Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
200.269.988_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking voornemen benoemen bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 5 november 2020

Zaaknummer: 200.269.988/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/254274 / FA RK 18/3220

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.P.F. Rober,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.D. Jongen.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] .

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 17 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 27 november 2019, met producties, ingekomen bij het hof op 29 november 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en:

- primair: het verzoek van de vader toe te wijzen conform het eerder verzoek in eerste aanleg betreffende een BOR2/BOR3-regeling;

- subsidiair: in het belang van de minderjarige kinderen een dusdanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2.

Bij verweerschrift van 6 januari 2020, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft moeder verzocht het beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 16 september 2019, ingekomen bij het hof op 19 december 2019;

- het V8-formulier van 17 september 2020, met bijlagen, van de advocaat van de vader, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 13 augustus 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005 (hierna: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 (hierna: [minderjarige 2] ).

3.2.

De ouders zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder en de stiefvader.

3.4.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank de vader het recht op contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontzegd.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

De vader voert – kort samengevat – het volgende aan. De vader wil heel graag weer in contact komen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De angstige gevoelens die de kinderen hebben worden door de moeder niet weggenomen. Hierdoor hebben de vader en de kinderen al jarenlang geen contact. Het advies van de raad is gebaseerd op oude informatie. Niet meegewogen is dat het goed gaat met de vader; hij is opnieuw gehuwd en vormt een stabiel gezin. Nergens blijkt uit dat contactherstel niet mogelijk zou zijn.

3.6.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. De kinderen zijn altijd bang voor hun vader geweest, vanwege de lichamelijke en geestelijke mishandelingen van de vader. Het ongewenst benaderen en stalken van de kinderen gaat tot op de dag van vandaag door. Ook heeft de vader geen zelfinzicht. De moeder heeft de afgelopen jaren alles gedaan wat in haar macht lag om het contact mogelijk te maken. Zij heeft met goed gevolg hulpverlening voor haarzelf voltooid. Ook de kinderen hebben diverse vormen van hulpverlening gekregen. Deze hulpverlening kan nooit tot contact leiden, zolang de vader zijn gedrag niet verandert. De kinderen beschikken over onvoldoende draagkracht om onder die omstandigheden het contact met hun vader aan te kunnen.

3.7.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. De raad acht het vaststellen van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op dit moment niet in het belang van de kinderen. De raad heeft in het raadsonderzoek van 8 mei 2019 de moeder geadviseerd multisysteem-therapie (MST) in te zetten in het gezin van de moeder, om anders om te leren gaan met angsten zodat de kinderen hier minder last van hebben. Zonder de ondersteuning van de moeder en de stiefvader kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die beiden kwetsbaar zijn, geen BOR-traject ingaan. Aangezien de MST tot op heden niet is gestart, ziet de raad geen mogelijkheden het BOR-traject te starten. Indien het hof zou beslissen dat toch geprobeerd dient te worden het contact te herstellen, zou een BOR 3-traject de meest geëigende weg zijn.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:377a BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:

a. contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact;

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen contact met zijn ouder heeft doen blijken;

d. anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.8.3.

Gebleken is dat er al lange tijd zorgen zijn over de situatie rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen beiden met cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelings-problematiek. Tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader is er sinds 2013 geen contact meer geweest. De raad heeft in het meest recente onderzoek van 8 mei 2019 aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] er nog niet aan toe zijn om toe te werken naar contact met hun vader. Volgens de raad hebben de kinderen, naast de angst voor de vader, gevoelens van onzekerheid in sociale situaties. Niet duidelijk is waar dit vandaan komt.

Ook blijkt uit het raadsrapport dat de moeder en de stiefvader tegen begeleide omgang tussen de vader en de kinderen zijn en daar niet aan mee zullen werken. Volgens de raad beseffen

de moeder en de stiefvader onvoldoende wat de impact van het in stand houden van angsten, waaronder de angst voor de vader, betekent voor de verdere sociaal-emotionele ontwikkeling

van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De raad adviseert de moeder en de stiefvader om MST te accepteren en anders te leren omgaan met angsten, zodat de kinderen hier minder last van hebben.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder aangegeven dat de MST niet is gestart en dat [minderjarige 1] zich tegen een dergelijk traject verzet. Het is het hof echter niet gebleken welke pogingen de moeder ondernomen heeft om dit traject in gang te zetten en waarom dit traject tot op heden nog niet is gestart. De moeder heeft enkel aangegeven dat zij bij de gemeente heeft geïnformeerd. Het hof acht dit zeer zorgelijk, zeker nu de raad heeft aangegeven dat wanneer er niets verandert in de situatie waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien met een wereldbeeld waarin angst (voor hun vader) en een gevoel van onveiligheid overheersen, de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verstoord zal blijven. Dit zal volgens de raad invloed hebben op hun basisvertrouwen en de mogelijkheid om van daaruit een gezonde en evenwichtige manier in het leven te staan en relaties aan te gaan. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft aangegeven dat de kinderen zelf mogen kiezen of zij contact willen met de vader. Deze opstelling baart het hof grote zorgen, nu de moeder hiermee de volledige verantwoordelijkheid bij de kinderen legt en dus niet haar eigen verantwoordelijkheid neemt voor een belangrijk facet van de ontwikkeling van de kinderen, namelijk dat zij de mogelijkheid hebben zelfstandig, los van de moeder, een eigen beeld van hun vader te kunnen vormen. Het is bovendien de wettelijke plicht van de moeder, neergelegd in

art. 1:247 lid 3 BW, om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de andere ouder te bevorderen.

Hoewel [minderjarige 1] aan het hof een brief heeft geschreven waarin hij onder meer aangeeft geen contact te willen hebben met zijn vader en rust te willen om eindexamen te kunnen doen, is het voor het hof onvoldoende duidelijk hoe het op dit moment met [minderjarige 1] gaat. Het hof heeft [minderjarige 1] immers niet zelf kunnen spreken tijdens een kindgesprek. Ook met [minderjarige 2] is – gelet op haar leeftijd – niet gesproken. Voor het hof zijn er op dit moment dan ook veel vragen overgebleven over hoe het op dit moment met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat.

3.8.4.

Het hof is gelet op het voorgaande voornemens een bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen. Dit acht het hof op grond van artikel 1:250 BW noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator dient in gesprek met de beide kinderen zicht te krijgen op de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het licht van de voorliggende verzoeken en in het licht van het conflict tussen de ouders. Het hof wil aan de bijzondere curator de vraag voorleggen om te onderzoeken of, en zo ja, zo nodig onder welke voorwaarden, de kinderen in staat en bereid zijn om enigerlei vorm van contact met hun vader te kunnen hebben teneinde zelf een vaderbeeld te kunnen ontwikkelen en voorts of en, zo ja onder welke voorwaarden, een BOR-, MST- of daarmee vergelijkbaar traject daarbij mogelijk en wenselijk is. Hierbij dient tevens het huidige gezinssysteem betrokken te worden, met name de vraag of de moeder en de stiefvader in staat en bereid zijn, zo nodig met hulpverlening, om de kinderen de emotionele ruimte te geven om hun vader te leren kennen en om mee te werken aan een BOR-, MST- of daarmee vergelijkbaar traject.

Het hof is voornemens te benoemen:

[voorgenomen bijzondere curator]

[kantoor]

[adres]

[postcode] [kantoorplaats] .

3.8.5.

Nu de eventuele benoeming van een bijzondere curator en de aan de curator voor te leggen vraagstelling tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet is besproken, worden partijen alsnog in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Daarna zal het hof partijen over de verdere voortgang informeren.

3.8.6.

De behandeling van de zaak zal pro forma worden aangehouden tot 19 november 2020, met het verzoek aan partijen om het hof zoals hierboven overwogen binnen een termijn van twee weken schriftelijk te informeren.

3.9.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen en zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt partijen zich binnen een termijn van twee weken schriftelijk uit te laten over hetgeen het hof in rov 3.8.4. heeft overwogen;

houdt in afwachting hiervan iedere verdere beslissing pro forma aan tot 19 november

2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven en is op 5 november 2020 door mr. E.A.M. Scheij uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.