Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3482

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
20-000028-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toepassing meerderjarigenstrafrecht, artikel 77b sr.

Veroordeling terzake een tweetal overvallen op winkels en het aanwezig hebben van hashish tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000028-20

Uitspraak : 11 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2019 in de strafzaak met parketnummer 01-880637-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

wonende te [adres] ,

doch thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair, het onder 2 primair en subsidiair, het onder 3 primair en het onder 4 primair ten laste gelegde en is ter zake van:

  • -

    afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 3 subsidiair);

  • -

    afpersing (feit 4 subsidiair) en

  • -

    opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod (feit 5)

veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens is beslist op het beslag en op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen in verband met de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd zodat deze vorderingen in hoger beroep niet meer aan de orde zijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, inclusief de beslissing op het beslag, met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, onder toepassing van het meerderjarigenstrafrecht conform artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is ten aanzien van de feiten onder 3 en 4 primair integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is bepleit om de duur van de door de rechtbank opgelegde jeugddetentie te matigen. Ten aanzien van het beslag is eveneens verweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair en subsidiair ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling c.q. verbetering van de gronden waarop het berust, behoudens de opgelegde straffen en de strafmotivering. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring van de feiten 3 subsidiair en 4 subsidiair mede te berusten op de volgende aanvullingen en verbetering op het vonnis.

(pagina 19 van het vonnis)

Bij het bewijsmiddel opgenomen op pagina 19 van het vonnis, te weten het proces-verhaal van verhoor verdachte d.d. 17 december 2018 (p. 64-74), wordt als bijlage toegevoegd de foto van pagina 78 van het dossier, welke foto tijdens het verhoor door de verbalisanten aan de verdachte is getoond. Het hof neemt waar dat op deze foto een donkere trainingsbroek zichtbaar is met witte biezen ter hoogte van de zijkant van de onderbenen, met op de rechterbroekspijp op heuphoogte in het wit het nummer “ [nummer] ” en op de linker broekspijp op heuphoogte in het wit de tekst “Hummel”. Het hof stelt vast dat de trainingsbroek op deze foto gelijk is aan de trainingsbroek die is afgebeeld op pagina 202 van het proces-verbaal, waarbij de linker broekspijp aan de onderkant is omgedraaid en vier witte driehoeken onder elkaar zichtbaar zijn (zie bewijsmiddel: de waarneming van de rechtbank op pagina 17 van het vonnis). Deze vier witte driehoeken zijn ook zichtbaar op de foto op pagina 77 welke foto eveneens als bijlage aan het bewijsmiddel p. 64-74 wordt toegevoegd. De verdachte heeft over deze trainingsbroek verklaard dat het zijn trainingsbroek is.

Tevens wordt aan dit bewijsmiddel toegevoegd de verklaring van verdachte:

(p. 73 onderaan)

“V: Heb jij geld?

A: Dat heb je gezien toch

A: Op verschillende plekken. Onder mijn bed daar lag geld.

V: Hoeveel geld was dat dan?

A: Ongeveer 2500 euro.“

Na dit bewijsmiddel op pagina 19 van het vonnis, wordt ingevoegd als bewijsmiddel

het proces-verbaal persoonsdossier, pagina 39 van het dossier Weida, voor zover inhoudende:

Aanhouding [verdachte] en doorzoeking woning aan de [adres] :

Op 17 december 2018 werd [verdachte] aangehouden. Na zijn aanhouding werd een doorzoeking gedaan in het perceel [adres] . Tijdens deze doorzoeking werden onder andere een donkere jas, gewatteerd met capuchon aangetroffen, alsmede een trainingsbroek van het merk Hummel met op de linkerenkel vier, omlaag wijzende pijlen (het hof begrijpt: driehoeken) en op de rechter heup het nummer [nummer] . Tevens werd er onder het bed van [verdachte] een geldbedrag van 2500,-- euro aangetroffen. Er zaten veel coupures van 5 euro bij.

Aan het bewijsmiddel als opgenomen op pagina 25-26 van het vonnis, te weten het proces-verbaal aangifte van [aangever] , namens Jumbo, d.d. 27 oktober 2018 (p. 508 t/m 511), wordt toegevoegd:

(p. 508 4e regel voor …Vandaag, 27 oktober 2018,…)

“Ik wil graag aangifte doen ter zake overval op de Jumbo gelegen aan het Nederlandplein 103 te Eindhoven.”

Aan het bewijsmiddel als opgenomen op pagina 26-27 van het vonnis, te weten het proces- verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 oktober 2018 (p. 528/529), wordt toegevoegd:

(p. 27 17e regel na …tegen Yassine riep…)

“Ik kan de overvaller als volgt omschrijven:

- zwarte jas

- donkere broek met witte streep aan de zijkant.”

Aan het bewijsmiddel als opgenomen op pagina 27-28 van het vonnis, te weten het proces- verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 oktober 2018 (p. 530/531), wordt toegevoegd:

(p. 27 3e regel na …binnen de Jumbo…)

“Vandaag, 27 oktober 2018 ben ik om 17.30 uur begonnen met werken.”

Voorts verbetert het hof het op pagina [nummer] van het vonnis opgenomen bewijsmiddel (proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 31 oktober 2018, p. 435 t/m 439), als volgt. In het bewijsmiddel is opgenomen:

“(…)

Ik zat [hof: zag] dat om 21.13.11 uur twee personen op een (motor)scooter aan kwamen rijden. De bestuurder verder te noemen als NN1 en de bijrijder verder benoemen als NN3. Ik zag dat de (motor)scooter tussen de schuifdeuren tot stilstand kwam. Ik zag dat NN 2 direct van de (motor)scooter af sprong en de winkel binnen rende. (…)”

Het hof begrijpt dat hier sprake is van een tikfout en dat, mede gezien pagina 181 van het proces-verbaal, in plaats van “NN2” moet worden gelezen: “NN3”. Het hof leest dit bewijsmiddel derhalve in die zin verbeterd.

Voorts wordt aan dit bewijsmiddel op pagina 24 van het vonnis toegevoegd:

(pag. 439) Ik kan NN1 als volgt omschrijven:

- zwarte gewatteerde jas tot net over de heup met capuchon

- zwarte trainingsbroek op linker onderbeen witte tekens.

Ten slotte komt de bewezenverklaring van feit 5, in plaats van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, uitsluitend te berusten op de volgende bewijsmiddelen:

- het relaasproces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 31 januari 2019 (p. 24);

- het proces-verbaal van binnentreden in de woning van verdachte aan de [adres] d.d. 17 december 2018 (p. 59-61);

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 18 december 2018 (p. 264-265) en

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

“Het is juist dat op 17 december 2018 in mijn ouderlijke woning aan de [adres] op mijn slaapkamer een blok hashish is aangetroffen. Deze hashish had ik in mijn bezit. Dat feit beken ik.”

Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en er ten aanzien van feit 5 geen vrijspraak is bepleit.

Bespreking verweren

Namens verdachte is ten aanzien van de feiten onder 3 en 4 integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de onder 3 en 4 ten laste gelegde overvallen en er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om de verdachte aan die overvallen te koppelen. De kleding is onvoldoende specifiek, er is geen sprake van herkenning van zijn stem en er is geen DNA materiaal van de verdachte aangetroffen. De trainingsbroek met nummer [nummer] erop is enigszins specifiek maar op zichzelf niet doorslaggevend en zonder steunbewijs onvoldoende. Niet uit te sluiten is dat een ander die broek of een broek als die van verdachte, heeft gedragen.

Ten aanzien van het bij de verdachte in deze zaak aangetroffen geldbedrag (€ 2.500,-) stelt de verdediging dat het niet afkomstig is van de overvallen. De verdachte handelt in schoenen en in aandelen en heeft daarmee dat geld verdiend. De vader van de verdachte heeft bevestigd dat zijn zoon met die handel geld genereert.

Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat de bepleite vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband gezien. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de kleding die bij de verdachte in beslag is genomen (een trainingsbroek van het merk Hummel en met nummer [nummer] er op en de zwarte jas met beschadigingen) herkend op de camerabeelden van de overvallen bij de Op=Op Voordeelshop en de Jumbo en naar het oordeel van het hof zijn deze uiterlijke kenmerken van de broek en de jas in voldoende mate specifiek en overtuigend. De verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij de persoon die te zien is op de beelden bij de Jumbo dezelfde persoon is als een van de daders van de overval bij de Op=Op Voordeelshop. Deze herkenning acht het hof betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Ten aanzien van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag, waarvan hij heeft verklaard dat hij dit heeft verdiend met de handel in aandelen, bitcoins en/of schoenen, overweegt het hof dat er nog geen begin van aannemelijkheid bestaat voor enige handel waarbij een winst tot het genoemde bedrag is gegenereerd. Weliswaar heeft de vader van de verdachte over de verkoop van schoenen door verdachte een verklaring afgelegd, echter deze heeft niet meer verklaard dan dat zijn zoon één paar schoenen heeft verkocht (p. 168). Van verdere aanwijzingen voor een handel in schoenen dan wel in aandelen of bitcoins, zoals in- en verkoopactiviteiten, is niet gebleken. Bij de doorzoeking is niets dienaangaande aangetroffen, ook geen (grote) partijen dozen met schoenen. Evenmin heeft de verdachte onderliggende stukken of onderliggend materiaal daarvoor aangedragen. Het hof acht dus bewezen dat dit geld afkomstig is van door verdachte gepleegde misdrijven.

Het verweer wordt verworpen.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de verdachte terzake van een afpersing, in vereniging gepleegd, en een afpersing en het bezit van softdrugs, veroordeeld tot jeugddetentie voor de tijd van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor dezelfde feiten op grond van het volwassenenstrafrecht wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de rapportage van Teylingereind, bepleit dat het hof bij een strafoplegging evenals de rechtbank dient uit te gaan van het van toepassing zijnde jeugdstrafrecht en heeft het hof verzocht om de door de rechtbank opgelegde jeugddetentie, rekening houdend met de LOVS-oriëntatiepunten die doorgaans voor jeugdigen worden gehanteerd, te matigen. Gelet op deze oriëntatiepunten is de opgelegde jeugddetentie voor de duur van 18 maanden aan de forse kant, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof in hoger beroep gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gewelddadige overvallen op winkels (een voordeelshop en een supermarkt). De overval op de Op=Op voordeelshop heeft hij samen met een ander gepleegd. Bij beide overvallen is gebruik gemaakt van vermomming en van een (steek)wapen, waarmee het aanwezige winkelpersoneel is bedreigd en een medewerker gedwongen werd om geld uit de kluist te pakken/halen. Dit zijn ernstige feiten. Overvallen als de onderhavige maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken sterke gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld uit eigen financieel gewin, zonder dat hij zich daarbij heeft bekommerd om de verstrekkende gevolgen van zijn handelwijze voor de slachtoffers.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een overtreding van de Opiumwet door bijna 50 gram hennep in bezit te hebben.

Ten tijde van het plegen van de overvallen als bewezen was de verdachte 17 jaar en 9 maanden. Ten tijde van zijn aanhouding, waarbij als gevolg van de aansluitende doorzoeking van zijn woning 47,61 gram hennep is aangetroffen, was de verdachte nagenoeg 18 jaar (op één maand na).

Het hof neemt de volgende omtrent de persoon van verdachte opgemaakte rapportages in aanmerking, waarbij met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging alle persoonlijkheidsrapporten in de beide zaken tegen verdachte die op 28 oktober 2020 op zitting zijn behandeld (dus de zaken onder parketnummers 20-000028-20 en 20-000027/20) over en weer in de beide zaken zijn gevoegd:

  • -

    de rapporten van de psychiater Rutten d.d. 2 april 2019 en van de psycholoog Breuker d.d. 4 maart 2019, over de onderzoeken waaraan verdachte geen medewerking heeft willen verlenen;

  • -

    de rapportage van het Forensisch Centrum Teylingereind d.d. 9 juli 2019 dat is opgemaakt in de strafzaak onder parketnummer 20-004080-18 (hof: waarin verdachte in mei 2020 wegens overtreding van art. 312 Sr, gepleegd toen verdachte 16 jaar was, door het hof is veroordeeld tot een werkstraf) en aan het dossier in de onderhavige zaak is toegevoegd, aangezien door de deskundigen in de rapportage tevens aandacht is besteed aan de in de onderhavige zaak ten laste gelegde feiten (p. 5 van het rapport);

  • -

    de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 28 juni 2018, 20 december 2018, 28 november 2019 en 9 oktober 2020;

  • -

    het reclasseringsrapport d.d. 22 februari 2019;

  • -

    het (reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 19 november 2019 en

  • -

    het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 6 mei 2020.

Uit de rapportage van het Forensisch Centrum Teylingereind blijkt dat verdachte een controlebehoeftige affect-vlakke jongeman is die zelfbepalend en onverstoorbaar is, zich maar beperkt laat beïnvloeden of corrigeren en die nauwelijks gemotiveerd is voor het voortzetten van zijn opleiding. Hij is sterk gericht op materiële zaken maar wil zich daar zo min mogelijk voor inzetten. Hij lijkt daarmee op een berekende manier keuzes te maken. Antisociaal gedrag wordt teruggezien in de eerdere veroordeling en het zich niet houden aan justitiële voorwaarden. Aanzien lijkt belangrijk voor verdachte en hij laat geldingsdrang zien.
Er zijn zorgen over de morele ontwikkeling en empathie. De afweermechanismen die gezien worden zijn externaliseren en bagatelliseren. Verdachte is lijdend aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogen waarbij er sprake is van ongespecificeerde disruptieve impulsbeheersing of andere gedragsstoornis (er worden kenmerken van een gedragsstoornis gezien) en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken.

Op basis van de processen-verbaal concluderen de onderzoekers dat er sprake is geweest van planning en voorbereiding en dat het geen impulsieve delicten betreft. De toegepaste agressie lijkt instrumenteel te zijn geweest en er lijkt geen sprake te zijn geweest van controleverlies. Verdachte laat een sociaal wenselijke houding zien. Er zijn geen aanwijzingen voor een problematiek die de keuzevrijheid beperkte. Verdachte weet op cognitief niveau wat goed en fout is, beschikt over voldoende gedragsalternatieven en bij krenking weet hij zich te reguleren. Geadviseerd wordt om verdachte de feiten, indien bewezen, volledig toe te rekenen. Geadviseerd is om de feiten, indien bewezen, die door verdachte zijn gepleegd tijdens zijn minderjarigheid te berechten binnen het jeugdstrafrecht, omdat niet de indruk is ontstaan dat de verdachte destijds uitontwikkeld was. Verdachte bevond zich op psychologisch vlak passend bij zijn leeftijd in een overgangsfase naar volwassenheid.

Gelet op voormelde rapportage komt het hof, die tot een bewezenverklaring is gekomen van de ten laste gelegde feiten, tot een volledige toerekenbaarheid.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft echter in de rapportage van 28 november 2019 aangegeven dat de Raad, anders dan het Forensisch Centrum Teylingereind, geen indicatoren ziet (behalve zijn kalenderleeftijd ten tijde van de delicten) die ertoe leiden dat in de onderhavige zaak het jeugdstrafrecht en daarnaast plaatsing in een JJI meer passend is dan het volwassenenstrafrecht en plaatsing in een PI. Verdachte geeft aan niet behandeld te willen worden, hij heeft geen hulpvragen en wil geen begeleiding. Het jeugdstrafrecht kenmerkt zich door de pedagogische aanpak, maar verdachte heeft laten zien dat hij niet pedagogisch beïnvloedbaar is en er is geen draagvlak voor een vorm van behandeling. Verdachte maakt een kosten-baten analyse en afstraffen van het delict gedrag lijkt de enige manier waarop hij eventueel ergens van kan leren.

In het recent opgemaakte rapport van 9 oktober 2020 heeft de Raad aangegeven dat er geen reden is om af te wijken van het eerder gegeven advies. De kans op recidive is hoog en een verblijf in een JJI zal geen pedagogische meerwaarde hebben en daarnaast is er binnen de P.I. een traject uitgestippeld waaraan verdachte kan deelnemen.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming heeft de deskundige [vertegenwoordiger van de raad] ter terechtzitting in hoger beroep aanvullend verklaard dat in het verleden vanuit de jeugdreclassering veel is ingezet maar dat de verdachte daar niet aan mee heeft willen werken. De verdachte is binnen het lopende jeugdreclasseringstoezicht gerecidiveerd, binnen enkele weken nadat de elektronische controle was beëindigd. Inmiddels functioneert de verdachte op een volwassen niveau, is verder in zijn ontwikkeling en weet welke keuzes hij maakt. Het jeugdstrafrecht heeft geen meerwaarde meer. Pedagogisch is de verdachte niet te sturen en vanuit de P.I. kan worden gekeken naar wat de verdachte kan worden geboden via de volwassen-reclassering. Daar is de verdachte meer bij gebaat, aldus de deskundige.

Uit de rapportage van het Leger des Heils volgt dat het recidiverisico als gemiddeld tot hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een (boven)gemiddelde intelligentie. Hij laat niet het achterste van zijn tong zien.

Alles overziende en gelet op de indruk die het hof van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekomen, vindt het hof in de ernst van de bewezenverklaarde feiten - in het bijzonder de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten waarbij wapens zijn gebruikt en sprake was van een doelbewust plan hetgeen duidt op een volwassen actie -, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, waarbij mede in aanmerking is genomen de leeftijd van de verdachte, die inmiddels 19 jaren is, gronden om de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht buiten toepassing te laten en op de voet van het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het onder 3 en 4 bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers;

- het gewelddadig karakter van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Uit de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 juli 2020 blijkt dat hij na het plegen van het tenlastegelegde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten (o.a. een poging tot afpersing in vereniging gepleegd in 2017, naar welk arrest hierboven reeds is verwezen) en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

De trainingsbroek en de jas zijn voorwerpen die zijn gebruikt bij het onder 3 en 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde en het geldbedrag is door middel van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde onder 3 en 4 verkregen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 57, 63, 77b, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van EUR 2.500,00 (nr. 1 van de beslaglijst);

- een trainingsbroek, merk: Hummel, kleur: Zwart, met nummer [nummer] (nr. 5 van de beslaglijst); - een jas, kleur: zwart (nr. 6 van de beslaglijst, G1443340).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee stk schoenen, merk: Nike Air (nr. 2 van de beslaglijst);

- twee stk schoenen, merk: Louis Vuitton (nr. 3 van de beslaglijst);

- één stk jas, merk: Emporia Armani, kleur: zwart (nr. 4 van de beslaglijst);

- één stk jas, merk: Stone Island, kleur: zwart (nr. 7 van de beslaglijst);

- twee stk schoenen, merk: Burberry, kleur: meerkleurig (nr. 8 van de beslaglijst);

- één stk jas met capuchon/bontrand, merk: Canada Goose, kleur: blauw (nr. 9 van de beslaglijst);

- twee stk lege verpakking simkaart, merk: Lebara (nr. 10 en 12 van de beslaglijst);

- één stk handschoen, merk: Florabest, kleur: zwart met grijs en groene rand op pols (nr. 11 van de beslaglijst).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 11 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.