingen van de verdachte stroken met de feiten van de tweede aanslag

Ten aanzien van zijn tweede actie vertelt de verdachte in het gesprek met sessienummer 14292: “De tweede keer mooie ambush (het hof begrijpt: hinderlaag), maar ja hij had de hele familie bij zich, moest ik kijken hoe ik dat moest doen, bambambambambambam!! Hij loopt nou…”, waarna door de tolk wordt toegevoegd dat [betrokkene 6] in het Papiaments zegt: “Op dinges… hij is gehandicapt geworden (gebleven) ntv”, terwijl vervolgens door de verdachte of een van de andere gespreksdeelnemers wordt gezegd: “Weet je…. op krukken …. op krukken” en in het gesprek met sessienummer 14438: “Ik heb twee acties gedaan. (..) want ja ik heb hem wel te pakken gehad. Hij heeft geluk gehad. (..) dus twee keer heeft hij echt geluk gehad. Eerste keer weigeren, de tweede keer heeft hij fucking geluk gehad”.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de schutter bij de tweede aanslag vanachter een schakelkast achter de vangrail in de berm van de Aasterbergerweg te Echt op de auto van [slachtoffer 1] geschoten en heeft deze persoon na de aanslag gemakkelijk ongezien kunnen wegkomen. Het hof is van oordeel dat dit kan worden beschouwd als een ‘hinderlaag’. Voorts zegt de verdachte in het gesprek dat het beoogde slachtoffer bij de tweede actie de hele familie bij zich had. De verdachte zegt even later in datzelfde gesprek met sessienummer 14292 ook dat de persoon op wie hij die twee acties heeft gedaan, vrouw en kind heeft. Uit het dossier is gebleken dat de vrouw en zoon van [slachtoffer 1] bij de tweede aanslag bij hem in de auto zaten. Voorts staat vast dat bij de tweede aanslag met een (semi-)automatisch vuurwapen meermalen op de auto van het beoogd slachtoffer [slachtoffer 1] is geschoten, waarbij hij niet dodelijk – maar wel in zijn beide knieën – is geraakt. Het hof stelt daarmee enerzijds vast dat [slachtoffer 1] , zoals de verdachte zegt, die tweede keer vanuit het perspectief van de verdachte “fucking geluk” heeft gehad en anderzijds dat de verdachte [slachtoffer 1] daarmee wel “te pakken heeft gehad” nu [slachtoffer 1] daardoor invalide is geraakt en in de tijd van deze OVC-gesprekken op krukken liep, zoals in die OVC-gesprekken door de verdachte en zijn gesprekspartners is besproken.

4. De beschrijving van het slachtoffer door de verdachte past op [slachtoffer 1]

Zoals door het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 november 2020 aan de orde is gesteld, is – anders dan de verdachte heeft verklaard – op het geluidsfragment van het OVC-gesprek van 27 juli 2016 te horen dat ten aanzien van het slachtoffer van de twee acties wordt gesproken over een man (‘hij’) die nu op krukken loopt. Met de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld of de verdachte degene is die het woord ‘krukken’ uitspreekt of dat een van zijn gesprekspartners dat zegt in aanvulling op het verhaal van de verdachte. Het hof stelt vast dat de verdachte en zijn gesprekspartners in ieder geval wisten dat het verhaal dat de verdachte vertelde betrekking had op een man die toen op krukken liep. Het hof wordt in die vaststelling gesterkt door de omstandigheid dat de tolk heeft gehoord dat kort daarvoor door [betrokkene 6] wordt gezegd dat de man gehandicapt is geworden c.q. gebleven. Het hof ziet geen enkele reden aan de juistheid van de totstandkoming en inhoud van de verslaglegging van de vertaling van de tolk te twijfelen. Bovendien heeft de verdachte in het OVC-gesprek van 28 juli 2016, waarvan het hof vaststelt dat het betrekking heeft op dezelfde man, gezegd dat hij nu niet kan lopen. Vast staat dat beide knieën van [slachtoffer 1] door de aanslag op 1 maart 2016 zijn verbrijzeld en hij daardoor ten tijde van het OVC-gesprek niet kon lopen.41 Dat de verdachte in voormelde OVC-gesprekken waarheidsgetrouw heeft gesproken over de door hem gepleegde twee aanslagen op [slachtoffer 1] wordt bovendien nog bevestigd doordat de verdachte in de OVC-gesprekken van 27 en 28 juli 2016 over de man waarop hij de twee acties heeft gedaan niet alleen terecht opmerkt dat deze een vrouw en kind heeft, maar ook dat deze veel geld heeft. Het is [verbalisant 5] ambtshalve bekend dat [slachtoffer 1] een vermogend persoon is. De woning van [slachtoffer 1] stond in 2011 te koop voor 1,3 miljoen euro.42 Voorts heeft [betrokkene 4] verklaard dat de verdachte tegen hem had verteld dat [slachtoffer 1] heel veel geld had verdiend in vroegere tijden en dat er heel veel geld zou moeten zijn in het huis waar de ranch met de paarden zat.43 Ook zegt de verdachte in de hierboven weergegeven gesprekken dat de man waarop hij de acties heeft gedaan hem al jaren kent. [slachtoffer 1] heeft in zijn verhoor d.d. 5 september 2016 verklaard dat hij de verdachte ongeveer 15 jaar geleden heeft leren kennen.44 Ook [betrokkene 7] heeft in zijn verhoor d.d. 8 september 2016 verklaard dat [slachtoffer 1] en de verdachte elkaar al langer kennen. Zij hebben elkaar ook in 2009 of 2010 in het kantoor van [betrokkene 7] getroffen.45 [betrokkene 4] heeft bevestigd dat de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar in ieder geval kenden vanaf 2008 of 2009 en de verdachte hem zelfs had laten zien waar [slachtoffer 1] woonde.46 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 januari 2020 bevestigd dat hij [slachtoffer 1] kende. Tot slot heeft de verdachte in het gesprek opgemerkt dat hij een plekje op ‘die manege’ weet, waarvan het hof begrijpt voor een nieuw te beramen actie op de man op wie hij reeds twee aanslagen heeft gepleegd. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] een woning naast een manege bewoont.47

5. De verdachte had daderwetenschap in die OVC-gesprekken

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat uit de hierboven weergegeven inhoud van de OVC-gesprekken, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, bovendien blijkt dat de verdachte wel degelijk beschikte over daderwetenschap. Zo spreekt de verdachte in het OVC-gesprek van 27 juli 2016 over een Uzi waarmee de eerste actie zou zijn gedaan, terwijl pas voor het eerst uit het herzien rapport van 1 augustus 2017 bleek dat het waarschijnlijk om een Uzi is gegaan. Ook overigens is het hof niet gebleken dat eerder bekend was met welk wapen de eerste aanslag zou zijn gepleegd. Het hof merkt de uitlating van de verdachte over de Uzi dan ook aan als daderwetenschap. Voorts spreekt de verdachte in het OVC-gesprek van 27 juli 2016 in het kader van de tweede actie over een ‘mooie ambush’. Het hof stelt vast dat uit de mediaberichten48 en de getuigenverklaringen uit het dossier niet is gebleken dat op dat moment bekend was dat bij de tweede aanslag vanachter de schakelkast in de bosschages achter de vangrail in de berm van de Aasterbergerweg te Echt op de auto van het slachtoffer [slachtoffer 1] was geschoten.

Gelet op het feit dat voormelde uitlatingen van de verdachte in de OVC-gesprekken tot in detail overeenkomen met de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden van beide aanslagen op [slachtoffer 1] en de lichamelijke gevolgen die de tweede aanslag voor [slachtoffer 1] heeft gehad, terwijl de verdachte in zijn uitlatingen ten aanzien van beide aanslagen blijk geeft van daderwetenschap, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte in de hierboven aangehaalde delen van die gesprekken waarheidsgetrouw heeft gesproken over de door hem gepleegde aanslagen op [slachtoffer 1] . De alternatieve uitleg die de verdachte in hoger beroep – deels achter gesloten deuren – heeft gegeven van voormelde uitlatingen in de OVC-gesprekken over de twee acties, doet hieraan niet af, omdat deze uitleg, zoals hierna onder 6 uiteen wordt gezet, niet aannemelijk is geworden.

6. Alternatieve uitleg van de uitlatingen in het OVC-gesprek niet aannemelijk

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 januari 2020 – kort gezegd – verklaard dat het betreffende OVC-gesprek (het hof begrijpt: van 27 juli 2016) betrekking heeft op [betrokkene 8] . De verdachte heeft dat verhaal verzonnen om met een ander doel het vertrouwen van zijn gesprekspartners te winnen. Zij wisten dat hij een probleem had met [betrokkene 8] en daarom heeft hij dat verhaal gebruikt en aangedikt. Wellicht heeft de informatie die hij van [betrokkene 4] , bekenden en via de media had vernomen over (de zaak) [slachtoffer 1] zijn verhaal daarbij beïnvloed.

Het hof verwerpt dit verweer als ongeloofwaardig en wel om de navolgende redenen:

  1. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof vastgesteld dat de inhoud van de hierboven weergegeven OVC-gesprekken van 27 en 28 juli 2016 betrekking hebben op (de aanslagen op) [slachtoffer 1] en deze gesprekken bovendien daderwetenschap bevatten.

  2. Daarbij komt dat uit het politiesysteem volgt dat in de periode gelegen tussen maart 2016 tot en met juli 2016 in totaal 12 mutaties zijn opgemaakt waarin [betrokkene 8] als betrokkene is ingevoerd, waarbij de politie hem zelf heeft zien rijden als bestuurder van een personenauto en motorfiets en ook mutaties dat de politie daadwerkelijk contact met hem had, en in geen enkele van deze mutaties is vermeld of opgemerkt dat hij op krukken loopt dan wel geblesseerd was.49 Deze bevindingen met betrekking tot [betrokkene 8] komen dan ook niet overeen met de informatie die de verdachte in de OVC-gesprekken geeft over de man waarop hij twee acties heeft gedaan.

Voorts blijkt uit de inhoud van de OVC gesprekken dat de verdachte onderscheid maakt tussen de twee acties die hij heeft gedaan op “hem” , waarvan het hof hierboven heeft vastgesteld dat de inhoud past op de beide aanslagen op [slachtoffer 1] en de verdachte daarin blijk heeft gegeven van daderwetenschap, en een actie die nog moet plaatsvinden op ene “O”. Met betrekking tot deze “O” wordt in de OVC- gesprekken het volgende besproken:

In het gesprek van 28 juli 2016 met sessienummer 14440 zegt de verdachte het volgende:

“Kijk deze man, waar het om gaat. Wat ik je heb gezegd weet je was normaal eerst makkelijk. Die kwam altijd bij iemand thuis. En daarom heb ik die job toen aangenomen voor onkosten… maar heb ik het voor veertig gedaan en misschien zijn ze blij en geven ze me wat extra’s. En normaal gesproken was dat een job van niks, snap je van… hier achter de raam… weet je, zo lang ben ik daar al mee bezig. Krijgt ie me in een keer ruzie met die man, komt ie daar niet meer. En dat veranderde de hele plan… En hij heeft zelf zo veel mensen gepakt, dat hij ook paranoia is, snap je. Maar hij heeft altijd hele grote transporten gehad, duizend, tweeduizend kilo. Hij had die toen al hier. En altijd heeft hij binnen gedrongen binnen gedrongen, binnen gedrongen…. Die heeft miljoenen, miljoenen heeft ie. Maar, als je naar hem toe gaat en je zegt kan ik 1 euro krijgen… Hij heeft ook geen vrienden, zijn enige vriend, is zijn geld. Het is echt een motherfucker. We kunnen zeggen van dit pats, we pakken snel wat geld of (dikgedrukt, hof) we gaan voor een actie, maar voor een actie denk ik dat we beter in ieder geval dat we “O” pakken.. dat is makkelijk. Heb ik al voorbereid. Hij zit nu in Turkije is op vakantie. In augustus gaat het clubhuis weer open. Wordt meteen de actie gedaan. Ze kunnen meedoen die twee mannen. Weet je als ze goed zijn, weet je. Maar, ik weet ook niet wat eruit komt. Misschien komt er weinig uit, misschien komt er heel veel uit. Ik ben niet uuh, ik ben ook niet helderziende. (..) Kijk fantastisch jongen… weet je… ik kan tegen jou ook zo, ik kan tegen hun ook zeggen, luister we gaan hier een man pakken, die gaan we van de weg af trekken, die gaan we zelf doen. Dan moet hij eigenlijk een krijgen. Ik weet zelf hoeveel miljoenen ik heb verdiend voor hem, die heeft hij niet aan niemand anders gegeven, die heeft hij zelf gehouden. Daarom is hij al zo lang bezig nou, dat hij veel geld heeft. Dus. Want hij is heel supergierig, hij maakt niet veel op. Dus daar moet echt cash uitkomen. Maar het probleem is altijd waar ga ik met ‘m heen. En wanneer komt ie buiten. Hij kwam nooit buiten, hij sloot zich altijd op. Maar nu hij bij de club zit, is tie, voelt hij zich sterk. En dan loop je. Snap je. Als je president bent. Maar, ik heb inside informatie over hem dat de club is hem ook niet hier moe maar wel daar. Dus binnenkort dan geven ze hem een schop en krijgt ie klappen en dan pakken ze hem al het geld af. En dan heb ik niks. Daarom wil ik snel zijn. Want die inside informatie heb ik gekregen. Dat ze dat wel van plan zijn. Daar moet je niet over praten. Maar ja jij praat sowieso niet, weet je. Gewoon omdat je het weet, ze gaan hem sowieso eruit gooien. Maar ik wil van tevoren hem pakken… dat zodra als hij nou uit Turkije komt…”.

Daarop zegt [betrokkene 5] : “pakken we ‘m” en antwoordt de verdachte: “En komt hij niet los voordat hij geld geeft. En alles wat eruit komt wordt gewoon gedeeld”.50

Het hof stelt vast dat het eerste gedeelte van het hierboven weergegeven gesprek gaat over een “job” op een man, waarvan het plan ineens moest worden veranderd omdat die man ergens niet meer kwam. Vervolgens wordt - zo valt af te leiden uit het woord ‘of’ - gesproken over een alternatief; een actie op “O”, die makkelijk zou zijn. Het hof stelt vast dat het daaropvolgende gedeelte van het gesprek betrekking heeft op de persoon [betrokkene 8] . De eerste letter van zijn voornaam is een “O” en hij is president van [motorclub] ,51 zo had de verdachte ook tegen [betrokkene 4] verklaard. Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ook bevestigd dat in de OVC-gespreken met “O” wordt gedoeld op [betrokkene 8] . Verder heeft [betrokkene 4] verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij in het verleden miljoenen had verdiend met [betrokkene 8] , dat hij nog 8 of 9 ton van hem tegoed had, maar dat [betrokkene 8] de gierigheid zelve zou zijn en dus iemand was waarmee de verdachte nog wat had af te rekenen.52 Het hof ziet dan ook geen reden te twijfelen aan het bestaan van een conflict tussen de verdachte en [betrokkene 8] . Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2020 ook bevestigd dat [betrokkene 8] ten tijde van dit OVC-gesprek in Turkije was.53

Uit het hierboven weergegeven gesprek leidt het hof af dat in verband met de persoon [betrokkene 8] wordt gesproken over een mogelijke ontvoering. De inhoud van dit OVC-gesprek van 28 juli 2016 is te relateren aan de inhoud van een eerder gevoerd gesprek op 27 juli
2016. In dat gesprek met sessienummer 14288 zegt de verdachte het volgende tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] :

“Als wij die job gaan doen dadelijk met “O” en hij doet mee en rijdt met zijn politieauto achter “O” aan, stopt hem en dan komen wij met 2 auto’s met blauwe lampen, T-shirtjes en petjes aan, alles erop eraan en nemen hem mee”,

waarop [betrokkene 6] zegt: “Ja als het AT”.54

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2020 ook bevestigd dat het hier gaat om een voorgenomen actie richting [betrokkene 8] en de medewerking daaraan van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] heeft daarover bij de politie verklaard dat de verdachte voornemens was [betrokkene 8] te ontvoeren en dat [betrokkene 4] hem daarbij zou ondersteunen. [betrokkene 4] heeft in dat verband verklaard dat de verdachte hem eind juni of begin juli (het hof begrijpt: 2016) had verteld dat hij [betrokkene 8] op een clubavond zou opwachten. Vervolgens zou een politiewagen de auto van [betrokkene 8] een stopteken geven. Er zou worden gezorgd voor twee auto’s met blauwe zwaailichten op het dak en [betrokkene 8] zou door twee auto’s worden klemgereden. Zij zouden daarbij zijn voorzien van politie T-shirtjes, politiepolo’s dan wel uniformen. Zij zouden [betrokkene 8] klemrijden, meetrekken en hem ergens naartoe brengen. De taak van [betrokkene 4] zou zijn om de weg vrij te houden. Dat zou ergens achter in augustus moeten plaatsvinden.55

Onder bovengenoemde omstandigheden stelt het hof vast dat louter het tweede gedeelte van het hierboven weergegeven gesprek met sessienummer 14440 (vanaf het woord: ‘of’) betrekking heeft op (een voorgenomen ontvoering van) [betrokkene 8] . Dit thema in de OVC-gesprekken staat inhoudelijk los van de eerdere gesprekken over de twee acties waarvan het hof hiervoor gemotiveerd heeft aangegeven dat die betrekking hebben op de onderhavige twee aanslagen op het leven van [slachtoffer 1] .

Gelet op het vorenstaande wordt de verklaring van de verdachte dat de inhoud van de OVC-gesprekken met betrekking tot de twee acties die het hof hierboven onder 2.2 als bewijs heeft gebruikt eveneens betrekking heeft op [betrokkene 8] als volstrekt ongeloofwaardig terzijde gesteld.

3 Aanvulling ten overvloede

3.1

De verdachte kon beschikken over automatische wapens

In de OVC-gesprekken van 27 en 28 juli 2016 spreekt de verdachte over wat hij aan wapens en springstof heeft liggen. Hij zegt dan onder andere:

“Ik heb 2 soorten springstof liggen, 1 die je moet mengen en ene semtex met verschillende ontstekers” (sessie 14288). “Bazooka’s hebben we ook he, die LAW’s hebben we ook he. Ik heb een paar snipers heb ik nog liggen. (..) Heb ik… twee kilo semtex geloof ik. Met tien ontstekers” (sessie 14289). “Ik geloof dat ik 10, 15 ontstekers heb” (sessie 14290). “Ik heb mooie Barretta’s (het hof begrijpt: Beretta’s) twee 65 met demper, 2 en twintigers met demper, ik heb een micro-uzi een kleine, met demper, laser alles erop. Dat heb ik allemaal. (..) Automaat, Glock 19 automaat, vierde generatie, helemaal nieuw, volautomaat prrrrrrr, magazijnen van 50 erin. Just in case, shotguns, automatische shotgun” (sessie 14438).56

Dat de verdachte ook op dit punt in de OVC-gesprekken de waarheid sprak en derhalve ook kon beschikken over automatische vuurwapens als waar de twee aanslagen op [slachtoffer 1] mee zijn gepleegd, kan worden afgeleid uit de onderstaande bewijsmiddelen.

Op 27 januari 2017 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de kelderbox van de woning aan de [adres 1] .57 Tijdens de observatie op 1 augustus 2016 wordt gezien dat de auto waarin de verdachte reed werd geparkeerd op de [straat] , ter hoogte van de panden [nummers] , en dat de verdachte samen met [betrokkene 9] uit een van de woningen kwam gelegen aan de [adressen] .58 Blijkens de gemeentelijke basisadministratie stond [betrokkene 9] ingeschreven op het [adres 1] ; hij was de huurder van het pand.59 Bij de doorzoeking werd onder andere het volgende aangetroffen:

  • -

    drie pakjes met in totaal 1278 gram springstof, kneedbaar op basis van pentriet (het hof: een van de stoffen in semtex), met bijpassende ontstekers (slagpijpjes);

  • -

    diverse ontstekers en slagsnoeren, meer dan 13 stuks, getuige de foto’s in het dossier;

  • -

    twee raketwerpers M80 (waarvan 1 gebruiksklaar);

  • -

    drie pistolen .22;

  • -

    een shotgun Browning met ingekorte loop en kolf, zijnde een semi-automatisch hagelgeweer;

  • -

    een riotgun FabArm;

  • -

    koffer Glock met onderdelen;

  • -

    twee houders van een Uzi;

  • -

    vijf houders van een Kalasjnikov;

  • -

    23 patronen 7.62 (munitie Kalasjnikov);

  • -

    een geluiddemper.60

Van de bemonsteringen van de riot gun [AAKV8581NL], de behuizing van de M80 [AAKV8584NL] en .22 pistool browning [AAKV8548NL] zijn twee DNA-profielen opgesteld. De opgestelde DNA-profielen zijn vergeleken met het DNA-profiel van de verdachte. De DNA-mengprofielen van de bemonsteringen zijn telkens afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. De verdachte is telkens niet uitgesloten als donor. De resultaten van het onderzoek zijn voor de bemonsteringen van de wapens AAKV8581NL (riot gun), AAKV8584NL (behuizing M80) en AAKV8548NL (.22 pistool browning) extreem veel waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht: > 1.000.000) wanneer de bemonstering van het spoor DNA bevat van de verdachte en twee onbekende niet verwante personen dan dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van drie onbekende niet verwante personen.61

Verder werd op 15 augustus 2016, kort na het hierboven weergegeven gesprek, een doorzoeking verricht in [adres 2] , alwaar de vriendin van de verdachte woonde en documenten op naam van de verdachte werden aangetroffen. Bij die doorzoeking werden aangetroffen:

  • -

    een scherpschuttersgeweer met richtkijker (sniper), kaliber .22;

  • -

    een Glock, model 19 Gen. 4 (het hof: afkorting voor Generation), waarbij een patroonmagazijn werd aangetroffen. Dit vuurwapen is geschikt om automatisch te vuren.62

3.2

Het motief van de verdachte

Uit de verklaring van [betrokkene 10] blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] haatte als de pest. Hij heeft de verdachte in een gesprek in november of december 2013 of januari 2014 in het bijzijn van [betrokkene 7] in het kantoortje bij diens woning in Grevenbicht horen zeggen dat [slachtoffer 1] een hele grote speler was in de drugswereld, dat hij heel veel koeriers niet betaalde en dat hij daarmee heel veel zaken in de regio ondersteboven zette. De verdachte vond dat niet kunnen en als hij [slachtoffer 1] kon omleggen, zou hij dat doen.63 [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij van de verdachte had gehoord dat wanneer de verdachte [slachtoffer 1] niet zou afschieten dan [slachtoffer 1] de verdachte wel zou afschieten. Als zij dat zelf niet deden, zou een derde dat wel doen.64 Die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] . Niet alleen heeft [slachtoffer 1] verklaard dat [betrokkene 7] hem vertelde dat hij ergens in 2013 of 2014 in zijn woning in gesprek was geweest met [betrokkene 10] en de verdachte. De verdachte had toen gezegd dat hij, [slachtoffer 1] , een te grote speler zou zijn in de drugs, dat zij in elkaars vaarwater zaten en dat hij [slachtoffer 1] zou opruimen.65 [slachtoffer 1] verklaarde bovendien dat hij na dit gesprek met [betrokkene 7] naar [betrokkene 10] is gegaan die hem hetzelfde vertelde en het verhaal van [betrokkene 7] dus bevestigde.66

Dat [betrokkene 7] dit in zijn verhoor d.d. 23 februari 2017 (dossierpagina’s 1518-1521) heeft ontkend, doet hieraan niet af. Het hof hecht geloof aan de gedetailleerde verklaring van [betrokkene 10] die door [slachtoffer 1] integraal wordt bevestigd.

II. Poging tot moord of doodslag?

1 (Voorwaardelijk) opzet

1.1

Opzet op de dood van [slachtoffer 1]

Uit de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen leidt het hof dat het opzet (als oogmerk) van de verdachte telkens was gericht op het doden van [slachtoffer 1] .

1.2

Voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier: de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat ten tijde van de gedragingen sprake was van tenminste de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] daardoor zouden komen te overlijden, maar ook dat de verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer 2] zich op het moment van de aanslag op 1 maart 2016 op de passagiersstoel, naast het beoogd slachtoffer [slachtoffer 1] , in de auto bevond en dat [slachtoffer 3] op de achterbank zat. Hij zat in het midden van de bank, een beetje tussen de voorstoelen in.67 Uit het OVC-gesprek met sessienummer 14292 blijkt dat de verdachte ook wist dat [slachtoffer 1] de hele familie (lees: vrouw en kind) bij zich had.68 Dat heeft de verdachte er echter niet van weerhouden van afstand met een (semi-) automatisch wapen meermalen op de rijdende auto, waarin zij zich bevonden, te schieten.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is het hof niet gebleken.

2 Voorbedachte raad?

2.1

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' volgens bestendige jurisprudentie moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

2.2

Feiten en omstandigheden

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Uit het OVC-gesprek van 27 juli 2016 blijkt dat de verdachte voor de eerste aanslag een snelle auto had geregeld en een stellage had gemaakt. Bij de tweede aanslag heeft de verdachte gebruik gemaakt van een hinderlaag (“ambush”). Voorafgaand aan het plegen van beide aanslagen had de verdachte er bovendien voor gezorgd dat hij de beschikking had over een wapen.69

Uit deze feiten en omstandigheden waaronder de aanslag is gepleegd en hetgeen de verdachte daarover heeft gezegd, volgt dat de verdachte het vooropgezette plan had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het hof neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Integendeel; de verdachte heeft na de eerste mislukte poging nog een tweede gewaagd en zelfs het plan opgevat om een derde keer toe te slaan.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht poging tot moord op [slachtoffer 1] bewezen.

Ten aanzien [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met de voor poging tot moord vereiste voorbedachte raad, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Weliswaar was de verdachte voor de tweede aanslag op [slachtoffer 1] zich ervan bewust dat hij vrouw en kind bij zich had. De verdachte zegt in het OVC-gesprek met sessienummer 14292 immers: “hij had de hele familie bij zich” en “moest ik kijken hoe ik dat moest doen”.70 Echter, niet kan worden vastgesteld dat dit bewustzijn eerder bestond dan net voor de aanslag toen de verdachte [slachtoffer 1] als bestuurder zag komen aanrijden. De tijdspanne van dat moment tot de aanslag zelf, is naar het oordeel van het hof te kort om ten aanzien van beide inzittenden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van voorbedachte raad te kunnen spreken.

III. Conclusie

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof bewezen dat de verdachte zich aan de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair (poging tot doodslag, meermalen gepleegd), 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft schuldig gemaakt.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van

poging tot moord en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair en 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van

poging tot moord en

poging tot doodslag, meermalen gepleegd en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft twee keer geprobeerd [slachtoffer 1] doelbewust van het leven te beroven door met een (semi-)automatisch wapen te schieten op de auto waarin [slachtoffer 1] zat. Bij de eerste aanslag is de verdachte met een auto naast de auto van het slachtoffer gaan rijden en heeft hij met een Uzi, die stond op een stellage op de passagiersstoel in de auto, door het geopende raam van die auto gericht op het slachtoffer geschoten. Bij de tweede aanslag heeft de verdachte vanachter een schakelkast achter de vangrail meermalen op (de auto van) het slachtoffer geschoten. Zowel bij de eerste als bij de tweede aanslag zat het slachtoffer niet alleen in de auto. De eerste keer bevond zich naast hem op de passagiersstoel een vriend van hem, [betrokkene 1] , en de tweede keer was het slachtoffer in gezelschap van zijn vrouw [slachtoffer 2] en zoon [slachtoffer 3] . De verdachte heeft er niet voor teruggedeinsd hen mee te nemen in zijn plan om [slachtoffer 1] te doden. Deze feiten hadden verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben en de slachtoffers mogen dan ook van geluk spreken dat het wapen van de verdachte de eerste keer blokkeerde en dat zij de tweede aanslag hebben overleefd. De slachtoffers zijn daarbij letterlijk aan de dood ontsnapt. Bij de tweede aanslag is [slachtoffer 1] in zijn knieën geraakt en heeft hij ernstig letsel opgelopen. Hij heeft twee knieprothesen en als gevolg van een operatie constante zenuwpijn. Het [slachtoffer 1] zit inmiddels in een rolstoel en heeft zijn vroegere leven niet meer kunnen oppakken. Doordat de pijn ondraaglijk is, moet zijn been mogelijk worden geamputeerd. Bovendien zal door de psychische gevolgen van de traumatische feiten het leven voor het [gezin] niet meer worden zoals het was, zo blijkt ook uit hun slachtofferverklaringen.

Voorts weegt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf mee dat de verdachte geen enkele duidelijkheid heeft verschaft over zijn handelen. De verdachte heeft daarmee geen spijt getoond richting de slachtoffers en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Het hof leidt uit de opgenomen gesprekken af dat de verdachte meende dat er bij [slachtoffer 1] veel (verborgen) geld te halen viel. Ook zijn in die gesprekken aanwijzingen te vinden dat de verdachte nog een derde keer wilde proberen om [slachtoffer 1] om het leven te brengen.71 De wijze waarop de verdachte in die gesprekken spreekt over een derde ‘actie’ op [slachtoffer 1] in relatie tot het verkrijgen van geld, is schrijnend en getuigt van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een ander. Dat daarbij ook anderen slachtoffer kunnen worden van zijn handelen, belet hem er niet van te trachten zijn plan tot uitvoering te brengen. Zo heeft de verdachte bij de tweede aanslag gezien dat [slachtoffer 1] met zijn vrouw en kind in de auto zat, maar heeft dat hem er niet van weerhouden meermalen met een (semi-)automatisch wapen op die auto te schieten. Bovendien vonden de aanslagen plaats op de openbare weg op momenten dat er ook ander verkeer was. Dat is schokkend en draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit alles maakt dat de verdachte imponeert als een gewetenloze man, die bovendien toegang had tot en beschikte over een grote hoeveelheid aan wapens, munitie en explosieven. De verdachte is bereid deze middelen in te zetten om zijn doel te bereiken en gaat daarbij koelbloedig te werk. Het hof stelt vast dat de verdachte daarmee een groot gevaar vormt voor de maatschappij.

Het [slachtoffer 1] is een man die heeft toegegeven in het verleden criminele activiteiten te hebben verricht. Die omstandigheid doet geenszins af aan de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte. Daarmee komen de onderhavige feiten wel in de sfeer terecht van liquidaties in het criminele milieu. De samenleving heeft er baat bij dat aan dit soort feiten een halt wordt toegeroepen. De kille afrekeningen in het criminele milieu spelen zich immers geregeld in het openbaar af, waardoor mensen die volkomen buiten het conflict staan, ook in gevaar worden gebracht. Dat was bij beide pogingen hier ook het geval.

Moord behoort dan ook tot de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. De wetgever heeft voor moord dan ook als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd. In de onderhavige zaak is sprake van twee pogingen tot moord en twee pogingen tot doodslag.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk ter zake van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie is veroordeeld, doch niet in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten. Het hof zal die veroordelingen dan ook niet in strafverzwarende zin meewegen.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 28 december 2016 en de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde alsmede de hierboven beschreven omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, met het oog op een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor zeer lange duur met zich brengt. Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. Het hof komt uit op een iets lagere straf dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaten-generaal hebben gevorderd vanwege het feit dat het hof ten opzichte van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet komt tot een poging tot moord maar een poging tot doodslag. De verlaging van de straf is beperkt, omdat de verdachte, wetende dat zijn doelwit, [slachtoffer 1] , vrouw en kind dichtbij in zijn auto had, toch meermalen met een automatisch vuurwapen op die auto heeft geschoten en daarmee een verschrikkelijk en onaanvaardbaar aanmerkelijk risico heeft genomen dat ook deze twee onschuldige levens zouden worden genomen. Hierbij past een zware straf.

Met betrekking tot het procesverloop in eerste aanleg en hoger beroep overweegt het hof het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 25 augustus 2016 in verzekering is gesteld. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 24 juli 2018 vonnis gewezen. Diezelfde dag is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 18 november 2020 – einduitspraak. De tijd tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van het vonnis in eerste aanleg bedraagt 23 maanden. De redelijke termijn is daarmee met 7 maanden overschreden. De behandeling van de zaak in hoger beroep bedraagt ongeveer 28 maanden, zodat de redelijke termijn met 12 maanden is overschreden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de duur van de gevangenisstraf zal worden gematigd van 23 jaren tot 22 jaren.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Beslag

De in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten munitie, met betrekking tot welke het onder 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair en 6 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Voorts zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten van de in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een statief, navigator en een sleutelbos.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 194.847,54, bestaande uit
€ 144.847,54 aan materiële schade en € 50.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding (het hof: de advocaat van de benadeelde partij, [advocaat] , heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 november 2020 medegedeeld dat daarmee wordt bedoeld: 1 maart 2016) ter zake van materiële schade respectievelijk vanaf 1 maart 2016 ter zake van de immateriële schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 92.617,54, bestaande uit € 42.617,54 aan materiële schade en
€ 50.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij voormeld vonnis is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van de materiële schade ad € 144.847,54 is als volgt opgebouwd:

  1. Ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 1.970,00

  2. Medische kosten: € 878,96

  3. Reis- en parkeerkosten: € 4.163,31

  4. Kledingschade: € 1.299,85

  5. Verlies van arbeidsvermogen en trainingskosten: € 50.050,00

  6. Huishoudelijke hulp: € 3.660,00

  7. Mantelzorg: € 16.110,00

  8. Verlies zelfwerkzaamheid: € 61.540,00

  9. Extra stookkosten: € 4.056,50

  10. Kosten ten behoeve van herstel: € 904,00

  11. Overige kosten: € 215,37

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de medische kosten voldoende zijn onderbouwd en de overige posten aan materiële schade worden betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks vermogensschade heeft geleden.

Ten aanzien van de ziekenhuisdaggeldvergoeding (post 1) overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij is opgenomen in het ziekenhuis van 1 maart 2016 tot en met 7 maart 2016, 8 maart 2016 tot en met 3 mei 2016, 6 februari 2017 tot en met 8 februari 2017 en 2 februari 2018 tot en met 7 februari 2018. De Letselschaderaad hanteert in haar Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding een standaard dagvergoeding van € 28,00. Per 1 januari 2018 is het normbedrag gewijzigd en vastgesteld op € 30,00 per dag. Het hof zal de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 1.970,00 toewijzen.

Voorts is het hof van oordeel dat de medische kosten (post 2) zijn aan te merken als geleden verlies als bedoeld in artikel 6:96, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof acht de medische kosten in zijn geheel het rechtstreeks gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte en acht hem aansprakelijk voor deze schade. Het hof wijst in dat verband op de als productie 4 bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde facturen van de huur van voorzieningen en het verbruik van het eigen risico in 2016 en 2017. Het hof zal de vordering tot vergoeding van die schade toewijzen tot het gevorderde bedrag van in totaal (€ 292,00 + € 385,00 + € 201,96 =) € 878,96.

Ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten (post 3) is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat hij diverse keren zijn medisch behandelaars en advocaat heeft moeten bezoeken. Ook zijn familie heeft hem tijdens de opnames in het ziekenhuis iedere dag bezocht. Namens de benadeelde partij is daarvoor een bedrag van € 4.163,31 aan gemaakte reis- en parkeerkosten gevorderd. Uit de schadestaat die als productie 4 bij het verzoek tot schadevergoeding is gevoegd, blijkt dat een (deels geschat) bedrag van € 220,00 is gevorderd voor de parkeergelden die (bij het ziekenhuis) zijn betaald. Uit de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding blijkt echter dat de hierboven toegewezen daggeldvergoeding mede is bedoeld ter dekking van het parkeergeld van familiebezoek. Om die reden is het hof van oordeel dat dat deel van het gevorderde bedrag aan reis- en parkeerkosten dient te worden afgewezen. Ten aanzien van het overige is het hof van oordeel dat deze kosten aannemelijk zijn en de verdachte aansprakelijk is voor deze schade. Het bedrag ter vergoeding van de reis- en parkeerkosten zal derhalve worden toegewezen tot een totaalbedrag van (€ 4.163,31 – € 220,00 =) € 3.943,31.

Met betrekking tot de kledingschade (post 4) is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat de kleding van de benadeelde partij in het ziekenhuis werd kapot geknipt en de schoenen van de benadeelde partij in beslag zijn genomen door de politie. Namens de benadeelde partij is gevorderd een totaalbedrag van € 1.299,85 aan schade aan de kleding. Als productie 4 zijn gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding een kopiebon voor de aankoop van jeans en een sweatshirt vest van 20 oktober 2015 ter hoogte van € 209,90 en een kopiebon van de aankoop van een jas en trui van het merk Stone Island van 4 december 2015 ter hoogte van € 960,00. Het hof stelt vast dat de kopiebon voor de aankoop van de jeans en het sweatshirt vest op naam van klant [slachtoffer 2] met e-mailadres [e-mailadres] is gesteld. Daaruit kan worden afgeleid dat de partner van de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , de betreffende kledingstukken heeft aangeschaft. Om die reden acht het hof het niet aannemelijk dat die schade vervolgens door de benadeelde partij is geleden. De schade ten aanzien van de jas en trui, waarvan de kopiebon op naam van [slachtoffer 1] is gesteld, en schoenen zal het hof – zoals verzocht namens de benadeelde partij en mede gelet op de afschrijving van de waarde van de kledingstukken sinds de aanschaf daarvan en het moment van het ontstaan van de schade – schatten op een bedrag van
€ 500,00 en in zoverre toewijzen. Het hof zal het meer gevorderde bedrag van (€ 1.299,85 – € 500,00 =) € 799,85 afwijzen.

Ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen en trainingskosten ad € 50.050,00 (post 5) en verlies van zelfwerkzaamheid, kosten voor externe paardenhulp, stalwerkzaamheden en werkzaamheden die de zoon van [slachtoffer 1] heeft verricht ad € 61.540,00 (post 8) is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat deze kosten zien op het bedrijf dat de benadeelde partij samen met zijn echtgenote [slachtoffer 2] zou hebben. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 16 mei 2018 blijkt echter dat sprake is van een eenmanszaak, genaamd [bedrijf] , en dat [slachtoffer 2] daarvan eigenaar is. Daarmee valt de schade in beginsel formeel juridisch gezien bij de echtgenote van de benadeelde partij. Het hof wijst in dat verband voorts op de nota’s die ter onderbouwing van de bedoelde kosten aan het verzoek tot schadevergoeding zijn gehecht, die telkens op naam zijn gesteld van [bedrijf] . Verder is de overeenkomst met [betrokkene 11] met betrekking tot de stalwerkzaamheden verricht in de periode van maart tot en met juni 2016 ondertekend door [slachtoffer 2] en niet (mede) ondertekend door de benadeelde partij. Het hof is van oordeel dat het onvoldoende informatie heeft om de onderliggende vermogensrechtelijke verhoudingen binnen het bedrijf te kunnen beoordelen en te bepalen welk deel van de bedrijfsschade als schade van de benadeelde partij zelf moet worden aangemerkt. De benadeelde partij heeft het verlies van arbeidsvermogen dat hij persoonlijk heeft geleden ook niet onderbouwd aan de hand van aangiften van inkomstenbelasting. Het hof is dan ook van oordeel dat behandeling van dit gedeelte van de vordering ad (€ 50.050,00 +
€ 61.540,00 =) € 111.590,00 een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande ziet het hof evenmin aanleiding voor een deel van deze gevorderde kosten (bij wijze van voorschot) de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Voorts is namens de benadeelde partij een vergoeding voor de huishoudelijke hulp ad
€ 3.660,00 (post 6) en een vergoeding voor mantelzorg van in totaal (€ 1.260,00 + € 4.410,00 + € 2.016,00 + € 5.544,00 + € 2.016,00 + € 864,00 =) € 16.110,00 (post 7) gevorderd. Ter onderbouwing van (de hoogte van) die schade is de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp als bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegd. In die Richtlijn wordt de schadevergoeding voor de kosten van huishoudelijke hulp vastgesteld volgens de volgende formule: normbedrag volgens mate van beperking x bijdrage in het huishouden vóór het ongeval. Het hof merkt daarbij op dat die Richtlijn kennelijk – gezien de formulering van het woord ‘ongeval’ – uitgaat van schade veroorzaakt door een ongeval, terwijl in de onderhavige zaak sprake is van schade die het rechtstreeks gevolg is van een misdrijf gepleegd door de verdachte. Voor een gezin met inwonende kinderen ouder dan 5 jaar, waarbij de benadeelde zwaar beperkt is tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, geldt voor de eerste drie maanden een normbedrag van € 280,00. Daarbij wordt uitgegaan van twee kinderen per gezin. De benadeelde partij en zijn echtgenote [slachtoffer 2] hebben één inwonend kind. Blijkens de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding leverde de benadeelde partij vóór het ongeval (het hof begrijpt: vóór het onder 2 primair bewezenverklaarde feit) een bijdrage van 20% in het huishouden. Het normbedrag voor de eerste drie maanden wordt daarmee vastgesteld op: € 280,00 x 20% =
€ 56,00 per week. Namens de benadeelde partij is voor huishoudelijke hulp een bedrag van € 30,00 per week gevorderd. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het gevorderde bedrag redelijk is, ook voor de periode na de eerste drie maanden. Het hof wijst in dat verband op de omstandigheid dat de mate van beperking van het vermogen van de benadeelde partij tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden niet is veranderd. Datzelfde geldt ten aanzien van de vergoeding voor de mantelzorg van de benadeelde partij. Uit de Richtlijn blijkt dat een uurtarief van € 9,00 voor de eerste zes maanden redelijk wordt geacht. Voorts is het hof niet gebleken dat de verzekeraar een deel van de kosten in de daaropvolgende maanden heeft vergoed. Het hof zal derhalve het gevorderde bedrag aan kosten voor huishoudelijke hulp ad € 3.660,00 en mantelzorg ad € 16.110,00 toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde extra stookkosten ad € 4.065,05 (post 9) is namens de benadeelde partij aangevoerd dat hij niets kan en eigenlijk alleen maar thuis zit, waardoor hij in 2017 extra gas heeft verbruikt. Ter onderbouwing van die kosten is een eindafrekening van de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 ad € 4.065,05 bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegd. Het hof stelt vast dat uit de stukken niet is af te leiden wat de kosten van het gasverbruik in de periode voorafgaand aan het onder 2 primair bewezenverklaarde zijn geweest. Het hof zal de extra stookkosten derhalve schatten op een bedrag van € 1.000,00 en in zoverre toewijzen. Het hof zal het meer gevorderde bedrag van (€ 4.056,05 – € 1.000,00 =) € 3.056,05 afwijzen.

Ten aanzien van de kosten ten behoeve van herstel (post 10) is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat hij voor zijn spieropbouw en conditie viermaal per week naar de [sportschool] in [plaats 1] gaat. De kosten voor het abonnement van de benadeelde partij, dat loopt van 17 september 2016 tot en met 17 september 2018 , bedragen € 904,00. Ter onderbouwing daarvan is een nota van [sportschool] , op naam van de benadeelde partij, als bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegd. Het hof is van oordeel dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte en acht hem aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de vordering van deze schade ad € 904,00 toewijzen.

In het kader van de overige kosten (post 11) is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat hij zijn auto na het schietincident heeft moeten laten reinigen door een schadebedrijf om het bloed uit de auto te krijgen. Uit de als productie 4 bijgevoegde factuur van [schadebedrijf] blijkt dat de kosten voor het reinigen van de Mercedes-Benz Viano, voorzien van [kenteken] , met schadedatum 1 maart 2016 € 121,00 bedragen. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 22 maart 2016, met bijlagen, blijkt dat [verbalisant 4] en [verbalisant 3] bloed op de vloer aan de bestuurderszijde van de auto zagen liggen (dossierpagina’s 387-407). Derhalve ziet het hof aanleiding ter zake daarvan het gevorderde bedrag ad € 121,00 toe te wijzen. Voorts stelt het hof vast dat de benadeelde partij kosten heeft moeten maken voor het tweemaal opvragen van zijn medisch dossier bij het ziekenhuis te [plaats 2] en het eenmaal opvragen daarvan bij zijn huisarts. Uit de als productie 4 bijgevoegde nota’s blijkt dat daarvoor in totaal (€ 17,55 + € 25,70 + 51,12 =)
€ 94,37 in rekening is gebracht. Het hof zal ook dat gevorderde bedrag toewijzen.

Derhalve zal het hof het totaal gevorderde bedrag van (€ 121,00 + € 94,37 =) € 215,37 aan overige kosten toewijzen.

In totaal is de verdachte tot vergoeding van materiële schade gehouden tot een bedrag van
(€ 1.970,00 + 878,96 + 3.943,31 + € 500,00 + € 3.660,00 + € 16.110,00 + € 1.000,00 +
€ 904,00 + € 215,37 =) € 29.181,64, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De verdachte heeft een dusdanig inbreuk op fundamentele rechten – in casu de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit – van de benadeelde partij gemaakt dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd. Het hof ziet in de aard en de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, zoals gebleken uit de toelichting op de immateriële schade in het verzoek tot schadevergoeding van 19 juni 2018 en de schriftelijke slachtofferverklaring van 3 juni 2018, aanleiding de vergoeding voor de immateriële schade toe te kennen.

Uit de toelichting op de immateriële schade en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de knieën van de benadeelde partij totaal zijn verbrijzeld en dat hij ondanks de protheses en zware medicatie dagelijks erg veel pijn lijdt. Het is nog maar de vraag of hij ooit weer kan lopen. Sociaal gezien komt de benadeelde partij, afgezien van zijn bezoeken aan behandelaars, nergens meer. Hij ervaart – mede door zijn arbeidsongeschiktheid – geen levensvreugde meer. De benadeelde partij runde sinds 2003 samen met zijn vrouw een manege. Door zijn ernstige verwondingen is de benadeelde partij niet langer in staat om paard te rijden en het lukt de vrouw van de benadeelde partij niet om in haar eentje het bedrijf draaiende te houden. Zij zijn daardoor genoodzaakt om te stoppen met hun bedrijf en daarom staat het woonhuis met stallen te koop. De benadeelde partij ervaart klachten behorende bij een posttraumatische stressstoornis en secundair een ernstige depressieve stoornis. Hij slaapt zeer slecht, schrikt wakker bij het minste geluid en heeft vaak nachtmerries c.q. herbelevingen. Deze klachten zijn ontstaan nadat de benadeelde partij is beschoten door de verdachte en daar blijvend letsel aan heeft overgehouden. De benadeelde partij heeft EMDR-therapie gevolgd en heeft naar aanleiding van deze behandeling enige tijd rust ervaren, maar dit was slechts van korte duur. De benadeelde partij wordt nog immer belemmerd door zijn angsten. Hij gaat zich steeds meer isoleren, neemt meer veiligheidsmaatregelen en heeft moeite met de realiteitstoetsing. Hij merkt dat steeds meer trauma gerelateerde beelden naar boven komen. Enerzijds is dus sprake van reële angst, anderzijds blijven ook de herbelevingen opspelen. Wat deze angsten versterkt, is dat dit schietincident niet de eerste poging van de verdachte was om de benadeelde partij van het leven te beroven. De benadeelde partij heeft naar voren gebracht dat hij voor het leven is getekend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 50.000,00.

Totale schade en wettelijke rente

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van (€ 29.181,64 + € 50.000,00 =) € 79.181,64.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2018 – zijnde de datum waarop de vordering is ingediend – tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 – zijnde de datum waarop het onder 2 primair bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden en de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 79.181,64. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna te noemen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag van algehele betaling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De verdachte heeft een dusdanige inbreuk op fundamentele rechten – in casu de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit – van de benadeelde partij gemaakt dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder sub b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd. Het hof ziet in de aard en de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, zoals is gebleken uit de toelichting op de immateriële schade in het verzoek tot schadevergoeding d.d. 19 juni 2018 en de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 3 juni 2018, aanleiding de vergoeding voor de immateriële schade toe te kennen.

Uit de toelichting op de immateriële schade en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de schietpartij een onuitwisbare indruk op de benadeelde partij heeft gemaakt. Ruim twee jaar later wordt zij nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de schietpartij. Op momenten is de benadeelde partij heel angstig. Nog steeds als zij met haar man in het donker in de auto zit, is zij ontzettend bang. Dan schieten de beelden weer door haar hoofd en herbeleeft zij het moment. De situatie heeft haar leven voorgoed veranderd en daar zal zij mee moeten leren leven. Zij zal moeten accepteren dat veel dingen anders zijn dan voorheen en dat kost tijd. De benadeelde partij hoopt dat zij als gezin ooit weer rust krijgen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 2.500,00.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 – zijnde de datum waarop het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden en de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna te noemen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag van algehele betaling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De verdachte heeft een dusdanige inbreuk op fundamentele rechten – in casu de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit – van de benadeelde partij gemaakt dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder sub b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd. Het hof ziet in de aard en de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, zoals is gebleken uit de toelichting op de immateriële schade in het verzoek tot schadevergoeding d.d. 19 juni 2018 en de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 3 juni 2018, aanleiding de vergoeding voor de immateriële schade toe te kennen.

Uit de toelichting op de immateriële schade en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de schietpartij een onuitwisbare indruk op de benadeelde partij heeft gemaakt. Het leven van de benadeelde partij is na de schietpartij compleet veranderd. De verdachte heeft bij de benadeelde partij gevoelens van (doods)angst, paniek, ontzetting en onveiligheid veroorzaakt. De benadeelde partij heeft na het schietincident een poos niet alleen durven slapen en sliep daarom bij zijn moeder in bed. Daarnaast was hij ook heel erg bang op de bewuste plaats waar alles was gebeurd en was hij bang omdat zijn vader in het ziekenhuis was en zijn moeder en hij alleen thuis waren. Verder vindt hij het erg dat zij als gezin geen sportieve dingen meer met elkaar kunnen doen. Door alles wat er is gebeurd, is de benadeelde partij verbitterd en kan hij niet meer zo onbezonnen en vrolijk zijn als voorheen. Hij schrijft in zijn slachtofferverklaring dat hij een jongen van 14 jaar is die zou moeten genieten van het leven, maar dat niet meer echt kan. Ook is hij een aantal vrienden kwijtgeraakt, omdat het een zeer onzekere en angstige periode was. Mede daardoor vindt hij het lastig om mensen te vertrouwen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 2.500,00.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 – zijnde de datum waarop het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden en de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna te noemen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair impliciet subsidiair, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8281NL, 753232;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8282NL, 753235;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8283NL, 753242;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8284NL, 753243;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8285NL, 753245;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8286NL, 753246;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8287NL, 753247;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8288NL, 753248;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8289NL, 753250;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8290NL, 753251;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8291NL, 753274;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8292NL, 753275;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8293NL, 753278;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, AAJJ8294NL, 753279;

- 1.00 STK Munitie, huls, flessenhals, 753280;

- 1.00 STK Munitie, projectiel, AAJJ8278NL, 753308;

- 1.00 STK Munitie, projectiel, AAJJ8279NL, 753312;

- 2.00 STK Munitie, projectiel, AAJJJ9246NL, 754181;

- 1.00 STK Munitie, projectiel, AAIA8607NL, 532452.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Statief, staal, 847412;

- 1.00 STK Navigator, 753188;

- 1.00 STK Sleutelbos, NEMEF, 8 sleutels, 400198.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 79.181,64 (negenenzeventigduizend honderdeenentachtig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 29.181,64 (negenentwintigduizend honderdeenentachtig euro en vierenzestig cent) aan materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 4.075,90 (vierduizend vijfenzeventig euro en negentig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 79.181,64 (negenenzeventigduizend honderdeenentachtig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 29.181,64 (negenentwintigduizend honderdeenentachtig euro en vierenzestig cent) aan materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 290 (tweehonderdnegentig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 juni 2018

en van de immateriële schade op 1 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2016.

Aldus gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. B. Stapert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Karsdorp, griffier,

en op 18 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, Team Grootschalige Opsporing, LB1R016022, afgesloten d.d. 5 juli 2017, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 3522.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2016, pg. 1386-1387.

3 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1256 en het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 15 maart 2017, pg. 1388-1395 (op pg. 1389).

4 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 12 oktober 2016, pg. 1376-1383.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] d.d. 21 september 2016, pg. 239-245.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 15 september 2016, pg. 1436-1440.

7 Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding d.d. 3 oktober 2016, pg. 1352-1354.

8 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 29 december 2014, pg. 1320-1321.

9 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 29 december 2014, pg. 1318-1319.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 29 december 2014, pg. 1568-1570.

11 Het herzien NFI-rapport munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van munitie in Echt op 29 december 2014 van [deskundige] , MSc d.d. 1 augustus 2017, pg. 2911-2912.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [deskundige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 23 april 2020.

13 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 3 maart 2016, met bijlagen, pg. 1357-1365.

14 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 3 maart 2016, met bijlage, pg. 146-150.

15 Noot griffier: de situatiefoto op dossierpagina 1365 is als bijlage 1 aan het arrest gehecht.

16 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 3 maart 2016, met bijlagen, pg. 1357-1365.

17 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 2 maart 2016, pg. 1404-1405.

18 Noot griffier: de foto in bijlage 1 op dossierpagina 164 is als bijlage 2 aan het arrest gehecht.

19 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] d.d. 3 maart 2016, met bijlagen, pg. 160-165.

20 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 22 maart 2016, met bijlagen, pg. 387-407.

21 Noot griffier: de foto op dossierpagina 380 is als bijlage 3 aan het arrest gehecht.

22 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 april 2016, met bijlagen, pg. 364-385.

23 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 7 april 2016, met bijlagen, pg. 426-435.

24 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 april 2016, met bijlagen, pg. 364-385.

25 Het NFI-rapport munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Ohé en Laak gemeente Maasgouw op 1 maart 2016 van [deskundige 2] d.d. 20 oktober 2016, pg. 500-506.

26 Het geschrift medische informatie van [deskundige 3] , forensisch arts, d.d. 22 juni 2017, pg. 137-138.

27 De brief van dr. [deskundige 4] d.d. 18 juni 2018.

28 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor verdachte [betrokkene 4] d.d. 24 november 2016, pg. 1024-1055 en wel op pg. 1034-1035.

29 Het proces-verbaal van bevindingen raadplegen BVH processen 2014173261 en 2016038195 (pogingen tot liquidatie [slachtoffer 1] ) door verdachte [betrokkene 4] d.d. 18 oktober 2016, met bijlagen, pg. 2081-2090.

30 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2014, pg. 1312-1313 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2014, pg. 1314-1315.

31 Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding d.d. 3 oktober 2016, pg. 1352-1354.

32 Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 1] d.d. 15 september 2016, pg. 1436-1440.

33 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2017, pg. 1397.

34 Aldus de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2020.

35 Door het hof gehoord bij het afspelen van het fragment [270716-155602 (UTC+1) – bewerkt] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 november 2020 en daar aldus medegedeeld.

36 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1263 en 1271.

37 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1274.

38 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1275.

39 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1276.

40 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1283.

41 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1277.

42 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1274.

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 4] d.d. 24 november 2016, pg. 1073-1083 en wel op pg. 1079.

44 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 5 september 2016, pg. 1371-1375.

45 Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 7] d.d. 8 september 2016, pg. 1512-1517.

46 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor verdachte [betrokkene 4] d.d. 24 november 2016, pg. 1024-1055 en wel op pg. 1043.

47 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1284.

48 Zoals verstrekt van de zijde van het Openbaar Ministerie bij e-mailbericht d.d. 16 oktober 2020.

49 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 oktober 2020.

50 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1278.

51 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1279.

52 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor verdachte [betrokkene 4] d.d. 24 november 2016, pg. 1024-1055 en wel op pg. 1039.

53 Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 27 januari 2020, pg. 17.

54 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1264.

55 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor verdachte [betrokkene 4] d.d. 24 november 2016, pg. 1024-1055 en wel op pg. 1039.

56 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1263, 1265, 1269 en 1275.

57 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 1 februari 2017, pg. 2484-2486.

58 Het proces-verbaal van observatie d.d. 2 augustus 2016, pg. 2271-2276 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017, met bijlage, pg. 716-718.

59 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017, met bijlage, pg. 716-718 en het proces-verbaal van verhoor [getuige 5] d.d. 2 februari 2017, met bijlagen, pg. 2504-2519.

60 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 1 februari 2017, pg. 2484-2486, het NFI-rapport explosievenonderzoek aan vermeende explosieven materiaal uit een kelderbox van een woning in Echt op 27 januari 2017 van [deskundige 5] d.d. 15 mei 2017, met bijlage, pg. 2281-2301, het informatierapport sectie 2 EOD, pg. 2520-2552, het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing Expertise Wapens, Munitie en Explosieven, d.d. 16 maart 2017, pg. 2588-2609 en het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 10 juli 2017, pg. 2913-2926.

61 De deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van dr. [deskundige 6] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, d.d. 14 februari 2017, pg. 2277-2280.

62 Het proces-verbaal van de Forensische Opsporing, Expertise Wapens, Munitie en Explosieven d.d. 23 januari 2016, pg. 2309-2317, het aanvullend proces-verbaal Forensische Opsporing, Expertise Wapens, Munitie en Explosieven d.d. 7 maart 2017, pg. 2319, het geschrift omschrijving goed, pg. 3018, de Kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering met datum van registratie 23 november 2016 pg. 3085-3086 en het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 27 januari 2020, pg. 20.

63 Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 10] d.d. 24 januari 2017, pg. 1477-1487.

64 Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 10] d.d. 16 mei 2017, pg. 1509-1511.

65 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 15 maart 2017, pg. 1388-1395 en het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 16 mei 2017, pg. 1401-1403.

66 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 16 mei 2017, pg. 1401-1403.

67 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 3 maart 2016, met bijlagen, pg. 1357-1365.

68 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1271.

69 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1271.

70 Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2017, pg. 1271.

71 Zie onder 2.2 sessie met nummer 14438.