Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3490

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
200.267.387_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.267.387/01

zaaknummer rechtbank : C/01/346515 / FA RK 19-2337

beschikking van de meervoudige kamer van 12 november 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen te Venlo ,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. M.E.G. van Hout, thans mr. R.S. Gerritsen te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 8 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van

9 juli 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 17 december 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het door de man toegezonden verzoekschrift van de vrouw in eerste aanleg, op 6 november 2019;

- het journaalbericht van de zijde van de man van 19 mei 2020 met bijlagen, op 20 mei 2020;

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 mei 2020 met bijlagen, op 25 mei 2020.

2.4.

De op 4 juni 2020 geplande mondelinge behandeling heeft in verband met de COVID maatregelen van het RIVM niet plaatsgevonden. De vrouw heeft bij journaalbericht van 10 juni 2020, ingekomen op 10 juni 2020, het hof bericht dat zij afziet van een mondelinge behandeling. De man heeft bij journaalbericht van 11 juni 2020, ingekomen op 30 juni 2020, het hof eveneens bericht dat hij afziet van een mondelinge behandeling. Het hof begrijpt uit de mededelingen van partijen dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan en heeft partijen in de gelegenheid gesteld nog nadere stukken aan het hof over te leggen en schriftelijk te reageren op elkaars stukken.

2.5.

Met toestemming van het hof zijn voorts de navolgende stukken ingekomen:

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 juni 2020 met bijlagen, op 25 juni 2020;

- het journaalbericht van de zijde van de man van 24 augustus 2020 met bijlage, op 24 augustus 2020;

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 september 2020 met bijlage, op 3 september 2020.

2.6.

Het hof zal op grond van de voormelde stukken een beslissing geven in deze zaak.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Partijen zijn op 3 januari 2012 te Kabul (Afghanistan) met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 1 juli 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 5 november 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 13 mei 2019 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) moet voldoen van € 1.761,- bruto per maand en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige] van € 259,- per maand.

4.3.1.

De grieven van de man zien op de behoeftigheid van de vrouw, subsidiair op de termijn waarbinnen de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien en op haar draagkracht ten behoeve van de kosten van [minderjarige] , op de draagkracht van de man en op de ingangsdatum van de kinder- en partneralimentatie.

4.3.2.

De man heeft verzocht, de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt wat betreft de kinder- en de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

a. a) primair, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen, en subsidiair, indien er desondanks een door de man te betalen partneralimentatie wordt vastgesteld, de verplichting van de man te limiteren tot een termijn van drie jaar na de ingangsdatum, althans een termijn korter dan twaalf jaar vast te stellen die het hof juist acht, en

b) te bepalen dat de man met ingang van 17 juli 2019, dan wel, subsidiair, met ingang van 9 juli 2019 aan de vrouw een kinderalimentatie zal voldoen van € 50,- per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

4.4.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem de verzoeken te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht

5.1.

Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het alimentatieverzoek kennis te nemen gelet op het bepaald in artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr 4/2009 Raad van 18 december 2008.

Ingangsdatum kinder- en partneralimentatie

5.2.1.

De man heeft het navolgende aangevoerd. De rechtbank heeft de ingangsdatum van de kinderalimentatie en de partneralimentatie ten onrechte bepaald op 13 mei 2019. De man heeft het oorspronkelijk verzoekschrift van de vrouw nimmer ontvangen, niet van de rechtbank en niet van de advocaat van de vrouw. Eerst op 17 juli 2019, de datum waarop de bestreden beschikking aan de man is betekend, heeft de man kennis genomen van de vastgestelde alimentatieverplichtingen. Eventueel te betalen kinder- en partneralimentatie kan in redelijkheid niet eerder ingaan dan op 17 juli 2019, de datum van betekening van de bestreden beschikking, subsidiair, op 9 juli 2019, de datum van de bestreden beschikking.

5.2.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. De man woont volgens de vrouw nog altijd op hetzelfde adres en de rechtbank heeft het verzoekschrift van de vrouw dan ook naar het juiste adres toegezonden. De man is conform de geldende voorschriften in de gelegenheid geweest verweer te voeren. Met ingang van 13 mei 2019 was de man jegens [minderjarige] en jegens de vrouw onderhoudsplichtig. De rechtbank heeft de ingangsdatum terecht bepaald op 13 mei 2019.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Het hof constateert dat de adresgegevens van de man op de door partijen in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde producties, zoals jaaropgaven, salarisstroken, bankafschriften en ook de door de man ontvangen betekening van de bestreden beschikking steeds zijn gericht aan hetzelfde adres van de man aan de [adres] te [woonplaats] . Gelet hierop valt zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet in te zien dat het door de vrouw ingediende verzoekschrift dat kennelijk is verzonden naar datzelfde adres, niet door de man is ontvangen. Daarbij komt dat, naar het hof uit de processtukken begrijpt, de incasso door het LBIO feitelijk nog niet heeft geleid tot enige betaling door man. Derhalve speelt een eventuele terugbetaling door de vrouw in dit geval geen rol bij de vaststelling van de ingangsdatum. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien stelt het hof de ingangsdatum in redelijkheid op de datum waarop het verzoekschrift van de vrouw bij de rechtbank is ingekomen, 14 mei 2019; de datum waarop de man in zijn uitgavenpatroon rekening heeft kunnen houden met de hierna vast te stellen kinder- en partneralimentatie.

Hoogte behoefte van [minderjarige]

5.3.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat de behoefte van [minderjarige] € 242,- per maand bedraagt (niveau 2015) en analoog aan de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2019 € 259,- per maand. De man heeft de stellingen van de vrouw niet weersproken, zodat het hof uitgaat van de door de vrouw gestelde behoefte van [minderjarige] .

Hoogte behoefte van de vrouw

5.4.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij op basis van de hofnorm een behoefte heeft van € 875,- netto per maand (niveau 2015), analoog aan de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2019 van € 937,- netto per maand, dit is € 1.761,- bruto per maand. De man heeft de stellingen van de vrouw niet weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat.

Behoeftigheid van de vrouw en haar draagkracht voor kinderalimentatie

5.5.1.

De man heeft gesteld dat de vrouw in redelijkheid een eigen inkomen kan genereren waarmee zij in ieder geval in haar eigen behoefte, alsmede gedeeltelijk in de kosten van [minderjarige] kan voorzien. De man is van mening dat de vrouw in ieder geval in staat moet worden geacht om binnen drie jaren na de ingangsdatum een inkomen te verwerven waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien . De vrouw is nog jong, zij is niet arbeidsongeschikt en niets staat haar in de weg om een zodanig inkomen te verwerven waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, aldus de man.

5.5.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft het navolgende gesteld. In de periode 2015/2016 verbleef de vrouw in een ‘blijf van mijn lijf huis’ en sinds twee jaar woont zij op zichzelf. Zij is tot op heden niet in staat om een eigen inkomen te genereren, de vrouw beheerst de Nederlandse taal onvoldoende waardoor het moeilijk is om werk te vinden, zij heeft als alleenstaande ouder de volledige zorg voor [minderjarige] en zij heeft een beperkt netwerk.

5.5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft niet weersproken dat de vrouw pas sinds twee jaar op zichzelf woont, dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst hetgeen haar parten speelt bij het vinden van een baan en dat zij een beperkt netwerk heeft. De vrouw heeft thans een uitkering op basis van de Participatiewet. Gelet op het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw op dit moment en in de nabije toekomst niet een dusdanig eigen inkomen kan genereren dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Van de vrouw wordt wel gevergd dat zij zich voldoende inspant om in de verdere toekomst zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.

De man dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met de hierna te bepalen partneralimentatie.

Gelet op de Participatiewet uitkering van de vrouw stelt het hof de draagkracht van de vrouw ter zake de kinderalimentatie, conform het Rapport Alimentatienormen, op nihil.

Draagkracht van de man

5.6.1.

De man heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 259,- per maand te voldoen, althans dat hij een draagkracht heeft van € 50,- per maand. Ook heeft de man onvoldoende draagkracht om de vastgestelde partneralimentatie van € 1.761,- per maand te voldoen.

5.6.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij is van mening dat uitgegaan moet worden van een fulltime inkomen van de man en niet, zoals blijkt uit de door de man overgelegde loonstroken van een deeltijdpercentage van 84,21% in 2019 en van 63,16% in 2020. Ook kan de man zijn woonkosten delen met zijn nieuwe partner. De man heeft voldoende draagkracht, althans kan geacht worden voldoende draagkracht te hebben, voor betaling van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie en partneralimentatie, aldus de vrouw.

5.7.

Het hof overweegt het navolgende.

Inkomen van de man

5.7.1.

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van een fiscaal loon in 2019 van € 20.988,12, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisstrook van maart 2020. De man heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan hij in 2020 minder is gaan werken dan in 2019. Anderzijds heeft de vrouw onvoldoende gesteld om van een hoger fiscaal loon (op basis van fulltime werk) uit te gaan. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.594,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage1).

Draagkracht van de man ten aanzien van de kinderalimentatie

5.7.2.

Het hof stelt de draagkracht van de man met ingang van 14 mei 2019 vast aan de hand van de formule op € 124,- per maand (zie bijlage). Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de forfaitaire woonlast nu de vrouw onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld die een afwijking van het forfaitaire stelsel zouden rechtvaardigen. Daarbij heeft de man voldoende gemotiveerd gesteld dat zijn echtgenote de Nederlandse taal niet machtig is, dat zij geen ervaring heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt en dat zij een beperkt sociaal netwerk heeft. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 € 127,10 per maand.

5.7.3.

Nu de man en de vrouw tezamen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, dient de man zijn volledige draagkracht aan te wenden om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man geen omgang heeft met [minderjarige] , zodat het hof geen rekening houdt met zorgkorting.

Draagkracht van de man ten aanzien van partneralimentatie

5.7.4.

Uitgaande van voormeld fiscaal loon van € 20.988,12 becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.615,- per maand. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met een hypotheekrente van € 100,- per maand (zoals blijkt uit het bij journaalbericht van 19 mei 2020 overgelegde bankafschrift van 15 mei 2020) en, bij gebrek aan verifieerbare gegevens, met eigenwoningforfait gebaseerd op een in redelijkheid geschatte WOZ-waarde, gelet op de vraagprijs van een vergelijkbare woning op Funda, van € 100.000,-.

Met betrekking tot de lasten van de man houdt het hof onder meer rekening met de hierboven genoemde hypotheekrente van € 101,- per maand, met een hypotheekaflossing van

€ 287,- per maand (zie voornoemd bankafschrift van 15 mei 2020), forfaitaire eigenaarslasten van € 95,- per maand en met een premie ziektekostenverzekering van de man van € 135,- per maand (zoals blijkt uit de door de man bij het beroepschrift overgelegde productie 4) in redelijkheid van alleen de man. Het hof becijfert de draagkracht van de man het betalen van partneralimentatie, rekening houdend met de kinderalimentatie van € 124,- per maand en rekening houdend met het fiscaal voordeel, op € 23,- per maand (zie bijlage). Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 € 23,58 per maand.

Limitering

5.8.

In verband met de ingrijpende gevolgen van een limitering van de partneralimentatie dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde omstandigheden, die door de vrouw gemotiveerd zijn betwist, niet zodanig bijzonder zijn, dat limitering gerechtvaardigd is. Het hof wijst het verzoek van de man tot limitering dan ook af.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2019, uitsluitend voor zover het betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

over de periode van 14 mei 2019 tot 1 januari 2020 een bedrag van € 124,- per maand dient te voldoen en met ingang van 1 januari 2020 een bedrag van € 127,10 per maand, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud over de periode van 14 mei 2019 tot 1 januari 2020 een bedrag dient te voldoen van € 23,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 een bedrag van € 23,58 per maand, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M. C. Dumoulin en

A.M. van Riemsdijk en is op 12 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.