Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3496

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
200.282.252_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging uithuisplaatsing, afwijzing verzoek 810a lid 2 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 12 november 2020

Zaaknummer : 200.282.252/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/362971 / JE RK 19-1716

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. A.A. Tahavol, thans mr. R.F.P. Scheele,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak betreft de minderjaren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, mondeling uitgesproken op 22 juli 2020, waarvan de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 5 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2020. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak in hoger beroep met nummer 200.282.270/01 (inzake het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 22 juli 2020, zaaknummer C/02/374620 / JE RK 20-1392, waarbij de verzoeken van de moeder om, kort gezegd, te bepalen dat het verblijf van de kinderen niet kan worden gewijzigd, zijn afgewezen).

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens de moeder: mr. M. Erkens, waarnemend voor mr. Scheele;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling van het hof verschenen.

Mr. Erkens heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat moeder onderweg was; dat zij haar auto nog moest parkeren, maar dat de mondelinge behandeling alvast kon aanvangen. De moeder is niet voor het einde van de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Erkens overgelegde en voorgedragen pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) zijn de kinderen geboren. De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder is met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast.

3.2.

Bij beschikking van 25 oktober 2018 zijn de kinderen onder toezicht van de stichting gesteld, tot 25 oktober 2019.

Bij beschikking van 17 januari 2019 is een machtiging verleend strekkende tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 januari 2019 tot 25 oktober 2019.

Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 25 april 2019.

3.2.1.

Met ingang van 18 januari 2019 verbleven de kinderen in hetzelfde (kortverblijf) pleeggezin op een geheim adres. Zij hebben daar circa anderhalf jaar verbleven.

3.4.

Bij beschikking van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 25 oktober 2019 tot 25 oktober 2020 en de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 25 oktober 2019 tot 25 april 2020 en de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor het overige aangehouden.

Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 9 januari 2020.

3.5.

Bij beschikking van 23 april 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 25 april 2020 tot 25 juli 2020 en de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor het overige aangehouden.

3.6.

Bij beschikking van 22 juli 2020, mondeling gegeven in het openbaar ter zitting van 22 juli 2020, heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder ex artikel 1:265d lid 2 BW om – kort gezegd – te bepalen dat het verblijf van de kinderen niet kan worden gewijzigd, althans een second opinion af te wachten, afgewezen.

3.7.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 22 juli 2020, mondeling gegeven in het openbaar ter zitting van 22 juli 2020, heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verlengd met ingang van 25 juli 2020 tot 25 oktober 2020.

3.8.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

Door en namens de moeder is in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voor zover voor deze zaak van belang – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Het onderzoek van Praktijk [praktijk] is niet zorgvuldig tot stand gekomen. Eén onderdeel ervan, het psychodiagnostisch onderzoek van de kinderen, is volledig gebaseerd op hetgeen door de voormalige pleegmoeder (en school) is ingevuld in de vragenlijsten. De mening van de pleegmoeder zou volgens Praktijk [praktijk] aansluiten bij de bevindingen van [pleegzorg] , maar hier is sprake van kruisbestuiving. Praktijk [praktijk] heeft niet zelf bevindingen gedaan of onderzoek verricht. Zij hebben slechts één korte observatie gedaan. Het rapport van 4MB waar de moeder het niet mee eens is, is niet gebruikt, maar het wordt wel benoemd in het rapport van Praktijk [praktijk] . Het raadsrapport van 2018 en het verzoek machtiging uithuisplaatsing van 2018 zijn gebruikt; dit zijn niet objectieve bronnen. De leerbaarheid van de moeder is niet getest. Praktijk [praktijk] heeft hechtingsproblematiek vastgesteld bij de kinderen. Deze was er voor de uithuisplaatsing echter nog niet. Het is ondanks de hechtingsproblematiek niet in het belang van de kinderen dat zij in een pleeggezin opgroeien. Met hulpverlening kan de moeder aan de hechtingsproblematiek van de kinderen werken; dat hoeft niet aan een thuisplaatsing van de kinderen in de weg te staan. De moeder verwijst naar de “Richtlijn problematische gehechtheid”, waaruit blijkt dat problematische gehechtheid bijgestuurd kan worden. De bevinding van Praktijk [praktijk] , dat de moeder niet kan samenwerken met de hulpverlening, is gebaseerd op de stelling van de GI en is niet op waarheid gebaseerd. De rechtbank heeft haar oordeel dat het rapport van Praktijk [praktijk] gedegen tot stand is gekomen en zorgvuldig moet worden bevonden, onvoldoende gemotiveerd.

Ten onrechte is het verzoek van de moeder ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgewezen. Aan de vaste rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt is voorbij gegaan. Met de loutere overweging dat een deskundigenonderzoek niet bijdraagt aan een andere beslissing en dat het belang van de kinderen niet gebaat is bij een dergelijk onderzoek, is het verzoek van de moeder onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Een nader onderzoek zou overigens niet belastend voor de kinderen hoeven zijn en het zou niet langer dan drie maanden hoeven te duren. De mogelijke nadelen van een nader onderzoek wegen niet op tegen de schade die de kinderen oplopen door op te groeien in een pleeggezin. Het feit dat de GI al heeft verteld tegen de kinderen dat zij niet meer bij de moeder zullen opgroeien, zou in ieder geval geen reden mogen zijn om geen onderzoek te doen naar het perspectief van de kinderen, aangezien de GI dan met een dergelijke mededeling ieder verzoek ex 810a lid 2 Rv zou kunnen dwarsbomen.

Er is niet duidelijk met de moeder gecommuniceerd hoe en waarover zij de GI had moeten informeren over haar urinecontroles en de naam van haar behandelaar. Bovendien is de verantwoordelijkheid om de feiten duidelijk te krijgen ten onrechte helemaal bij de moeder gelegd. Een gedegen onderzoek kan duidelijk maken wat de oorzaak was van de zorgen die er destijds waren (persoonlijke problematiek of drugsgebruik), zodat daarvoor (en voor de hechtingsproblematiek van de kinderen) een oplossing kan worden gezocht. Nu zijn er onvoldoende overtuigende feitelijke gegevens, hetgeen de noodzaak van een tegenonderzoek versterkt. De moeder heeft echter ook als haar kritiek op het onderzoeksrapport van Praktijk [praktijk] ongegrond wordt geacht, recht op een tegenonderzoek.

3.10.

De GI heeft in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voor zover voor deze zaak van belang – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Praktijk [praktijk] heeft gedegen onderzoek gedaan. De resultaten en bevindingen van Praktijk [praktijk] sluiten aan bij de ervaringen van de GI en [pleegzorg] Pleegzorg met de moeder en de kinderen. De vragen en bezwaren over/tegen het rapport die namens de moeder aan Praktijk [praktijk] zijn voorgelegd, zijn door Praktijk [praktijk] uitvoerig, duidelijk en in de optiek van de GI afdoende beantwoord en weerlegd (e-mail 16 juni 2020). De gezinsvoogd heeft er overigens alles aan gedaan om de moeder mee te krijgen en haar keuzes te volgen in het kader van dit onderzoek.

De rechtbank heeft verder op juiste gronden overwogen dat een nieuw onderzoek niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. De GI en [pleegzorg] Pleegzorg zijn ook met de rechtbank van mening dat het belang van de kinderen zich tegen een nader onderzoek verzet. Een onderzoek over het perspectief van de kinderen zou de mogelijkheden van de kinderen om in het gezinshuis verder in te groeien teniet doen. Sinds december 2018 verkeren de kinderen in onzekerheid over waar zij mogen opgroeien, is de aanvaardbare termijn ruimschoots verstreken en is er dringend behoefte aan duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit. Dit alles verhoudt zich niet met een nieuw onderzoek dat zeker zes maanden in beslag zal nemen, terwijl niet te verwachten is dat het advies, op basis van een nieuw uit te voeren onderzoek, terugplaatsing van de kinderen bij de moeder wordt.

De hechtingsproblematiek bij de kinderen is niet de enige reden geweest om de kinderen niet bij de moeder terug te plaatsen. Er is bij de kinderen ook een achterstand in de sociaal emotionele ontwikkeling ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ). Bovendien is gebleken dat de moeder, ondanks al haar goede bedoelingen, niet in staat is de verzorging en opvoeding van haar drie kinderen te dragen. Het ontbreekt de moeder aan de opvoedvaardigheden die alle drie de kinderen gezien de ernst van hun kindeigen problematiek, nodig hebben. Tot slot verloopt de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening rondom de kinderen niet goed. De moeder heeft diverse malen verschillende hulpverleners, zoals de medewerkers van de GI en de voormalige begeleidster van SDW, uitgescholden, bedreigd en geïntimideerd. De samenwerking met de hulpverlener van [organisatie] verloopt moeizaam als zij en de moeder niet op één lijn zitten. Een en ander biedt niet het vertrouwen dat nodig is om de kinderen met ondersteuning bij de moeder te laten opgroeien.

Wat minder goed in het onderzoeksrapport beschreven staat, maar wel van belang is, is dat ook aan de meer basale eisen die aan de (opvoedsituatie bij) de moeder bij aanvang van de uithuisplaatsing werden gesteld (de woning opruimen, haar hoofd leegmaken en geen drugs gebruiken) onvoldoende is voldaan. Het begint er al mee dat de moeder de zorgen van destijds niet erkent; zij blijft ontkennen dat van middelengebruik sprake is geweest en dat de kinderen werden verwaarloosd en zij blijft erbij dat de uithuisplaatsing alleen op vermoedens gebaseerd was. Het huis is nog niet op orde. [organisatie] ondersteunt de moeder in praktische zaken. De inschatting is dat zij forsere ondersteuning nodig heeft. De moeder is behoorlijk beperkt in het oppakken van zaken en het vormgeven van haar leven. De adviezen worden niet opgevolgd en er wordt te weinig vooruitgang gezien.

In het weekend van 15 en 16 augustus zijn de kinderen naar het gezinshuis overgeplaatst. De moeder heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om met de gezinshuisouders kennis te maken. De kinderen hebben het fijn in het gezinshuis. Ze hebben het goed naar hun zin op de nieuw basisschool en zijn er helemaal gewend. De kinderen zijn verheugd met zwemles te mogen beginnen in oktober. Uniek is dat er een plek is gevonden waar plaats was voor de drie de kinderen samen en helemaal dat die plek een gezinshuis is. De GI heeft daar werk van gemaakt en gezien wordt dat de kinderen er veel baat bij hebben. Voor de kinderen is het fijn dat zij elkaar kunnen steunen en daar samen kunnen wonen.

Het contact tussen de moeder en de kinderen vindt nu eens per maand plaats gedurende twee uur, vanwege de toegenomen reistijd en om de kinderen de kans te geven om in te groeien in het nieuwe gezin. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben (al vóór de overplaatsing) aangegeven niet meer met de moeder te willen bellen. [minderjarige 3] wilde minder bellen: eens per maand. In het gedrag van de kinderen is te merken dat de duidelijkheid over hun perspectief en de verlaagde frequentie van het contact hen goed heeft gedaan. De GI gaat bij de raad een verzoek indienen om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtmatigheid uithuisplaatsing

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.3.

Het hof stelt voorop dat ten tijde van deze uitspraak de duur van de machtiging uithuisplaatsing die bij de bestreden beschikking was verleend, reeds is verstreken.

Het uitgangspunt is echter dat in zaken waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen wordt dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en ook dat aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 14 oktober 2011, NJ 2011, 596).

3.11.4.

In dezen ligt aan het hof ter beoordeling voor of de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de (resterende) periode van drie maanden van 25 juli 2020 tot 25 oktober 2020 rechtmatig was.

3.11.5.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat voor de kinderen de situatie bij de moeder ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen op 25 december 2018 niet veilig was.

Vanaf 2016 waren er (ernstige) zorgen over de thuissituatie bij de moeder. De kinderen werden veelvuldig te laat op school gebracht door de moeder (bijna 60 keer in de periode van 20 augustus 2018 tot 4 december 2018) en te laat opgehaald op school, er bestond bij de betrokken professionals al jaren een ernstig vermoeden van drugs- en/of alcoholgebruik door de moeder, het huis van de moeder was niet op orde (vol, rommelig en vies), er deden zich onveilige situaties met de kinderen voor en de moeder kwam vaak verward over. Het hof verwijst verder naar de in de stukken omschreven incidenten in juni en september 2018, waarbij de moeder onder invloed en/of verward door politie respectievelijk de hulpverlening is aangetroffen en waarbij voor de kinderen sprake was van uiterst gevaarlijke en onverantwoorde situaties. Het incident op 25 oktober 2018 heeft geleid tot de uithuisplaatsing van de kinderen. De moeder is die dag met een overdosis GHB in het ziekenhuis opgenomen. Intensieve ambulante hulpverlening heeft niet tot een verbetering van de thuissituatie van de moeder geleid.

Na de uithuisplaatsing van de kinderen werd geconstateerd dat de kinderen zindelijkheidsproblemen hadden en werden er tekenen van ondervoeding gezien. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hadden een ernstig verwaarloosd gebit.

3.11.6.

Tijdens de uithuisplaatsing van de kinderen waren de doelen waaraan de moeder diende te werken vooral gericht op wegnemen van de zorgen met betrekking tot – kort gezegd – de rommel in huis, haar verwardheid en het drugsgebruik. Dit blijkt uit de Plan van Aanpak ondertoezichtstelling van 2 januari 2019 en de Evaluatie en Vervolgplan van Aanpak ondertoezichtstelling van 9 september 2019. Er diende hulpverlening voor de moeder te worden ingezet gericht op haar dagelijks functioneren en het op orde brengen en houden van haar woning c.q. huishouden en de financiën. Hiervoor is [organisatie] ingeschakeld. Daarnaast diende de moeder begeleid te worden bij haar persoonlijke problematiek (psychologische hulp). Om aan te tonen dat zij drugsvrij was, diende de moeder urinecontroles uit te laten voeren.

Om duidelijkheid te krijgen over de mogelijkheden van de moeder en het perspectief van de kinderen werd daarnaast een systeemonderzoek (bij Keinder) nodig geacht. De GI was echter van mening dat dit onderzoek niet eerder kon aanvangen dan wanneer de moeder had aangetoond (door middel van urinetesten) geen drugs te gebruiken; eerder kwam de moeder niet in aanmerking voor aanmelding voor een dergelijk onderzoek.

3.11.7.

Het hof heeft in de beschikking van 9 januari 2020 overwogen: “De urinecontroles zijn nog steeds niet zodanig uitgevoerd dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de moeder al dan niet nog drugs gebruikt”. Het hof wijst er in dit kader op dat in de periode van zogenoemde ‘negatieve urinecontroles’ (van 5 april 2019 tot en met 23 juli 2019), de politie op 16 juni 2019 de moeder liggend in het gangetje naast haar poort heeft aangetroffen. De moeder was volgens de politie onder invloed.

Het hof heeft in die beschikking verder overwogen: “Het is van belang dat de urinecontroles thans op zo kort mogelijke termijn worden uitgevoerd op een manier en met een frequentie die zekerheid geeft over al dan niet gebruik van drugs (met name GHB). De GI dient hiertoe duidelijk aan de moeder aan te geven wat ze van haar verwacht.”

De GI heeft bij schriftelijke aanwijzing van 13 januari 2020 de moeder opgedragen dagelijks urinecontroles te laten uitvoeren. De schriftelijke aanwijzing is vervallen verklaard bij beschikking van 25 maart 2020 (het was niet duidelijk hoe lang – gedurende hoeveel maanden – de moeder dagelijks urinecontroles diende te laten uitvoeren).

Uit de tweede tussenbeschikking in de procedure in eerste aanleg (23 april 2020) maakt het hof op dat de moeder de uitslagen van in de periode van 10 februari 2020 tot 4 maart 2020 afgelegde urinecontroles aan de GI heeft gegeven: deze waren negatief. Daarna heeft de moeder kennelijk nog meer urinecontroles laten uitvoeren, maar de uitslagen daarvan niet met de GI gedeeld. De moeder zegt dat zij die uitslagen wel met de GI heeft gedeeld. Het hof heeft de uitslagen in ieder geval niet onder de stukken aangetroffen.

3.11.8.

Het hof stelt met betrekking tot de zorgen over de verwardheid van de moeder vast dat er voor de moeder zelf, anders dan de praktische ondersteuning van [organisatie] en maandelijkse gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts, geen hulpverlening tot stand is gekomen, terwijl haar duidelijk was of had moeten zijn dat de GI dit van haar verlangde. Dat de schriftelijke aanwijzing van de GI van 28 november 2019 hierover vervallen is verklaard (bij beschikking van de rechtbank van 24 maart 2020) doet aan de duidelijkheid van de opdracht van de GI aan de moeder niet af. Aan de essentie van de aanwijzing aan de moeder dat zij zich onder behandeling van een psycholoog moest stellen, heeft de rechtbank in genoemde beschikking van de rechtbank, immers geen afbreuk gedaan. Uit de brief van de huisarts van de moeder van 12 maart 2020 aan de gezinsvoogd, blijkt dat de moeder in april 2019 is verwezen naar Novadic Kentron. De moeder gaf daar aan geen drugs te gebruiken, waarop Novadic Kentron haar heeft doorverwezen naar Mentaal Beter, die haar heeft doorverwezen naar GGZ. Deze hebben de moeder weer doorverwezen naar Novadic Kentron, waarmee de cirkel rond was. De huisarts heeft opgemerkt dat gespecialiseerde hulp wenselijk is, maar niet goed realiseerbaar is geweest gezien alle verwijzingen. De oorzaak hiervan is naar het oordeel van het hof dat de moeder geen andere hulpvraag heeft dan – zo blijkt eveneens uit de brief van de huisarts – ‘het voldoen aan de opdracht van de GI om haar hoofd leeg te maken’. Daardoor is het inzetten van de juiste hulpverlening voor de moeder op het gebied van verslavingszorg en indien er geen drugsverslaving meer is op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, spaak gelopen.

3.11.9.

Hoewel de rechtbank in de beschikking 23 augustus 2019 heeft overwogen dat de moeder onweersproken heeft verklaard dat de moeder haar woning heeft opgeruimd, blijkt uit het verslag van 3 oktober 2019 van [ondersteuner] (de ondersteuner van de moeder bij [organisatie] ) dat binnen de ‘domeinen’ financiën, geestelijke gezondheid, huisvesting en sociaal netwerk stappen zijn gezet, maar nog niet alle doelen zijn behaald en dat de moeder op dat moment, een jaar na de uithuisplaatsing van de kinderen, nog bezig was met het opruimen van de woning.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat het de moeder nog onvoldoende is gelukt haar woning c.q. het huishouden op orde te krijgen en te houden en dat de moeder daarin intensiever begeleid zou moeten worden. Een en ander is door of namens de moeder niet, althans onvoldoende betwist.

3.11.10.

Samenvattend overweegt het hof over de doelen van de ondertoezichtstelling (zie overweging 3.11.6.) het volgende.

De GI is niet altijd duidelijk genoeg geweest over de eisen die aan de moeder werden gesteld, in die zin dat niet concreet genoeg was welke informatie de GI van de moeder verlangde (met betrekking tot de urinecontroles en de naam van haar behandelaar).

Het hof is echter van oordeel dat vanaf het begin van de uithuisplaatsing van de kinderen de moeder geacht kan worden bekend te zijn geweest met de door de GI gestelde, uiterst basale voorwaarden, waaraan de moeder in het belang van de kinderen zou moeten voldoen om een eventuele thuisplaatsing mogelijk te maken: zorgen voor een veilige, schone, opgeruimde woning; zorgen voor rust in haar hoofd; clean zijn en blijven. Daarnaast was het aan de moeder om zich onder behandeling te stellen van een psycholoog om duidelijk te krijgen over haar mogelijk onderliggende problematiek, hetgeen zij tot op heden heeft nagelaten. Dat het aan de GI was om een dergelijk onderzoek te laten verrichten, zoals namens de moeder tijdens de mondelinge behandeling is betoogd, wijst het hof af en het hof verwijst hiervoor naar hetgeen onder 3.11.8 hierover is overwogen.

Sinds de uithuisplaatsing van de kinderen in oktober 2018 heeft de moeder niet aantoonbaar gewerkt aan het wegnemen van de ernstige zorgen die er waren en aan het creëren van een thuissituatie die aan die basale voorwaarden voldoet. De forse zorgen bij de raad, de GI, het netwerk van de moeder en de politie heeft de moeder tot op heden zelfs volledig ontkend of gebagatelliseerd: de uithuisplaatsing van de kinderen was volgens de moeder louter op vermoedens gebaseerd.

3.11.11.

Daarbij komt dat de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en hulpverlening/GI, mede door de houding en het grensoverschrijdende gedrag van de moeder, moeizaam verloopt. In dit kader wijst het hof erop dat de moeder meerdere malen de medewerkers van de GI heeft bedreigd en onheus heeft bejegend. Ook de begeleidster van SDW, de organisatie die de contacten tussen de moeder en de kinderen begeleidt, is in oktober 2019 ernstig door de moeder bedreigd. De GI heeft verder tijdens de mondelinge behandeling erop gewezen dat ook de samenwerking van de moeder met hulpverlening die niet over de kinderen gaat ( [organisatie] ) niet altijd goed verloopt, hetgeen niet is betwist.

3.11.12.

Tot slot weegt het hof mee dat de kinderen en de moeder elkaar ten tijde van de bestreden beschikking éénmaal per twee weken zagen tijdens de bezoekmomenten die begeleid werden en worden door SDW. Uit de evaluatieformulieren van SDW van 19 maart 2020 blijkt dat het de moeder veel moeite kost om op tijd te komen, dat moeder tijdens de bezoeken aansturing nodig heeft in het zicht houden op de tijd, het stellen van grenzen, het niet bespreken van volwassen zaken en het aanbrengen van structuur.

3.11.13.

Het hof heeft de moeder over haar huidige feitelijke situatie en hetgeen zij stelt over haar ontwikkelingen sinds de uithuisplaatsing van de kinderen geen vragen kunnen stellen, omdat zij niet tijdig - voor het einde van de (uitvoerige) mondelinge behandeling - de zittingszaal heeft bereikt. De waarnemend advocaat van moeder heeft het hof hierover evenmin het nodige inzicht kunnen verschaffen.

3.11.14.

Op grond van al het voorgaande concludeert het hof dat bij een eventuele thuisplaatsing, de fysieke en sociaal-emotionele veiligheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd zouden zijn. Het hof acht het risico op een herhaling van de gevaarlijke en schadelijke situaties zoals die zich in 2018 hebben voorgedaan in het geval van een thuisplaatsing van de kinderen reëel.

Reeds op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de bij de bestreden beschikking uitgesproken verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen tot 25 oktober 2020 noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Onderzoeksrapport Praktijk [praktijk] / verzoek 810a lid 2 Rv

3.11.15.

De moeder acht het systeemonderzoek van Praktijk [praktijk] ondeugdelijk uitgevoerd. Kort gezegd is de moeder het niet eens met de onderzoeksmethoden die zijn gehanteerd.

Het hof begrijpt het verzoekt van de moeder aldus dat zij het hof verzoekt de resultaten van het onderzoeksrapport van Praktijk [praktijk] bij de beoordeling in dezen buiten beschouwing te laten (a) en op grond van 810a lid 2 Rv een deskundige te benoemen om deze opnieuw (bij wijze van contra-expertise) onderzoek te laten doen naar, zo begrijpt het hof, de mogelijkheden van de moeder en het perspectief van de kinderen (b).

3.11.16.

Bij beschikking van 23 augustus 2019 (beschikking geschillenregeling ex artikel 1:262b BW) is bepaald dat de GI uiterlijk binnen één week na de datum van de beschikking zal meewerken aan de inschrijving van de moeder bij Keinder, of een soortgelijke instantie, waarbij de GI geen verdere nieuwe vereisten mocht stellen aan de UC-testen van de moeder.

De rechtbank heeft in die beschikking overwogen dat de moeder met gecontroleerde negatieve urinetesten bij de huisarts had aangetoond in de periode van 5 april 2019 tot en met 23 juli 2019 geen drugs te hebben gebruikt.

Gedurende de gehele procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank het belang van het onderzoek benadrukt, omdat de onderzoeksresultaten duidelijk zouden kunnen maken of een verantwoorde thuisplaatsing van de kinderen mogelijk was. De rechtbank ging daarbij wederom uit van een aantal positieve ontwikkelingen in de situatie van de moeder (zie beschikking van 16 oktober 2019).

Het onderzoek is uiteindelijk door Praktijk [praktijk] in maart-juni 2020 verricht en was gericht op het in kaart brengen van de pedagogische vaardigheden van de moeder en het perspectief van de kinderen.

3.11.17.

Het hof blijft echter bij zijn standpunt, zoals verwoord in de beschikking van 9 januari 2020, dat een (tegen)onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de moeder en het perspectief van de kinderen niet zinvol is, zolang niet is aangetoond dat de moeder clean is (en aan de overige basisvoorwaarden is voldaan). Het hof heeft bij beschikking van 9 januari 2020 en ook nu weer moeten concluderen dat aan de basale voorwaarden die aan de opvoedsituatie bij de moeder gesteld werden, waaronder aantoonbaar clean zijn, nog altijd niet is voldaan. Een (tegen)onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de moeder en het perspectief van de kinderen kan op grond van het voorgaande niet mede tot de beslissing van de zaak leiden.

3.11.18.

Het hof heeft reeds gelet op het voorgaande de inhoud van het onderzoeksrapport van Praktijk [praktijk] bij de beoordeling in dezen buiten beschouwing gelaten. Het hof gaat derhalve niet in op de bezwaren van de moeder tegen (de wijze van totstandkoming van) de conclusies over de mogelijkheden van moeder en (de hechtingsproblematiek van) de kinderen in het onderzoeksrapport van Praktijk [praktijk] (a).

Het voorgaande leidt eveneens tot een afwijzing van het verzoek ex artikel 810 a lid 2 Rv (b).

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en het meer of anders verzochte dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, mondeling uitgesproken op 22 juli 2020, op schrift vastgesteld op 5 augustus 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en M.I. Peereboom-Van Drunick en is op 12 november 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.