Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3420

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
200.243.942_01 en 200.249.230_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouders lenen geld aan zoon en schoondochter voor de financiering van de echtelijke woning. De helft van de rente over de lening wordt door de ouders maandelijks teruggeschonken. Na de echtscheiding van de zoon en schoondochter vorderen de ouders de rente bij de ex-schoondochter, terwijl de ex-schoondochter de schenking niet (meer) ontvangt en geen fiscale renteaftrek meer geniet. Uitleg geldleningsovereenkomst, vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummers 200.243.942/01 en 200.249.230/01

arrest van 3 november 2020

in de hoofdzaak met zaaknummer 200.243.942/01 van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] ,

advocaat: mr. A. Fuijkschot te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] ,

advocaat: mr. L.C.J. Sars te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 augustus 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 juni 2018 (zaak-/rolnummer 6034956 17/5222), door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] als eisers en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] als gedaagde,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer 200.249.230/01 van

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] ,

advocaat: mr. L.C.J. Sars te Helmond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geintimeerde in de vrijwaringszaak] ,

advocaat: mr. R.A. Knopper te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 september 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 juni 2018 (zaak-/rolnummer 6444095 17/9915), door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] als eiseres en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] als gedaagde,

1 De gedingen in eerste aanleg

Voor de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 De gedingen in hoger beroep

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven, met eiswijziging/-vermeerdering, en met producties 10 tot en met 14

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie 15

  • -

    de akte van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak]

  • -

    de antwoordakte van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , met productie 16

  • -

    de akte van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , waarbij zijn overgelegd producties 16 tot en met 19 die worden geacht bij pleidooi in het geding te zijn gebracht

  • -

    de namens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] toegezonden producties 1 tot en met 3, die worden geacht bij pleidooi bij akte in het geding te zijn gebracht

  • -

    de pleidooien waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven met producties A en B en producties 1 tot en met 6

  • -

    de memorie van antwoord

  • -

    de door [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] toegezonden producties 1 tot en met 3, die worden geacht bij pleidooi bij akte in het geding te zijn gebracht

  • -

    de pleidooien waarbij van de zijde van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] pleitnotities zijn overgelegd.

De zaken zijn op de rol gevoegd. In beide zaken hebben gelijktijdig pleidooien plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Daarbij hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] in de hoofdzaak de eis verminderd zoals hierna vermeld. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald in beide zaken. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in de hoofdzaak (principaal en incidenteel hoger beroep) en in de vrijwaringszaak

De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a) [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] zijn op 24 april 2008 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

b) [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] zijn de ouders van [geintimeerde in de vrijwaringszaak] . Zij hebben uit hoofde van een overeenkomst van geldlening van 15 maart 2011 een bedrag van € 110.000,- geleend aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] . Zij zijn daarbij een rente overeengekomen van 8% per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen van € 733,33 achteraf. Deze lening werd verstrekt ten behoeve van de financiering door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van hun woning aan de [adres 1] te [plaats] .

c) In het kader van een echtscheidingsprocedure tussen [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 28 januari 2016 (C/01/302492 / FA RK 15-6915) bepaald dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning aan de [adres 1] te [plaats] , en verstaan dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] per 1 januari 2016 alle woonlasten behorend bij deze woning voor zijn rekening zal nemen.

d) Op 26 juli 2016 is de echtscheiding uitgesproken tussen [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] .

e) In het kader van een procedure tussen [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] over verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank Oost-Brabant bij tussenvonnis van 11 april 2018 (C/01/322052 / HA ZA 17-394) vastgesteld dat tussen [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] vaststaat dat zij zijn overeengekomen dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] de woning aan de [adres 1] te [plaats] sinds begin januari 2016 alleen bewoont en dat hij alle aan de woning verbonden hypotheek-/rentelasten volledig voor zijn rekening neemt voor de periode tot aan het moment dat de woning aan hem zal worden toebedeeld dan wel de woning zal worden verkocht.

f) De woning van [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] aan de [adres 1] te [plaats] is verkocht en in augustus 2020 geleverd aan een derde.

In eerste aanleg

3.2.1.

In de hoofdzaak hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] in eerste aanleg gevorderd veroordeling van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] tot betaling van:

- € 20.000,- in hoofdsom uit hoofde van een op 20 november 2006 door [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] verstrekte geldlening

- € 226,68 aan vervallen maandtermijnen contractuele rente van 4% per jaar over de hoofdsom van € 20.000,-, te vermeerderen met nog te vervallen termijnen

- € 2.933,32 aan vervallen maandtermijnen contractuele rente van 8% per jaar over de hoofdsom van de geldlening van 15 maart 2011 van € 110.000,-, te vermeerderen met nog te vervallen termijnen

- € 1.208,79 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.2.

Aan de vordering tot betaling van € 20.000,- en bijbehorende rente hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] het volgende ten grondslag gelegd. Het bedrag van € 20.000,- hebben zij geleend aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] . Door het huwelijk van [geintimeerde in de vrijwaringszaak] met [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in gemeenschap van goederen is de schuld van € 20.000,- een gemeenschapsschuld geworden. Door de ontbinding van de huwelijksgemeenschap in verband met de echtscheiding is [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] hoofdelijk aansprakelijk geworden jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] voor de terugbetaling van deze lening en de daarover verschuldigde rente. Aan de vordering tot betaling van de rentetermijnen over de lening van € 110.000,- hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] ten grondslag gelegd dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] samen met [geintimeerde in de vrijwaringszaak] hoofdelijk aansprakelijk is voor deze termijnen.

3.2.3.

In het vonnis van 28 juni 2018 (zaak-/rolnummer 6034956 17/5222) heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering tot betaling van € 20.000,- uit hoofde van de gestelde geldlening is verjaard. De vordering tot betaling van rente over deze lening heeft de kantonrechter toegewezen ter hoogte van een bedrag van € 33,34 over de maand december 2015. Wat betreft de rente over de lening van € 110.000,- heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in redelijkheid slechts kan worden gehouden aan een rente van 4% omdat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] steeds de helft van het bedrag van de rente hebben geschonken aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] . De vordering tot betaling van rente over de lening van € 110.000,- heeft de kantonrechter toegewezen ter hoogte van een bedrag van € 366,67 over de maand december 2015. Aan buitengerechtelijke incassokosten heeft de kantonrechter een bedrag toegewezen van € 60,- exclusief btw. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor het overige zijn de vorderingen van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] afgewezen.

3.2.4.

In de vrijwaringszaak heeft [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] gevorderd veroordeling van [geintimeerde in de vrijwaringszaak] om aan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] te voldoen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] wordt veroordeeld, althans zijn aandeel daarin, met inbegrip van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen omdat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] slechts is veroordeeld tot betaling van haar aandeel in de rentetermijnen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In hoger beroep

3.3.1.

[appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] hebben in de hoofdzaak, in principaal hoger beroep, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Na wijziging en vermeerdering van hun eis, hebben zij veroordeling gevorderd van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] tot betaling van:

i) € 20.000,-, zijnde de hoofdsom van de lening van 20 november 2006

ii) € 133,36, zijnde de achterstallige contractuele rente over de lening bedoeld onder i)

iii) de maandelijkse contractuele rente over de lening als bedoeld onder i) van € 66,67, met ingang van de maand oktober 2018 tot en met de maand dat de lening als bedoeld onder i) volledig zal zijn voldaan

iv) € 55.000,-, zijnde de helft van de hoofdsom van de lening van 15 maart 2011

v) € 1.100,01, zijnde de achterstallige contractuele rente over de lening als bedoeld onder iv)

vi) de maandelijkse contractuele rente over de lening als bedoeld onder iv) van € 366,67, met ingang van de maand oktober 2018 tot en met de maand dat de lening als bedoeld onder iv) volledig zal zijn voldaan

vii) € 1.537,33 aan buitengerechtelijke kosten

viii) de proceskosten in beide instanties

ix) de nakosten

x) de wettelijke rente over de bedragen gevorderd onder i), ii), iv), v), vii) en viii), te berekenen vanaf veertien dagen na de dag van arrest tot de dag van voldoening.

3.3.2.

In verband met de regeling die partijen bij gelegenheid van de pleidooien hebben getroffen in de hoofdzaak, die kort gezegd inhoudt dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] € 55.000,- aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] betaalt ter aflossing van haar deel van de lening van € 110.000,-, hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] de vordering onder iv), de terugbetaling van € 55.000,-, ingetrokken en aldus hun eis verminderd.

3.3.3.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.3.4.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft in de hoofdzaak, in het incidenteel hoger beroep, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover daarbij de vorderingen van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] zijn toegewezen zo begrijpt het hof, en tot het alsnog afwijzen van deze vorderingen, althans in het geval van een veroordeling van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] tot (terug)betaling aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , daarbij te bepalen dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] slechts aansprakelijk en draagplichtig is voor zover zou blijken dat zij uit de verdeling (onherroepelijk) dienovereenkomstige gelden toegewezen en verkregen zal hebben, en zulks ook niet dan na verkoop en overdracht van de woning aan derden. [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] vordert tevens veroordeling van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] tot terugbetaling van de bedragen die zij uit hoofde van het bestreden vonnis hebben ontvangen.

3.3.5.

In de vrijwaringszaak heeft [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

Lening van € 20.000,-

3.4.1.

[appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] stellen dat zij op 20 november 2006 een bedrag van € 20.000,- hebben uitgeleend aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] , ten behoeve van de aankoop van diens woning aan de [adres 2] te [plaats] . Zij zijn een rente overeengekomen van 4% per jaar. Wanneer deze woning wordt verkocht, dient het geleende bedrag te worden afgelost, aldus [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] . Zij verwijzen hierbij naar een door hen en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] ondertekende leningovereenkomst. De woning is verkocht en op 2 april 2012 geleverd aan een derde. Door het huwelijk in gemeenschap van goederen tussen [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] , is de schuld uit deze lening een gemeenschapsschuld geworden. Op grond van artikel 1:102, tweede zin, BW is [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld, aldus [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] .

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering tot terugbetaling van de lening is verjaard. Tegen dit oordeel hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] grief 1 gericht.

De kantonrechter heeft daarnaast geoordeeld dat de vordering tot betaling van de rentetermijn over de lening niet is verjaard, en heeft de vordering tot betaling van rente toegewezen voor een bedrag van € 33,34. Hiertegen zijn gericht grief 2 van het principaal hoger beroep en grief 2 van het incidenteel hoger beroep.

3.4.2.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft het bestaan van de geldlening van € 20.000,- betwist. Zij stelt dat zij van het bestaan van deze lening nooit op de hoogte is gesteld en zij vermoedt dat de leningovereenkomst later is opgesteld. De lening is door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] niet in de belastingaangiftes vermeld als eigenwoningschuld, aldus [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] . Verder blijkt niet van rentebetalingen door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] in de periode vóór het huwelijk.

3.4.3.

Het hof stelt voorop dat de gestelde overeenkomst van geldlening volgens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] is aangegaan op 20 november 2006. Op grond van artikel 200* Overgangswet Nieuw BW is op geldleningsovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 januari 2017 het voordien geldende recht van toepassing. Dit betekent dat in dit geval artikel 7A:1791 e.v. (oud) BW van toepassing zijn. Volgens deze bepalingen komt een overeenkomst van geldlening pas tot stand door afgifte van het geleende bedrag aan de geldnemer. Naar het oordeel van het hof hebben [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] onvoldoende onderbouwd dat zij het bedrag van € 20.000,- daadwerkelijk ter beschikking hebben gesteld aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] , en overweegt daartoe als volgt.

3.4.4.

In een schriftelijke verklaring van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] van 5 januari 2019 (productie 15, memorie van antwoord in incidenteel appel) stellen zij dat het bedrag van € 20.000,- in een beleggingshypotheek is gestort ter zekerheid van het door de Westland Utrecht Bank verstrekte hypothecair verzekerde krediet voor de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Bij pleidooi in hoger beroep hebben zij in dit verband verwezen naar een Fiscaal Jaaroverzicht van de Westland Utrecht Bank over 2006 dat is geadresseerd aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] (productie 17 ingebracht bij pleidooi). Uit dit overzicht is echter niet op te maken van wie het geld afkomstig is waarmee de in dat overzicht genoemde effecten zijn gekocht. Het lag op de weg van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] om – gelet op de herhaalde betwisting door [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van het bestaan van de geldlening – documenten te verstrekken waaruit blijkt dat zij het uitgeleende bedrag van € 20.000,- hebben gestort bij de Westland Utrecht Bank in 2006. Dat hebben zij echter niet gedaan, en voor het nalaten daarvan hebben zij evenmin een afdoende verklaring gegeven.

3.4.5.

[appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] hebben verder aangevoerd dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] aan hen een bedrag van € 800,- aan rente per maand hebben betaald, bestaande uit een maandelijkse rentetermijn van € 733,33 van de lening van € 110.000,- en een maandelijkse termijn van € 66,67 voor de lening van € 20.000,-. Anders dan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] betogen, volgt uit (de omschrijvingen van) de desbetreffende bankoverschrijvingen niet dat het bedrag van € 800,- is samengesteld uit de door hen gestelde bedragen (productie 3 inleidende dagvaarding). Ook het feit dat van de betaling van € 800,- na aftrek van de maandelijkse rentetermijn van € 733,33 een bedrag van € 66,67 resteert, volgt niet noodzakelijkerwijs dat dit bedrag betrekking heeft op een rentebetaling van de gestelde lening van € 20.000,-. Er volgt in elk geval niet zonder meer uit dat het bedrag van € 20.000,- daadwerkelijk – uit hoofde van geldlening – aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] ter beschikking is gesteld. Bovendien volgt uit de overgelegde bankafschriften van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] dat de rentebetalingen door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] kennelijk pas op 27 juni 2011 zijn begonnen. Bankafschriften of andere documenten waaruit blijkt dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] eerder, vanaf het aangaan van de gestelde lening in 2006, rente heeft betaald, zoals de stellingen van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] impliceren, zijn niet overgelegd.

3.4.6.

Nu het hof, op grond van het voorgaande, van oordeel is dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] hun stelling dat zij het bedrag van € 20.000,- daadwerkelijk, uit hoofde van geldlening, aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] hebben betaald, onvoldoende hebben onderbouwd, komt het hof aan bewijslevering van die stelling niet toe. Dit betekent dat grieven 1 en 2 van het principaal hoger beroep falen, althans niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, en dat de vorderingen van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] onder i), ii) en iii) niet toewijsbaar zijn. Het betekent ook dat grief 2 van het incidenteel hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] daarbij is veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 33,34. De vordering van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] tot terugbetaling van dit bedrag, voor zover zij dit aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] heeft betaald, zal worden toegewezen.

Rente over lening van € 110.000,-

3.5.1.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] € 110.000,- hebben geleend aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] , en dat zij daarbij een rente zijn overeengekomen van 8% per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen van € 733,33 achteraf.

De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] hebben erkend dat zij steeds de helft van (het bedrag van) de verschuldigde rente aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] hebben geschonken, en dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] niet hebben bestreden dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] met de bedongen rente alleen akkoord is gegaan, omdat de helft steeds aan haar en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] werd geschonken. De kantonrechter heeft daarom geoordeeld dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in redelijkheid slechts aan een rente van 4% kan worden gehouden. Met grief 3 van het principaal hoger beroep richten [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] zich tegen dit oordeel. Zij bestrijden hiermee verder het oordeel dat alleen de rente van december 2015 niet is betaald.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] richt zich met grief 3 van het incidenteel hoger beroep tegen toewijzing van enige rentetermijn.

3.5.2.

[appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] stellen dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] op grond van de overeenkomst van geldlening voor een gelijk deel aansprakelijk zijn voor de verschuldigde rente. Zij stellen over de schenking van € 366,67 per maand dat zij deze, met uitsluiting van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] , hebben gedaan aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] . Zij verwijzen daarbij naar een schenkingsovereenkomst van 15 maart 2011 tussen hen en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] .

3.5.3.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] voert aan dat de geldlening deel uitmaakte van een fiscale constructie, waarbij een verhoudingsgewijs zeer hoge rente werd overeengekomen van 8% per jaar. De helft van de maandelijkse rentetermijn van € 733,33, namelijk € 366,67, werd echter gelijktijdig teruggeschonken aan haar en [geintimeerde in de vrijwaringszaak] ; zij betwist dat de schenking bij uitsluiting van haar aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] werd gedaan. Omdat de rentetermijnen in aftrek werden gebracht voor de inkomstenbelasting werd zo een fiscaal voordeel behaald waardoor deze financiering feitelijk voor partijen vrijwel kosteloos was. De zeer hoge rente is uitsluitend gekozen om een zo hoog mogelijke fiscale aftrek te realiseren. Indien [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor deze buitensporig hoge rente, zeker zonder bijbehorend fiscaal voordeel, zou [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] daarmee niet akkoord zijn gegaan. In de desbetreffende periode was een gangbare hypotheekrente immers aanzienlijk lager dan de overeengekomen 8%.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] voert verder aan dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] na de echtscheiding in de woning is blijven wonen en dat hij volgens afspraak met [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] de lasten van de woning moet betalen, dus ook de rentetermijnen. In de beschikking van de rechtbank van 28 januari 2016 is bepaald dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] per 1 januari 2016 alle woonlasten behorend bij de woning voor zijn rekening moet nemen. [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] zegt niet beter te weten dan dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] de rentetermijnen heeft betaald. Volgens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij voor deze lasten wordt aangesproken door [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , terwijl zij weten dat deze lasten strekken tot financiering van de door hun zoon bewoonde woning, waarin zij overigens ook veelvuldig verblijven. Volgens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] valt niet in te zien waarom zij zich niet wenden tot hun zoon [geintimeerde in de vrijwaringszaak] . Ten slotte stelt [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] dat zij op grond van artikel 1:102 BW slechts aansprakelijk is voor het bedrag dat zij uit verdeling van de gemeenschap zal ontvangen, en dat zij vooralsnog niets heeft ontvangen.

3.5.4.

Het hof overweegt als volgt. Voor zover [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft betoogd dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat zij door [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] niet kan worden aangesproken voor betaling van de overeengekomen 8% rente, zonder dat zij daarbij het voordeel geniet van de fiscale aftrek en de schenking, volgt het hof haar niet in dit betoog. De tekst van de geldleningsovereenkomst biedt geen aanknopingspunt voor deze uitleg, terwijl [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] niet heeft gesteld dat voorafgaand aan of bij het aangaan van de overeenkomst afspraken van die strekking zijn gemaakt met [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] . Uit het feit dat een bedrag ter hoogte van de helft van die rente telkens werd geschonken – ook als er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat dit niet alleen een schenking aan [geintimeerde in de vrijwaringszaak] maar ook aan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] betrof – en uit de mogelijkheid om de rente af te trekken voor de inkomstenbelasting heeft [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] redelijkerwijs niet mogen begrijpen dat zij als partij bij de geldleningsovereenkomst niet zou kunnen worden aangesproken tot betaling van de volledige rente. Uit de hoogte van de overeengekomen rente, 8%, heeft zij dat evenmin mogen begrijpen. Het moge zo zijn dat dit percentage hoger was dan de rentetarieven die de banken destijds hanteerden voor leningen met een eerste recht van hypotheek, maar voor de lening van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] werden geen hypotheek of andere zekerheden gevestigd of verstrekt, terwijl er wel een hypotheek van een bank rustte op de woning waarvoor de lening werd verstrekt. Het overeengekomen rentepercentage is daarom niet vergelijkbaar met de destijds gangbare rente voor een bancaire geldlening met een eerste recht van hypotheek. Ten slotte, uit de maandelijkse rentebetalingen door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] volgt bovendien dat partijen de afspraken ook zo hadden begrepen dat de rentetermijnen volledig betaald moesten worden, zonder dat – bijvoorbeeld – de schenkingen daarop eerst in mindering zouden worden gebracht. De volledige rentetermijnen zoals in de geldleningsovereenkomst overeengekomen zijn immers steeds maandelijks betaald.

3.5.5.

Gelet op het voorgaande is het hof daarnaast van oordeel dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] aanspraak maken op betaling van de rentetermijnen. Zij maken jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] bovendien geen aanspraak op betaling van de volledige rentetermijnen maar op de helft. Het feit dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] gehouden is om deze rentetermijnen vanaf 1 januari 2016 te dragen, en dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] dit weten, maakt de aanspraak van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] evenmin onaanvaardbaar. Integendeel, het betekent dat de gevolgen van deze aanspraak voor [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in beginsel beperkt zijn, aangezien zij voor nagenoeg alle onbetaalde termijnen een aanspraak heeft op [geintimeerde in de vrijwaringszaak] . Ook het eventuele bestaan van een aanspraak van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] uit hoofde van schenking maakt het geldend maken van de rentevordering niet onaanvaardbaar. [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] kan die aanspraak, indien die bestaat, immers ook geldend maken jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , waarbij het hof constateert dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in deze procedure geen beroep op verrekening heeft gedaan.

3.5.6.

Het hof verwerpt het verweer van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] dat zij op grond van artikel 1:102 BW slechts aansprakelijk is voor het bedrag dat zij uit verdeling van de gemeenschap zal ontvangen. De lening van € 110.000,- betreft een gemeenschapsschuld waarvoor [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] al voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap aansprakelijk was, zodat zij daarvoor op grond van artikel 1:102, eerste zin, BW aansprakelijk blijft. Artikel 1:102, tweede zin, BW is op deze schuld niet van toepassing.

3.5.7.

Uit het voorgaande volgt dat [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] door [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] kan worden aangesproken, zoals zij doen, voor de helft van de reeds vervallen maandelijkse rentetermijnen.

[appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] stellen dat, ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding, de rentetermijnen over de maand december 2015, en over de maanden januari, februari en maart 2017 ter hoogte van € 366,67 per maand niet zijn voldaan. Bij pleidooi in hoger beroep hebben zij nader toegelicht dat de rentetermijnen over de periode februari 2019 tot en met september 2020 niet zijn voldaan, ter zake waarvan zij van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] vorderen een bedrag van € 366,67 per maand.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft in dit verband slechts aangevoerd dat zij niet beter weet dan dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] de rentetermijnen heeft betaald, wat door [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] wordt betwist.

Het hof overweegt dat de stelling dat de gevorderde bedragen al door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] zijn betaald niet volgt uit de bankafschriften waarnaar [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] verwijst. Nu een verdere onderbouwing van deze stelling ontbreekt, gaat het hof daaraan voorbij.

Daarmee staat vast dat het bedrag van € 366,67 over de maand december 2015 door de kantonrechter terecht is toegewezen, zodat grief 3 van het incidenteel hoger beroep faalt. Daarnaast is [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] een bedrag aan vervallen rentetermijnen verschuldigd aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] over de maanden januari, februari en maart 2017 en over de maanden februari 2019 tot en met september 2020. Gelet op de tussen [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] met [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] ter zitting overeengekomen betaling door [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van de gevorderde € 55.000,-, bestaat geen grond voor toewijzing van nog te vervallen rentetermijnen.

Kortom, de vordering van [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] ter zake van vervallen rentetermijnen jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] is ter hoogte van een bedrag van 23 x € 366,67 = € 8.433,41 ten onrechte afgewezen, zodat grief 3 van het principaal hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal op dit punt worden vernietigd en deze vordering zal alsnog worden toegewezen, in aanvulling op het reeds toegewezen (en inmiddels door [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] betaalde) bedrag van € 366,67 over december 2015. De wettelijke rente zal, zoals gevorderd en niet weersproken, worden toegewezen over het bedrag van € 8.433,41 vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van voldoening indien [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] dit bedrag niet binnen deze termijn voldoet.

Buitengerechtelijke kosten

3.6.1.

De kantonrechter heeft een bedrag van € 60,- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten toegewezen.

Met grief 4 van het principaal hoger beroep bestrijden [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] de hoogte van het toegewezen bedrag. Zij vorderen een bedrag van € 1.537,33 op basis van de in hoger beroep gevorderde bedragen.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] bestrijdt, met grief 4 van het incidenteel hoger beroep, dat zij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Volgens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] zijn de gevorderde kosten buitenproportioneel, en is niet onderbouwd en aangetoond dat deze kosten zijn gemaakt.

3.6.2.

Het hof overweegt dat [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] op 23 maart 2017 een aanmaningsbrief hebben doen sturen aan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] (productie 7 inleidende dagvaarding). Deze brief voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW aan een aanmaningsbrief stelt. Het in die brief genoemde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten hoort bij het in deze zaak toewijsbaar geoordeelde bedrag aan hoofdsom. Het bedrag waarmee [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] ten tijde van de aanmaning in verzuim was en toewijsbaar is, namelijk 3 x € 366,67 = € 1.100,01 over de maanden december 2015 en januari en februari 2016, was voor haar op basis van de geldleningsovereenkomst echter voldoende bepaalbaar. Het feit dat in de aanmaningsbrief een hoger bedrag is genoemd aan buitengerechtelijke incassokosten staat daarom niet in de weg aan toewijzing van het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor deze hoofdsom verschuldigd is, te weten 15% van € 1.100,01, vermeerderd met 21% btw = € 199,65. Voor de toewijsbare hoofdsom boven het bedrag van € 1.100,01 zijn geen aanmaningsbrieven gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Anders dan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] betoogt zijn, naast de aanmaningsbrief, geen andere incassohandelingen vereist om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, en geldt deze genormeerde vergoeding als redelijk in omvang.

In zoverre slaagt grief 4 van het principaal hoger beroep, en faalt grief 4 van het incidenteel hoger beroep. Het bestreden vonnis zal op dit punt worden vernietigd en het bedrag van € 199,65 inclusief btw zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal, zoals gevorderd en niet weersproken, worden toegewezen over dit bedrag vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van voldoening indien [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] dit bedrag niet binnen deze termijn voldoet.

Vrijwaring

3.7.1.

[geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] heeft aangevoerd, in de toelichting op de enige grief, dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] gehouden is om alle lasten die aan de woning zijn verbonden te dragen, en dat hij daarom jegens haar verplicht is om de rentelasten waartoe zij jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] zal worden veroordeeld te dragen, met inbegrip van buitengerechtelijke kosten en eventuele proceskosten.

3.7.2.

Het hof overweegt dat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] , op grond van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2016, bij uitsluiting gerechtigd was tot het gebruik van de woning aan de [adres 1] te [plaats] vanaf 1 januari 2016. [geintimeerde in de vrijwaringszaak] heeft niet betwist, zoals in het tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2018 is vastgesteld, dat hij en [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] zijn overeengekomen dat hij alle aan de woning verbonden hypotheek-/rentelasten volledig voor zijn rekening neemt voor de periode vanaf januari 2016 tot aan het moment dat de woning aan hem zal worden toebedeeld of zal worden verkocht. [geintimeerde in de vrijwaringszaak] is daarom jegens [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] verplicht om de rentelasten verbonden aan de lening van € 110.000,- over deze periode voor zijn rekening te nemen. Dit betekent dat de rentetermijnen over de maanden januari, februari en maart 2017 en over de maanden februari 2019 tot en met augustus 2020 ter hoogte van een bedrag van 22 x € 366,67 = € 8.066,74 door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] moeten worden gedragen. Voor het dragen door [geintimeerde in de vrijwaringszaak] van het aandeel van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] in de termijn van december 2015 en de termijn van september 2020 (na verkoop en levering van de woning) heeft [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] geen grond aangevoerd.

De door [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] gevorderde vergoeding van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten waartoe [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] jegens [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] zal worden veroordeeld, is toewijsbaar ter hoogte van een bedrag van 15% van € 733,34 (januari en februari 2017), vermeerderd met 21% btw = € 133,10. Dit betreft immers schade die [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] lijdt doordat [geintimeerde in de vrijwaringszaak] is tekortgeschoten in zijn verplichting jegens haar om de rentelasten van de woning te betalen. In zoverre slaagt de grief. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van in totaal € 8.199,84 zal alsnog worden toegewezen.

Proceskosten

3.8.1.

In de hoofdzaak zullen de kosten van het hoger beroep, gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, en bovendien over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden gecompenseerd zoals in het dictum vermeld. Om dezelfde reden zijn in deze zaak de proceskosten in eerste aanleg terecht gecompenseerd, zodat grief 4 van het principaal hoger beroep en grief 4 van het incidenteel hoger beroep in zoverre falen.

3.8.2.

In de vrijwaringszaak zullen de kosten van het hoger beroep, gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, worden gecompenseerd zoals in het dictum vermeld.

4 De uitspraak

Het hof:

in de hoofdzaak op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2018 (zaak-/rolnummer 6034956 17/5222) voor zover daarbij [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] is veroordeeld tot betaling aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] van een bedrag van € 33,34 aan rentetermijn en een bedrag van € 60,- exclusief btw als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, en voor zover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] van een bedrag van € 8.433,41 aan rentetermijnen en een bedrag van € 199,65 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over deze bedragen vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van voldoening indien [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] deze bedragen niet binnen deze termijn voldoet;

wijst af het meer of anders in eerste aanleg gevorderde;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant in de hoofdzaak] en [appellante in de hoofdzaak] , uitvoerbaar bij voorraad, tot terugbetaling aan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van het bedrag van € 33,34, indien en voor zover zij dit van [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] hebben ontvangen;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde;

in de vrijwaringszaak

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2018 (zaak-/rolnummer 6444095 17/9915);

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde in de vrijwaringszaak] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [geintimeerde in de hoofdzaak, appellante in de vrijwaringszaak] van een bedrag van € 8.199,84;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, S.C.H. Molin en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 november 2020.

griffier rolraadsheer