Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:343

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.170.868_02
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling arbeidsovereenkomst met statutair directeur; geschil over hoogte bonusbedragen; zijn bedragen netto of bruto; werkgever vordert naheffingsaanslag en boete van werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.170.868/02

arrest van 4 februari 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellant]

advocaat: mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,

tegen

1 [Holding B.V.] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. mr. [curator] q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

verder gezamenlijk: [geïntimeerde]

advocaat: mr. M.J. Ubbens te Groningen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 31 juli 2018, 12 februari 2019, 7 mei 2019 en 3 december 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/106396/HA ZA 05/1191 gewezen vonnis van 3 december 2014.

14 Het verloop van de procedure

14.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 3 december 2019;

  • -

    de brief van mr. Brouwers van 11 december 2019;

  • -

    de brief van mr. Ubbens van 23 december 2019;

  • -

    de brief van de deskundige van 7 januari 2020.

14.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

15 De verdere beoordeling

15.1.

Bij tussenarrest van 3 december 2019 heeft het hof registeraccountant [registeraccountant] tot deskundige benoemd en het voorschot op de kosten van deze deskundige bepaald op het door de deskundige begrote bedrag van € 15.950,00 exclusief btw, in totaal € 19.299,50, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen.

15.2.1.

[appellant] heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het voorschot. Zijn eerste bezwaren richten zich tegen de wijze waarop de deskundige tot een begroting is gekomen. De deskundige weet, aldus [appellant] , niet welke en hoeveel informatie hij dient te bestuderen. [appellant] heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de eerste twee posten uit de begroting van de deskundige.

[geïntimeerde] heeft deze stellingen van [appellant] betwist en aangegeven dat de deskundige inmiddels over het volledige procesdossier beschikt.

15.2.2.

Het hof verwerpt voormelde bezwaren van [appellant] . Zoals uit de brief van de deskundige blijkt, heeft hij het hof om nadere stukken gevraagd teneinde een begroting met specificatie te kunnen opstellen. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige een begroting opgesteld die voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

15.3.1.

[appellant] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het uurtarief van de deskundige. Dit is te hoog, gelet op de aard van de werkzaamheden. [appellant] heeft er daarbij op gewezen dat hij de btw niet kan verrekenen.

[geïntimeerde] heeft aangegeven dat de hoogte van het uurtarief bepaald niet ongebruikelijk is.

15.3.2.

Het hof verwerpt dit bezwaar. Gesteld noch gebleken is dat het uurtarief hoger is dan hetgeen gebruikelijk is in de branche. Het feit dat [appellant] de btw niet kan verrekenen, maakt dit niet anders. Het hof wijst daarbij nog op het feit dat eerst bij de proceskostenveroordeling wordt beslist wie de kosten voor het deskundigenbericht uiteindelijk zal gaan dragen.

15.4.1.

[appellant] heeft voorts gesteld dat de deskundige werkzaamheden heeft geoffreerd die het hof hem niet heeft opgedragen. [appellant] doelt op het opvragen van aanvullende informatie en het houden van een bespreking met partijen. [geïntimeerde] geeft aan dat de deskundige hoor- en wederhoor wil toepassen hetgeen efficiënt is en discussies achteraf voorkomt.

15.4.2.

Het hof oordeelt dat het aan de deskundigheid van de deskundige is overgelaten om te bepalen welke werkzaamheden nodig zijn om tot een zorgvuldige beantwoording van de voorgelegde vragen te komen. De door de deskundige geoffreerde werkzaamheden behoren dan ook tot de opdracht en het hof verwerpt het onderhavige bezwaar van [appellant] .

15.5.1.

Het laatste bezwaar van [appellant] richt zich op het moeten voldoen van het voorschot in één keer en niet in verschillende termijnen. De werkzaamheden kunnen in termijnen worden onderverdeeld. [geïntimeerde] stelt dat het essentieel is dat de deskundige de zekerheid moet hebben dat het voorschot is voldaan.

15.5.2.

Het hof verwerpt dit bezwaar. De opdracht aan de deskundige houdt in dat hij, na verricht onderzoek, tot een beantwoording van de vragen dient te komen. De opdracht dient dan ook als geheel te worden beschouwd en het hof dient ervoor zorg te dragen dat het voorschot reeds op de rekening van de griffie is betaald zodat dit, op het moment dat de deskundige zijn bericht gereed heeft, kan dienen tot betaling van rekening van de deskundige.

15.6.

Samenvattend worden de bezwaren van [appellant] verworpen en wordt het voorschot bepaald op € 15.950,00 exclusief btw, in totaal € 19.299,50 inclusief btw.

16 De uitspraak

Het hof:

bepaalt ingevolge het dictum onder 13.10 van het tussenarrest van 3 december 2019 het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van
€ 15.950,00 exclusief btw, in totaal € 19.299,50;

handhaaft hetgeen voorts in het arrest van 3 december 2019 is bepaald maar verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2020 in plaats van 7 april 2020;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M.E. Smorenburg en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2020.

griffier rolraadsheer