Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3500

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
20-002314-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Drugslab in Maarheeze. Het hof legt (rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM) een gevangenisstraf opvoor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002314-17

Uitspraak : 11 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, van 12 juli 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-865078-16 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft het van de zijde van het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep bij akte van 5 april 2019 rechtsgeldig weer ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren (met dien verstande dat verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd onder het voorlaatste gedachtestreepje en van het plegen van het feit tezamen en in vereniging met andere(n)) en de verdachte (rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM) ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 228 dagen, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

De verdediging heeft ter zake van het ten laste gelegde feit, primair integraal vrijspraak bepleit en subsidiair partiële vrijspraak. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 22 juni 2016 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, (in (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 1] te Maarheeze, gemeente Cranendonck) en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 1] te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter beschikking gesteld en/of

- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder zwavelzuur en/of zoutzuur en/of formamide en/of mierenzuur en caustic soda en/of BMK en/of BMK-glycidezuur en/of APAA en/of amfetamine en BMK in methanol en/of

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een of meerdere: ketel(s) en/of gasbrander(s) en/of gasflessen en/of koeler(s) en/of pomp(en) en/of

- een hoeveelheid laboratoriummaterialen voorhanden gehad, waaronder een of meerdere jerrycan(s)/vat(en) en/of maatbeker(s) en/of elektrische verwarmingsdeken(s) en/of lekbak(ken) en/of trechter(s) en/of veiligheidsmasker(s) en/of handschoen(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet op grond van wettige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen, zodat verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het ten laste gelegde medeplegen.

Het hof heeft met de advocaat-generaal en de verdediging uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte hetgeen ten laste is gelegd onder het voorlaatste gedachtestreepje heeft begaan, aangezien deze goederen zijn aangetroffen in een ruimte waar de verdachte geen toegang toe had, zodat hij ook daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de periode van 16 maart 2016 tot en met 22 juni 2016 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, (in (een) stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 1] te Maarheeze, gemeente Cranendonck)

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en/of, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende hij, verdachte,

- stalruimte(n)/bedrijfsruimte(n) op het perceel [adres 1] te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter beschikking gesteld en

- een grote hoeveelheid jerrycans en vaten en (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder zoutzuur en formamide en mierenzuur en

- een hoeveelheid laboratoriummaterialen voorhanden gehad, waaronder meerdere jerrycans/vaten, lekbakken en trechters en een maatbeker.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – het navolgende aangevoerd. De verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van het synthetische drugs laboratorium in de varkenstallen, en heeft evenmin willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat in die stallen een drugslab aanwezig was. De verdachte weerspreekt dat hij na faillissement eigenaar is gebleven van de varkensstallen. Volgens de verdachte had hij na faillissement geen zeggenschap meer over de stallen en kwam hij na medio oktober 2015 (toen de zorg voor de varkens stopte) slechts sporadisch nog op het terrein van [adres 1] te Maarheeze. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de door hem in eerste aanleg overgelegde pleitnota en hij heeft verzocht pagina 1 t/m 6 van dit stuk als herhaald en ingelast te beschouwen. In de betreffende pleitnota is, kort gezegd, naast een bespreking en waardering van de verschillende getuigenverklaringen ook aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] (buurtbewoners) gelet op hun gekleurde waarnemingen en van de getuigen [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7], gelet op tegenstrijdigheden op sommige punten, onbetrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte

bij het ten laste gelegde het volgende af.

In varkensstallen op het adres [adres 1] te Maarheeze, zijn op 22 juni 2016 grote hoeveelheden grondstoffen, chemicaliën en voorwerpen ten behoeve van de productie van synthetische drugs aangetroffen. De stallen behoorden in eigendom toe aan [naam B.V. ], waarvan verdachte de (enige) bestuurder was. Deze B.V. is in september 2014 failliet verklaard.

Het verweer van de verdediging dat de eigendom van de varkensstallen na het faillissement is overgegaan op de hypotheekhouder, de [naam bank], is niet onderbouwd en wordt daarom verworpen. Voor zover de verdachte zich op het standpunt stelt dat de bank door de enkele faillietverklaring van [naam B.V.] eigenaar is geworden van de varkensstallen, miskent de verdachte dat de bank slechts hypotheekhouder is/was en dat een faillissement op zichzelf geen verandering meebrengt in de eigendomsverhoudingen. Voorts is gesteld noch gebleken dat de bank op of vóór 22 juni 2016 (de pleegdatum van de onderhavige strafbare feiten) anderszins eigenaar is geworden van de varkensstallen. Integendeel, uit een kadastraal bericht van 9 augustus 2016 (pagina 237 en 238 van het zaaksdossier) blijkt dat [naam B.V.] toen nog eigenaar was van het perceel [adres 1] waarop de stallen zich bevinden. Getuige

[getuige 8] heeft bij de politie verklaard dat de bank na het faillissement geprobeerd heeft om het bedrijf (de aan de bank verhypothekeerde goederen) te verkopen, waaronder, zo begrijpt het hof, ook de onderhavige stallen, maar dat dat niet gelukt is en dat verdachte na het faillissement tot 8 oktober 2015 maandelijks een vergoeding van de bank heeft ontvangen voor noodzakelijk onderhoud en dergelijke. Verdachte heeft in lijn hiermee op 23 juni 2016 bij de politie verklaard dat hij tot oktober 2015, op kosten van de bank, het pand heeft bijgehouden. [Getuige 8] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 15 juli 2020 verklaard dat de verdachte de vergoeding van de bank ontving voor het verzorgen van de dieren en het onderhouden van het bedrijf, dat die vergoeding stopte toen er geen dieren meer waren en dat de verdachte nog over het pand beschikte nadat de vergoeding stopte, dat aan de verdachte niet is gevraagd om de sleutels in te leveren, dat de sloten op de onderhavige locatie niet zijn vervangen en dat er geen afspraak met de verdachte is gemaakt dat de opstallen niet als opslagplaats mochten worden gebruikt. Het hof overweegt dat verder gesteld noch gebleken is dat de curator aan de verdachte de sleutels van de varkensstallen aan [adres 1] te Maarheeze had teruggevraagd. Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte ook na het stopzetten van de vergoeding in oktober 2015 tot en met 22 juni 2016 feitelijk toegang had tot de varkenstallen en de fysieke mogelijkheid heeft gehad om de stallen vrij te betreden. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt gelet op het voorgaande ter zijde geschoven.

Op 23 juni 2016 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij in een van de stallen ‘die tonnen’ een paar maanden geleden voor het eerst had zien liggen en dat hij zich daar niet mee wilde bemoeien. Hij wilde het niet opzoeken. Op 2 augustus 2016 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij in het begin van het jaar in de gang van stal B wat tonnen had zien staan. Hij zag toen aan de achterzijde van stal B een aantal kleine doorzichtige kannen en een stuk of 8 blauwe tonnetjes, circa 75-80 cm groot. Hieruit blijkt dat verdachte in ieder geval al geruime tijd voor 22 juni 2016 op de hoogte was van het feit dat er in de stallen een aantal kannen en tonnen waren ondergebracht die niet van hem waren.

Anders dan de raadsman meent, is het hof van oordeel dat de verklaring van [getuige 5],

[getuige 6] en [getuige 7] met betrekking tot de gang van zaken en de waarnemingen die zij hebben gedaan op 22 juni 2016 in belangrijke mate met elkaar overeenkomen en deze verklaringen elkaar in belangrijke mate op essentiële punten ondersteunen, zodat die verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hetgeen de raadsman aan verschillen in de verklaringen heeft aangedragen, maakt dit niet anders. Ook dat verweer van de verdediging wordt dus terzijde geschoven.

Voorts ziet het hof geen aanleiding, mede gelet op hetgeen de raadsman in zijn pleitnota in eerste aanleg daartoe heeft aangevoerd, om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] over hetgeen zij hebben waargenomen, in het bijzonder dat verdachte zeer frequent op het perceel aanwezig was, en verwerpt ook dat verweer van de verdediging.

Uit de verklaring van makelaar [getuige 5] van 22 juli 2016 inhoudende dat zij op 22 juni 2016 nadat zij de verdachte vroeg of hij iets wist van de blauwe en witte tonnen die in stal B stonden, verdachte hoorde zeggen: “Ze hadden beloofd dat ze het voor de [datum executieverkoop] weg zouden halen”, kan verder worden afgeleid dat verdachte er van op de hoogte was wie de spullen in de stallen had ondergebracht en dat diegene(n) had(den) toegezegd dat deze spullen uit de stallen zouden worden gehaald vóór de dag van de executieverkoop van het perceel op [datum executieverkoop] 2016. Ook kan hieruit worden afgeleid de wetenschap van de verdachte dat anderen met ‘iets’ bezig waren in de varkenstallen en dat het voor de executieverkoop weggehaald zou worden.

Getuige [getuige 7] (hierna: [getuige 7]) heeft verklaard dat toen hij, [getuige 6] en de makelaar tijdens de bezichtiging op 22 juni 2016 bijna achter in de hal waren [getuige 7] zag dat de verdachte voor [getuige 6] ging staat en zei dat die stallen er net zo uit zagen als de stallen die zij zojuist hadden bekeken. Nadat [getuige 7] [getuige 6] hoorde zeggen dat hij die ruimtes toch wilde bekijken, zag hij dat de verdachte met versnelde pas de grote hal verliet. Vervolgens zag [getuige 7] dat de klinken van de toegangsdeuren van die drie afgesloten ruimtes waren verwijderd. Nadat [getuige 6] voornoemde deuren met een schroevendraaier opende, zag [getuige 7] dat in elke ruimte blauwe vaten, diverse grote ketels waaruit slangen kwamen en doorzichtige jerrycans stonden. Voorts heeft [getuige 7] verklaard dat verdachte op de avond voor de bezichtiging, op 21 juni 2016, telefonisch contact met hem heeft opgenomen en dat de verdachte toen te kennen had gegeven dat hij niet blij was met de bezichtiging de volgende dag. Getuige [getuige 6] bevestigt de verklaring van getuige [getuige 7]. Uit de verklaring van [getuige 6] blijkt immers dat toen zij zich in de grootste stal bevonden de verdachte op enig moment voor [getuige 6] ging staan en hem de toegang belemmerde. [Getuige 6] gaf echter aan dat hij alle ruimtes wilde bekijken. [Getuige 6] verklaart dat hij kort daarna zag dat de verdachte niet meer aanwezig was in de stal. Het hof leidt uit het voorgaand af dat de verdachte heeft getracht te voorkomen dat men tijdens de bezichtiging in de drie gesloten stalruimtes zou kijken waar diverse vaten en ketels met slangen en jerrycans stonden.

Uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de gehoorde buurtbewoners valt op te maken dat verdachte in een witte auto met een driehoek achterin in de periode voorafgaand aan het aantreffen van chemicaliën en overige voorwerpen zeer frequent is gezien op het terrein aan [adres 1] te Maarheeze. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in bezit is van een witte auto waarin een rode driehoek zit en dat hij de enige gebruiker is van deze auto.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, met name bovenbedoelde wetenschap van verdachte vóór 22 juni 2016, zijn gedrag tijdens de bezichtiging op die datum, de waargenomen sterke geur in de varkenstallen, de voor eenieder in de varkenstallen duidelijk waarneembare vaten en tonnen, alsmede het feit dat verdachte feitelijk toegang had tot die stallen en zeer frequent aanwezig was op verschillende momenten in de periode voorafgaand aan het aantreffen van chemicaliën en overige voorwerpen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de in zijn loods aanwezige chemicaliën en de overige voorwerpen. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap van hetgeen in de varkenstallen is ontdekt, gelet op het hiervoor overwogene, volstrekt ongeloofwaardig en gaat dan ook aan deze verklaring voorbij.

Van verdachte kon minst genomen worden verwacht dat hij nader onderzoek zou doen naar de in zijn varkenstallen opgeslagen onbekende vatten en tonnen. Nu nader onderzoek van de zijde van verdachte is uitgebleven en de verdachte dit al dan niet stilzwijgend accepteerde, heeft hij door onder de gegeven omstandigheden gelegenheid te verschaffen tot het opslaan van de chemicaliën en voorwerpen, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de chemicaliën en voorwerpen die zich in de stallen bevonden, zouden worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft een of meer anderen de gelegenheid verschaft in zijn stallen een laboratorium voor synthetische drugs in te richten. In de varkenstallen was er een omvangrijke hoeveelheid specifieke goederen; grondstoffen, chemicaliën en voorwerpen ten behoeve van de productie van synthetische drugs aanwezig. De besloten vennootschap waarvan verdachte (enig) bestuurder was, was eigenaar van de varkenstallen, verdachte had feitelijk toegang tot de stallen, was daar zeer frequent en hij kon de stallen vrij betreden, waardoor hij de aangetroffen goederen ook voorhanden heeft gehad.

Daarmee heeft de verdachte aan een ander of anderen de gelegenheid verschaft om, ter voorbereiding van een strafbaar feit uit de Opiumwet, en voorwerpen en stoffen voorhanden gehad.

Het primaire verweer wordt mitsdien in al zijn onderdelen verworpen.

De verdediging heeft subsidiair bepleit dat bij een bewezenverklaring de pleegperiode, gelet op de verklaring van getuige [getuige 9], beperkt moet worden tot de periode 17 juni 2016 tot en met 22 juni 2016.

Met de rechtbank gaat het hof er van uit, gelet op de verklaring van getuige [getuige 5] dat zij op 16 maart 2016 nog in de desbetreffende varkensstallen is geweest en toen geen laboratorium heeft aangetroffen, dat het laboratorium eerst na 16 maart 2016 in de varkenstallen is ondergebracht. Anders dan de raadsman heeft betoogd ziet het hof, mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf op 23 juni 2016 dat hij de tonnen al een paar maanden geleden had zien staan, geen aanleiding in de verklaring van getuige [getuige 9] om de bewezenverklaarde periode te beperken tot de periode 17 juni 2016 tot en met 22 juni 2016.

Het subsidiaire verweer wordt mitsdien ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De raadsman heeft verzocht, indien het hof zou komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, om geen hogere straf op te leggen dan de straf die in eerste aanleg door de rechtbank werd opgelegd. Daartoe is aangevoerd dat verdachte voor een dergelijk delict een zogenoemde first offender is en dat verdachte, indien bewezen, slechts een faciliterende rol heeft gehad. Voorts heeft de raadsman strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn bepleit in die zin dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van maximaal zeven maanden wordt opgelegd.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt dat de verdachte zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Hij heeft zijn stalruimten/bedrijfsruimten beschikbaar gesteld voor het inrichten van een omvangrijk laboratorium voor die productie. Dit gedrag is zeer laakbaar. Met zijn handelen faciliteert hij namelijk de drugsproducenten. Verdachte houdt daarmee de productie van synthetische drugs in stand. De productie van en handel in synthetische drugs is een groot maatschappelijk probleem, meer in het bijzonder in het ressort van dit gerechtshof. De centrale en lokale overheid investeert veel geld en menskracht in het bestrijden van de productie van en de handel in synthetische drugs, niet alleen vanwege het gevaar voor de volksgezondheid zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel, maar ook omdat deze overtredingen van de Opiumwet vaak gepaard gaan met andere ernstige vormen van criminaliteit, zoals bedreiging met geweld, ook van overheidsdienaren, en daadwerkelijk levensdelicten zoals liquidaties, verontreiniging van het milieu op grote schaal doordat chemisch afval afkomstig uit deze laboratoria in de publieke ruimte wordt gedumpt, en witwassen op grote schaal. Daardoor wordt de samenleving in ernstige mate ondermijnd. Dat alles zijn feiten van algemene bekendheid en desondanks heeft de verdachte kennelijk niet de verleiding kunnen of willen weerstaan om uit persoonlijk winstbejag zich schuldig te maken aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs.

Bij de bepaling van de duur van de straf houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2020, niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van enig soortgelijk strafbaar feit.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij werkzaam is als zelfstandige in de varkenshouderij. Onder meer is van de zijde van de verdachte gesteld dat hij zijn opdrachtgevers mogelijk kwijt zal raken en dat hij financieel in moeilijkheden zal komen, als hij naar de gevangenis zal moeten, terwijl hij net weer na het faillissement zijn leven op de rails had.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dat niet anders.

Alles afwegende acht het hof in beginsel – evenals de rechtbank – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden. Ook de advocaat-generaal en de raadsman hebben dit tot uitgangspunt genomen, met dien verstande dat nog een strafkorting dient plaats te vinden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Namens de verdachte is op 20 juli 2017 tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld en vijf dagen daarna is de officier van justitie in appel gegaan, welk appel door de advocaat-generaal nadien is ingetrokken. Het hof doet bij arrest van heden – 11 november 2020 – einduitspraak. Het procesverloop in hoger beroep bedraagt aldus drie jaren en bijna vier maanden, waarmee eindarrest zal worden gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat in de fase van het hoger beroep de redelijke termijn met bijna 16 maanden is overschreden. Deze termijnoverschrijding komt in beperkte mate voor rekening van de verdachte. Dit in verband met het late verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [getuige 8], welk verzoek door het hof is toegewezen op de zitting van 4 maart 2020, en welk getuigenverhoor vervolgens heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Nu voor het overige niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 1 maand.

Het hof komt tot de slotsom dat, alles afwegend, verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. D.A.E.M. Hulskes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,

en op 11 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.