Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3525

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
20-004034-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Hof verwerpt het verweer tegen het tenlastegelegde "in vereniging": de verdachte heeft, mede door niet eerder in te grijpen, opzet gehad op de tenlastegelegde geweldshandelingen en heeft daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd.

Vordering benadeelde partij; materiële schadevergoeding geheel toegewezen; immateriële schadevergoeding deels toe-, deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004034-19

Uitspraak : 16 november 2020

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-213912-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , [adres] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken ter zake van bedreiging (feit 1) en verdachte vrijgesproken van de onder feit 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de vrijspraak ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis, dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder feit 2 en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.535,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en gevorderd een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer op te leggen.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde en is subsidiair een verweer met betrekking tot de straf gevoerd. Ook is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

2.
hij op of omstreeks 04 september 2019 in [plaats] , in elk geval in Nederland, te weten op of aan de openbare weg, de [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , terwijl/nadat de portofoon van die [benadeelde] was weggenomen door verdachte en/of zijn mededader, welk geweld bestond uit:

- een of meermalen slaan/stompen tegen het lichaam van die [benadeelde] ,

- een of meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of

- een of meermalen aan de helm en/of het hoofd van die [benadeelde] trekken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op 04 september 2019 in [plaats] , aan de openbare weg, de [straatnaam] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , terwijl/nadat de portofoon van die [benadeelde] was weggenomen door verdachte, welk geweld bestond uit:

- meermalen slaan tegen het lichaam van die [benadeelde] ,

- meermalen trappen/schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde] en

- eenmaal aan de helm van die [benadeelde] trekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere overwegingen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de tenlastegelegde geweldshandelingen zelf gepleegd heeft. De verdachte was geboeid en werd onder bedwang gehouden door verbalisant [benadeelde] , toen zijn zoon te hulp schoot en hem ontzette. Aldus heeft de verdachte evenmin bijgedragen aan een getalsmatig overwicht. Voor het in vereniging plegen van geweld is derhalve geen bewijs, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is om hem als medepleger te kunnen aanmerken.

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Aan de geweldpleging jegens verbalisant [benadeelde] ging het volgende vooraf (dossierpag. 15-16).
Na de constatering van een zeer forse snelheidsovertreding door de zoon van de verdachte met de verdachte als bijrijder, heeft [benadeelde] beiden aangesproken. De zoon nam de benen en de verdachte begon meteen tegen [benadeelde] tekeer te gaan. Al schreeuwend zei verdachte tegen [benadeelde] : “Nu ga je het echt meemaken, nu hebt je het echt gevreten, wat denk je wel ons te denken pakken, jij kankerflikker, kankerwout.” (dikgedrukt, hof).

[benadeelde] zag en hoorde dat de verdachte steeds meer opgefokt en steeds agressiever werd en dat hij zijn vuisten balde. Hierop besloot [benadeelde] om hem aan te houden en hem te boeien teneinde te voorkomen dat beiden in een gevecht zouden komen. Hiertegen ging de verdachte in verzet. Hij probeerde zich los te rukken en begon weer te schelden, onder meer met de bewoordingen: “je weet niet wie wij zijn, je hebt de verkeerde familie te pakken” (dikgedrukt, hof).

Omdat de verdachte zich zo verzette, boeide [benadeelde] hem aan de voorzijde van zijn lichaam. Tijdens het boeien probeerde hij zich los te rukken, waarbij hij riep: “Je doet me opzettelijk pijn, dat doen jullie altijd vuile kankerlijers”. [benadeelde] hoorde dat de verdachte zijn keel begon te schrapen en zijn neus ophaalde en kreeg het idee dat de verdachte hem in zijn gezicht wilde spugen. Om dat te voorkomen heeft [benadeelde] de verdachte naar de grond gewerkt en de verdachte onder controle gekregen.
zag vervolgens dat de verdachte zijn heup draaide en een trapbeweging maakte naar het lichaam van [benadeelde] . De verdachte bleef zich hevig verzetten waarop [benadeelde] hem een klap gaf met vlakke hand op zijn linkerwang.

Op dat moment hoorde [benadeelde] gerommel achter zich en voelde hij plots een harde klap op

zijn helm, waardoor hij achterover viel. Hij zag dat de zoon hem aanviel.

Als getuige gehoord ter terechtzitting van het hof heeft [benadeelde] verklaard, dat hij zich op zijn rechterzijde heeft gedraaid, in een foetushouding is gaan liggen en zijn ogen heeft gesloten vanwege de explosie van geweld die er toen op hem af kwam. Hij is vervolgens geschopt en geslagen, terwijl zijn gehelmde hoofd steeds omlaag tegen de grond gedrukt werd, waardoor hij niet kon opstaan, en er is aan zijn helm en (niet tenlastegelegd) aan zijn koppel getrokken. Daarbij waren aanwezig de verdachte en zijn 27-jarige zoon. Terwijl hij op de grond lag en door het geweld pijnscheuten op zijn lichaam voelde, hoorde hij de zoon lachend zeggen: “Nu ben je de lul, nu ben je niks meer, we maken je af, we hebben je nu. Je weet echt niet met wie je te maken hebt” (dikgedrukt, hof).

[benadeelde] heeft niet gezien of deze handelingen gepleegd werden door de verdachte, diens zoon of door allebei. Hij heeft naderhand wel gezien dat de verdachte met zijn portofoon in de hand wegliep en de portofoon weggooide, er zo voor zorgend dat de benadeelde geen hulp meer kon inroepen.

Ook uit de bedreigingen die de zoon van de verdachte heeft geuit (onder meer “we maken je af, we hebben je nu”) en de voorafgaande bedreigingen van verdachte (onder meer “wat denk je wel ons te denken te pakken” en “….je weet niet wie wij zijn, je hebt de verkeerde familie te pakken”) volgt dat de zoon met de verdachte, zijn vader, tezamen en in vereniging het geweld tegen [benadeelde] heeft uitgeoefend.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte, nadat zijn zoon hem ‘ontzet’ had, zijn zoon zijn gang heeft laten gaan en niet direct heeft ingegrepen en hem pas later heeft gemaand om daarmee te stoppen met de bewoordingen: "Laat hem maar los, je maakt hem dood, dat is hij niet waard. Ik ken je”.

Op grond hiervan staat voor het hof vast dat de verdachte, mede door niet eerder in te grijpen, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn zoon schuldig gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen een politieagent, de benadeelde [benadeelde] . Terwijl het avond was heeft de verdachte samen met zijn zoon de alleen opererende verbalisant [benadeelde] tegen het lichaam geslagen en geschopt, hem aan zijn helm getrokken en door het wegnemen van zijn portofoon van iedere hulp verstoken. [benadeelde] heeft daarbij lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit schaafwonden aan vingers van beide handen, nekletsel (whiplashsymptomen met een ernstige vorm van hoofdpijn) en een bloeduitstorting op het linkerbeen. [benadeelde] vreesde dat zijn vuurwapen zou worden afgepakt en dat hij ermee doodgeschoten zou worden.

De verdachte en zijn zoon hebben door hun gewelddadige optreden grof inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] en zij hebben getoond een totaal gebrek aan respect voor wetshandhavers te hebben. Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is zeer bedreigend en wekt gevoelens van angst en onveiligheid op, uiteraard bij de benadeelde, maar door het openlijke karakter ook in de samenleving. Uit de verklaring die [benadeelde] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, blijkt dat hij zich onder behandeling van een therapeut heeft gesteld, dat kleine gebeurtenissen hem dagelijks doen terugdenken aan het gebeuren en dat hij nog steeds erg op zijn hoede is.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2020 blijkt dat de verdachte geruime tijd geleden meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens een geweldsdelict. De laatste onherroepelijke veroordeling ter zake een strafbaar feit dateert van 13 maart 2014.

Het hof heeft ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die zijn gebleken uit het strafdossier en uit hetgeen de raadsman op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest een passende bestraffing.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.788,00 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:

€ 21,00 reiskosten fysioconsult

€ 14,00 reiskosten FitNP

€ 3.753,00 smartengeld

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep vanwege de verleende vrijspraak de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist, voor zover deze een bedrag van € 1.535,00 te boven gaat.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot de begroting van die schade overweegt het hof als volgt.

Het hof acht aannemelijk dat de materiële schade, die de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geleden heeft, bestaat uit € 21,00 reiskosten fysioconsult en € 14,00 reiskosten FitNP.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding, die het hof toewijsbaar acht op grond van art. 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, gelet op het aan de benadeelde partij toegebrachte lichamelijk letsel, acht het hof toekenning van een bedrag van € 1.500,00 op basis van de beschikbare informatie billijk, gelet op de aard en de ernst van het feit, de gevolgen die dit feit heeft gehad voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding plegen toe te kennen.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering toewijsbaar is tot het bedrag van € 1.535,00. De verdachte is met zijn mededader tot vergoeding van dat bedrag gehouden.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente.

De ingangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade stelt het hof op
17 december 2019, de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank ingediend is. De ingangsdatum van de wettelijke rente over de immateriële schade stelt het hof op 4 september 2019, de datum waarop de schade is ingetreden.

Het hof zal de verdachte, die als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Het meergevorderde zal worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 1.535,00, bestaande uit € 35,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 als vergoeding van immateriële schade. De verdachte is daarvoor samen met zijn mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof acht het wenselijk dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert en ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedings-maatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.535,00, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde] ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 1.535,00 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 35,00 (vijfendertig euro) als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.535,00 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 35,00 (vijfendertig euro) als vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is, wat betreft de vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2019 en wat betreft de vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,

en op 16 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Martens is buiten staat het arrest mede te ondertekenen