Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3416

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
20-002972-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 7 februari 2019 in een shishalounge te Eindhoven het slachtoffer met kracht tegen de neus geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer een neusfractuur met forse scheefstand en flinke zwellingen in haar gezicht opgelopen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest en wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-002972-19

Uitspraak : 3 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 23 september 2019 in de strafzaak met parketnummer 01-865021-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1990,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Limburg-Zuid –

gevangenis ‘De Geerhorst’ te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 2 primair en subsidiair aan hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft het onder feit 1 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van poging tot zware mishandeling’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot het bedrag van € 2.719,26 en vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschermde vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde, het bestreden vonnis voor het overige zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest en de vordering van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het deel aan materiële schadevergoeding zal toewijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en voor wat betreft het immateriële deel aan schadevergoeding hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 2.000,00, welke toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering. Voorts is bij requisitoir gevorderd de schorsing van het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis bij arrest op te heffen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is geconcludeerd tot matiging van het toe te wijzen bedrag, alsmede tot niet-ontvankelijk-verklaring van de benadeelde partij in de gevorderde schadeposten die zien op zorgkosten en een verloren halsketting.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, althans het medeplegen van de mishandeling, van [slachtoffer 2] , zoals onder feit 2 primair respectievelijk feit 2 subsidiair aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste is gelegd.

Tegen het vonnis is bij appelakte op 24 september 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen de neus en/of het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestompt/geslagen en/of getrapt en/of aan de haren van voornoemde [slachtoffer 1] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen de neus en/of het gezicht te slaan/stompen en/of schoppen en/of aan de haren te trekken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 7 februari 2019 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen de neus van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, proces-verbaalnummer 20190308.1058.20075, in het onderzoek ‘Runnels’, gesloten d.d. 16 april 2019, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-212.

1.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2019, dossierpagina’s 36-39, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op donderdag 7 februari 2019, op of omstreeks 01.14 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 2] , vergezeld door brigadier [verbalisant 3] , belast met de uitoefening van de algemene politietaak als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012.

Door de regionale politiemeldkamer werden wij gestuurd naar de [adres] te Eindhoven alwaar een ruzie gaande zou zijn. Op deze locatie zou een shishalounge met de naam [naam shishalounge] gevestigd zijn. De meldster zou mensen binnen horen schreeuwen. De rolluiken zouden gesloten zijn en de deur zou op slot zitten. Er zouden circa 10 mensen binnen zijn en er zou gevochten worden. De broer van meldster alsook zijn vriendin zouden toegetakeld zijn.

Aangekomen op genoemde locatie stopten wij direct voor de deur van het pand aan de [straatnaam] . Ik stapte uit en zag ongeveer 6 mannen voor de deur van de shishalounge staan. Ik hoorde de later volledig te noemen [medeverdachte] zeggen dat er niets aan de hand was. Ik hoorde hem met verheven stem zeggen dat hij daar de baas was. Hij was de eigenaar en de shishalounge was van hem.

Ik vorderde van een van de mannen zijn identiteitsbewijs. Hij identificeerde zich middels een Nederlandse ID-kaart als [verdachte] van [geboortedatum verdachte] . Hij droeg een lichtgrijs trainingspak.

We werden door de meldkamer opgeroepen en gestuurd naar het hoofdbureau van politie aan de Mathildelaan. Daar zou de meldster van dit alles staan en deze zou doodsbang zijn. Terwijl we op weg waren belde ik haar en hoorde dat ze inmiddels naar het ziekenhuis was gereden. Door ons werd aangenomen dat dit het Catharina Ziekenhuis betrof. We zijn naar het ziekenhuis gereden en aangekomen bij de EHBO kwamen twee dames naar buiten gelopen. Ik kende ze niet maar het bleken de meldster, [zus slachtoffer 2] , en een vriendin van haar, [vriendin] , te betreffen. Wij lieten ze achterin stappen.

[zus slachtoffer 2] vertelde dat ze die avond thuis was in Valkenswaard. [vriendin] was daar op bezoek. Ik begreep uit het verhaal dat [vriendin] op een gegeven moment een berichtje op haar telefoon kreeg van haar vriendin [slachtoffer 1] . Die zou binnen zitten in de shishalounge en zou in dat bericht hebben gezegd dat zij ruzie had met [medeverdachte] . [zus slachtoffer 2] vertelde dat zij eigenlijk geen contact had met [slachtoffer 1] . Maar toen [slachtoffer 1] later naar haar belde nam [zus slachtoffer 2] toch op omdat ze dus had begrepen dat er ruzie was. Ze vertelde dat ze opnam en er niet teruggesproken werd. Maar toen ze goed luisterde hoorde ze op de achtergrond ‘auw, auw geroep’, zoals ze dat zelf omschreef. [zus slachtoffer 2] vervolgde door te zeggen dat ze daarop direct in de auto is gesprongen en als een bezetene naar Eindhoven is gereden. Aangekomen bij de shishalounge zag ze dat de rolluiken gesloten waren. Ze nam aan dat haar broer en zijn vriendin binnen zaten. Ze zou met een knuppel op het raam of de rolluik hebben geslagen, dat werd mij niet duidelijk.
[medeverdachte] zou op enig moment naar buiten hebben gekeken en haar hebben gezegd op te rotten. Toen hoorde ze haar broer [slachtoffer 2] van binnenuit roepen dat ze weg moest gaan. Toen zouden wij gebeld zijn en kwamen wij daar en konden haar broer en [slachtoffer 1] weg. Ze zouden beiden flink toegetakeld zijn en nu behandeld worden in het ziekenhuis. Wij hebben beiden weer laten uitstappen en zijn met vervolg gegaan.

Later die dag, omstreeks 04.00 uur, belde [vriendin] naar de meldkamer dat ze bang was. [medeverdachte] was bij het ziekenhuis geweest. We zijn naar het ziekenhuis gereden. Ik ben uitgestapt en sprak bij de EHBO buiten [vriendin] . Terwijl we in gesprek waren kwam [zus slachtoffer 2] aanlopen en kort daarna kwamen haar broer [slachtoffer 2] en zijn vriendin [slachtoffer 1] erbij staan. Ik herkende [slachtoffer 2] als de man die ik met verwondingen had zien staan voor de deur van de shishalounge. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] diverse wonden hadden in het gezicht en op het hoofd. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer 1] op diverse plaatsen opgezwollen was en haar neus leek scheef te staan.
Beiden vertelden mij dat ze in de shishalounge hadden gezeten die avond/nacht en ze wat zaten te roken. Toen zou [medeverdachte] op een gegeven moment tegen [slachtoffer 1] hebben gezegd dat ze een lekker wijf was, of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] vertelde dat ze dat niet normaal vond en dat ze dat liet merken en horen aan [medeverdachte] . Hierop ontstond er ruzie waarbij zij van diverse mannen klappen kreeg.

2.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2019, dossierpagina’s 40-42, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op donderdag 7 februari 2019 was ik, verbalisant, in uniform gekleed en reed in een opvallend dienstvoertuig. Ik reed samen met collega [verbalisant 2] en wij waren belast met de directe noodhulp van de afdeling Eindhoven-Noord. Diezelfde dag, omstreeks 01.15 uur, bevonden wij ons in het centrum van Eindhoven. Op dat moment kregen wij een melding van de regionale meldkamer dat er bij de shishalounge [naam shishalounge] een ruzie zou zijn. De rolluiken zouden dicht zijn, maar de ruzie zou in het pand plaatsvinden. Het is mij ambtshalve bekend dat de shishalounge [naam shishalounge] gelegen is aan de [straatnaam] te Eindhoven. Hierop zijn wij met spoed naar de genoemde locatie gereden.

Daar aangekomen zag ik een aantal personen voor de ingang van de shishalounge staan. Ik zag een getinte jongeman staan welke gekleed was in een zwart bomberjack, blauwe spijkerbroek en zwarte schoenen. Ik zag dat deze jongeman letsel had. Ik zag dat hij zwellingen in zijn gezicht had en ik zag dat er bloed uit zijn rechteroor kwam. (…) Ik vroeg hem hierop zijn naam en hoorde dat hij opgaf te zijn genaamd [slachtoffer 2] . Ik heb hem hierop verteld dat hij naar het ziekenhuis kon gaan en dat wij later nog wel zouden komen om zijn verhaal aan te horen. Op dat moment zag ik dat er een jongedame bij hem kwam staan. Ik zag dat ook haar gezicht gezwollen was. Ik zag dat zij uit haar neus bloedde. Ik zag dat dit opgedroogd bloed betrof.

3.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019, dossierpagina’s 56-59, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op donderdag 7 februari 2019 was ik, verbalisant [verbalisant 4] , belast met het beluisteren van audiofragmenten afkomstig van het operationeel centrum Oost-Brabant. Deze werden veiliggesteld naar aanleiding van een gepleegde zware mishandeling aan de [adres] te Eindhoven. De inhoud betreft de binnengekomen meldingen bij het OC.

FRAGMENT 2 (passages)
In de start van het fragment geeft de vrouwelijke meldster als locatie van het noodgeval aan: de [naam shishalounge] lounge aan de [straatnaam] .

- “Op de hoek bij de Bristol, daar zit een shishalounge. Daar zijn ze nu mijn broer en zijn vriendin helemaal kapot aan het slaan met de deuren op slot.”
- “Die wordt daar zwaar mishandeld door 8 man minimaal.”
- “Ze deden net de rolluiken open en toen kon ik ze zien maar mijn broer heeft een dik oog en zijn vriendin ook.”
(…)
- “De eigenaar heet [medeverdachte] .”
- “Die heeft zeg maar de rolluik omhoog gedaan en tegen mij gezegd dat ik op moest rotten en toen zag ik dat mijn broer helemaal een blauw oog had en heel zijn gezicht zat onder het bloed en zijn vriendin ook. En ze belde me net en ik hoorde alleen maar schreeuwen.”

Als de centralist vraagt waarom dit allemaal gebeurd en of meldster enig idee heeft:
- “Ik heb echt geen idee, ik weet alleen mijn broer zat daar gewoon gezellig met zijn vriendin, samen met de eigenaar en toen hoorde ik zeg maar van een andere vriendin dat ze een beetje woorden kregen. En het enigste wat ik daarna, een telefoontje van zijn vriendin die daar dus zat met hem en ik hoorde alleen maar “au, au au”, en toen ging de telefoon uit en ik kon ze niet meer bereiken dus ik ben er meteen plankgas heen gereden en toen zag ik dat zijn gezicht helemaal onder het bloed zat en ze hebben de rolluiken dicht gedaan.”

Daarna geeft de centralist aan dat de politie van twee kanten komt aanrijden en vraagt nog wat de naam van de meldster betreft. De meldster antwoordt hierop met: [zus slachtoffer 2] .

4.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019, dossierpagina’s 61-65, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , belast met het onderzoek naar de toedracht van de mishandeling hadden op donderdag 7 februari 2019, omstreeks 12.25 uur persoonlijk contact met de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Wij, verbalisanten, gekleed in burger, kregen na ons gelegitimeerd te hebben als ambtenaren van politie, toestemming om de woning gelegen aan de [woonadres slachtoffer 2] te betreden.

Wij, verbalisanten, (…) hoorden haar (hof: de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 2] ) [bijnaam slachtoffer 2] (hof: de bijnaam van het slachtoffer [slachtoffer 2] ) roepen met haar hoofd in de richting van de trap naar de eerste verdieping. Hierop zagen wij een vrouw en een man de trap af komen lopen welke ons een hand gaven en zich voorstelden als [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . Wij, verbalisanten, zagen dat de beide slachtoffers zichtbaar letsel hadden in het gelaat. Wij zagen dat de neus van [slachtoffer 1] helemaal scheef in het gezicht stond. Ik, verbalisant [verbalisant 5] , vroeg haar wat er met haar neus gebeurd was. Wij, verbalisanten, hoorden dat ze zei dat deze gebroken was en dat de zwellingen eerst weg moesten zijn voordat de neus weer recht gezet kon worden. Ook zagen wij dat het linkeroog van [slachtoffer 1] helemaal opgezet en blauw was, hetgeen afweek van haar rechteroog, dat meer een normaal voorkomen had.

Wij hoorden dat [bijnaam slachtoffer 2] vertelde dat hij die avond met [slachtoffer 1] naar de shishalounge was gegaan, wat hij wel vaker deed. Het kwam er in het kort op neer dat hij daar die avond met [slachtoffer 1] binnen zat, dat zij samen met [betrokkene 1] naar de [naam shishalounge] waren gegaan. Dat [medeverdachte] daar als eigenaar aanwezig was en dat [medeverdachte] gedronken had en op dat moment aan de bar ballonnetjes zat te doen. Wij hoorden dat [bijnaam slachtoffer 2] verklaarde dat de rolluiken van de [naam shishalounge] gesloten werden en (…) dat hij zag dat [slachtoffer 1] werd geslagen en dat hij haar kwam helpen maar meteen werd gepakt en geslagen door andere aanwezigen, allemaal vrienden van [medeverdachte] .

Wij, verbalisanten, zagen dat [slachtoffer 1] zich afzijdig hield van het gesprek. Wij zagen dat ze zat te bibberen van schrik. Wij zagen dat haar armen en benen trilden toen ze op de bank zat en werd aangesproken. Wij hoorden dat [slachtoffer 1] zei dat ze vanuit het niets werd geslagen door [medeverdachte] . Later in het gesprek vertelde ze dat ze de eerste klap kreeg toen ze haar telefoon pakte en de zus van [bijnaam slachtoffer 2] belde. Bij de eerste klap wilde [slachtoffer 1] [medeverdachte] terugslaan. Voordat ze [medeverdachte] kon terugslaan werd ze door iemand anders van achteren tegen haar hoofd geslagen. [slachtoffer 1] zei dat [fonetische naam verdachte] (fonetisch) haar had geslagen. Ze kende zijn naam niet. Het was wel een lange man geweest.

5.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2019, dossierpagina’s 82-85, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] :

Naar aanleiding van dit incident vond er op zaterdag 8 (hof begrijpt: 9) februari 2019 in de vroege ochtend een aanhouding plaats van de genoemde [medeverdachte] . Naar aanleiding van deze aanhouding waren wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] , op zaterdag 9 februari 2019 wederom naar het adres [woonadres slachtoffer 2] gegaan om aan de beide slachtoffers te vragen of zij inmiddels wel bereid waren aangifte te doen. Op het genoemde adres troffen wij [moeder slachtoffer 2] welke ons toestemming gaf de woning te betreden. Wij hoorden [moeder slachtoffer 2] (het hof begrijpt dat bedoeld zal zijn: [slachtoffer 2] ), welke in dit proces-verbaal verder omschreven zal worden als [bijnaam slachtoffer 2] , zeggen dat hij inmiddels via de sociale media vernomen had dat [medeverdachte] vannacht aangehouden was en dat [slachtoffer 1] bij haar moeder was.


Wij verbalisanten bemerkten dat hij nu wel meer over het incident wilde praten.
(…) volgens [bijnaam slachtoffer 2] zou hij tegen [slachtoffer 1] gezegd hebben dat zij zijn zus [zus slachtoffer 2] (hof: [zus slachtoffer 2] ) moest bellen om te zeggen waar ze waren, want hij voelde aan dat het helemaal fout zou gaan lopen. Daarop zag hij dat [slachtoffer 1] in haar gezicht werd geslagen door [verdachte] , die hij bij naam kende.
Op zaterdag 9 februari 2019, omstreeks 12.50 uur, spraken wij [slachtoffer 1] in haar ouderlijke woning (…). Dat er wel 10 tot 15 vrienden van [medeverdachte] binnen zaten inmiddels en dat ze op een gegeven moment de zus van [bijnaam slachtoffer 2] moest bellen van [bijnaam slachtoffer 2] . Dat ze hierop door [medeverdachte] werd geslagen en toen ze terug wilde slaan ineens door een lange jongen die ze [fonetische naam verdachte] (fon) noemde vol in het gezicht werd geslagen waardoor ze haar neus had gebroken. Wij, verbalisanten, zagen dat de zwellingen en de blauwe plekken inmiddels rond beide ogen waren gaan zitten.

6.
Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2019, dossierpagina’s 88-91, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :

Vraag verbalisanten: Wij hebben begrepen dat je aangifte wil doen naar aanleiding van een incident dat zich heeft afgespeeld in de nacht van woensdag 6 februari op donderdag 7 februari 2019 in de [naam shishalounge] lounge in Eindhoven.

Antwoord aangeefster: Ik was met [bijnaam slachtoffer 2] en [betrokkene 1] woensdag om ongeveer 22.00 uur naar [naam shishalounge] gegaan. (…) Om ongeveer 23.30 uur à 23.45 uur was de zaak leeg en zei [medeverdachte] : “kom bij ons zitten”. [medeverdachte] zat met tien à vijftien personen ballonnen te doen. Wij gingen erbij zitten. (…) Op een gegeven moment sloeg de sfeer om. [medeverdachte] zei tegen mij: “ [slachtoffer 1] , je bent echt lekker”. Ik zei tegen hem: “Wat zeg je?”. Hij zei nogmaals: “ [slachtoffer 1] , je bent echt lekker”. Ik keek vervolgens naar [bijnaam slachtoffer 2] met een blik van dit is echt respectloos met mijn vriend erbij. [bijnaam slachtoffer 2] bleef rustig. Maar [medeverdachte] bleef erop in gaan en terug komen. Ik bedoel dat [medeverdachte] ruzie bleef zoeken. [medeverdachte] zei dingen als jouw vriendinnen en hun familie kunnen mij niks maken, ik ben de baas van Eindhoven. [medeverdachte] bleef maar zeggen dat hij de baas van Eindhoven was. Op een gegeven moment zeiden we dat we naar huis gingen. Ik en [bijnaam slachtoffer 2] liepen naar buiten. [betrokkene 1] werd tegengehouden en kon dus niet naar buiten. [bijnaam slachtoffer 2] en ik zijn weer naar binnen gegaan. Toen we binnen waren werd de voordeur op slot gedaan en gingen de rolluiken naar beneden. [medeverdachte] zei tegen [bijnaam slachtoffer 2] : “We gaan het nu uitvechten”.

[medeverdachte] zei dus dat hij het uit wilde vechten. [bijnaam slachtoffer 2] zei: “Er is geen ruzie, dus waarom wil je het uitvechten. Er is niets aan de hand.” [bijnaam slachtoffer 2] zei tegen mij dat ik zijn zus moest bellen, zodat zij wist waar wij waren en kon komen. Ik ging haar dus bellen. De telefoon ging twee keer over en [medeverdachte] riep dat mijn telefoon afgepakt moest worden. Ik draaide wat weg toen [fonetische naam verdachte] (fonetisch) mijn telefoon wilde pakken. Ik kreeg een klap van [fonetische naam verdachte] op mijn neus. Ik wist meteen dat mijn neus gebroken was. Ik voelde dat meteen alles onder het bloed zat van mijn neus. Ik kan in mijn telefoon zien dat ik om 00.57 uur belde en dat het gesprek 23 seconden duurde. Op dat moment voelde ik niets, vanwege de adrenaline. Ik kan [fonetische naam verdachte] als volgt omschrijven:
- Marokkaans
- lang

- grijs trainingspak.


(…) Op dat moment werd er op de deur gebonkt. Ze dachten dat het politie was, want de wapens werden snel schoongemaakt. Wij, [bijnaam slachtoffer 2] en ik, schoten meteen wat in de richting van de deur, zodat ze ons zouden zien. Wij zaten natuurlijk onder het bloed. Het bleek dat het de zus van [bijnaam slachtoffer 2] was. Wij riepen meteen dat ze weg moest gaan en de politie moest bellen.
Tussen de komst van de zus van [bijnaam slachtoffer 2] en de komst van de politie zat ongeveer vijf minuten, de politie was er echt snel.

Noot verbalisant:
Wij zagen dat aangeefster twee blauwe ogen had en dat haar neus zichtbaar scheef stond. Verder verklaarde aangeefster dat zij donderdag 14 februari aan haar neus geopereerd wordt. Ze heeft pijn en moeite met ademen door haar neus.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

7.
Medische informatie betreffende aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 22 februari 2019, dossierpagina 94, voor zover inhoudende de bevindingen van de KNO-arts van het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven betreffende het letselonderzoek op 8 februari 2019:

Omschrijving van het letsel: Neusfractuur met forse scheefstand neus naar rechts. Op 12-2-2019 onder algehele narcose repositie neus.

8.

Proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 11 februari 2019 met fotobijlage 1, dossierpagina’s 95-98, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :

Opmerking verbalisanten: We willen jou twee foto’s laten zien. Kun jij dan zeggen of je die personen herkent en hoe ze heten?
Verklaring aangeefster: Ja.

Opmerking verbalisanten: Dit is foto 1.
Verklaring aangeefster: Dit is [fonetische naam verdachte] , die mij sloeg.

9.
Proces-verbaal van bevindingen tonen foto’s aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 14 februari 2019, dossierpagina 100, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Op zondag 10 februari 2019 toonde ik aangeefster [slachtoffer 1] twee foto’s van twee verschillende personen. Te weten:

Foto 1
Naam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Geboortedatum en –plaats: [geboortedatum verdachte] te Eindhoven

Foto 2
Naam: [achternaam betrokkene 2]
Voornamen: [voornaam betrokkene 2]
Geboortedatum en –plaats: [geboortedatum betrokkene 2] te Eindhoven

10.
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 februari 2019, dossierpagina’s 141-155, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [vriendin/getuige] :

Vraag verbalisanten: Hoe zag jouw avond eruit toen dat incident was? Wanneer was het?
Antwoord getuige: Van woensdag 6 op donderdag 7 februari 2019.

Vraag verbalisanten: Woensdag 6 februari. Je wordt wakker. En dan?
Antwoord getuige: In de avond ben ik naar [betrokkene 3] en [bijnaam zus slachtoffer 2] ( [zus slachtoffer 2] ) geweest. We waren bij [bijnaam zus slachtoffer 2] aan het chillen in Valkenswaard. Toen kreeg [zus slachtoffer 2] een telefoontje van [slachtoffer 1] . Ze hoorde dat er ruzie was. Ik wist dat [slachtoffer 1] in [naam shishalounge] was. Zij stuurde mij eerder dat ze daar was.

Vraag verbalisanten: Met wie was ze daar?
Antwoord getuige: Met [bijnaam slachtoffer 2] en [medeverdachte] . [slachtoffer 1] appte via Snapchat dat ze met [medeverdachte] aan tafel zat. (…) Toen [zus slachtoffer 2] dus gebeld werd, ze hoorde ruziegeluiden. (…) Het belletje was om een uur in de nacht. Ik wist dat [zus slachtoffer 2] naar [naam shishalounge] ging (…). Ik heb [betrokkene 3] aan het einde van de straat afgezet, ik ben weg gereden.

Vraag verbalisanten: Waarheen?
Antwoord getuige: Ik ben nog langs het politiebureau gereden. Ze belden me vanuit het ziekenhuis. Daar waren [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . En [zus slachtoffer 2] was er ook.

Vraag verbalisanten: En toen, in het ziekenhuis? Vertel.
Antwoord getuige: Ik zag [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] , uit een vechtpartij.

11.
Proces-verbaal van bevindingen tap [vriendin] d.d. 14 april 2019, dossierpagina’s 165-174, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Tussen donderdag 7 februari 2019 te 18.06 uur en woensdag 20 maart 2019 21.52 uur werd van telefoonnummer [telefoonnummer 1] de telecommunicatie met een technisch hulpmiddel opgenomen (tappen). Dit telefoonnummer is in gebruik bij [vriendin] , geboren op

9 maart 1996 te Eindhoven. Zij is de vriendin van verdachte [medeverdachte] .

[telefoonnummer 2] – [betrokkene 4]

Maandag 25 februari 2019, 14.58 uur / sessienummer 7499
[vriendin] vertelt wat er allemaal in Eindhoven gebeurd is. Er is in [naam shishalounge] een ruzie geweest tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 1] en [bijnaam slachtoffer 2] . Daarbij heeft een zware mishandeling plaatsgevonden en er zijn wapens bij geweest.
[vriendin] was die avond met [betrokkene 3] bij [bijnaam zus slachtoffer 2] , toen [bijnaam zus slachtoffer 2] gebeld werd dat er een gevecht was. [bijnaam zus slachtoffer 2] ging naar [naam shishalounge] , [vriendin] niet omdat ze er niets mee te maken wilde hebben. Later ging ze naar het ziekenhuis en zag ze [slachtoffer 1] , die er wel heftig uitzag. Haar neus was gebroken en daar is ze ook aan geopereerd.

12.

Proces-verbaal van bevindingen tap [zus slachtoffer 2] d.d. 7 april 2019, dossierpagina’s 201-203, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] :


Tussen vrijdag 15 februari 2019 te 15.24 uur en donderdag 14 maart 2019 te 20.32 uur werd van telefoonnummer [telefoonnummer 3] de telecommunicatie met een technisch hulpmiddel opgenomen (tappen). Dit telefoonnummer is in gebruik bij [zus slachtoffer 2] , de zus van slachtoffer [slachtoffer 2] .

Zaterdag 16 februari 2019, 10.10 uur / sessie 93
NNM9091 vraagt wat hij nou allemaal gehoord heeft, wat er allemaal in [naam shishalounge] gebeurd is. [zus slachtoffer 2] vertelt dat ze [bijnaam slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hadden opgesloten, met tien man helemaal total loss geslagen en ook wapens op hun kop hadden gezet. [slachtoffer 1] haar neus was zo gebroken dat er een operatie nodig is. Ze werd gebeld door [slachtoffer 1] , hoorde au en is direct naar [naam shishalounge] gegaan. Voor de deur zei [medeverdachte] tegen haar ‘jou vermoord ik ook’. Vervolgens sloeg ze met een knuppel een ruit kapot, waarna ze wegrende en de politie belde. Ze zag meerdere mensen binnen staan.


13.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 7 augustus 2019 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch, p. 1-2, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 1] :

U vraagt mij hoe het op dit moment gaat gezien het letsel dat ik had opgelopen. Ik had een gebroken neus. Daaraan ben ik een keer geopereerd en toen is mijn neus rechtgezet. Ik had dikke en blauwe ogen door de gebroken neus, maar verder geen breuken in het gezicht. Ik heb nu geen last meer van het letsel.

U vraagt mij wat ik me kan herinneren van het incident in de lounge. (…) [medeverdachte] gedroeg zich agressief tegen [bijnaam slachtoffer 2] . [bijnaam slachtoffer 2] zei tegen mij: “bel mijn zusje”. Ik ben toen naar de bar gelopen om mijn telefoon te pakken en ik wilde gaan bellen. [voornaam verdachte] stond toen voor mij en zei tegen mij: “telefoon weg” en ook “nu stoppen met bellen”. Dat wilde ik niet. [voornaam verdachte] heeft mij toen geslagen met een gebalde vuist in het gezicht. Daarna was mijn neus gebroken. (…) Dat was nadat anderen hadden geroepen “zij gaat bellen” en ook “pak haar telefoon”. [voornaam verdachte] heeft toen actie ondernomen en mij de klap gegeven.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft naar eigen zeggen een rake klap van [slachtoffer 2] gehad, waarna hij enige tijd buiten kennis is geweest en weinig tot niets van het verdere verloop van de vechtpartij heeft meegekregen. Die lezing vindt in de visie van de verdediging steun in de verklaring van [slachtoffer 2] zelf, alsmede in de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Voorts is door de raadsvrouw betoogd dat alleen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard over geweld dat door de verdachte is uitgeoefend. Hun verklaringen zijn evenwel zo tegenstrijdig, zowel innerlijk als onderling, met name voor wat betreft de vraag welke persoon [slachtoffer 1] zou hebben geslagen, dat deze voor wat betreft de rol van de verdachte niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Daarbij komt dat geen van de door de rechter-commissaris gehoorde getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 3] en [getuige 2] de verdachte hebben zien slaan of hebben verklaard dat hij anderszins betrokken was bij geweld dat jegens [slachtoffer 1] is toegepast.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op donderdag 7 februari 2019, in de nachtelijke uren kort na middernacht, geweld tegen [slachtoffer 1] is uitgeoefend, als gevolg waarvan zij ernstig letsel in de vorm van een neusfractuur met forse scheefstand en flinke zwellingen in haar gezicht heeft opgelopen. Om zulks te bewerkstelligen moet met kracht tegen de neus van dit vrouwelijke slachtoffer zijn geslagen. Het lijkt slechts gelukkig toeval dat het toegebrachte letsel niet permanent van aard is gebleken.

Door zo krachtig tegen de neus te slaan, in de nabijheid van één of meer van de vitale onderdelen van de ogen en hersenen, heeft de dader zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Gelet op de aard van genoemde gedraging, die zozeer gericht is op het toebrengen van pijn en/of zwaar lichamelijk letsel, kan het – bij gebreke van contra-indicaties – naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de dader die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

De kernvraag in deze zaak is of het de verdachte is geweest die aangeefster [slachtoffer 1] tegen de neus heeft geslagen en dit letsel bij haar heeft veroorzaakt. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Op donderdag 7 februari 2019 omstreeks 12.25 uur brachten verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] een bezoek aan huize [achternaam slachtoffer 2] , alwaar zij spraken met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Bij die gelegenheid verklaarde [slachtoffer 1] dat ze een eerste klap kreeg toen ze haar telefoon pakte en de zus van [slachtoffer 2] (hof: [zus slachtoffer 2] ) belde. Voordat [slachtoffer 1] kon terugslaan werd ze door iemand anders van achteren tegen haar hoofd geslagen. Die persoon zou ene ‘ [fonetische naam verdachte] ’ (fonetisch) zijn. [slachtoffer 1] kende zijn naam niet, maar het was een lange man.

Op zaterdag 9 februari 2019 is nogmaals met slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gesproken, ditmaal niet in elkaars aanwezigheid. Tegenover verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7] verklaarde [slachtoffer 2] toen dat hij op enig moment in de shishalounge aanvoelde dat het helemaal fout zou lopen en dat hij daarom tegen [slachtoffer 1] zei dat zij zijn zus [zus slachtoffer 2] moest bellen. Daarop zag [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] in haar gezicht werd geslagen door ‘ [verdachte] ’, die hij bij naam kende.
Op diezelfde dag is [slachtoffer 1] in haar ouderlijk huis gehoord door deze verbalisanten. Zij verklaarde toen eveneens dat ze op een gegeven moment van [slachtoffer 2] zijn zus moest bellen. Vervolgens werd ze allereerst geslagen en toen ze terug wilde slaan, werd zij ineens vol in het gezicht geslagen door een lange jongen die ze fonetisch ‘ [fonetische naam verdachte] ’ noemde, waardoor zij haar neus brak.

Bij gelegenheid van het doen van aangifte door [slachtoffer 1] heeft zij wederom verklaard dat zij van [slachtoffer 2] zijn zus [zus slachtoffer 2] moest bellen. Haar telefoon ging over, zij draaide vervolgens wat weg en ‘ [fonetische naam verdachte] ’ wilde toen haar telefoon pakken. Vervolgens kreeg zij van ‘ [fonetische naam verdachte] ’ een klap op haar neus. [slachtoffer 1] beschrijft deze ‘ [fonetische naam verdachte] ’ als Marokkaan, lang en dat hij een grijs trainingspak droeg. [slachtoffer 1] heeft deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd.

Aan aangeefster [slachtoffer 1] is door de politie een foto van de verdachte getoond, waarop zij hem herkende als de persoon die haar had geslagen.

Het hof stelt voorts vast dat de feitelijke gang van zaken die voorafging aan de aan [slachtoffer 1] gegeven klap op de neus, zoals die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is beschreven in hun tot het bewijs gebezigde verklaringen, steun vindt in de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , alsook in de 112-melding van [zus slachtoffer 2] . Daaruit komt immers naar voren dat deze [zus slachtoffer 2] een telefoontje kreeg van [slachtoffer 1] en zij alleen maar ‘au, au, au’ hoorde, waarna de telefoon uitging en er geen contact meer te krijgen was. Het hof leidt hieruit af dat dit telefoontje is gepleegd en in reactie daarop vervolgens de situatie in de shishalounge volledig is geëscaleerd, te beginnen met het slaan van aangeefster [slachtoffer 1] .

Ten slotte stelt het hof vast dat de verdachte, blijkens het relaas van verbalisant [verbalisant 2] , ten tijde van het incident een lichtgrijs trainingspak droeg, hetgeen overeenkomt met het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de dader.
Anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 1] met kracht tegen haar neus heeft geslagen waardoor een fractuur is ontstaan. De verdachte wordt immers meermaals door [slachtoffer 1] zelf als dader genoemd, zijn naam past bij de aanvankelijk fonetisch opgegeven voornamen van de verdachte, hij wordt door [slachtoffer 1] op een foto van zijn gelaat herkend als degene die heeft geslagen en hij past in het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de dader. Bovendien vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof steun in de overige bewijsmiddelen, meer bepaald in de verklaring van [slachtoffer 2] en de 112-melding van diens zus [zus slachtoffer 2] .

Dat [slachtoffer 2] tegenstrijdig zou hebben verklaard over de rol van verdachte, kan het hof overigens niet volgen. Hij heeft kort na het gebeurde op 9 februari 2019 tegenover de politie de naam ‘ [verdachte] ’ genoemd als degene die [slachtoffer 1] in haar gezicht had geslagen, nadat hem bekend was geworden dat een eerste aanhouding (van medeverdachte [medeverdachte] ) had plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand noch nadien heeft hij een andere naam in dat verband genoemd, zodat van enige tegenstrijdigheid geen sprake is. Ook hij wijst aldus van meet af aan in de richting van de verdachte.

Vast staat evenwel dat [slachtoffer 2] om hem moverende redenen geen aangifte heeft willen doen in verband met het gebeurde op 7 februari 2019 en in het verlengde daarvan leidt het hof uit zijn getuigenverklaring bij de rechter-commissaris op 30 juli 2019 af dat hij ook niet als getuige had willen verklaren. Mede gelet hierop doet het feit dat hij ten overstaan van de rechter-commissaris zijn eerdere uitlatingen bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie niet heeft bevestigd niets af aan de inhoud of aan de betrouwbaarheid daarvan. Temeer niet, omdat hij evenmin een andere dader van het jegens [slachtoffer 1] toegepaste geweld heeft aangewezen.


Het hof gaat dan ook voorbij aan de lezing van de verdachte, inhoudende dat hij door een geïncasseerde klap op de grond lag en weinig tot niets van het verdere verloop van de vechtpartij heeft meegekregen en om die reden – zo begrijpt het hof – zich niet aan het tenlastegelegde schuldig zou kunnen hebben gemaakt. Met name de beweerdelijke omstandigheid dat de verdachte vrijwel de gehele tijd buiten kennis op de grond heeft gelegen vindt naar het oordeel van het hof onvoldoende steun in het procesdossier. Zulks is ook overigens niet aannemelijk geworden, temeer niet nu die lezing van de verdachte strijdig is met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, waaruit juist naar voren komt dat de verdachte de actor van het geweld jegens [slachtoffer 1] is geweest. Om die reden gaat het hof eveneens voorbij aan de ten faveure van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Het hof kan zich in dat verband niet aan de indruk onttrekken dat al hun verklaringen zijn ingegeven door enige mate van subjectiviteit, nu deze op verzoek van de verdediging gehoorde personen allen vrienden van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren.

Dat [slachtoffer 2] overigens dit gedrag van de verdachte jegens zijn vriendin niet over zijn kant zou hebben laten gaan en daarop de verdachte met enig geweld van repliek zou hebben gediend waarna nog meer forse geweldshandelingen in de shishalounge hebben plaatsgevonden, laat al het vorenoverwogene onverlet.

De verdediging heeft nog ten verwere aangevoerd dat [slachtoffer 1] , kort na het incident, bij het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven slechts heeft verklaard dat [medeverdachte] haar had geslagen en dat zij daarbij de verdachte niet heeft genoemd (dossierpagina 41). Het hof stelt daaromtrent vast dat dit niet uitsluit dat de verdachte [slachtoffer 1] vervolgens een gebroken neus heeft geslagen, temeer niet nu uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat [slachtoffer 1] allereerst, toen zij haar telefoon pakte, door [medeverdachte] is geslagen en kort daarna door de verdachte. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is evenwel voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de vuistslag die de verdachte heeft gegeven tot de gebroken neus bij [slachtoffer 1] heeft geleid.

De omstandigheid dat [slachtoffer 1] op 7 februari 2019 heeft verklaard dat zij door iemand anders ‘van achteren werd geslagen’ – waarop de verdediging eveneens heeft gewezen – dwingt evenmin tot een ander bewijsoordeel, nu die opmerking evengoed kan worden geïnterpreteerd als zijnde dat de dader van achteren kwam, waarna deze [slachtoffer 1] tegen de neus c.q. het hoofd sloeg.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 7 februari 2019 in shishalounge [naam shishalounge] te Eindhoven heeft gepoogd aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Aangezien het bewijs ervoor tekortschiet dat de verdachte daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen, meer in het bijzonder medeverdachte [medeverdachte] , zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde medeplegen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 7 februari 2019 in shishalounge [naam shishalounge] te Eindhoven het slachtoffer met kracht tegen de neus geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer een neusfractuur met forse scheefstand en flinke zwellingen in haar gezicht opgelopen. Een operatie onder algehele narcose was nodig om de breuk te reponeren. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer ernstig in haar lichamelijke integriteit aangetast. De omstandigheid dat het slachtoffer geen blijvend letsel heeft opgelopen, is geenszins aan de verdachte te danken. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het lafhartige handelen van de verdachte gericht was tegen een vrouw, die op dat moment werd belet de shishalounge te verlaten. Daarbij heeft zijn gewelddadige gedrag de aanzet gevormd voor de geweldsescalatie die nadien in de shishalounge plaatsvond. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij vanwege zijn huidige detentie niet meer werkt en dat hij een vriendin heeft en een kind van 2 jaar oud.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgehad en het justitieel verleden van de verdachte, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij heeft het hof tevens gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van (poging tot) zware mishandeling.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 8.557,06, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op een bedrag van € 356,67 aan kosten voor het eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst (post I), een bedrag van € 362,59 aan verlies van arbeidsvermogen (post II), een bedrag van € 337,80 als vergoeding van een verloren halsketting (post III) en een bedrag van € 7.500,00 aan smartengeld (post IV).

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het bedrag van € 2.719,26 euro en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2019 voor wat betreft het materiële deel aan schadevergoeding (posten I en II) en vanaf 7 februari 2019 voor wat betreft het immateriële deel aan schadevergoeding (€ 2.000,00 van post IV), telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de verdachte samen met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van € 362,59 (post II). De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsvrouw van de verdachte heeft, ingeval het hof tot een veroordeling mocht komen, verzocht tot matiging van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding. Voorts is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de schadeposten I en III, nu enerzijds de benadeelde partij heeft verzuimd om de gestelde kosten voor het eigen risico beter te onderbouwen na ommekomst van het verzekeringsjaar (post I) en anderzijds niet kan worden vastgesteld dat de halsketting bij de (poging tot zware) mishandeling verloren is gegaan (post III).

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Het hof zal hierna de gevorderde schadeposten successievelijk bespreken.

Het hof stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding, voor zover die ziet op de hiervoor genoemde post II, niet is betwist en ook voldoende is onderbouwd, zodat het bedrag ad € 362,59 aan verlies van arbeidsvermogen voor toewijzing gereed ligt.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde kosten die zij moet maken voor het eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst (post I) voldoende heeft onderbouwd. Uit de schriftelijke toelichting van deze schadepost komt immers naar voren dat de benadeelde partij op 12 februari 2018 aan haar neus is geopereerd in het ziekenhuis en dat daarvoor het restant van het eigen risico volgens productie 3 bij de vordering in rekening zal worden gebracht. De hoogte van dat bedrag volgt genoegzaam uit productie 2 bij de vordering. Mitsdien zal het hof ook deze schadepost ad € 356,67 toewijzen.

Voor wat betreft de gestelde schade van € 337,80, beweerdelijk opgetreden door het verlies van een halsketting tijdens de poging tot zware mishandeling (post III), is het hof van oordeel dat een nader onderzoek naar de omstandigheid of die halsketting daadwerkelijk bij die gelegenheid is verloren een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Derhalve zal het hof de benadeelde partij in die gevorderde schadepost niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade (post IV) overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte het slachtoffer letsel heeft opgelopen, te weten een neusfractuur met forse scheefstand van de neus naar rechts en een ernstig gezwollen en blauw gezicht, die onder algehele narcose operatief is rechtgezet. De benadeelde partij heeft in dit verband gesteld dat zij door die gebeurtenis ernstige hoofdpijn en benauwdheid ondervond, dat zij zich schaamde en gedurende enige tijd niet meer naar buiten durfde te gaan.

Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat daardoor is opgetreden (post IV) valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00. Bijgevolg zal het meer of anders gevorderde met betrekking tot deze schadepost worden afgewezen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 2.219,26 zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Meer specifiek zal de wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding van € 719,26 (posten I en II) om redenen van efficiëntie worden toegewezen vanaf 29 mei 2019, zijnde de datum waarop de vordering is ingediend. De ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding (te weten € 1.500,00, post IV) zal het hof bepalen op 7 februari 2019, zijnde de datum delict.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 2.219,26. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 32 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank ter zake van het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het tegen de verdachte verleende en reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.219,26 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegentien euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 719,26 (zegge: zevenhonderdnegentien euro en zesentwintig cent) als vergoeding van materiële schade en en € 1.500,00 (zegge: duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2019 over het bedrag van € 719,26 en vanaf 7 februari 2019 over het bedrag van € 1.500,00, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die betrekking heeft op een bedrag van € 337,80 en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.219,26 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegentien euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 719,26 (zegge: zevenhonderdnegentien euro en zesentwintig cent) aan materiële schadevergoeding en € 1.500,00 (zegge: duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2019 over het bedrag van € 719,26 en vanaf 7 februari 2019 over het bedrag van € 1.500,00, telkens tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 3 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.