Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3418

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
20-003077-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot zware mishandeling, medeplegen van het meermalen plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging. De verdachte heeft op 7 februari 2019 in een shishalounge te Eindhoven opdracht gegeven om het slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen. Hierdoor heeft het slachtoffer flinke zwellingen en wonden in zijn gezicht en bij zijn oor opgelopen. Ook heeft de verdachte een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het slachtoffer gericht en hem gezegd dat hij hem 'kapot zou maken'. De verdachte heeft voorts op een aantal manieren samen met zijn mededaders belet dat het slachtoffer en zijn vriendin de shishalounge konden verlaten. Ook daar zijn op vuurwapens gelijkende voorwerpen aan te pas gekomen, waardoor zij klem zaten en geen kant op konden. Door zo te handelen zijn zij wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en gelast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-003077-19

Uitspraak : 3 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 23 september 2019 met parketnummer 01-865020-19, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 01-880729-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1992,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 primair aan hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft het onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘medeplegen van mishandeling’ (feit 1 subsidiair),
- ‘medeplegen van poging tot zware mishandeling’ (feit 2 primair),
- ‘medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd’ (feit 3) en
- ‘medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 4),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot het bedrag van € 3.362,95 en vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ten slotte heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 182 dagen.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde, de strafoplegging alsmede de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, alsnog het onder feit 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, de verdachte voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het deel aan materiële schadevergoeding zal toewijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en voor wat betreft het immateriële deel aan schadevergoeding tot een bedrag van € 4.000,00 (van welk bedrag een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld hoofdelijk), welke toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering en onder bevestiging van het vonnis voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is geconcludeerd dat de benadeelde partij daarin, in verband met de bepleite vrijspraak, niet kan worden ontvangen. De verdediging heeft ten slotte verlenging van de proeftijd van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bepleit in het geval het hof tot een veroordeling van de verdachte mocht komen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen de neus en/of het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestompt/geslagen en/of getrapt, en/of aan de haren van voornoemde [slachtoffer 1] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen de neus en/of het gezicht te slaan/stompen en/of schoppen, en/of aan de haren te trekken;

2.
hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, althans eenmaal, tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] , in ieder geval het lichaam, heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermaals althans eenmaal tegen het hoofd, in ieder geval het lichaam te slaan en/of te schoppen;

3.
hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door van een pand gelegen aan de [adres] de deuren en/of de rolluiken (deels) (af) te sluiten en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] vast te houden, in ieder geval door fysiek contact de gang naar de uitgang van het pand heeft voorkomen, en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te houden, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] voornoemd pand niet konden/mochten verlaten;

4.
hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 2] gericht en/of (daarbij) de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 2] kapot zou maken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1 primair en feit 1 subsidiair

De verdachte staat ingevolge hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd terecht ter zake van het medeplegen van de poging tot zware mishandeling, althans het medeplegen van de mishandeling, van [slachtoffer 1] , kort gezegd door haar tegen de neus/het gezicht te slaan en aan de haren te trekken.

Uit het dossier leidt het hof af dat het medeverdachte [medeverdachte] was die heeft gepoogd om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door haar tegen de neus te stompen/slaan. Die geweldshandeling volgde nadat [slachtoffer 1] haar telefoon had gepakt om de zus van haar vriend [slachtoffer 2] te bellen. Weliswaar komen uit het procesdossier aanwijzingen naar voren waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte opdracht zou hebben gegeven om de telefoon van [slachtoffer 1] af te pakken, waarna medeverdachte [medeverdachte] daartoe is overgegaan, doch die enkele omstandigheid levert naar het oordeel van het hof nog niet op dat de verdachte daarmee bewust – al dan niet als medepleger – de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] (vervolgens) enig letsel zou bekomen.

Bij gebrek aan bewijs voor enige andere strafrechtelijke relevante betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 1] , die blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging is toegesneden op de klap/trap op haar neus/gezicht en het aan de haren trekken, is het hof, anders dan de advocaat-generaal, maar met de verdediging van oordeel dat het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, om welke reden de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:


2.

hij op 7 februari 2019 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] , in ieder geval het lichaam, heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op 7 februari 2019 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door van een pand gelegen aan de [adres] de deur en de rolluiken (af) te sluiten en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vast te houden en (daarbij) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te houden, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voornoemd pand niet konden/mochten verlaten;

4.
hij op 7 februari 2019 te Eindhoven, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 2] gericht en (daarbij) de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 2] kapot zou maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, proces-verbaalnummer 20190308.1058.20075, in het onderzoek ‘Runnels’, gesloten d.d. 16 april 2019, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-212.

1.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2019, dossierpagina’s 36-39, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op donderdag 7 februari 2019, op of omstreeks 01.14 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 2] , vergezeld door brigadier [verbalisant 3] , belast met de uitoefening van de algemene politietaak als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012.

Door de regionale politiemeldkamer werden wij gestuurd naar de [adres] te Eindhoven alwaar een ruzie gaande zou zijn. Op deze locatie zou een shishalounge met de naam [naam shishalounge] gevestigd zijn. De meldster zou mensen binnen horen schreeuwen. De rolluiken zouden gesloten zijn en de deur zou op slot zitten. Er zouden circa 10 mensen binnen zijn en er zou gevochten worden. De broer van meldster alsook zijn vriendin zouden toegetakeld zijn.

Aangekomen op genoemde locatie stopten wij direct voor de deur van het pand aan de [straatnaam] . Ik stapte uit en zag ongeveer 6 mannen voor de deur van de shishalounge staan. Ik hoorde de later volledig te noemen [verdachte] zeggen dat er niets aan de hand was.

Ik zag een getinte man staan onder het afdak bij de ingang van de shishalounge. Hij stond naast de andere mannen. Ik zag dat er bloed glinsterde over zijn gezicht. Ik zag diverse wondjes in zijn gezicht. Ik zag dat collega [verbalisant 3] het later volledig te noemen slachtoffer [slachtoffer 2] (hof: [slachtoffer 2] ) wegleidde van de voordeur en apart nam.

Ik hoorde [verdachte] boos en met verheven stem zeggen dat hij de baas was daar. Ik hoorde hem zeggen dat hij de eigenaar was en dat de shishalounge van hem was.


Ik zag en hoorde dat [verdachte] telkens luid riep dat er niets aan de hand was en dat we konden vertrekken. Hij eiste veel van mijn aandacht op en daarom vroeg ik een collega om hem apart te nemen zodat ik met de collega’s een onderzoek kon doen in de shishalounge. Ik zag dat een vrouwelijke collega van een andere surveillance-eenheid probeerde [verdachte] rustig te houden. Ik zag dat ze probeerde tot hem door te dringen dat hij buiten moest blijven. Maar [verdachte] liep toch naar binnen en ik hoorde hem iets roepen.
Het werd mij duidelijk dat [verdachte] daar de touwtjes in handen had en dat de anderen daarvan onder de indruk waren.

Ik zag dat er binnen ongeveer 10 mannen zaten en stonden (…). Ik zag dat er op de grond een hoopje groen glas bij elkaar lag met een zwabber ernaast staand. Vermoedelijk een kapot bierflesje. Ik zag dat de vloer voor en naast de bar vochtig was, alsof er kort daarvoor gedweild was. Ik zag druppels vermoedelijk bloed her en der voor, naast en deels achter de bar.

Toen we daar wegreden vertelde collega [verbalisant 3] dat door een van de slachtoffers was gezegd dat er binnen met een vuurwapen was gedreigd.

We werden door de meldkamer opgeroepen en gestuurd naar het hoofdbureau van politie aan de Mathildelaan. Daar zou de meldster van dit alles staan en deze zou doodsbang zijn. Terwijl we op weg waren belde ik haar en hoorde dat ze inmiddels naar het ziekenhuis was gereden. Door ons werd aangenomen dat dit het Catharina Ziekenhuis betrof. We zijn naar het ziekenhuis gereden en aangekomen bij de EHBO kwamen twee dames naar buiten gelopen. Ik kende ze niet maar het bleken de meldster, [zus slachtoffer 2] , en een vriendin van haar, [vriendin] , te betreffen. Wij lieten ze achterin stappen.

[zus slachtoffer 2] vertelde dat ze die avond thuis was in Valkenswaard. [vriendin] was daar op bezoek. Ik begreep uit het verhaal dat [vriendin] op een gegeven moment een berichtje op haar telefoon kreeg van haar vriendin [slachtoffer 1] . Die zou binnen zitten in de shishalounge en zou in dat bericht hebben gezegd dat zij ruzie had met [verdachte] . [zus slachtoffer 2] vertelde dat zij eigenlijk geen contact had met [slachtoffer 1] . Maar toen [slachtoffer 1] later naar haar belde nam [zus slachtoffer 2] toch op omdat ze dus had begrepen dat er ruzie was. Ze vertelde dat ze opnam en er niet teruggesproken werd. Maar toen ze goed luisterde hoorde ze op de achtergrond ‘auw, auw geroep’, zoals ze dat zelf omschreef. [zus slachtoffer 2] vervolgde door te zeggen dat ze daarop direct in de auto is gesprongen en als een bezetene naar Eindhoven is gereden. Aangekomen bij de shishalounge zag ze dat de rolluiken gesloten waren. Ze nam aan dat haar broer en zijn vriendin binnen zaten. Ze zou met een knuppel op het raam of het rolluik hebben geslagen, dat werd mij niet duidelijk.
[verdachte] zou op enig moment naar buiten hebben gekeken en haar hebben gezegd op te rotten. Toen hoorde ze haar broer [slachtoffer 2] van binnenuit roepen dat ze weg moest gaan. Toen zouden wij gebeld zijn en kwamen wij daar en konden haar broer en [slachtoffer 1] weg. Ze zouden beiden flink toegetakeld zijn en nu behandeld worden in het ziekenhuis. Wij hebben beiden weer laten uitstappen en zijn met vervolg gegaan.

Later die dag, omstreeks 04.00 uur, belde [vriendin] naar de meldkamer dat ze bang was. [verdachte] was bij het ziekenhuis geweest. We zijn naar het ziekenhuis gereden. Ik ben uitgestapt en sprak bij de EHBO buiten [vriendin] . Terwijl we in gesprek waren kwam [zus slachtoffer 2] aanlopen en kort daarna kwamen haar broer [slachtoffer 2] en zijn vriendin [slachtoffer 1] erbij staan. Ik herkende [slachtoffer 2] als de man die ik met verwondingen had zien staan voor de deur van de shishalounge. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] diverse wonden hadden in het gezicht en op het hoofd. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer 1] op diverse plaatsen opgezwollen was en haar neus leek scheef te staan.
Beiden vertelden mij dat ze in de shishalounge hadden gezeten die avond/nacht en ze wat zaten te roken. Toen zou [verdachte] op een gegeven moment tegen [slachtoffer 1] hebben gezegd dat ze een lekker wijf was, of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] vertelde dat ze dat niet normaal vond en dat ze dat liet merken en horen aan [verdachte] . Hierop ontstond er ruzie waarbij zij van diverse mannen klappen kreeg. [slachtoffer 2] was voor haar opgekomen maar werd toen ook belaagd. Hij vertelde dat ze alles bij elkaar misschien wel een uur lang zijn gegijzeld daarbinnen. Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat er op een gegeven moment de deur werd afgesloten en de rolluiken van de shishalounge gesloten werden. Er waren een paar man meer binnengekomen en er werden vuurwapens getrokken. ‘Twee handvuurwapens en een mini-uzi’, zei [slachtoffer 2] .

2.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2019, dossierpagina’s 40-42, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op donderdag 7 februari 2019 was ik, verbalisant, in uniform gekleed en reed in een opvallend dienstvoertuig. Ik reed samen met collega [verbalisant 2] en wij waren belast met de directe noodhulp van de afdeling Eindhoven-Noord. Diezelfde dag, omstreeks 01.15 uur, bevonden wij ons in het centrum van Eindhoven. Op dat moment kregen wij een melding van de regionale meldkamer dat er bij de shishalounge [naam shishalounge] een ruzie zou zijn. De rolluiken zouden dicht zijn, maar de ruzie zou in het pand plaatsvinden. Het is mij ambtshalve bekend dat de shishalounge [naam shishalounge] gelegen is aan de [straatnaam] te Eindhoven. Hierop zijn wij met spoed naar de genoemde locatie gereden.

Daar aangekomen zag ik een aantal personen voor de ingang van de shishalounge staan. Ik zag een getinte jongeman staan welke gekleed was in een zwart bomberjack, blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen. Ik zag dat deze jongeman letsel had. Ik zag dat hij zwellingen in zijn gezicht had en ik zag dat er bloed uit zijn rechteroor kwam. Ik heb de jongeman aangesproken om te vragen wat er aan de hand was.

Ik vroeg de jongeman hoe hij aan zijn verwondingen kwam. Ik hoorde hem zeggen dat hij geen aangifte wilde doen. Om toch te weten met wie ik van doen had, vroeg ik hem om zijn legitimatiebewijs. Hij gaf aan dat dit in zijn auto lag. Omdat ik zag dat hij twijfelde om iets te zeggen, stelde ik voor om even mee te lopen naar zijn auto zodat hij even uit het rumoer was en we mogelijk even rustig konden praten. Onderweg naar de plaats waar zijn auto zou staan vertelde de jongeman mij dat hij bedreigd was met een vuurwapen (...). Ik vroeg hem hierop zijn naam en hoorde dat hij opgaf te zijn genaamd [slachtoffer 2] . Ik heb hem hierop verteld dat hij naar het ziekenhuis kon gaan en dat wij later nog wel zouden komen om zijn verhaal aan te horen. Op dat moment zag ik dat er een jongedame bij hem kwam staan. Ik zag dat ook haar gezicht gezwollen was. Ik zag dat zij uit haar neus bloedde. Ik zag dat dit opgedroogd bloed betrof.

Onderweg naar ons bewakingsgebied kregen collega [verbalisant 2] en ik het verzoek om naar het hoofdbureau te rijden omdat de meldster bang was. Hierop heeft mijn collega [verbalisant 2] telefonisch contact opgenomen met de meldster welke aangaf inmiddels in het Catharina Ziekenhuis te zijn. Hierop zijn collega [verbalisant 2] en ik naar het ziekenhuis gereden. Daar aangekomen zag ik dat er twee dames naar de auto kwamen gelopen en gelijk in wilden stappen. Mijn collega [verbalisant 2] had inmiddels het achterportier geopend en een van de dames stapte gelijk in. Nadat de andere dame ook ingestapt was zijn we naar het politiebureau gereden.

Aldaar spraken collega [verbalisant 2] en ik met de twee dames. Een van de dames gaf aan dat zij gebeld had. Dit bleek de zus van de jongeman te zijn welke mishandeld was. De andere jongedame bleek de vriendin van [verdachte] te zijn. Ik hoorde dat de zus van [slachtoffer 2] vertelde dat zij weet dat haar broer een vriendin heeft genaamd [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] was met [slachtoffer 1] in de shishalounge. De vriendin van [verdachte] had verteld dat ze ruzie had gehad met [verdachte] . [slachtoffer 1] zou ruzie gekregen hebben met [verdachte] in de shishalounge (…). Via de telefoon hoorde de zus van [slachtoffer 2] dat haar broer ook geslagen werd. Hierop is zij vanuit Valkenswaard naar Eindhoven gereden en is zij aangegaan bij de shishalounge. Daar bleken de rolluiken dicht te zijn, maar ze hoorde wel stemmen binnen in de shishalounge. Hierop had zij met haar hand op het raam geslagen en had ze geroepen. Hierop zou zij van binnenuit bedreigd zijn door [verdachte] . Zij verklaarde dat ze toen de politie had gebeld en met een knuppel een raam bij de shishalounge insloeg. Na dit gesprek hebben collega [verbalisant 2] en ik hen afgezet bij het Catharina Ziekenhuis.

Enige tijd later kregen wij de melding te gaan naar het Catharina Ziekenhuis omdat de vriendin van [verdachte] zich bedreigd voelde omdat [verdachte] in de buurt zou zijn. Hierop ter plaatse gegaan, maar door ons werd [verdachte] niet aangetroffen. Collega [verbalisant 2] en ik troffen daar aan: [slachtoffer 2] (hof: [slachtoffer 2] ), zijn zus, zijn vriendin [slachtoffer 1] en de vriendin van [verdachte] en nog een andere jongedame. [slachtoffer 2] vertelde ons dat [verdachte] echt gestoord was en dat men zeker een uur was vastgehouden in de shishalounge. Aanleiding ging eigenlijk nergens om. Men vertelde dat [slachtoffer 1] samen met haar vriend in de shishalounge zat en dat [verdachte] haar aansprak dat zij een lekker ding was. [slachtoffer 1] vond dit respectloos tegenover haar vriend en sprak [verdachte] daarover aan. Hij was daar de baas. Toen haar vriend hierop wilde reageren kreeg hij ook klappen. Vervolgens kwamen er meerdere personen binnen en werden de rolluiken gesloten. Vervolgens zou [slachtoffer 1] meerdere malen geslagen zijn en zou haar vriend niets mogen doen onder bedreiging van een vuurwapen. Hierop gevraagd gaf [slachtoffer 2] aan dat er twee handvuurwapens waren en dat [slachtoffer 2] bedreigd was door een baby-uzi. [verdachte] zou gezegd hebben dat ze hen niet konden laten gaan omdat ze nu teveel wisten. Men zou bij [slachtoffer 2] (hof: [slachtoffer 2] ) zijn tanden uit zijn mond moeten slaan.

3.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019, dossierpagina’s 56-59, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op donderdag 7 februari 2019 was ik, verbalisant [verbalisant 4] , belast met het beluisteren van audiofragmenten afkomstig van het operationeel centrum Oost-Brabant. Deze werden veiliggesteld naar aanleiding van een gepleegde zware mishandeling aan de [adres] te Eindhoven. De inhoud betreft de binnengekomen meldingen bij het OC.

FRAGMENT 2 (passages)
In de start van het fragment geeft de vrouwelijke meldster als locatie van het noodgeval aan: de [naam shishalounge] lounge aan de [straatnaam] .

- “Op de hoek bij de Bristol, daar zit een shishalounge. Daar zijn ze nu mijn broer en zijn vriendin helemaal kapot aan het slaan met de deuren op slot.”
- “Die wordt daar zwaar mishandeld door 8 man minimaal.”
- “Ze deden net de rolluiken open en toen kon ik ze zien maar mijn broer heeft een dik oog en zijn vriendin ook.”
(…)
- “De eigenaar heet [verdachte] .”
- “Die heeft zeg maar de rolluik omhoog gedaan en tegen mij gezegd dat ik op moest rotten en toen zag ik dat mijn broer helemaal een blauw oog had en heel zijn gezicht zat onder het bloed en zijn vriendin ook. En ze belde me net en ik hoorde alleen maar schreeuwen.”

Als de centralist vraagt waarom dit allemaal gebeurt en of meldster enig idee heeft:
- “Ik heb echt geen idee, ik weet alleen mijn broer zat daar gewoon gezellig met zijn vriendin, samen met de eigenaar en toen hoorde ik zeg maar van een andere vriendin dat ze een beetje woorden kregen. En het enigste wat ik daarna, een telefoontje van zijn vriendin die daar dus zat met hem en ik hoorde alleen maar “au, au au”, en toen ging de telefoon uit en ik kon ze niet meer bereiken dus ik ben er meteen plankgas heen gereden en toen zag ik dat zijn gezicht helemaal onder het bloed zat en ze hebben de rolluiken dicht gedaan.”

Daarna geeft de centralist aan dat de politie van twee kanten komt aanrijden en vraagt nog wat de naam van de meldster betreft. De meldster antwoordt hierop met: [zus slachtoffer 2] .

4.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019, dossierpagina’s 61-65, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , belast met het onderzoek naar de toedracht van de mishandeling hadden op donderdag 7 februari 2019, omstreeks 12.25 uur, persoonlijk contact met de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Wij, verbalisanten, gekleed in burger, kregen na ons gelegitimeerd te hebben als ambtenaren van politie, toestemming om de woning gelegen aan de [woonadres slachtoffer 2] te betreden.

Wij, verbalisanten, (…) hoorden haar (hof: de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 2] ) [bijnaam slachtoffer 2] (hof: de bijnaam van het slachtoffer [slachtoffer 2] ) roepen met haar hoofd in de richting van de trap naar de eerste verdieping. Hierop zagen wij een vrouw en een man de trap af komen lopen welke ons een hand gaven en zich voorstelden als [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . Wij, verbalisanten, zagen dat de beide slachtoffers zichtbaar letsel hadden in het gelaat.
Wij, verbalisanten, zagen dat de man welke zich voorstelde als [bijnaam slachtoffer 2] , een gezwollen jukbeen had onder zijn linkeroog.

Wij zagen dat [bijnaam slachtoffer 2] hevig geëmotioneerd over kwam en zich echt druk aan het maken was.

Tijdens het gesprek kwamen er meerdere woedeaanvallen naar boven, gericht op [verdachte] . De woedeaanvallen hadden dan de strekking dat het niet normaal was geweest wat [verdachte] met hen had gedaan die avond en dat [verdachte] helemaal gek was, niet goed in zijn hoofd en wat hij gedaan had dat hij dit niet over zijn kant kon laten gaan, zijn vrouwtje slaan terwijl hij helemaal niets kon doen omdat er wapens op hem gericht waren (…). Wij hoorden [bijnaam slachtoffer 2] meerdere malen zeggen dat [verdachte] maar een klein mannetje was en dat deze in zijn ogen niets voorstelde, maar dat je met een wapen tegen het hoofd helemaal niks kan doen.

Wij hoorden dat [bijnaam slachtoffer 2] vertelde dat hij die avond met [slachtoffer 1] naar de shishalounge was gegaan, wat hij wel vaker deed. Het kwam er in het kort op neer dat hij daar die avond met [slachtoffer 1] binnen zat, dat zij samen met [betrokkene 1] naar de [naam shishalounge] waren gegaan. Dat [verdachte] daar als eigenaar aanwezig was en dat [verdachte] gedronken had en op dat moment aan de bar ballonnetjes zat te doen. Wij hoorden dat [bijnaam slachtoffer 2] verklaarde dat de rolluiken van de [naam shishalounge] gesloten werden en (…) dat hij zag dat [slachtoffer 1] werd geslagen en dat hij haar kwam helpen maar meteen werd gepakt en geslagen door andere aanwezigen, allemaal vrienden van [verdachte] .

Ik, verbalisant [verbalisant 5] , vroeg aan hem, [bijnaam slachtoffer 2] , naar de wapens, waar deze vandaan waren gekomen, welke wapens het betroffen, wie ze bij zich had gedragen of dat ze ergens lagen etc. Wij, verbalisanten, hoorden hem zeggen dat er een soort van uzi-pistool aanwezig was geweest en twee handvuurwapens. Op de vragen wie en waar deze vandaan waren gekomen vertelde hij enkel dat het uzi-pistool er reeds geweest was en dat iemand dat bij zich zou hebben gedragen en dat de twee vuistvuurwapens pas later binnen kwamen.

Wij hoorden [bijnaam slachtoffer 2] zeggen dat hij tussen beiden wilde komen om [slachtoffer 1] te verdedigen. Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen dat toen verschillende personen bovenop [bijnaam slachtoffer 2] sprongen en hem sloegen. [bijnaam slachtoffer 2] vertelde dat hij ook was geschopt.

[bijnaam slachtoffer 2] werd vervolgens met een vuurwapen onder schot gehouden door [verdachte] . Ondertussen werd [slachtoffer 1] nog geslagen. [bijnaam slachtoffer 2] zei dat hij niets kon doen en vond dat heel erg. Hij zei meerdere keren dat hij het heel erg vond dat zijn vrouw werd geslagen en dat hij moest toekijken. Dat deed hem heel erg veel. Hij zei dat dit door zijn hoofd bleef spoken en dat hij het niet los kon laten.

[bijnaam slachtoffer 2] zei dat [slachtoffer 1] de opdracht kreeg om op een stoel te gaan zitten en dat ze deed wat er van haar gevraagd werd. [bijnaam slachtoffer 2] zei dat hij op zijn knieën moest gaan zitten terwijl [verdachte] een vuurwapen op zijn hoofd richtte. Wij hoorden dat hij vervolgens de naam van [verdachte] moest noemen en dat hij moest zeggen dat [verdachte] de grootste was. Ondertussen werd [slachtoffer 1] geslagen door meerdere personen (…).

[bijnaam slachtoffer 2] verklaarde dat ze 50.000 euro moesten betalen om weg te mogen.

[bijnaam slachtoffer 2] zei dat [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ) samen met hen naar de [naam shishalounge] was gegaan. [bijnaam slachtoffer 2] vertelde dat hij later aan [betrokkene 1] had gevraagd waarom hij niets had gedaan. [bijnaam slachtoffer 2] vertelde dat [betrokkene 1] had gezegd: “Sorry maat, ik kon echt niets doen. Ze hielden mij onder schot”.

[slachtoffer 1] vertelde dat [verdachte] hen bedreigde toen ze bij het ziekenhuis waren. Ze stonden toen buiten met de politie te praten. [verdachte] belde toen. Volgens [slachtoffer 1] zei [verdachte] toen: Met de politie praten? Nu ga je eraan.

5.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2019, dossierpagina’s 82-85, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] :

Op zaterdag 9 februari 2019, omstreeks 11.45 uur, werd er door ons verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] , aangegaan op het adres [woonadres slachtoffer 2] . Aldaar spraken wij met [slachtoffer 2] die op donderdag 7 februari 2019 samen met zijn vriendin [slachtoffer 1] onder bedreiging van vuurwapens gedwongen waren te verblijven in het pand gelegen aan de [adres] te Eindhoven. Op dat adres bevond zich een zogenaamde shishalounge genaamd [naam shishalounge] .

Zowel [slachtoffer 2] als zijn vriendin [slachtoffer 1] zouden toen een uur lang bedreigd en mishandeld zijn, hetgeen slechts gestopt was door tussenkomst van buitenaf. Op donderdag 7 februari 2019 werden beiden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , reeds door ons als politie benaderd. (…) [slachtoffer 2] zou het zelf allemaal gaan regelen en wilde niet vertellen wat er plaats had gevonden. Gaandeweg het gesprek was er toch naar voren gekomen dat [verdachte] bedreigingen had geuit naar hen beiden en daarbij een vuurwapen ter hand had genomen om deze te richten en gericht te houden op [slachtoffer 2] die toen moest verklaren dat [verdachte] de grootste was van Eindhoven en woorden van gelijke strekking.

Naar aanleiding van dit incident vond er op zaterdag 8 (het hof begrijpt: 9) februari 2019 in de vroege ochtend een aanhouding plaats van de genoemde [verdachte] . Naar aanleiding van deze aanhouding waren wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] , op zaterdag 9 februari 2019 wederom naar het adres [woonadres slachtoffer 2] gegaan om aan de beide slachtoffers te vragen of zij inmiddels wel bereid waren een aangifte te doen. Op het genoemde adres troffen wij [moeder slachtoffer 2] welke ons toestemming gaf de woning te betreden. Wij hoorden [moeder slachtoffer 2] (het hof vermoedt dat bedoeld zal zijn: [slachtoffer 2] ), welke in dit proces-verbaal verder omschreven zal worden als [bijnaam slachtoffer 2] , zeggen dat hij inmiddels via de sociale media vernomen had dat [verdachte] vannacht aangehouden was en dat [slachtoffer 1] bij haar moeder was.

Wij verbalisanten bemerkten dat hij nu wel meer over het incident wilde praten en wij hoorden [bijnaam slachtoffer 2] zeggen dat hij er met zijn hoofd nog steeds niet bij kon dat er zoveel geweld uit het niets op hen beiden kon worden uitgeoefend. “ [verdachte] is echt gek, echt gek. Die jongen spoort echt niet, wat ons allemaal aan werd gedaan, door 15 man geslagen worden, met vuurwapens bedreigd en op de knieën moeten zitten en onder bedreiging van een vuurwapen moeten zeggen dat [verdachte] de grootste was, echt te gek voor woorden, die jongen is echt gek”.

[verdachte] zou tegen [bijnaam slachtoffer 2] gezegd hebben dat [bijnaam slachtoffer 2] 50.000 euro moest betalen omdat hij anders daar niet meer weg kwam.

(…) volgens [bijnaam slachtoffer 2] zou hij tegen [slachtoffer 1] gezegd hebben dat zij zijn zus [zus slachtoffer 2] (hof: [zus slachtoffer 2] ) moest bellen om te zeggen waar ze waren, want hij voelde aan dat het helemaal fout zou gaan lopen. Daarop zag hij dat [slachtoffer 1] in haar gezicht werd geslagen door [medeverdachte] , die hij bij naam kende. Ook zou [slachtoffer 1] , omdat ze blijkbaar terug wilde slaan, door twee andere vrienden van [verdachte] zijn aangevallen. Daarop zou [bijnaam slachtoffer 2] zijn opgestaan en [medeverdachte] en een andere jongen hebben geslagen waardoor [medeverdachte] en de jongen op de grond waren gevallen. Hij voelde dat hij toen door meerdere van de aanwezige mannen werd geslagen waardoor hij zichzelf moest gaan verdedigen.

Hij zag dat [verdachte] voor hem stond en hoorde [verdachte] ook nog zeggen dat ze al zijn tanden uit zijn gezicht moesten slaan of schoppen. Op enig moment stond [verdachte] met een wapen gericht voor hem en dwong hem te zeggen dat [verdachte] de grootste was van Eindhoven en meer van dit soort kreten.

[bijnaam slachtoffer 2] verklaarde nog dat ook [betrokkene 1] niets doen kon, want ook op [betrokkene 1] werd een wapen gericht.


Toen de mishandelingen in volle gang waren zou er op de voordeur worden gebonsd en zou [verdachte] de voordeur geopend hebben. [bijnaam slachtoffer 2] zag dat zijn zus voor de deur van de [naam shishalounge] stond en dat hij toen naar haar schreeuwde dat ze weg moest rennen. [bijnaam slachtoffer 2] verklaarde dat de komst van zijn zus zeker hun redding was geweest en ook dat de politie spoedig daarna was gekomen want anders was het zeker helemaal fout met hen afgelopen.

Door ons, verbalisanten, werd nogmaals gevraagd waar de wapens nu vandaan waren gekomen. Wij hoorden [bijnaam slachtoffer 2] verklaren dat hij dat zo niet meer wist. Mogelijk door de anderen die later kwamen mee naar binnen genomen. Het waren in ieder geval drie wapens, twee handwapens en een pistool uzi die door [verdachte] op hen gericht werd. Anderen hadden een wapen op [betrokkene 1] gericht en op [slachtoffer 1] .

Op zaterdag 9 februari 2019, omstreeks 12.50 uur, spraken wij [slachtoffer 1] in haar ouderlijke woning (…). [slachtoffer 1] verklaarde niet te weten wanneer de rolluiken werden gesloten, maar wel dat ze ineens dicht waren. Dat er wel 10 tot 15 vrienden van [verdachte] binnen zaten inmiddels en dat ze op een gegeven moment de zus van [bijnaam slachtoffer 2] moest bellen van [bijnaam slachtoffer 2] .
[slachtoffer 1] zou door meerdere aanwezigen zijn geslagen, door aanwezigen onder schot zijn gehouden en gezien hebben dat [verdachte] met een vuurwapen haar vriend dwong te zeggen dat [verdachte] de grootste van Eindhoven was.

6.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2019, dossierpagina’s 88-91, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :

Vraag verbalisanten: Wij hebben begrepen dat je aangifte wil doen naar aanleiding van een incident dat zich heeft afgespeeld in de nacht van woensdag 6 februari op donderdag 7 februari 2019 in de [naam shishalounge] lounge in Eindhoven.

Antwoord aangeefster: Ik was met [bijnaam slachtoffer 2] en [betrokkene 1] woensdag om ongeveer 22.00 uur naar [naam shishalounge] gegaan. (…) Om ongeveer 23.30 uur à 23.45 uur was de zaak leeg en zei [verdachte] : “kom bij ons zitten”. [verdachte] zat met tien à vijftien personen ballonnen te doen. Wij gingen erbij zitten. (…) Op een gegeven moment sloeg de sfeer om. [verdachte] zei tegen mij: “ [slachtoffer 1] , je bent echt lekker”. Ik zei tegen hem: “Wat zeg je?”. Hij zei nogmaals: “ [slachtoffer 1] , je bent echt lekker”. Ik keek vervolgens naar [bijnaam slachtoffer 2] met een blik van dit is echt respectloos met mijn vriend erbij. [bijnaam slachtoffer 2] bleef rustig. Maar [verdachte] bleef erop in gaan en terugkomen. Ik bedoel dat [verdachte] ruzie bleef zoeken. [verdachte] zei dingen als jouw vriendinnen en hun familie kunnen mij niks maken, ik ben de baas van Eindhoven. [verdachte] bleef maar zeggen dat hij de baas van Eindhoven was. Op een gegeven moment zeiden we dat we naar huis gingen. Ik en [bijnaam slachtoffer 2] liepen naar buiten. [betrokkene 1] werd tegengehouden en kon dus niet naar buiten. [bijnaam slachtoffer 2] en ik zijn weer naar binnen gegaan. Toen we binnen waren werd de voordeur op slot gedaan en gingen de rolluiken naar beneden. [verdachte] zei tegen [bijnaam slachtoffer 2] : “We gaan het nu uitvechten”.

[verdachte] zei dus dat hij het uit wilde vechten. [bijnaam slachtoffer 2] zei: “Er is geen ruzie, dus waarom wil je het uitvechten. Er is niets aan de hand.” [bijnaam slachtoffer 2] zei tegen mij dat ik zijn zus moest bellen, zodat zij wist waar wij waren en kon komen. Ik ging haar dus bellen. De telefoon ging twee keer over en [verdachte] riep dat mijn telefoon afgepakt moest worden. Ik draaide wat weg toen [medeverdachte] (fonetisch) mijn telefoon wilde pakken. Ik kreeg een klap van [medeverdachte] op mijn neus. Ik wist meteen dat mijn neus gebroken was. Ik voelde dat meteen alles onder het bloed zat van mijn neus. Ik kan in mijn telefoon zien dat ik om 00.57 uur belde en dat het gesprek 23 seconden duurde. Op dat moment voelde ik niets, vanwege de adrenaline.
[bijnaam slachtoffer 2] sprong op, maar ze sprongen met 10 man op hem. Ik zag de wapens pas toen er gevochten werd, toen [bijnaam slachtoffer 2] aangevallen werd. De wapens waren zwart. [verdachte] (…) was de leider, hij zei wat iedereen moest doen. Hij liet zijn soldaatjes alles doen.

Ik zat op dat moment in een stoel en werd vastgehouden. [bijnaam slachtoffer 2] moest toekijken hoe ik geslagen werd. Ik kon niets doen. Wat moet ik doen als er iemand bij me staat met een pistool.

[verdachte] had een vuurwapen en richtte dat op [bijnaam slachtoffer 2] . [verdachte] zei dat [bijnaam slachtoffer 2] op zijn knieën moest zitten. En dat hij moest zeggen dat [verdachte] de baas van Eindhoven was. [verdachte] zei: “Sla zijn tanden eruit”. [bijnaam slachtoffer 2] kreeg toen weer klappen. Op een gegeven moment stond [bijnaam slachtoffer 2] op en zei dat [verdachte] normaal moest doen. Dat het nergens op sloeg. [verdachte] zei vervolgens: “Ja is goed, geef me 50.000 euro en dan kun je gaan”. (…) [verdachte] zei ook tegen [bijnaam slachtoffer 2] dat hij hem kapot zou maken en hem, het wapen, op hem leeg zou schieten. Ik hield mijn mond maar dicht. Wat moet ik als er wapens zijn?

Op dat moment werd er op de deur gebonkt. Ze dachten dat het politie was, want de wapens werden snel schoongemaakt. Wij, [bijnaam slachtoffer 2] en ik, schoten meteen wat in de richting van de deur, zodat ze ons zouden zien. Wij zaten natuurlijk onder het bloed. Het bleek dat het de zus van [bijnaam slachtoffer 2] was. Wij riepen meteen dat ze weg moest gaan en de politie moest bellen.
Tussen de komst van de zus van [bijnaam slachtoffer 2] en de komst van de politie zat ongeveer vijf minuten, de politie was er echt snel.

Ik dacht echt dat ik dood ging. Ik dacht ze schieten [bijnaam slachtoffer 2] voor mijn ogen kapot. Als ze zouden hebben geschoten, zouden ze mij ook pakken. Ik heb alles gezien.

Het begon rond 23.45 uur à 00.00 uur en om 01.30 uur waren we buiten. Al die tijd kon ik niet weg.

Trouwens, toen [bijnaam slachtoffer 2] en ik in het ziekenhuis waren, was [vriendin] er ook. Wij spraken op dat moment met de politie. Zij was de hele tijd aan het bellen. Ze zei dat ze met haar oom aan het bellen was. Op een gegeven moment zei [vriendin] dat hij [bijnaam slachtoffer 2] wilde spreken. Toen bleek dat het [verdachte] was. [verdachte] zei dat hij alles had gehoord en dat het echt oorlog was.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

7.
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 februari 2019, dossierpagina’s 141-155, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [vriendin/getuige] :

Vraag verbalisanten: Hoe zag jouw avond eruit toen dat incident was? Wanneer was het?
Antwoord getuige: Van woensdag 6 op donderdag 7 februari 2019.

Vraag verbalisanten: Woensdag 6 februari. Je wordt wakker. En dan?
Antwoord getuige: In de avond ben ik naar [betrokkene 2] en [bijnaam zus slachtoffer 2] ( [zus slachtoffer 2] ) geweest. We waren bij [bijnaam zus slachtoffer 2] aan het chillen in Valkenswaard. Toen kreeg [zus slachtoffer 2] een telefoontje van [slachtoffer 1] . Ze hoorde dat er ruzie was. Ik wist dat [slachtoffer 1] in [naam shishalounge] was. Zij stuurde mij eerder dat ze daar was.

Vraag verbalisanten: Met wie was ze daar?
Antwoord getuige: Met [bijnaam slachtoffer 2] en [verdachte] . [slachtoffer 1] appte via Snapchat dat ze met [verdachte] aan tafel zat. (…) Toen [zus slachtoffer 2] dus gebeld werd, ze hoorde ruziegeluiden. (…) Het belletje was om een uur in de nacht. Ik wist dat [zus slachtoffer 2] naar [naam shishalounge] ging (…). Ik heb [betrokkene 2] aan het einde van de straat afgezet, ik ben weggereden.

Vraag verbalisanten: Waarheen?
Antwoord getuige: Ik ben nog langs het politiebureau gereden. Ze belden me vanuit het ziekenhuis. Daar waren [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . En [zus slachtoffer 2] was er ook.

Vraag verbalisanten: En toen, in het ziekenhuis? Vertel.
Antwoord getuige: Ik zag [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] , uit een vechtpartij.

Vraag verbalisanten: Wij hebben meerdere mensen gesproken. Ik denk dat je [verdachte] nog hebt gesproken bij het ziekenhuis. Ik heb gehoord dat jij met je telefoon, terwijl je [verdachte] aan de telefoon had, bij die anderen gaat staan.

Vraag verbalisanten: Sterker nog, je hebt de telefoon aan [bijnaam slachtoffer 2] gegeven.

Antwoord getuige: Ja dat klopt.

Vraag verbalisanten: Wat zei [verdachte] aan de telefoon.

Antwoord getuige: Hij is er ’s nachts achter gekomen dat wij bij het ziekenhuis waren. Hij zei dat ik die telefoon aan [bijnaam slachtoffer 2] moest geven.

8.
Proces-verbaal van bevindingen tap [vriendin] d.d. 14 april 2019, dossierpagina’s 165-174, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Tussen donderdag 7 februari 2019 te 18.06 uur en woensdag 20 maart 2019 21.52 uur werd van telefoonnummer [telefoonnummer 1] de telecommunicatie met een technisch hulpmiddel opgenomen (tappen). Dit telefoonnummer is in gebruik bij [vriendin] , geboren op [geboortedatum vriendin] te Eindhoven. Zij is de vriendin van verdachte [verdachte] .

[telefoonnummer 2] – [betrokkene 3]

Maandag 25 februari 2019, 14.58 uur / sessienummer 7499
[vriendin] vertelt wat er allemaal in Eindhoven gebeurd is. Er is in [naam shishalounge] een ruzie geweest tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . Daarbij heeft een zware mishandeling plaatsgevonden en er zijn wapens bij geweest.
[vriendin] was die avond met [betrokkene 2] bij [bijnaam zus slachtoffer 2] , toen [bijnaam zus slachtoffer 2] gebeld werd dat er een gevecht was. [bijnaam zus slachtoffer 2] ging naar [naam shishalounge] , [vriendin] niet omdat ze er niets mee te maken wilde hebben. Later ging ze naar het ziekenhuis en zag ze [slachtoffer 1] , die er wel heftig uitzag. Haar neus was gebroken en daar is ze ook aan geopereerd.

9.

Proces-verbaal van bevindingen tap [zus slachtoffer 2] d.d. 7 april 2019, dossierpagina’s 201-203, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :


Tussen vrijdag 15 februari 2019 te 15.24 uur en donderdag 14 maart 2019 te 20.32 uur werd van telefoonnummer [telefoonnummer 3] de telecommunicatie met een technisch hulpmiddel opgenomen (tappen). Dit telefoonnummer is in gebruik bij [zus slachtoffer 2] , de zus van slachtoffer [slachtoffer 2] .


[telefoonnummer 4] – [betrokkene 4]
Vanuit een PI, onbekend welke, belt [betrokkene 4] naar [zus slachtoffer 2] . [betrokkene 4] is de partner van [zus slachtoffer 2] . Samen hebben ze een zoontje, [betrokkene 5] .

19 februari 2019, 19.46 uur / sessie 1824

[zus slachtoffer 2] en [betrokkene 4] praten over [betrokkene 5] die gevallen is doordat [bijnaam slachtoffer 2] hem liet schrikken. (…) Er ontstaat een gesprek, waaruit kan worden opgemaakt dat de mannenstem van [bijnaam slachtoffer 2] is. [bijnaam slachtoffer 2] zegt dat een op vijftien (of vijfentwintig, dat was niet goed te verstaan) een beetje moeilijk is. [betrokkene 4] maakt een grapje en zegt dat [bijnaam slachtoffer 2] hem helemaal knock out slaat, maar dat hij zich door een paar kutturken laat afslaan. (…) [bijnaam slachtoffer 2] zegt dat hij meteen dat ding op zijn kop kreeg (…). [bijnaam slachtoffer 2] was bang dat hij per ongeluk zou duwen. [betrokkene 4] zegt dat hij hem wel gaat redden. [bijnaam slachtoffer 2] hoeft niet gered te worden, maar op dat moment kon hij niets.

Noot verbalisant:
Ambtshalve is mij bekend dat [bijnaam slachtoffer 2] de bijnaam is van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is de broer van [zus slachtoffer 2] en dus de zwager van haar vriend, [betrokkene 4] . Gelet op bovenstaande kan gezegd worden dat [bijnaam slachtoffer 2] , [bijnaam slachtoffer 2] en dus [slachtoffer 2] bedoeld wordt.

312089091 – NNM9091
Vanuit een Penitentiaire Inrichting (PI) belt NNM9091. Er wordt geen naam genoemd. Mogelijk belt hij vanuit de PI Grave, aangezien hij zegt dat [verdachte] beneden zit. Ten tijde van dit gesprek verbleef verdachte [verdachte] in de PI Grave.


Zaterdag 16 februari 2019, 10.10 uur / sessie 93
NNM9091 vraagt wat hij nou allemaal gehoord heeft, wat er allemaal in [naam shishalounge] gebeurd is. [zus slachtoffer 2] vertelt dat ze [bijnaam slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hadden opgesloten, met tien man helemaal total loss geslagen en ook wapens op hun kop hadden gezet. [slachtoffer 1] haar neus was zo gebroken dat er een operatie nodig is. Ze werd gebeld door [slachtoffer 1] , hoorde au en is direct naar [naam shishalounge] gegaan. Voor de deur zei [verdachte] tegen haar ‘jou vermoord ik ook’. Vervolgens sloeg ze met een knuppel een ruit kapot, waarna ze wegrende en de politie belde. Ze zag meerdere mensen binnen staan. Om beurten deden ze een ballonnetje en trapten ze hem. Ze wilden volgens haar net de tanden eruit gaan slaan toen zij voor de deur stond. (…) Zijn hoofd was zo dik dat je zijn ogen nauwelijks kon zien. Hij werd op zijn kop geslagen en getrapt, met een fles zijn oren opengemaakt.

02 maart 2019, 10.17 uur / sessie 6573
[betrokkene 4] zegt dat ze daar gewoon shisha zaten te roken en opeens kwam [verdachte] voorbij en die zegt tegen haar iets van lekkertje of zo. Dus [bijnaam slachtoffer 2] zegt dat hij zijn gemak moest houden en door moest lopen en meteen werden de rolluiken dichtgedraaid. [bijnaam slachtoffer 2] kon er niet meer uit.

02 maart 2019, 10.21 uur / sessie 6578

(Vervolggesprek op sessie 6573. Toen werd namelijk de verbinding plotseling verbroken)

[betrokkene 4] zegt en toen begon [verdachte] ‘wat denk jij, ik ben de baas in Eindhoven’ en toen begon ‘ie dat die jongens dood waren en zij dachten dat dat via [bijnaam slachtoffer 2] was. In een keer werden de rolluiken dichtgedraaid, iedereen moest naar buiten, maar [bijnaam slachtoffer 2] kon niet naar buiten rennen want [slachtoffer 1] zat er nog. En toen kwamen ze met pistooltjes naar voren. (…) [bijnaam slachtoffer 2] zei dat ze met tien man op hem in aan het beuken waren en op een gegeven moment zette ze een pistool bij hem op zijn hoofd. Toen moest hij op zijn knieën gaan zitten en dat wou hij niet en toen hebben ze hem goed neergetrapt. Toen moest hij zeggen wie de baas was. [bijnaam slachtoffer 2] moest zeggen wie de baas was maar dat deed hij niet. (…) Omdat [bijnaam slachtoffer 2] dat niet wilde zeggen bleven ze op zijn kop… Je had die kop van hem eens moeten zien zo’n dik hoofd. [bijnaam zus slachtoffer 2] is daar heen gegaan en heeft ze met een knuppel het raam ingeslagen.

10.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 7 augustus 2019 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch, p. 1-2, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 1] :

U vraagt mij wat ik kan herinneren van het incident in de lounge. Ik was daar samen met [bijnaam slachtoffer 2] en een andere vriend, [betrokkene 1] . (…) Op een gegeven moment zei [verdachte] tegen mij “jij bent echt lekker”. Ik vond de opmerking van [verdachte] niet respectvol. [bijnaam slachtoffer 2] zei tegen mij: “kom we gaan”. (…) Toen wij allemaal binnen waren gingen de rolluiken naar beneden en werd de deur dichtgedaan. Binnen stond er een man voor de deur. (…) Toen wij met zijn allen weer binnen waren werd [bijnaam slachtoffer 2] op een stoel gezet. [verdachte] gedroeg zich agressief tegen [bijnaam slachtoffer 2] . [bijnaam slachtoffer 2] zei tegen mij: “bel mijn zusje”. Ik ben toen naar de bar gelopen om mijn telefoon te pakken en ik wilde gaan bellen. [medeverdachte] stond toen voor mij en zei tegen mij: “telefoon weg” en ook “nu stoppen met bellen”. Dat wilde ik niet. [medeverdachte] heeft mij toen geslagen met een gebalde vuist in het gezicht. Daarna was mijn neus gebroken. (…) [bijnaam slachtoffer 2] probeerde mij te helpen maar dat lukte niet. [verdachte] richtte een pistool op [bijnaam slachtoffer 2] . Ik moest op een stoel gaan zitten en er stond een jongen langs mij, ook met een pistool. (…) Ik heb in totaal drie vuurwapens gezien. (…) Het grootste wapen werd door [verdachte] vastgehouden. (…) [verdachte] had dus het pistool op [bijnaam slachtoffer 2] gericht. [bijnaam slachtoffer 2] werd door vijf à zes man geslagen. Hij had bloed op zijn gezicht. (…) [bijnaam slachtoffer 2] moest toen van [verdachte] op zijn knieën gaan zitten en [bijnaam slachtoffer 2] moest zeggen dat [verdachte] de baas van Eindhoven was.

Op een gegeven moment heeft het zusje van [bijnaam slachtoffer 2] op het raam van de lounge geslagen. Binnen dacht men dat het de politie was. De rolluiken gingen toen een stukje omhoog. (…) Men zag dat het het zusje van [bijnaam slachtoffer 2] was. (…) [bijnaam slachtoffer 2] is later nog via de telefoon van [vriendin] bedreigd door [verdachte] .

(…) Toen het zusje van [bijnaam slachtoffer 2] kwam en op het raam sloeg, zag ik dat de rolluiken dicht waren. (…) Ik wil zeggen dat [verdachte] tegen mij en [bijnaam slachtoffer 2] heeft gezegd: “50.000,- euro en je mag weg”. Dit zei hij nadat wij zeiden “laat ons gaan”.

(…) U vraagt mij naar de rol van [verdachte] . Alles wat [verdachte] zei gebeurde ook. Hij zei wat de anderen bij [bijnaam slachtoffer 2] moesten doen. (…)

U vraagt mij hoelang alles bij elkaar heeft geduurd. Vanaf de opmerking van [verdachte] tot aan de politie kwam heeft het volgens mij 1 uur à 1,5 uur geduurd. Na de opmerking heb ik volgens mij na ongeveer 20 minuten het zusje van [bijnaam slachtoffer 2] gebeld.

(…) [bijnaam slachtoffer 2] heeft tegen mij gezegd dat ik zijn zusje moest bellen. Hij had kennelijk het idee dat het uit de hand zou lopen. Ik liep toen naar de bar en begon te bellen. (…) [medeverdachte] zei toen tegen mij: “telefoon inleveren”. Dat was nadat anderen hadden geroepen “zij gaat bellen” en ook “pak haar telefoon”. [medeverdachte] heeft toen actie ondernomen en mij de klap gegeven.

11.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, achtste meervoudige kamer voor strafzaken, van 20 oktober 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

Op donderdag 7 februari 2020 kreeg ik in shishalounge [naam shishalounge] te Eindhoven woorden met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . We kwamen daar niet uit. De sfeer werd agressiever.

Ik was op dat moment verantwoordelijk voor de shishalounge, als een soort van bedrijfsleider. Ik zou ook na sluitingstijd de kassa moeten afslaan en het pand afsluiten.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn tegenstrijdig en onbetrouwbaar. Daarbij valt op dat [slachtoffer 2] zich bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris vrijwel niets meer kan herinneren. De bewering dat de verdachte met een wapen zou hebben bedreigd vindt zijn weerlegging in de verklaringen van getuigen [betrokkene 1] en [getuige 1] .

De tapgesprekken in het procesdossier, waarin familieleden met elkaar bespreken hoe het voorval zou zijn verlopen, zijn van personen die geen van allen bij het incident aanwezig zijn geweest. Uit die tapgesprekken komt juist naar voren dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij twee personen in shishalounge [naam shishalounge] knock-out zou hebben geslagen, hetgeen niet te rijmen is met zijn eigen verklaring. Een en ander kan niet ten bezware van de verdachte werken, aldus de raadsman.

Voorts staan de door de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen van de overige in de shishalounge aanwezige personen haaks op de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Die getuigenverklaringen zijn bovendien ontlastend voor de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op donderdag 7 februari 2019, in de nachtelijke uren kort na middernacht, op enig moment een ruzie is ontstaan in shishalounge [naam shishalounge] te Eindhoven, waarbij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de verdachte waren betrokken. Toen de politie aldaar ter plaatse kwam, werd waargenomen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel hadden. Er werd onder meer gezien dat er bloed over het gezicht van [slachtoffer 2] glinsterde en dat hij diverse wondjes in zijn gezicht had. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat [slachtoffer 2] zwellingen in zijn gezicht had en er bloed uit zijn rechteroor kwam.

Op donderdag 7 februari 2019 omstreeks 12.25 uur brachten verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] een bezoek aan huize [achternaam slachtoffer 2] , alwaar zij spraken met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Bij die gelegenheid zagen voornoemde verbalisanten dat [slachtoffer 2] een gezwollen jukbeen had onder zijn linkeroog.

Over de toedracht van het voorval is het volgende gebleken. De verdachte zou tegen [slachtoffer 1] in de shishalounge een opmerking hebben gemaakt in de trant van dat zij ‘lekker was’. Die opmerking viel bij [slachtoffer 1] niet in goede aarde. Daarop is kennelijk een woordenwisseling ontstaan met de verdachte en op enig moment voelde [slachtoffer 2] aan dat het helemaal fout zou lopen. Daarom zei hij tegen [slachtoffer 1] dat zij zijn zus [zus slachtoffer 2] moest bellen. Dat werd haar door medeverdachte [medeverdachte] belet, althans de telefoonoproep werd wel door [zus slachtoffer 2] ‘beantwoord’ maar tot een gesprek is het niet gekomen, waarna [medeverdachte] op de neus van [slachtoffer 1] sloeg. [slachtoffer 2] sprong daarop op om haar te helpen, maar werd direct door meerdere personen gepakt, geslagen en/of geschopt.

Het hof stelt vast dat deze aan het uitgeoefende geweld voorafgaande feitelijke gang van zaken, zoals die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is beschreven in hun tot het bewijs gebezigde verklaringen, steun vindt in de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , alsook in de 112-melding van [zus slachtoffer 2] . Daaruit komt immers naar voren dat deze [zus slachtoffer 2] een telefoontje kreeg van [slachtoffer 1] en zij alleen maar ‘au, au, au’ hoorde, waarna de telefoon uitging en er geen contact meer te krijgen was. Ook de vriendin van de verdachte bevestigt deze gang van zaken, dat er ruzie was op het moment dat [slachtoffer 1] contact zocht met [zus slachtoffer 2] . Om die reden acht het hof, anders dan de verdediging, de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het enkele feit dat in de verklaringen op bepaalde (ondergeschikte) punten tegenstrijdigheden voorkomen, doet daar niet aan af.

Om voormeld hoofdletsel bij [slachtoffer 2] te bewerkstelligen moet naar het oordeel van het hof meermaals met kracht tegen zijn hoofd zijn geslagen en/of geschopt. Door aldus tegen het hoofd te slaan en/of schoppen, in de nabijheid van één of meer van de vitale onderdelen van de ogen en hersenen, hebben de daders zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Gelet op de aard van genoemde gedragingen, die zozeer gericht zijn op het toebrengen van pijn en/of zwaar lichamelijk letsel aan een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, kan het – bij gebreke van contra-indicaties – naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de daders die aanmerkelijke kans ook hebben aanvaard.

De vervolgvraag is welke rol de verdachte heeft gehad bij het tegen [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld. Het hof overweegt in dat verband als volgt.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] komt naar voren dat de verdachte heeft gezegd dat de tanden uit het gezicht van [slachtoffer 2] moesten worden geslagen of geschopt. Daarna is door meerdere in de shishalounge aanwezige personen dergelijk geweld op [slachtoffer 2] toegepast. Verdachte zei wat de anderen bij [slachtoffer 2] moesten doen en zij gaven daar gehoor aan.


Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus opdracht gegeven om [slachtoffer 2] meermalen te slaan en/of schoppen, waarmee de verdachte, mede gelet op de gelijktijdigheid van de daaropvolgende geweldshandelingen jegens [slachtoffer 2] , naar ’s hofs oordeel een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van de poging tot zware mishandeling. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van die poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Het hof kent in dat verband tevens betekenis toe aan de omstandigheid dat op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte zich heeft gedistantieerd van het jegens [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld, noch dat hij dat geweld heeft proberen te voorkomen en/of te doen stoppen.

De ten faveure van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde en door de raadsman bij pleidooi aangehaalde getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [medeverdachte] en [getuige 5] , die allen hebben verklaard de verdachte niet te hebben zien slaan, is met het voorgaande niet onverenigbaar. Het hof merkt in dat verband nog ten overvloede op dat het weinig waarde hecht aan de door deze personen afgelegde getuigenverklaringen, nu het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat deze verklaringen zijn ingegeven door enige mate van subjectiviteit, aangezien deze getuigen allen vrienden van de verdachte betreffen. En daar komt nog bij dat door meerdere aanwezigen in de shishalounge geweld is gebruikt, maar de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van deze getuigen geen opheldering verschaffen omtrent de identiteit van die personen.

Met betrekking tot het tenlastegelegde gebruik van vuurwapens overweegt het hof het volgende. Op enig moment had de verdachte volgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een vuurwapen op [slachtoffer 2] gericht. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte zei dat hij hem kapot zou maken. Over het dreigen met een wapen verklaarde [slachtoffer 2] niet alleen na verloop van tijd, maar ook reeds zeer kort nadat het incident had plaatsgevonden. Toen de politie ter plaatse was heeft [slachtoffer 2] immers al meteen tegen verbalisant [verbalisant 3] gezegd dat hij was bedreigd met een vuurwapen. Dit heeft hij nadien in alle gesprekken met de politie herhaald en dito zijn de vuurwapens bij de rechter-commissaris ter sprake gekomen.
[slachtoffer 2] moest – naar eigen zeggen – op zijn knieën en onder bedreiging van een vuurwapen van verdachte zeggen dat verdachte de grootste was. Dat er een vuurwapen op [slachtoffer 2] gericht is geweest, waardoor [slachtoffer 2] geen kant op kon, volgt eveneens uit de inhoud van de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken, waaraan hij heeft deelgenomen. Hij kreeg meteen dat ding (het hof begrijpt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) op zich gericht en op dat moment kon hij niets. Hij was bang dat hij per ongeluk zou duwen (het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] bang was dat het op hem gerichte vuurwapen – per ongeluk – zou afgaan). Ook uit tapgesprekken van derden blijkt dat [slachtoffer 2] over vuurwapens heeft verklaard. Evenwel niet alleen [slachtoffer 2] werd door middel van een vuurwapen belet dat hij iets kon doen, datzelfde gold in ieder geval ook voor [slachtoffer 1] . Ook zij moest op een stoel gaan zitten en er stond een jongen naast haar, met een pistool. Volgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werden in de shishalounge drie vuurwapens gehanteerd, waarvan een door de verdachte op [slachtoffer 2] werd gericht en een door een ander op – in ieder geval – [slachtoffer 1] .

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de vuurwapens eveneens betrouwbaar en allesbehalve tegenstrijdig. Aan die betrouwbaarheid doet ook allerminst af dat de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen van anderen de verdachte niet belasten. Op basis van voormelde bewijsmiddelen staat immers vast dat de verdachte niet alleen heeft gehandeld bij deze feiten, terwijl zijn medeplegers zich die bewuste nacht moeten hebben bevonden onder de overige aanwezigen in de shishalounge en meerdere aanwezigen op verzoek van de verdediging als getuigen zijn gehoord. Dat deze getuigen zichzelf zouden kunnen belasten is een omstandigheid waarmee het hof rekening houdt bij de waardering van de door hen afgelegde verklaringen. Daar komt nog bij dat het hof evenzo rekening houdt met het gegeven dat het politieonderzoek een sfeer ademt van vrees voor (represailles vanuit) de verdachte (en/of zijn mededaders) in geval tegen hem (en/of hen) wordt verklaard. Dit alles in combinatie met het feit dat die getuigen ook nog eens vrienden, familie, werknemer(s) en/of overige slachtoffer(s) van de verdachte betreffen, leidt het hof tot de nodige behoedzaamheid bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

Het hof heeft geen enkele aanleiding dat dit ook zou moeten gelden voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , daar hun terughoudendheid voor wat betreft het belasten moet worden bezien tegen de achtergrond van hun vrees en verwachting dat zij daarbij geen bijval hoefden te verwachten, voortkomend uit eenzelfde vrees (als zij ervoeren) voor hun opponenten in de shishalounge. Daarin past dat [slachtoffer 2] geen aangifte heeft willen doen en dat hij bij de rechter-commissaris te kennen heeft gegeven dat hij niet als getuige had willen verschijnen.

De omstandigheid dat naderhand in de auto van de verdachte door de politie geen vuurwapens zijn aangetroffen, waarop de verdediging in dit verband heeft gewezen, dwingt niet tot een ander oordeel.

Dat vanaf het moment dat werd voorkomen dat [slachtoffer 1] telefonisch hulp kon inroepen de rolluiken gesloten waren en de deur afgesloten is geweest, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook op die wijze werd belet de shishalounge te verlaten, volgt eveneens genoegzaam uit de bewijsmiddelen. De verdachte, die als bedrijfsleider c.q. verantwoordelijke van de shishalounge aanwezig was, heeft daarover de zeggenschap gehad. Uit het procesdossier komt voorts naar voren dat de verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij en [slachtoffer 1] de shishalounge pas mochten verlaten als zij € 50.000,00 zouden betalen. Hieruit volgt dat de verdachte ook op dat moment nog steeds de touwtjes in handen had. Onder zijn zeggenschap werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen hun wil in de shishalounge vastgehouden door de verdachte en zijn kompanen. Hij bepaalde wat er gebeurde. Al dan niet stilzwijgend werd uitvoering gegeven aan zijn wil. Hij vervulde een prominente en substantiële rol. Het was ‘zijn’ shishalounge en hij maakte uit wie het pand in of uit mocht. Zelfs toen de politie ter plaatse kwam lukte het de verdachte niet van die rol los te komen. Ook bij deze vrijheidsberoving heeft hij de rol van medepleger vervult. Hij heeft actief deelgenomen. Hij was degene die polshoogte ging nemen toen onverwachts het gealarmeerde zusje van [slachtoffer 2] haar opwachting maakte bij de gesloten shishalounge, om haar vervolgens in dreigende taal de deur te wijzen. En hij was degene die het hoogste woord had toen binnen enkele minuten daarna de politie ter plaatse verscheen, terwijl zijn medeplegers zwegen als het graf. En hij was ook degene die in die nacht [slachtoffer 2] bij het verlaten van het ziekenhuis opnieuw heeft benaderd, telefonisch via zijn vriendin, om hem opnieuw te bedreigen.

Het voorgaande laat naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de verdachte en zijn mededaders wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd zijn geweest en gehouden. Hoewel uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat deze situatie geen uren heeft voortgeduurd, maar eerder sprake zal zijn van enkele tientallen minuten, is daaraan geen einde gekomen door toedoen van de verdachte of zijn medeverdachten. Louter het dappere optreden van het zusje van [slachtoffer 2] , die hevig verontrust was door de berichten en het alarmerende telefoontje van [slachtoffer 1] en het aantreffen van een afgesloten shishalounge, terwijl zij wist dat haar broer en zijn vriendin daar binnen waren, heeft erger kunnen doen voorkomen. Zij heeft zich door de verdachte niet laten weerhouden om de politie in te seinen teneinde haar broer en zijn vriendin te kunnen bevrijden.

Aldus falen de verweren. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat/die bewezenverklaarde feit(en), waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het onder feit 2 primair tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, het medeplegen van het meermalen plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en een bedreiging. De verdachte heeft op 7 februari 2019 in shishalounge [naam shishalounge] te Eindhoven opdracht gegeven om het slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen. Hierdoor heeft het slachtoffer flinke zwellingen en wonden in zijn gezicht en bij zijn oor opgelopen. Daarmee hebben de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer ernstig in zijn lichamelijke integriteit aangetast. De omstandigheid dat het slachtoffer geen blijvend letsel heeft opgelopen, is geenszins aan de verdachte en zijn mededaders te danken. Ook heeft de verdachte een vuurwapen op het slachtoffer gericht en hem gezegd dat hij hem kapot zou maken. Het slachtoffer heeft daardoor een angstig moment beleefd. De verdachte heeft voorts op een aantal manieren samen met zijn mededaders belet dat het slachtoffer en zijn vriendin de shishalounge konden verlaten. Ook daar zijn op vuurwapens gelijkende voorwerpen aan te pas gekomen, waardoor zij klem zaten en geen kant op konden. Door zo te handelen zijn zij wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard en daarbij een leidende rol heeft vervuld.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevinden zich tevens veroordelingen ter zake van geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thuiskapper is, een relatie heeft en binnenkort een nieuwe huurwoning krijgt toegewezen. Uit het voortgangsbericht van de reclassering inzake het toezicht uit hoofde van de schorsingsvoorwaarden d.d. 16 oktober 2020 komt naar voren dat de verdachte zijn afspraken is nagekomen en zich niet onttrekt aan de eerder aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden bijzondere voorwaarden. Anders dan in het reclasseringsadvies d.d. 13 maart 2020 is geconcludeerd ziet de toezichthouder geen concrete aanwijzingen die wijzen op een hoog recidiverisico.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het justitieel verleden van de verdachte, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij heeft het hof tevens gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van (poging tot) zware mishandeling en bedreiging met een vuurwapen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden, zulks ondanks het feit dat het hof minder feiten bewezen acht dan de rechtbank en advocaat-generaal.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van dit hof van 20 oktober 2020 onder voorwaarden geschorst tot aan het moment waarop het hof in de onderhavige zaak eindarrest zal wijzen. Dat moment, dat zich heden voordoet, leidt ertoe dat de voorlopige hechtenis van rechtswege herleeft. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat een schorsing van de voorlopige hechtenis zich niet langer met de strafoplegging verhoudt. Het hof is van oordeel dat de belangen van de verdachte thans niet langer zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen, zodat het hof niet opnieuw het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis zal schorsen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 8.557,06, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op een bedrag van € 356,67 aan kosten voor het eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst (post I), een bedrag van € 362,59 aan verlies van arbeidsvermogen (post II), een bedrag van € 337,80 als vergoeding van een verloren halsketting (post III) en een bedrag van € 7.500,00 aan smartengeld (post IV).

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het bedrag van € 3.362,95 euro en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2019 voor wat betreft het materiële deel aan schadevergoeding (post II) en vanaf 7 februari 2019 voor wat betreft het immateriële deel aan schadevergoeding (€ 3.000,00 van post IV), telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de verdachte samen met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van € 362,59 (post II). De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.


De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman van de verdachte heeft, in verband met de bepleite vrijspraak, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

Het hof overweegt als volgt.

Aangezien aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde materiële schadeposten I, II en III veroorzaakt zouden zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre niet in haar vordering worden ontvangen. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij ingevolge het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de gevorderde schadeposten I, II en III ad € 1.057,06 niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade (post IV) overweegt het hof het volgende.

Dergelijke schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht.

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat daarvan sprake is. De benadeelde partij heeft in dit verband immers gesteld door de gebeurtenissen in de shishalounge ernstig te zijn beschadigd in haar emotioneel, psychologisch, maatschappelijk en sociaal functioneren. Zij is erg angstig geworden, vermijdt bepaalde plekken en wil niet meer alleen zijn. De benadeelde partij heeft voorts gesteld dat de dreiging en agressie gedurende het incident dusdanig extreem was, dat zij dacht niet meer levend uit de situatie te komen. Sinds het voorval is zij erg prikkelbaar en is zij sneller geïrriteerd. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van wederrechtelijke vrijheidsberoving, zeker indien die onder de omstandigheden als de onderhavige is gepleegd, daarvan nog gedurende geruime tijd psychische klachten kunnen ondervinden.

Aldus is het hof van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof begroot deze door de verdachte veroorzaakte immateriële schade (post IV), op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,00. Bijgevolg zal het meer of anders gevorderde met betrekking tot deze schadepost worden afgewezen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 2.500,00 zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2019, zijnde de datum delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 182 dagen, voorwaardelijk opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2017 onder parketnummer 01-880729-15. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 45, 47, 57, 63, 282, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

verstaat dat de voorlopige hechtenis van de verdachte thans van rechtswege herleeft;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde tot het bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die betrekking heeft op een bedrag van € 1.057,06;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2017, gewezen onder parketnummer 01-880729-15, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 182 (honderdtweeëntachtig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 3 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.