Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3526

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
20-004035-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Tenlastegelegd is - kort gezegd - bedreiging en openlijke geweldpleging. Hof verwerpt het verweer tegen het tenlastegelegde "in vereniging": ook de medeverdachte heeft opzet gehad op de tenlastegelegde geweldshandelingen en heeft daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd.

Vordering benadeelde partij: materiële schadevergoeding geheel toegewezen, immateriële schadevergoeding deels toe-, deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004035-19

Uitspraak : 16 november 2020

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-217915-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

laatstelijk wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de straftoemeting en in zoverre opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is een bewijsverweer gevoerd tegen de onder feit 2 primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging en is subsidiair een strafmaatverweer gevoerd en is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 04 september 2019 in [plaats] , in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen: “Nu ben je de lul, nu ben je niks meer, we maken je af, we hebben je nu, je weet echt niet met wie je te maken hebt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. primair
hij op of omstreeks 04 september 2019 in [plaats] , in elk geval in Nederland, te weten op of aan de openbare weg, de [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , terwijl/nadat de portofoon van die [benadeelde] was weggenomen door verdachte en/of zijn mededader, welk geweld bestond uit:

- een of meermalen slaan/stompen tegen het lichaam van die [benadeelde] ,

- een of meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of

- een of meermalen trekken aan de helm en/of het hoofd van die [benadeelde] ;
subsidiair
hij op of omstreeks 04 september 2019 in [plaats] , in elk geval in Nederland, een politieambtenaar, te weten: [benadeelde] , gedurende en/of ter zake van een rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door:

- een of meermalen te slaan/stompen tegen het lichaam van die [benadeelde] ,

- een of meermalen te trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of

- een of meermalen aan de helm en/of het hoofd van die [benadeelde] te trekken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 04 september 2019 in [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen: “Nu ben je de lul, nu ben je niks meer, we maken je af, we hebben je nu, je weet echt niet met wie je te maken hebt";
2. primair
hij op 04 september 2019 in [plaats] , aan de openbare weg, de [straatnaam] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , terwijl/nadat de portofoon van die [benadeelde] was weggenomen door zijn mededader, welk geweld bestond uit:

- meermalen slaan tegen het lichaam van die [benadeelde] ,

- meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde] en

- eenmaal aan de helm van die [benadeelde] trekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 primair tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de tenlastegelegde geweldshandelingen met de medeverdachte, zijn vader, gepleegd heeft. De medeverdachte was geboeid en werd onder bedwang gehouden door verbalisant [benadeelde] , toen verdachte hem te hulp schoot en hem ontzette. Aldus heeft de medeverdachte evenmin bijgedragen aan een getalsmatig overwicht. Voor het in vereniging plegen van geweld is derhalve geen bewijs, aldus de verdediging. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft de verdediging zich gerefereerd.

Het hof stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de medeverdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is om hem als medepleger te kunnen aanmerken.

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Aan de geweldpleging jegens verbalisant [benadeelde] ging het volgende vooraf (dossierpag. 15-16).
Na de constatering van een zeer forse snelheidsovertreding door de verdachte met de vader van de verdachte ( [naam vader] : verder de vader) als bijrijder, heeft [benadeelde] beiden aangesproken. De verdachte nam de benen en de vader begon meteen tegen [benadeelde] tekeer te gaan. Al schreeuwend zei de vader tegen [benadeelde] : “Nu ga je het echt meemaken, nu hebt je het echt gevreten, wat denk je wel ons te denken pakken, jij kankerflikker, kankerwout.” (dikgedrukt, hof).

[benadeelde] zag en hoorde dat de vader steeds meer opgefokt en steeds agressiever werd en dat hij zijn vuisten balde. Hierop besloot [benadeelde] om hem aan te houden en hem te boeien teneinde te voorkomen dat beiden in een gevecht zouden komen. Hiertegen ging de vader in verzet. Hij probeerde zich los te rukken en begon weer te schelden, onder meer met de bewoordingen: “Je weet niet wie wij zijn, je hebt de verkeerde familie te pakken.” (dikgedrukt, hof).

Omdat de vader zich zo verzette, boeide [benadeelde] hem aan de voorzijde van zijn lichaam. Tijdens het boeien probeerde hij zich los te rukken, waarbij hij riep: “Je doet me opzettelijk pijn, dat doen jullie altijd vuile kankerlijers.” [benadeelde] hoorde dat de vader zijn keel begon te schrapen en zijn neus ophaalde en kreeg het idee dat de vader hem in zijn gezicht wilde spugen. Om dat te voorkomen heeft [benadeelde] de vader naar de grond gewerkt en de vader onder controle gekregen.
zag vervolgens dat de vader zijn heup draaide en een trapbeweging maakte naar het lichaam van [benadeelde] . De vader bleef zich hevig verzetten waarop [benadeelde] hem een klap gaf met vlakke hand op zijn linkerwang.

Op dat moment hoorde [benadeelde] gerommel achter zich en voelde hij plots een harde klap op

zijn helm, waardoor hij achterover viel. Hij zag dat de verdachte hem aanviel.

Als getuige gehoord ter terechtzitting van het hof heeft [benadeelde] verklaard, dat hij zich op zijn rechterzijde heeft gedraaid, in een foetushouding is gaan liggen en zijn ogen heeft gesloten vanwege de explosie van geweld die er toen op hem af kwam. Hij is vervolgens geschopt en geslagen, terwijl zijn gehelmde hoofd steeds omlaag tegen de grond gedrukt werd waardoor hij niet kon opstaan, en er is aan zijn helm en (niet tenlastegelegd) aan zijn koppel getrokken. Daarbij waren aanwezig de verdachte en zijn vader. Terwijl hij op de grond lag en door het geweld pijnscheuten op zijn lichaam voelde, hoorde hij de verdachte lachend zeggen: “Nu ben je de lul, nu ben je niks meer, we maken je af, we hebben je nu. Je weet echt niet met wie je te maken hebt” (dikgedrukt, hof).

[benadeelde] heeft niet gezien of deze handelingen gepleegd werden door de verdachte, diens vader of door allebei. Hij heeft naderhand wel gezien dat de vader met zijn portofoon in de hand wegliep en de portofoon weggooide, er zo voor zorgend dat de benadeelde geen hulp meer kon inroepen.
Ook uit de bedreigingen die de verdachte heeft geuit (onder meer “we maken je af, we hebben je nu”) en de voorafgaande bedreigingen van de vader (onder meer “wat denk je wel ons te denken te pakken” en “….je weet niet wie wij zijn, je hebt de verkeerde familie te pakken”) volgt dat de verdachte met de medeverdachte, zijn vader, tezamen en in vereniging het geweld tegen [benadeelde] hebben uitgeoefend.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vader, nadat de verdachte hem ‘ontzet’ had, de verdachte zijn gang heeft laten gaan en niet direct heeft ingegrepen en hem pas later heeft gemaand om daarmee te stoppen met de bewoordingen: "Laat hem maar los, je maakt hem dood, dat is hij niet waard. Ik ken je”.

Op grond hiervan staat voor het hof vast dat ook de medeverdachte opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn vader schuldig gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen een politieagent, de benadeelde [benadeelde] . Terwijl het avond was heeft de verdachte samen met zijn vader de alleen opererende verbalisant [benadeelde] tegen het lichaam geslagen en geschopt, hem aan zijn helm getrokken en door het wegnemen van zijn portofoon van iedere hulp verstoken. [benadeelde] heeft daarbij lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit schaafwonden aan vingers van beide handen, nekletsel (whiplashsymptomen met een ernstige vorm van hoofdpijn) en een bloeduitstorting op het linkerbeen. [benadeelde] vreesde dat zijn vuurwapen zou worden afgepakt en dat hij ermee doodgeschoten zou worden.

De verdachte en zijn vader hebben door hun gewelddadige optreden grof inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] en zij hebben getoond een totaal gebrek aan respect voor wetshandhavers te hebben Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is zeer bedreigend en wekt gevoelens van angst en onveiligheid op, uiteraard bij de benadeelde, maar door het openlijke karakter ook in de samenleving. Uit de verklaring die [benadeelde] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, blijkt dat hij zich onder behandeling van een therapeut heeft gesteld, dat kleine gebeurtenissen hem dagelijks doen terugdenken aan het gebeuren en dat hij nog steeds erg op zijn hoede is.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2020 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake een geweldsdelict.

Het hof heeft acht geslagen op het advies van SVG Mondriaan Reclassering Limburg d.d. 23 juni 2020. Daaruit blijkt dat de kans dat de verdachte opnieuw een geweldsdelict zal plegen, als hoog/gemiddeld wordt ingeschat en dat de reclassering van mening is dat voortzetting van het toezicht niet haalbaar is, omdat de verdachte de afspraken niet nakomt. Op die wijze is het voor de reclassering niet mogelijk om toezicht te houden op de bijzondere voorwaarden, zo schrijft de reclassering. Daarbij komt dat, nadat de burgemeester de woning waar hij verbleef in verband met een schietincident eerder dit jaar heeft gesloten, thans niet duidelijk is waar verdachte verblijft. Volgens zijn raadsman zou hij van adres naar adres zwerven.

Het hof heeft ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die zijn gebleken uit het strafdossier en uit hetgeen de raadsman op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest een passende bestraffing.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.788,00 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:

€ 21,00 reiskosten fysioconsult

€ 14,00 reiskosten FitNP

€ 3.753,00 smartengeld

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.035,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en de benadeelde partij in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist, voor zover deze een bedrag van € 1.535,00 te boven gaat.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot de begroting van die schade overweegt het hof als volgt.

Het hof acht aannemelijk dat de materiële schade, die de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geleden heeft, bestaat uit € 21,00 reiskosten fysioconsult en € 14,00 reiskosten FitNP.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding, die het hof toewijsbaar acht op grond van art. 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, gelet op het aan de benadeelde partij toegebrachte lichamelijk letsel, acht het hof toekenning van een bedrag van € 1.500,00 op basis van de beschikbare informatie billijk, gelet op de aard en de ernst van het feit, de gevolgen die dit feit heeft gehad voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding plegen toe te kennen.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering toewijsbaar is tot het bedrag van € 1.535,00. De verdachte is met zijn mededader tot vergoeding van dat bedrag gehouden.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente.

De ingangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade stelt het hof op
17 december 2019, de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank ingediend is. De ingangsdatum van de wettelijke rente over de immateriële schade stelt het hof op 4 september 2019, de datum waarop de schade is ingetreden.

Het hof zal de verdachte, die als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Het meergevorderde zal worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 1.535,00, bestaande uit € 35,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 als vergoeding van immateriële schade. De verdachte is daarvoor samen met zijn mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof acht het wenselijk dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert en ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.535,00, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde] ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 1.535,00 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 35,00 (vijfendertig euro) als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.535,00 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 35,00 (vijfendertig euro) als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,

en op 16 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Martens is buiten staat het arrest mede te ondertekenen