Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3427

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
14-11-2020
Zaaknummer
200.282.728_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:5950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming

Verhuisverbod

Contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.282.728/01

arrest van de meervoudige kamer van 3 november 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de moeder,

advocaat: mr. A.W.M. Mans te Roermond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. R.M.J. Schoonbrood te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis in kort geding van 30 juli 2020 tussen appellante in principaal appel – de moeder – als gedaagde en geïntimeerde in principaal appel – de vader – als eiser.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Maastricht,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/279430 / KG ZA 20-247)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij appeldagvaarding heeft de moeder een vijftal grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van, naar het hof begrijpt, het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om de hierna te noemen minderjarigen voorlopig de voor hen vertrouwde school in Casablanca (Marokko) te laten bezoeken en tevens de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar Marokko te reizen voor het schoolbezoek in Casablanca, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

2.2.

Bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel heeft de vader in principaal appel de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de moeder dan wel tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de moeder in de proceskosten. In incidenteel appel heeft de vader een tweetal grieven aangevoerd en geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de moeder te bevelen binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen arrest haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de bij beschikking van 2 juni 2016 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken, dan wel een contactregeling te bepalen als het hof juist acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de moeder in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 50.000,--;

- voor recht te verklaren dat de hierna te noemen minderjarigen in Nederland in de regio Sittard-Geleen onderwijs moeten volgen en de moeder te veroordelen binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen arrest met de vader in overleg te treden over de schoolkeuze voor het schooljaar 2020-2021 voor de minderjarigen in Nederland in de regio Sittard-Geleen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de moeder in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 50.000,--,

met veroordeling van de moeder in de proceskosten van het incidenteel appel.

2.3.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vader dan wel tot afwijzing van het beroep, met veroordeling van de vader in de proceskosten van beide instanties.

2.4.

Het verloop van de procedure blijkt verder uit:

- het procesdossier eerste aanleg;

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties;

  • -

    de akte eiswijziging in principaal appel;

  • -

    de brief met bijlage van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel d.d. 15 september 2020.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Mans;

- de vader, bijgestaan door mr. Schoonbrood.

- de raad, vertegenwoordigd door E. van der Aalst.

2.6.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.7.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de appeldagvaarding en de memorie van grieven in incidenteel appel.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (ook te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

- Mohammed [minderjarige 2] Nargisse (ook te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010 [geboorteplaats] (België).

De kinderen verblijven bij de moeder.

4.2.1.

Bij vonnis van 20 maart 2012 van de Sociale Rechtbank van Eerste Aanleg van Casablanca (Marokko) is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken.

4.2.2.

Bij beschikking van 2 juni 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken een contactregeling vastgesteld inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 augustus 2016 bij de vader verblijven eenmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 16.00 uur waarbij de vader haalt en brengt.

4.3.

Bij vonnis in kort geding waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vermeerdering van eis van de zijde van de vader niet toegelaten. Voorts heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder verboden om met de kinderen te verhuizen/immigreren naar Marokko, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van het vonnis niet voldoet aan voormeld verbod, tot een maximum van € 15.000,-- is bereikt.

4.4.

De moeder en de vader kunnen zich met het vonnis waarvan beroep (gedeeltelijk) niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.5.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Er moet snel duidelijkheid komen over het schoolbezoek van de kinderen. Zij gaan al twee jaar in Casablanca naar school. Het is in het belang van de kinderen en hun uitdrukkelijke wens om naar deze school te kunnen blijven gaan. De vader is niet in beeld. Hij heeft het contact met de kinderen eenzijdig stopgezet. Hij geeft ook geen uitvoering aan zijn ouderlijk gezag en vraagt geen informatie op bij scholen.

De vader had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het kort geding. Het geschil leent zich niet voor een behandeling in kort geding. Een verzoekschrift in een bodemprocedure was de geëigende rechtsingang. Volgens de voorzieningenrechter biedt het beperkte toetsingskader van een kort geding geen ruimte voor een belangenafweging bij een dergelijke ingrijpende beslissing als het vestigen/schoolbezoek in Marokko, maar er wordt wel een verhuisverbod opgelegd. Dit is eveneens een heel ingrijpende beslissing nu de kinderen al twee schooljaren in Casablanca gevestigd zijn. Door geen belangenafweging te maken heeft de voorzieningenrechter in strijd met de belangen van de kinderen gehandeld. De raad had een advies moeten geven en [minderjarige 1] had haar mening kenbaar moeten maken. Verder heeft de vader geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij heeft al ruim drie jaar geen contact met de kinderen en hij heeft daartoe ook geen pogingen ondernomen. De moeder heeft de gezagsbeslissingen zelf genomen omdat de vader het contact met de kinderen heeft verbroken, geen interesse heeft getoond in de kinderen en geen deel uitmaakt van hun leven. De moeder heeft ook geen contactgegevens van de vader. Ten tijde van het huwelijk nam de moeder de gezagsbeslissingen ook alleen. Van een (voorgenomen) verhuizing is geen sprake. In overleg met de leerplichtambtenaar zijn de kinderen aangemeld op een school in Marokko. De kinderen zijn op een adres in Nederland ingeschreven en zij verblijven zeer regelmatig in Nederland. De moeder heeft haar bedrijf in Nederland en [minderjarige 1] krijgt in Nederland haar medische behandeling. De moeder of haar partner zijn bij de kinderen als zij in Casablanca verblijven. Nadat de vader bekend werd met het schoolbezoek van de kinderen in Casablanca is hij pas elf weken later een kort geding-procedure begonnen, zodat het spoedeisend belang door tijdsverloop is komen te vervallen.

Het ouderlijk gezag van de vader is van rechtswege geschorst, waardoor de vader eveneens niet-ontvankelijk was in het kort geding. De vader is op eigen initiatief uit het leven van de kinderen verdwenen en op geen enkele wijze bereikbaar voor de moeder. De vader oefent het gezag feitelijk niet uit. Door zijn houding en gedrag is hij daartoe ook niet in staat. Doordat de vader regelmatig elders verblijft, verkeert hij (al dan niet tijdelijk) in de onmogelijkheid om zijn gezag uit te oefenen.

Van ongeoorloofde overbrenging is geen sprake. De vader heeft voor onbepaalde tijd toestemming verleend voor het reizen naar het buitenland. De moeder betwist dat zij op het formulier er zelf ‘onbepaalde tijd’ van heeft gemaakt. Er is ook geen einddatum ingevuld. Daarbij had de moeder de toestemming van de vader niet nodig omdat zijn gezag van rechtswege is geschorst.

Er is geen sprake van een verhuizing naar Marokko. Een groot deel van het leven van de kinderen speelt zich in Nederland af. Zij hebben hier hun medische behandeling, verblijven veelvuldig in Nederland en zij onderhouden nauw contact met hun familie in Nederland. De moeder heeft een bedrijf en een woning in Nederland. De kinderen leven in twee werelden hetgeen al vanaf hun geboorte het geval is. De kinderen hebben er belang bij dat zij voorlopig de voor hen vertrouwde school in Casablanca kunnen blijven bezoeken.

Indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van schorsing van het gezag of wel van ongeoorloofde overbrenging dan acht de moeder het in het belang van de kinderen noodzakelijk/wenselijk dat een voorlopige voorziening wordt getroffen zodat de kinderen voorlopig naar de voor hen vertrouwde school kunnen.

De vermeerdering van eis van de vader is ontoelaatbaar. Het is niet gering van aard en is niet gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Ook is sprake van strijd met de goede procesorde zodat de vermeerdering van eis buiten beschouwing moet worden gelaten. De vordering tot nakoming van de contactregeling moet worden onderworpen aan een gedegen belangenafweging en daarvoor leent het kort geding zich niet. Op geen enkele wijze heeft de vader er de afgelopen jaren blijk van gegeven dat hij daadwerkelijk geïnteresseerd was in contact met de kinderen. De kinderen hebben de vader sinds september 2017 niet meer gezien en al die tijd heeft de vader niets van zich laten horen. De regeling uit 2016 dient te worden heroverwogen en te worden afgestemd op de huidige situatie en de belangen van de kinderen. Een dwangsom is niet op zijn plaats nu de moeder er nimmer blijk van heeft gegeven de contactregeling niet na te leven en de gevorderde nakoming geen recht doet aan de belangen van de kinderen. De moeder wil eerst een viergesprek met de vader en de advocaten omdat er al zo lang geen contact heeft plaatsgevonden, maar de vader wil direct naar AnaCare. Als de vader contact met de kinderen wil, hoeft dat niet via een organisatie. De kinderen hebben aangegeven dat zij eerst met de vader willen videobellen, maar de vader nam hier geen genoegen mee en heeft de kinderen vervolgens niet meer benaderd. De kinderen hebben het heel fijn in Marokko en spreken vloeiend Arabisch. Vanwege de schorsing van het gezag, kan niet van de moeder worden verwacht dat zij in overleg treedt met de vader voor het maken van een schoolkeuze.

4.6.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

De moeder heeft geen spoedeisend belang. Voor vervangende toestemming om met de kinderen naar het buitenland te reizen of de kinderen in Marokko naar school te laten gaan, leent een kort geding zich niet en zal de moeder een bodemprocedure moeten starten, hetgeen zij nog altijd niet heeft gedaan.

De vader had wel degelijk een spoedeisend belang, namelijk ervoor zorgen dat de kinderen in Nederland zouden blijven en dat vanuit die situatie verder gekeken zou worden. De moeder heeft de contactregeling begin 2018 beëindigd en sindsdien vindt er geen contact meer plaats tussen de vader en de kinderen. De vader heeft getracht het contact te herstellen maar de moeder heeft nimmer gereageerd en zij werkt hier nog altijd niet aan mee. De moeder heeft verzwegen dat de kinderen van school zijn gewijzigd en dat zij in Marokko verbleven. Op het moment dat de vader hier achter kwam, heeft hij meteen actie ondernomen. Toen bleek dat de aangifte en het inschakelen van de Centrale Autoriteit op korte termijn niet voor een terugkeer van de kinderen zou zorgen, is hij een kort geding gestart. De moeder heeft het mailadres en telefoonnummer van de vader zodat zij op die manier, of via de advocaten, met hem in contact had kunnen treden. De vader betwist dat de moeder tijdens het huwelijk de gezagsbeslissingen alleen nam. Verder is er wel degelijk sprake van een langdurig verblijf van de kinderen in Marokko. Het is niet juist dat de kinderen veelvuldig in Nederland verbleven. De kinderen verblijven ook alleen in Marokko, zonder de aanwezigheid van de moeder of haar partner. De vader is het niet eens met de schoolkeuze. Indien de moeder vervangende toestemming wordt verleend, zullen de kinderen langdurig in Marokko verblijven en is feitelijk wel sprake van verhuizen/immigreren.

Van een van rechtswege schorsing van het gezag van de vader is geen sprake. Partijen hebben gezamenlijk gezag en als de moeder het eenhoofdig gezag wenst zal zij een bodemprocedure moeten starten. De moeder is bekend met het adres van de vader en zijn vakantieadres.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging. De moeder heeft een toestemmingsverklaring van de vader vervalst. Voor zover nodig heeft de vader zijn toestemming ingetrokken.

De vader acht het in het belang van de kinderen dat zij in Nederland verblijven en hier naar school gaan. Indien de moeder vervangende toestemming wil voor het reizen naar het buitenland dan wel om de kinderen naar school te laten gaan in Marokko zal zij een bodemprocedure moeten starten omdat een kort geding zich niet leent voor dergelijke beslissingen.

De voorzieningenrechter heeft de vermeerdering van eis ten onrechte niet toegestaan. De vermeerdering van eis ligt wel degelijk in het verlengde van de eerder ingestelde vordering. Het is niet ingewikkeld van aard en het procesbelang van de moeder is niet geschaad nu zij op de hoogte was van de omgangsregeling. Het belang van de kinderen is niet voorop gesteld. De vader heeft een spoedeisend belang bij zijn incidentele vordering. Het is in het belang van de kinderen dat zij naar Nederland komen c.q. in Nederland verblijven, dat zij zo spoedig mogelijk in Nederland naar school gaan en dat de contactregeling tussen de vader en de kinderen wordt hersteld. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij in Casablanca naar school gaan. De kinderen spreken de Arabische taal niet en de contactregeling wordt hierdoor onmogelijk. De vader begrijpt dat contactregeling uit 2016 wellicht niet in het belang van de kinderen is en hij staat open voor iedere contactregeling. AnaCare kan het contact begeleiden, maar hiervoor is de toestemming van de moeder nodig en die weigert zij te geven. De hulpverlening via AnaCare kan ook plaatsvinden naast een eventueel viergesprek.

4.7.

De raad brengt, samengevat, het volgende naar voren.

Omdat er geen bodemprocedure aanhangig is, is een raadsonderzoek niet passend. Wel is het noodzakelijk dat de kinderen met iemand in gesprek gaan die verstand van zaken heeft. De kinderen zijn heel erg klem geraakt doordat zij teveel tussen de (belangen van de) ouders terecht zijn gekomen en dat is schadelijk voor de kinderen. Partijen kunnen dit niet meer zelf oplossen omdat het al te ver één kant is uitgegaan. Er is een professional nodig die de ouders en de kinderen hierbij gaat begeleiden. De kinderen hebben een negatief vaderbeeld gekregen en dat is niet goed voor hun ontwikkeling. AnaCare kan ondersteuning bieden. Het is hard nodig dat de ouders en de kinderen met AnaCare, of een andere instantie, in gesprek gaan waarbij er in gezamenlijkheid wordt gekeken naar wat de kinderen nodig hebben.

Over de schoolgang in Marokko kan de raad niets adviseren. Zodra er een bodemprocedure wordt gestart is niet direct duidelijk wat in het belang van de kinderen gaat zijn. Het kan zijn dat de kinderen hier dan alweer een jaar op school zitten. Het gaat er niet om welke rechten de ouders hebben maar om het recht van de kinderen op onbelast contact met beide ouders. Het is beter indien partijen er onderling, met behulp van een ondersteunende instantie, uitkomen.

4.8.

Het hof overweegt als volgt.

4.8.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de voorzieningenrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

4.8.2.

Het hof gaat er op voorhand van uit dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitoefenen. In eerste aanleg en in de eerder door partijen in Nederland gevoerde procedures is hier ook steeds van uitgegaan. Desgevraagd hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij er zelf ook van uitgaan dat sprake is van gezamenlijk gezag naar Nederlands recht.

4.8.3.

Nu de vader zich niet heeft verzet tegen de verandering van eis van de moeder en deze eiswijziging enkel betrekking heeft op de in het petitum van de appeldagvaarding genoemde datum van het vonnis waarvan beroep, laat het hof deze eiswijziging toe.

4.8.4.1. Evenals de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de spoedeisendheid van deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voortvloeit uit de aard van de vorderingen van de ouders, zodat een kort geding procedure gerechtvaardigd is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de moeder betoogt, de vader zodra hij op de hoogte is geraakt van het verblijf en schoolgang van de kinderen in Marokko voldoende voortvarend heeft gehandeld.

4.8.5.

Het hof constateert dat de moeder voor het eerst in hoger beroep vordert om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig de voor hen vertrouwde school in Casablanca (Marokko) te laten bezoeken en om met de kinderen naar Marokko te reizen voor het schoolbezoek in Casablanca. Nu de moeder niet de oorspronkelijk eiser is en zij in eerste aanleg geen reconventionele vordering heeft gedaan, kan zij niet voor het eerst in hoger beroep een vordering instellen. Dit betekent dat de moeder niet-ontvankelijk is ten aanzien van betreffende vorderingen.

4.8.6.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor een verhuizing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de inschrijving op een school toestemming van de vader behoeft.

4.8.6.2. Evenals de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een verhuizing, niet enkel gekeken dient te worden naar het adres waar de moeder en de kinderen staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), maar ook naar de feitelijke woonsituatie.

4.8.6.3. Naar het hof is gebleken heeft de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2018 zonder toestemming van de vader uitgeschreven bij de gemeente Sittard-Geleen en bij hun school en ingeschreven bij een school in Casablanca (Marokko). Sindsdien gaan de kinderen in Casablanca naar school en verblijven zij (hoofdzakelijk) daar. De vader is pas recent, in het kader van de tussen partijen gevoerde alimentatieprocedure, op de hoogte geraakt van de gewijzigde schoolgang van de kinderen en hun verblijf in Casablanca. Dat de moeder niet in staat was om hierover met de vader overleg te voeren en hem om toestemming te vragen doordat de vader in die periode voor de moeder onbereikbaar was, acht het hof onaannemelijk. Tussen partijen zijn immers verschillende juridische procedures gevoerd in zowel Nederland als Marokko, zodat er in ieder geval via de advocaten van partijen contact tussen partijen had kunnen plaatsvinden. Dit maakt al dat geen sprake is van een situatie waarin het gezag van de vader van rechtswege is geschorst zoals bedoeld in artikel 1:253r BW. Overigens kan hetgeen de moeder hieromtrent aanvoert naar het oordeel van het hof evenmin de conclusie rechtvaardigen dat het gezag van de vader van rechtswege zou zijn geschorst, nu zij haar stelling onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. De moeder had dan ook met de vader moeten overleggen en zijn toestemming moeten vragen, dan wel de rechtbank om vervangende toestemming moeten verzoeken, zowel voor het uitschrijven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gemeente Sittard-Geleen en bij hun school, alsook voor het inschrijven bij een school in Casablanca (Marokko), hetgeen de moeder heeft nagelaten.

4.8.6.4. Evenals de voorzieningenrechter en op dezelfde gronden als de voorzieningenrechter, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de moeder eigenmachtig en in strijd met het uitgangspunt van de gezamenlijke gezagsuitoefening heeft gehandeld en daarbij de belangen van de kinderen en van de vader heeft veronachtzaamd. De kinderen verbleven zonder toestemming van de vader in Marokko en het – door de vader betwiste en voor zover nodig inmiddels ingetrokken – toestemmingsformulier ziet in ieder geval niet op een (al dan niet) langdurig verblijf van de kinderen in Marokko. Het onderhavige kort geding biedt, gelet op de aard daarvan en het beperkte toetsingskader, onvoldoende ruimte voor de uitgebreide belangenafweging die vooraf dient te gaan aan de ingrijpende beslissing of de moeder zich met de kinderen in Marokko kan vestigen. Gelet hierop dient de vordering van de vader de moeder te verbieden om met de kinderen te verhuizen/immigreren naar Marokko te worden toegewezen.

4.8.7.1. Nu de vader zijn vordering voor recht te verklaren dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland in de regio Sittard-Geleen onderwijs moeten volgen tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken behoeft deze vordering geen nadere bespreking.

4.8.7.2. Naar het hof is gebleken vindt tussen de vader en de kinderen feitelijk al ruim twee jaar geen contact plaats, los van de eventuele kaartjes die de vader na de mondelinge behandeling in eerste aanleg naar de kinderen heeft gestuurd. Gelet hierop acht het hof het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om onverkorte nakoming van de bij voormelde beschikking van 2 juni 2016 vastgestelde contactregeling te bevelen. In het kader van het onderhavige kort geding is het, gelet op de aard daarvan en het beperkte toetsingskader, niet mogelijk te bepalen of, en zo ja welke vorm van contact tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen is. De raad kan hierover op dit moment ook niet adviseren en voor een raadsonderzoek is geen plaats nu er geen bodemprocedure aanhangig is. Gelet hierop zal het hof de vordering van de vader tot nakoming van voormelde contactregeling afwijzen. Wel is het hof gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders behoorlijk is verstoord en dat de kinderen een negatief vaderbeeld hebben, hetgeen niet goed is voor de ontwikkeling van de kinderen. Met de raad is het hof van oordeel dat de kinderen recht hebben op onbelast contact met beide ouders. Het hof gaat er vanuit dat de ouders het advies van de raad opvolgen en professionele hulp inschakelen, bijvoorbeeld van AnaCare, om zo spoedig mogelijk met elkaar in gesprek te gaan en te bekijken wat de kinderen nodig hebben en in hun belang is. Gegeven de omstandigheden kan hierbij niet worden volstaan met een zogenoemd viergesprek zoals de moeder voorstelt.

4.8.7.3. Ten aanzien van de vordering van de vader de moeder te veroordelen om met de vader in overleg te treden over de schoolkeuze voor het schooljaar 2020-2021 overweegt het hof dat de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag meebrengt dat gezagsbeslissingen aangaande de kinderen, waar de schoolkeuze onder begrepen dient te worden, in overleg tussen de ouders genomen dienen te worden. Het belang van de vordering is echter komen te vervallen, nu de kinderen inmiddels al in Nederland naar school gaan, zodat al een schoolkeuze is gemaakt, en de vader niet heeft aangegeven dat hij zich hierin niet kan vinden. Deze vordering van de vader zal het hof dan ook afwijzen.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat aan het leveren van bewijs niet wordt toegekomen nog daargelaten dat in een kort geding procedure voor nadere bewijslevering geen plaats is.

4.10.

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4.11.

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als volgt.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar vordering om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig de voor hen vertrouwde school in Casablanca (Marokko) te laten bezoeken en om met de kinderen naar Marokko te reizen voor het schoolbezoek in Casablanca;

bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 juli 2020;

compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2020.

griffier rolraadsheer