Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3528

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
200.233.105_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4436
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4978
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:1335
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:212
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2130
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenkomst (art. 217-219a Rv). Hoger beroep. Belangvereiste.

Diverse andere processuele verwikkelingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 217
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 218
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 219a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0285
JERF Actueel 2020/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.105/02

arrest van 17 november 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellant sub 1,

hierna aan te duiden als: [appellant] ,

advocaat: mr. R. Dhalganjansing te 's-Gravenhage,

en

2. mr. P.R. Dekker i.z.h.v. (opvolgend) vereffenaar in de nalatenschap van [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellant sub 2,

hierna aan te duiden als: de vereffenaar,

[appellante] hierna aan te duiden als: moeder,

advocaat: mr. P.R. Dekker te Rosmalen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.C.J. Peeters te Maastricht,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 13 november 2018 en 12 maart 2019 in het door moeder en [appellant] bij appeldagvaarding van 1 februari 2018 ingestelde hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/320433/HA ZA 17-286 gewezen vonnis van 3 januari 2018 (vonnis 3).

8 Het verloop van de procedure

8.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 maart 2019;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] van 17 december 2019 tot hervatting rechtsgeding (art. 227 Rv);

  • -

    de akte van de vereffenaar van 11 februari 2020 tot overnemen hoger beroep door vereffenaar, inbreng productie, verzoek rolvoeging met zaak 200.230.960/02 en intrekken hoger beroep (art. 129 Rv);

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 17 maart 2020;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] van 14 april 2020 tevens akte overlegging productie voor pleidooi, met als productie 9: bijlagen 201 t/m 382;

  • -

    het H-16 formulier van [geïntimeerde] voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest en bezwaar tegen mondeling pleidooi, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi);

  • -

    het H-16 formulier van de vereffenaar voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi);

  • -

    het H-14 formulier van de vereffenaar voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest en bezwaar tegen mondeling pleidooi, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi).

8.2.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten, waarbij alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

[appellant] diende, als partij die pleidooi had gevraagd, het volledige procesdossier te fourneren. Hij heeft echter uitsluitend in viervoud de bijlagen 201 - 382 op papier (en de bijlagen 40 – 382 digitaal) aangeleverd. Dat betekent dat het hof recht zal doen op de stukken zoals die zich in het griffiedossier bevinden. In het griffiedossier ontbrak de antwoordakte die [geïntimeerde] in eerste aanleg in het door [appellant] opgeworpen incident heeft genomen. Nadat mr. Dhalganjansing niet had voldaan aan het herhaalde verzoek van het hof tot overlegging van deze akte heeft het hof die akte rechtstreeks bij mr Peeters opgevraagd en verkregen. Daags vóór de zitting heeft mr. Dhalganjansing alsnog de antwoordakte overgelegd. Mr. Dhalganjansing had bij het aanbrengen van de zaak in hoger beroep voorts wel de dagvaarding uit eerste aanleg van [geïntimeerde] in het geding gebracht, evenwel zonder producties. Deze producties heeft het hof vervolgens eveneens van mr. Peeters verkregen. De door [appellant] in het geding gebrachte bijlagen bevatten niet steeds het volledige document (bijv. bijlage 3 de akte van verdeling van 31 december 2007) in welk geval zo’n bijlage niet bruikbaar is.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij genoemd tussenarrest van 12 maart 2019 heeft het hof vastgesteld dat het geding is geschorst vanaf 18 december 2018 in verband met het overlijden van moeder op 5 augustus 2018 (art. 225 lid 1 onder a en c Rv).

De vereffenaar is bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 mei 2019 als opvolgend vereffenaar van de nalatenschap van moeder benoemd.

Op de zitting van 17 december 2019 is de procedure hervat. [geïntimeerde] en de vereffenaar hebben op die rolzitting (opnieuw) advocaat gesteld. [appellant] heeft op een latere rolzitting opnieuw advocaat gesteld.

9.2.

Het gaat in dit geding om het navolgende.

a. [vader] (hierna: vader) is op 10 oktober 2007 overleden. Vader heeft bij een op 29 november 2005 opgemaakt testament (prod. 1 [geïntimeerde] ; bijlage 345 [appellant] ) over zijn nalatenschap beschikt. [geïntimeerde] , [appellant] en moeder zijn de erfgenamen van vader. Bij notariële akte van 31 december 2007 is de nalatenschap verdeeld (prod. 3 [geïntimeerde] ) . Daarbij is de gehele nalatenschap aan moeder toebedeeld en is aan [geïntimeerde] en [appellant] ieder een geldvordering toebedeeld ter hoogte van de waarde van hun erfdeel onder de last van het vruchtgebruik van moeder op de helft van deze geldvorderingen. De geldvorderingen van [geïntimeerde] en [appellant] zijn vastgesteld op ieder € 938.439,91. Die geldvorderingen en de daarover verschuldigde rente zouden alleen opeisbaar worden onder bepaalde omstandigheden, zoals overlijden of faillissement van moeder.

b. Bij inleidende dagvaarding van 13 april 2017 vordert [geïntimeerde] in de onderhavige procedure in de hoofdzaak - kort gezegd – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: moeder te veroordelen tot betaling van € 945.786,--, te vermeerderen met een enkelvoudige rente van 6% per jaar te berekenen over € 626.560,81 vanaf 1 maart 2017 tot de dag van betaling, onder de voorwaarde dat is voldaan aan de in het testament omschreven opeisbaarheidsgronden,

Subsidiair: moeder te veroordelen tot betaling van een zodanig bedrag en op zodanige voorwaarden als de rechtbank juist acht;

2 een verklaring voor recht dat de hiervoor vermelde vordering niet is bezwaard met een recht van vruchtgebruik ten gunste van moeder,

meer in het bijzonder: een verklaring voor recht dat het recht van vruchtgebruik zoals is opgenomen in de akte van verdeling van de nalatenschap van 31 december 2007 nietig

is c.q. niet rechtsgeldig is gevestigd;

3. moeder te veroordelen in de proceskosten (waaronder beslagkosten), te vermeerderen met wettelijke rente;

4. moeder te veroordelen in de nakosten.

c. Bij conclusie van antwoord heeft moeder een incidentele vordering tot opheffing van door [geïntimeerde] gelegde beslagen ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4436 (vonnis 1), de incidentele vordering afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij onder meer:

2.2. Moeder heeft inmiddels de vordering van [appellant] volledig afgelost. Een groot deel van het daarna resterend vermogen van moeder is ook op naam van [appellant] gezet. Volgens moeder betrof dat de aflossing van de vordering van [geïntimeerde] , die door [appellant] in zijn hoedanigheid van toegevoegd executeur is aanvaard. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zijn geldvordering daarmee niet rechtsgeldig is afgelost. [geïntimeerde] heeft na daartoe verkregen verlof conservatoir beslag laten leggen op de woning van moeder en onder ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank U.A.. In de hoofdzaak vordert [geïntimeerde] onder meer een voorwaardelijke veroordeling van moeder tot betaling van de geldvordering van [geïntimeerde] (onder de voorwaarde dat moeder overlijdt, failliet gaat e.d.). Moeder voert in de hoofdzaak onder meer als verweer dat de geldvordering van [geïntimeerde] niet meer bestaat omdat die volledig is afgelost.’

d. [appellant] is van dit tussen moeder en [geïntimeerde] gewezen incidentele vonnis in hoger beroep gegaan (zaaknummer hof: 200.231.427/01). Nadat partijen hun zaak mondeling hadden bepleit heeft dit hof bij arrest van 26 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2761, [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep omdat [appellant] geen partij was in de procedure die tot het bewuste vonnis had geleid. Het subsidiaire verzoek van [appellant] om in dat geval zijn appeldagvaarding in deze zaak aan te merken als incidentele conclusie tot tussenkomst in de zaak met het nummer 200.230.960/02, heeft het hof afgewezen nu die vordering tot tussenkomst niet in de juiste vorm en in de verkeerde procedure is ingediend.

Het hof heeft [appellant] vervolgens in de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. Het hof overwoog daarbij onder meer:

6.11. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof sprake van misbruik van procesrecht. [appellant] had het instellen van het hoger beroep, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moeten laten.

Tijdens het pleidooi, waarom [appellant] had verzocht, heeft mr. Dhalganjansing zich, ondanks dat het hof er diverse keren op had gewezen dat het alleen over de ontvankelijkheid van [appellant] in het door hem ingestelde hoger beroep ging, nagenoeg niet over de ontvankelijkheid uitgelaten. Tijdens het pleidooi heeft mr. Dhalganjansing wel erkend dat moeder in hoger beroep moest komen van het bestreden vonnis omdat hij anders namens [appellant] helemaal geen beroep kon instellen’.

e. Ook moeder heeft, vertegenwoordigd door mr. Dhalganjansing, hoger beroep ingesteld van het incidentele vonnis van 16 augustus 2017 (zaaknummer 200.230.960/02). Nadat de vereffenaar deze procedure had overgenomen heeft hij het hoger beroep ingetrokken. Omdat de vereffenaar aldus niet meer persisteerde bij de door moeder aangevoerde grieven, is hij bij arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1821 in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

f. In de onderhavige procedure tussen [geïntimeerde] en moeder heeft de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 6 september 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4978 (vonnis 2), een comparitie van partijen gelast.

Vervolgens heeft mr. Dhalganjansing, die in die procedure ook nog moeder bijstond, namens [appellant] een incidentele vordering tot tussenkomst ingesteld. In die incidentele conclusie stelt [appellant] belang te hebben bij tussenkomst mede vanwege zijn hoedanigheid van mede-erfgenaam en toegevoegd executeur testamentair. Hij stelt daarbij dat het beslag geen enkel belang dient nu de vordering van [geïntimeerde] reeds is ontvangen door [appellant] als toegevoegd executeur en [geïntimeerde] nalatig blijft met het in ontvangstnemen daarvan.

g. De rechtbank heeft in het thans in hoger beroep bestreden vonnis van 3 januari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:212 (vonnis 3), de incidentele vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij onder meer:

3.3. De rechtbank overweegt als volgt.

[appellant] heeft betoogd dat hij belang heeft bij tussenkomst vanwege zijn hoedanigheid als toegevoegd executeur. [appellant] heeft evenwel onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dan [hof leest: dat] [appellant] nog steeds (toegevoegd) executeur is in de nalatenschap van vader.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de nalatenschap reeds in 2007 is verdeeld.

[appellant] heeft voorts betoogd dat hij belang heeft bij tussenkomst vanwege zijn hoedanigheid als mede-erfgenaam. De rechtbank constateert dat de vorderingen van [geïntimeerde] in de hoofdzaak betrekking hebben op een geldvordering van [geïntimeerde] op moeder uit hoofde van

de verdeling van de nalatenschap van vader. Niet gesteld noch gebleken is dat voor [appellant] benadeling of verlies van een recht dreigt dan wel zijn positie anderszins kan worden benadeeld als gevolg van een uitspraak in de hoofdzaak.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat het door [geïntimeerde] gelegde beslag geen enkel belang dient en dat moeder hierdoor schade lijdt, maar hij heeft niet gesteld waarom hij hierdoor in zijn belang zou kunnen worden geschaad.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

Gelet hierop behoeven de overige verweren van [geïntimeerde] geen bespreking meer’.

h. De bij vonnis 2 door de rechtbank gelaste comparitie van partijen heeft op 17 januari 2018 plaatsgevonden.

De rechtbank Oost-Brabant heeft vervolgens bij vonnis van 28 februari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:1335 (vonnis 4), ondanks bezwaar van mr. Dhalganjansing, de ambtshalve voeging bevolen met de eveneens bij die rechtbank aanhangige procedure tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en moeder anderzijds onder zaaknummer 328439 / HA ZA 17-808.

Bij vonnis van 18 april 2018 heeft de Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2018:2130 (vonnis 5) verstaan dat de zaak met zaaknummer C/01/320433 / HA ZA 17-286 is geschorst in afwachting van het (eind)arrest van het gerechtshof tegen het vonnis van deze rechtbank van 3 januari 2018. In verband hiermee heeft de rechtbank ook de behandeling van de zaak met zaaknummer C/01/328439 / HA ZA 17-808 aangehouden.

De positie van de vereffenaar

9.3.1.

De vereffenaar heeft bij akte van 11 februari 2020:

- het geding in hoger beroep in de plaats van moeder overgenomen (onder overlegging van producties);

- rolvoeging met zaak 200.230.960/02 verzocht en

- het hoger beroep ingetrokken (art. 129 Rv).

De vereffenaar stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat de rechtbank terecht de vordering van [appellant] tot tussenkomst heeft afgewezen. De vereffenaar heeft aangevoerd dat hij verplicht is een standpunt in te nemen dat lijnrecht ingaat tegen het door moeder vóór haar overlijden in deze procedure ingenomen standpunt. Hij voert voorts aan dat de nalatenschap fors negatief is en dat dat veroorzaakt is door [appellant] die namens moeder alle betalingen en overboekingen deed en daarbij vermogen heeft onttrokken aan verhaal door schuldeisers (waaronder verhaal door [geïntimeerde] die een vordering op moeder heeft van ruim € 1 miljoen).

9.3.2.

[geïntimeerde] heeft bij antwoordakte ingestemd met de overname en de intrekking van het hoger beroep door de vereffenaar.

[appellant] heeft bij antwoordakte zich onthouden van een inhoudelijke reactie en zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

9.3.3.

Het hof vat de intrekking van de eis in hoger beroep door de vereffenaar op als een intrekking van de door moeder aangevoerde grieven tegen het vonnis waarvan beroep (vonnis 3). Dit brengt mee dat - thans - de vereffenaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door moeder ingestelde hoger beroep, omdat het hof als gevolg van de intrekking op processuele gronden niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak voor zover die door moeder als appellant is ingesteld.

Overigens was moeder van aanvang af al niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Met het bestreden vonnis (3) heeft de rechtbank immers ten aanzien van [geïntimeerde] en moeder met geen enkele eindbeslissing in het dictum een uitdrukkelijk einde aan enig onderdeel van het door [geïntimeerde] gevorderde gemaakt. Tussen [geïntimeerde] en moeder heeft dat tussenvonnis dus als een zuiver tussenvonnis te gelden waarvan zonder toestemming van de rechtbank niet tussentijds geappelleerd mag worden. Van toestemming van de rechtbank is niet gebleken.

9.3.4.

Bij het verzoek om rolvoeging met zaak 200.230.960/02 bestaat geen belang omdat het hof inmiddels in die zaak op 6 juni 2020 eindarrest heeft gewezen (ECLI:NL:GHSHE:2020:1821).

9.3.5.

Het hof zal de vereffenaar niet-ontvankelijk verklaren in het door moeder ingestelde hoger beroep. Op zich dient moeder daarbij als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden veroordeeld. Het hof zal daarvan afzien en de kosten tussen partijen compenseren om de volgende redenen. De rechtsstrijd in dit hoger beroep van het door [appellant] in eerste aanleg geopende incident heeft hoofdzakelijk betrekking op de rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] . Dat ook moeder in hoger beroep is gekomen heeft voor [geïntimeerde] geen noemenswaardige extra kosten veroorzaakt. En voor het overige slaat het hof acht op de bloedverwantschap in de rechte lijn tussen moeder en [geïntimeerde] .

Over de kosten van de totale procedure zal het hof beslissen in het hoger beroep van [appellant] tegen [geïntimeerde] .

De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep

9.4.1.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank van 3 januari 2018 (vonnis 3) waarbij zijn incidentele vordering tot tussenkomst in de procedure van [geïntimeerde] tegen moeder is afgewezen. Met dat vonnis kwam voor [appellant] een einde aan de rechtsstrijd zodat dit vonnis voor [appellant] als eindvonnis heeft te gelden. [appellant] is dan ook ontvankelijk in dit hoger beroep.

9.4.2.

De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep worden bepaald en ook beperkt door de op 6 december 2017 door [appellant] in de procedure tussen [geïntimeerde] en moeder ingestelde incidentele vordering tot tussenkomst, alsmede door zijn in dit hoger beroep geformuleerde grieven tegen de afwijzing daarvan door de rechtbank.

Al hetgeen hiervan afwijkt valt daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd en zal door het hof buiten beschouwing gelaten worden.

9.4.3.

Dit geldt onder meer voor het navolgende.

De memorie van grieven van [appellant] heeft hoofdzakelijk geen betrekking op vonnis 3. Hij voert onder meer grieven aan tegen vonnis 1. Dat vonnis maakt evenwel geen onderdeel uit van de thans aanhangige procedure. Bovendien zijn [appellant] en moeder al niet-ontvankelijk verklaard in hun afzonderlijk ingestelde hoger beroepen tegen vonnis 1.

[appellant] voert ook aan waarom hij het niet eens is met vonnis 4. Dat vonnis dateert evenwel van na de appeldagvaarding zodat daarvan niet bij die appeldagvaarding hoger beroep is ingesteld. Voor zover [appellant] zou menen bij memorie van grieven de rechtsstrijd tot vonnis 4 te mogen uitbreiden, dan is dat onjuist. Een uitbreiding naar eerdere, van vóór het tussenvonnis waarvan in de appeldagvaarding hoger beroep is aangezegd, tussenvonnissen is toegestaan, maar dat geldt niet voor latere (tussen)vonnissen.

Ook de uitgebreide (herhaalde) opmerkingen van mr. Dhalganjansing in de memorie van grieven met betrekking tot de door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslagen onder moeder en onder [appellant] , alsook het inhoudelijk verweer tegen de door [geïntimeerde] bij dagvaarding ingestelde vorderingen hebben op zich geen betrekking op de thans te beoordelen vordering tot tussenkomst.

Ook over de poging of intentie van [appellant] om in de memorie van grieven rekening en verantwoording af te leggen van zijn handelwijze (akte [appellant] van 1 mei 2018: ‘.. een duidelijk overzicht van hun – nauwkeurig bijgehouden – handelwijze over de afgelopen tien jaren… blijkt dat moeder en [appellant] altijd te goeder trouw hebben gehandeld…’) kan het hof in dit geding geen oordeel geven.

9.4.4.

In vonnis 1 heeft de rechtbank overwogen als volgt:

2.4. De advocaat van moeder verwijst in zijn conclusie naar de als productie 1 bijgevoegde eigen conclusie van antwoord van zijn cliënte, die hij als herhaald en ingelast beschouwd. De bij die eigen conclusie behorende 142 bijbehorende bijlagen zijn nog niet in het geding gebracht. De rechtbank houdt echter slechts rekening met hetgeen in de conclusie van antwoord van de advocaat is vermeld. Hetgeen moeder tot haar verweer wenst aan te voeren, dient immers in de conclusie van antwoord te worden opgenomen en niet in een bij die conclusie gevoegde bijlage’.

In hoger beroep heeft mr. Dhalganjansing een andere handelwijze gevolgd. Hij vermeldt onder no. 180 dat moeder en [appellant] hun standpunt ook in eigen woorden onder de aandacht van het hof willen brengen met verwijzing naar de omvangrijke bijlage 1-200 van productie 3. Dan volgt binnen de circa 81 (niet genummerde) bladzijden tellende memorie van grieven een letterlijk citaat van circa 35 bladzijden (in klein lettertype) van moeder en [appellant] .

Het hof zal dat citaat om meerdere redenen buiten beschouwing laten. Het is niet aanstonds duidelijk welk gedeelte van het citaat voor rekening van moeder komt, maar dat gedeelte maakt in ieder geval geen deel uit van de processtukken van [appellant] tegen [geïntimeerde] . Verder geldt al hetgeen het hof hiervoor onder r.o. 9.4.3 heeft overwogen als hier herhaald en ingelast.

Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het citaat bestaat uit veelal onnavolgbare stellingen en opmerkingen, zonder duidelijke structuur en opbouw, waarvan onduidelijk is wat moeder en [appellant] willen betogen dan wel waarop de stellingen betrekking hebben en waarom dat voor de onderhavige appelprocedure relevant is. Bovendien heeft mr Dhalganjansing in de memorie van grieven niet eenduidig en concludent aangevoerd in welke zin en in hoeverre het citaat kan of moet leiden tot zijn petitum in hoger beroep. In het kader van hoor en wederhoor is het voor [geïntimeerde] dan ook onduidelijk waarop hij zou moeten reageren.

De grief, die [appellant] in no. 68 e.v. van zijn memorie van grieven tegen voornoemd oordeel van de rechtbank (in vonnis 1) heeft aangevoerd, faalt reeds op de grond dat vonnis 1 geen onderdeel uitmaakt van de thans aanhangige procedure in hoger beroep (zie r.o. 9.4.3). Overigens was het oordeel van de rechtbank ook juist.

De grieven van [appellant]

9.5.1

Het hof zal thans, met inachtneming van het voorgaande, overgaan tot de beoordeling van de door [appellant] aangevoerde niet genummerde grieven tegen het vonnis waarvan beroep (vonnis 3). Het hof zal de grieven met letters aanduiden. In essentie voert [appellant] aldus de navolgende grieven aan. Het hof volgt daarbij hoofdzakelijk hetgeen [geïntimeerde] gelet op zijn memorie van antwoord uit de memorie van grieven heeft begrepen, hetgeen door [appellant] tijdens het pleidooi ook niet is bestreden.

a. De rechtbank heeft in r.o. 2.1 een verkeerd bedrag van de door [geïntimeerde] gepretendeerde vordering vermeld.

b. De rechtbank heeft in r.o. 3.1. de jurisprudentie van de Hoge Raad (r.o. 4.3 ‘HR 28 juni 2013, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5705’) volledig genegeerd (het hof neemt aan dat bedoeld wordt de onder ECLI:NL:HR:2013:38 en 39 gepubliceerde arresten van de Hoge Raad van 28 juni 2013). [appellant] en moeder hadden in ieder geval tot mei 2016, en [appellant] nadien alleen, nog steeds de taak van de executeur-tevens afwikkelingsbewindvoerder.

c. [appellant] beroept zich er voorts op (1) dat hij tevens mede-erfgenaam is. (2) Dat moeder fysiek niet in staat is zittingen bij te wonen. (3) Dat de beslagmaatregelen van [geïntimeerde] direct invloed op het vermogen van [appellant] hebben. De beslagen brengen immers direct schade toe aan onder meer het rendement van het beslagen vermogen en (4) de toekomstige erfrechtelijke aanspraken op het vermogen van moeder. [appellant] lijdt dus directe schade door de beslagen.

d. [geïntimeerde] maakt in de dagvaarding expliciete verwijten jegens [appellant] waardoor [appellant] een zelfstandig belang heeft om tegen die verwijten separaat te ageren.

e. Het vonnis van de rechtbank van 28 februari 2018 (vonnis 4) tot voeging van beide procedures bevestigt nadrukkelijk het belang van [appellant] om tussen te komen.

f. Doordat de rechtbank bij vonnis 5 ook procedure 808 heeft aangehouden, heeft zij nog niet beslist op de in die procedure mede door [appellant] ingestelde incidentele vordering tot opheffing van de conservatoire beslagen.

g. De veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident is bijzonder kwetsend en leidt tot nog meer emotionele schade tussen de procederende familieleden.

9.5.2.

ad a. Het hof overweegt dat [appellant] geen belang heeft bij deze grief omdat de exacte hoogte van de vordering van [geïntimeerde] geen rol speelt bij de beoordeling van de incidentele vordering tot tussenkomst. Bovendien heeft de rechtbank zich bij de vermelding van het bedrag gebaseerd op de akte van verdeling.

9.5.3.1. ad b.

Het testament van vader bevat voor zover thans van belang de navolgende bepalingen:

‘ II. EXECUTEURSBENOEMING

Ik benoem mijn echtgenote tot executeur over mijn nalatenschap, hierna te noemen: “de executeur”, gedurende de tijd voor de afwikkeling van mijn nalatenschap vereist, met inachtneming van de volgende bepalingen:
1. Omvang executele
De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren.
(…)
3. Taak
De executeur heeft tot taak de goederen van mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit de goederen van mijn nalatenschap behoren te worden voldaan.
(…)
13. Toevoeging en opvolgend executeur
a. De executeur heeft de bevoegdheid één of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen.
Deze andere executeur(s) heeft (hebben) dezelfde bevoegdheden als hiervoor vermeld (…)
14. Einde taak
De taak van de executeur eindigt:
a. wanneer de executeur zijn werkzaamheden heeft voltooid;
(…)
De gewezen executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard.
(…)
III. AFWIKKELINGSBEWIND
Ik benoem mijn echtgenote tevens tot bewindvoerder voor de afwikkeling van mijn nalatenschap. Zij is gerechtigd tot alle daden van beheer en beschikking om de nalatenschap in staat van verdeling te brengen en de nalatenschap geheel zelfstandig te verdelen tussen mijn erfgenamen zulks met inachtneming van een ieders erfdeel in mijn nalatenschap en mijn erfgenamen daarin te vertegenwoordigen. Mijn echtgenote is derhalve ook zelfstandig bevoegd toe te delen aan zichzelf, al ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling, als bedoeld in artikel 13 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, onder de verplichting alle schulden van mijn nalatenschap als hiervoor onder I. O. vermeld, alsmede alle overige kosten van boedelafwikkeling voor haar rekening te nemen, Indien en voorzover mijn echtgenote door deze toedeling wordt overbedeeld, krijgen mijn kinderen op grond van de verdeling een vordering in geld ten laste van mijn echtgenote berekend in het saldo van de nalatenschap, met inachtneming van bovenbedoelde schulden.
Het afwikkelingsbewind is ingesteld voor een periode benodigd voor het afwikkelen en verdelen van mijn nalatenschap en gaat in op de dag van mijn overlijden. Gedurende deze periode is mijn echtgenote bevoegd om over de goederen van mijn nalatenschap als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen te beschikken, als ware zij enig rechthebbende, (…)’.

9.5.3.2. De verklaring van executele van 8 november 2007 (prod. 3 [geïntimeerde] ) luidt voor zover thans van belang als volgt:

‘ … Tevens heeft [appellante] , voornoemd, in gemelde verklaring te kennen gegeven gebruik te willen maken van haar bevoegdheid op grond van het bepaalde in artikel II.13.a van genoemd testament, om aan zich toe te voegen als executeur haar zoon, [geïntimeerde] , voornoemd’.

Bij onderhandse akte van 6 november 2007 heeft [appellant] deze toevoeging aanvaard.

9.5.3.3. Het hof overweegt dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat met de toedeling door moeder aan haarzelf van de volledige nalatenschap bij akte van 31 december 2007 de nalatenschap is verdeeld. Afgezien van het regelen van de successierechten was daarmee de taak van moeder als executeur en afwikkelingsbewindvoerder beëindigd. [appellant] voert wel in zijn algemeenheid aan dat de rechtbank voornoemd arrest van de Hoge Raad heeft genegeerd, maar hij laat na voldoende specifiek aan te geven op welk onderdeel het oordeel van de rechtbank onjuist is. Voor zover hij in zijn algemeenheid aanvoert dat tot het beheer ook het regelen van de successierechten hoort, heeft hij daarbij geen belang nu tussen partijen vast staat dat de successierechten in 2008 geregeld zijn, althans heeft [appellant] nagelaten voldoende specifiek aan te voeren dat deze taak nog openstaat. Hij heeft voorts onvoldoende onderbouwd waaruit het beheer van de nalatenschap van vader nu nog zou bestaan, mede in het licht van het feit dat na de verdeling de volledige nalatenschap van vader in het vermogen van moeder is opgegaan en er daarna nog slechts een geldvordering van ieder der kinderen op moeder resteerde. De taak van de executeur was dus beëindigd.

Tijdens het pleidooi maakte [appellant] melding van ontwikkelingen rond een claim op Fortis die samenhing met aandelen die tot de nalatenschap van vader hebben behoord. Het hof laat deze stelling buiten beschouwing nu die tardief is aangevoerd en [appellant] bovendien niet onderbouwt waarom die claim na de verdeling per 31 december 2007 niet tot het vermogen van moeder is gaan behoren.

Bovendien stelt [appellant] zich ten onrechte op het standpunt dat hij ook bevoegd zou zijn om als afwikkelingsbewindvoerder op te treden. Uit het testament blijkt dat (i) alleen moeder afwikkelingsbewindvoerder was en (ii) zij uitsluitend een (toegevoegd) executeur kon aanstellen. Blijkens de verklaring van executele heeft zij (in overeenstemming met het testament) [appellant] ook uitsluitend als executeur aan zich toegevoegd.

Op grond van het voorgaande faalt zijn grief.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat ook de afgesloten taak van [appellant] als executeur hem geen belang geeft om in deze procedure tussen te komen. De verdeling van de nalatenschap van vader dateert thans van bijna dertien jaar geleden en ook moeder is inmiddels overleden. Indien in de stellingen van [appellant] besloten zou liggen dat de afgesloten taak van [appellant] als executeur hem een dergelijk belang geeft, heeft hij deze stellingen onvoldoende onderbouwd.

9.5.4.1. ad c. Het hof overweegt dat een partij op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

9.5.4.2. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het zijn van (1) mede-erfgenaam in de nalatenschap van zijn vader aan [appellant] geen belang geeft om in de onderhavige procedure tussen te komen. De hoofdzaak heeft betrekking op een vordering van [geïntimeerde] op moeder. Gesteld noch gebleken is hoe voor [appellant] , die zijn erfdeel uit de nalatenschap van vader al ontvangen heeft, enige benadeling of verlies dreigt of zijn positie anderszins kan worden benadeeld.

Ook (2) de omstandigheid dat moeder niet in staat was de zittingen fysiek bij te wonen betrof geen eigen belang van [appellant] en gaf hem geen recht op tussenkomst. Die situatie kon eenvoudig worden opgelost met een volmacht, hetgeen ook daadwerkelijk zo is gebeurd. Aangezien het hof voorts moet oordelen naar de feiten en het recht ten tijde van zijn einduitspraak moet in beschouwing worden genomen dat moeder inmiddels is overleden en dat alleen al om die reden het argument van [appellant] niet opgaat.

(3) In de onderhavige procedure is er conservatoir beslag gelegd op vermogensbestanddelen van moeder en niet van [appellant] . Eventuele schade en lager rendement ten gevolge van de beslagleggingen vallen derhalve in het vermogen van moeder en niet in dat van [appellant] . Niet in te zien valt dat [appellant] hierdoor rechtens relevante (in)directe schade lijdt. Verder beroept [appellant] zich op zijn belang in verband met (4) de toekomstige erfrechtelijke aanspraken op het vermogen van moeder. Dit belang is te algemeen om tussenkomst te rechtvaardigen. Het volgen van de gedachtegang van [appellant] zou ertoe leiden dat in iedere willekeurige gerechtelijke procedure toekomstige erfgenamen tussenkomst zouden kunnen vorderen ter veiligstelling van mogelijke al dan niet in de verre toekomst gelegen erfrechtelijke aanspraken. Tijdens het pleidooi weigerde [appellant] en zijn advocaat verder te specificeren waarop zij doelen met ‘toekomstige erfrechtelijke aanspraken’ zodat de stellingen terzake in vaagheid zijn blijven steken. Terzijde (en ten overvloede) merkt het hof op dat moeder bij testament [appellant] (en ook [geïntimeerde] ) heeft onterfd.

De conclusie uit het voorgaande is dat ook grief c faalt.

9.5.4.3. Het hof overweegt voorts nog dat een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst alleen mogelijk is indien duidelijk is wat de tussenkomende partij wenst te bewerkstelligen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, r.o. 4.1.3). [appellant] heeft evenwel nagelaten duidelijk te maken wat hij als tussenkomende partij wenst te vorderen en van wie. Voor zover uit zijn incidentele conclusie in eerste aanleg geconcludeerd moet worden dat [appellant] opheffing van het onder moeder gelegde beslag wenst te vorderen, dient geoordeeld te worden dat hem die vordering niet toekomt.

Temeer gelet op de mededeling van de vereffenaar ter zitting dat hij na voortzetting van de procedure bij de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] wil gaan erkennen, had het op de weg van [appellant] gelegen om voldoende duidelijk toe te lichten of hij als tussenkomende partij een vordering wil instellen, en zo ja wat en tegen wie. Nu [appellant] dit alles heeft nagelaten, is ook hiermee zijn belang om te mogen tussenkomen niet gebleken.

9.5.4.4. Het hof overweegt ten overvloede nog dat ook indien [appellant] zich in de procedure tussen [geïntimeerde] en moeder zich zou willen voegen, die vordering afgewezen zou moeten worden. Ook hier geldt dat [appellant] geen belang bij voeging heeft (r.o. 9.5.3.3 tot en met 9.5.4.2). Een gevoegde partij kan bovendien stellingen innemen of verweren aanvoeren voor zover die niet strijdig zijn met de stellingen van de partij aan wier zijde zij zich wil voegen (vgl. HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9067, r.o. 3.5). Gesteld noch gebleken is dat [appellant] zich aan de zijde van [geïntimeerde] zou willen voegen. Voor zover [appellant] zich aan de zijde van de vereffenaar zou willen voegen, heeft hij daarbij reeds geen belang gelet op de mededeling van de vereffenaar dat hij de vordering gaat erkennen.

9.5.4.5. Ten overvloede overweegt het hof over grief c en de andere grieven dat de goede procesorde zich zou verzetten tegen een tussenkomst of voeging door [appellant] in de procedure. De vordering tot tussenkomst, het eerdere niet-ontvankelijke hoger beroep tegen vonnis 1 en de wijze van procesvoering door [appellant] in beide procedures hebben reeds tot aanzienlijke en onredelijke vertraging geleid. Het hof verwijst ter illustratie naar het in r.o. 9.2. onder d. genoemde arrest van dit hof van 26 juni 2018, waarin het hof oordeelt dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht en hem in de werkelijke proceskosten veroordeelt.

9.5.5.

ad d. Het hier genoemde belang van [appellant] levert geen zelfstandig belang op om te mogen tussenkomen nu aan eventuele beoordelingen door de rechtbank in de procedure tussen [geïntimeerde] en moeder geen gezag van gewijsde toekomt in het nadeel van [appellant]

Daar komt bij dat deze procedure in eerste aanleg is gevoegd bij een procedure waarin [appellant] wel partij is en waarin (grotendeels) hetzelfde feitencomplex speelt.

9.5.6.

ad e. Ook deze grief faalt. Uit het enkele feit dat de rechtbank deze procedure bij de andere procedure heeft gevoegd volgt nog niet een voldoende belang van [appellant] om in die andere procedure te mogen tussenkomen.

9.5.7.

ad f. De aanhouding in de andere zaak geeft [appellant] geen belang om tussen te komen in deze zaak. Het staat hem vrij om in de zaak met nummer 328439 / HA ZA 17-808 aan de rechtbank te vragen om de behandeling van de zaak alsnog voort te zetten. Bovendien zal het hof bij dit arrest de zaak terugwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant voor de verdere behandeling van deze zaak, waarna - gelet op de voeging- ook de behandeling van de andere zaak zal worden voortgezet.

9.5.8.

ad g. Nu alle grieven falen is [appellant] door de rechtbank terecht in de kosten veroordeeld.

9.5.9

Voor het overige zijn door [appellant] met betrekking tot de door hem ingestelde vorderingen geen feiten of omstandigheden gesteld, die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd wordt.

9.6.

Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De zaak worden teruggewezen naar de rechtbank voor de verdere behandeling en beslissing.

[appellant] zal in de kosten van [geïntimeerde] worden veroordeeld. De rentevordering van [geïntimeerde] hiervoor zal worden toegewezen zoals gevorderd.

Gelet op de vordering van [geïntimeerde] en mede gelet op r.o. 9.5.4.5 zal dit gehele arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

10 De uitspraak

Het hof:

10.1.

verklaart de vereffenaar niet-ontvankelijk in het door moeder ingestelde hoger beroep;

10.2.

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen moeder (de vereffenaar) en [geïntimeerde] in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

10.3.

bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/320433/HA ZA 17-286 gewezen vonnis van 3 januari 2018 waarbij de incidentele vordering van [appellant] tot tussenkomst is afgewezen;

10.4.

verwijst de zaak terug naar die rechtbank voor de verdere behandeling en beslissing;

10.5.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 318,-- aan griffierecht en
€ 3.222,-- aan salaris advocaat te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119 BW vanaf twee dagen na de betekening van dit arrest;

10.6.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.M.H. Schoenmakers en J. van der Beek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 november 2020.

griffier rolraadsheer