Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
K20/200200
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag tegen het niet vervolgen van beklaagde ter zake van fraude c.q. valsheid in geschrift. Het hof acht, nu tegenover de aangifte van klager, slechts de ontkennende verklaring van beklaagde staat, en gelet op de overige uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van valsheid in geschrift voorhanden om de vervolging van beklaagde te bevelen. Voorts is er naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de vervolging van beklaagde te bevelen ter zake van oplichting. Ter overvloede merkt het hof op dat er wellicht sprake kan zijn van misbruik van omstandigheden of een ander wilsgebrek waardoor de klager een procedure kan starten bij de civiele rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Klachtnummer: K20/200200

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november 2020 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: klager,

over de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tot het niet vervolgen van:

[beklaagde] ,

handelende onder de naam ‘ [beklaagde] ’

wonende c.q. zaak doende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: beklaagde,

wegens fraude (oplichting) c.q. valsheid in geschrift.

De feitelijke gang van zaken.

Op [datum] heeft klager aangifte gedaan van fraude c.q. valsheid in geschrift, gepleegd door beklaagde.

Bij brief van [datum] is namens de officier van justitie aan klager bericht dat beklaagde niet zal worden vervolgd omdat, zakelijk weergegeven, beklaagde ontkent de factuur te hebben gewijzigd nadat klager zijn handtekening had gezet. Omdat er enkel een aangifte en een verklaring van beklaagde liggen, is het een één tegen één verhaal en kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat beklaagde de handelingen heeft verricht zoals door klager in zijn aangifte verklaart.

Hierop heeft klager bij brief van [datum] een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op [datum], met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van [datum] onder toezending van het ambtsbericht aan de hoofdofficier van justitie van [datum], met bijlagen, het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

Op [datum] is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld. Klager is, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft het hof in raadkamer geadviseerd om het beklag af te wijzen.

De beoordeling

I De klacht

Het klaagschrift is met name gericht tegen de beslissing van het openbaar ministerie om beklaagde niet te vervolgen ter zake van valsheid in geschrift gepleegd op [datum] te [plaats] . De verklaring van beklaagde dat klager zijn handtekening onder de nota heeft geplaatst nadat beklaagde een bedrag van EUR 454,65 wegens spiraalkosten had ingevuld is onjuist: beklaagde heeft dit bedrag pas ingevuld nadat klager zijn handtekening had geplaatst voor het terechte (sic) bedrag. De omstandigheid dat beklaagde na afloop van zijn werkzaamheden bij klager de spiraal had schoongemaakt en afgedroogd met een door klager aangereikte handdoek om deze vervolgens weer op te bergen in de trommel biedt steun aan de aangifte, aldus klager. Klager wist dat de spiraal gebruiksklaar was opgeborgen voor een volgend gebruik en zou dus nooit voor het geclaimde bedrag van EUR 454,65 exclusief btw hebben getekend.

II De stukken in het dossier voor zover deze feiten en omstandigheden bevatten die van belang zijn voor de beoordeling van de klacht

i Het proces-verbaal van aangifte van klager d.d. [datum].

ii De kopie van de factuur d.d. [datum] van ’24 uurs service’; de kopie van het betalingsbewijs per pin ad EUR 796,95 en de kopie van het rekeningafschrift van klagers bankrekening met daarop de afschrijving van EUR 796,95 met omschrijving ‘ [beklaagde] ’.

iii Het proces-verbaal van bevindingen d.d. [datum] opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .

iv Kopie van een formulier “Inzien uittreksel” van de Kamer van Koophandel d.d. 5 maart 2020 betreffende [beklaagde] actief.

v Het proces-verbaal van verhoor van beklaagde als verdachte d.d. 10 maart 2020

In zijn aangifte verklaart klager, dan 88 jaar oud, zakelijk weergegeven, dat hij op woensdag [datum] last had van een verstopping in de wastafel en de douche van zijn woning aan de [adres] . Via internet kwam hij uit bij een ontstoppingsbedrijf. Nadat hij gebeld had met het telefoonnummer [telefoonnummer] kwam een man van ongeveer 30 jaar oud, met bruine ogen en bruin haar. De man had onder meer een rode trommel bij zich met daarin een spiraal voor het ontstoppen van de afvoer. Na afloop heeft de man de spiraal schoongemaakt en afgedroogd met een handdoek van klager, waarna de man de spiraal heeft opgeborgen in de rode trommel. Daarna heeft de man de factuur uitgeschreven. Klager zag dat de man de volgende bedragen in rekening bracht: EUR 169,00 voor de rioolreiniging en EUR 35,-- voorrijkosten. Klager heeft vervolgens twee maal zijn handtekening gezet onder de factuur. Klager zag dat de man daarna nog opschreef: spiraalkosten 9 x EUR 64,95, totaal EUR 454,65. De man telde toen alles bij elkaar op, inclusief EUR 138,32 BTW, tot een bedrag van EUR 926,87. Toen klager zei dat hij het nogal kostbaar vond, zei de man dat hij de spiraal moest vervangen. Daarna wijzigde de man het totaalbedrag op de factuur in EUR 796,95. Klager durfde er niets meer van te zeggen omdat hij bang was dat de man boos zou worden en heeft het bedrag via het mobiele pinapparaat dat de man bij zich had betaald.

Later zag klager op zijn bankafschrift dat de omschrijving bij de betaling van EUR 796,95 was: [beklaagde] , zonder vermelding van de tegenrekening.

Uit het onderzoek van de politie is beklaagde in deze zaak als verdachte naar voren gekomen.

Beklaagde heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij handelt onder de naam ‘ [beklaagde] ’. Hij houdt zich onder meer bezig met slotenservice en rioleringsontstoppingen. Volgens beklaagde vult hij nooit bedragen in nadat hij een klant heeft laten tekenen. Het kan wel zijn dat hij iets heeft aangepast vanwege een optelfout. Beklaagde herinnert zich deze casus nog wel: er waren heel erge verstoppingen: 2 wastafels, een douche, een toilet en een bad. Behalve de vaste kosten en de voorrijkosten heeft hij ook spiraalkosten in rekening gebracht. Het materiaal moet terugverdiend worden en een nieuwe spiraal van 20 meter kost ongeveer EUR 800,--. Eens in de 3 of 4 weken moet een nieuwe spiraal worden gekocht. De spiraal was op dat moment niet geknakt maar hij was wel aan vervanging toe. Pas nadat beklaagde (samen met klager) de gewone kosten, de voorrijkosten en de spiraalkosten had opgeteld, heeft klager getekend. Beklaagde weet niet meer precies waarom hij het oorspronkelijk bedrag van EUR 926,87 heeft verlaagd naar EUR 796,95. Beklaagde vermoedt dat hij EUR 60.—korting aan arbeidsloon (1 uur) heeft gegeven.

III Het oordeel van het hof

Om te kunnen komen tot gegrondverklaring van een klacht moet het hof allereerst van oordeel zijn dat er op grond van de voorhanden stukken voldoende bewijs aanwezig is of dat door middel van nader onderzoek voldoende bewijs kan worden vergaard op basis waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat de strafrechter tot een veroordeling van beklaagde zal kunnen komen.

Vervolgens dient de vraag zich aan of vervolging ook opportuun is. Bij de beantwoording van die vraag moeten, behalve de belangen van klager, ook andere belangen, waaronder het algemeen belang en het belang van beklaagde, worden meegewogen. Dat betekent dat niet in alle gevallen waarin voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of mogelijk zou kunnen worden vergaard, besloten wordt om de zaak aan de strafrechter voor te leggen.

Het klaagschrift ziet met name op het strafbare feit van valsheid in geschrift. In de aangifte is daarnaast sprake van fraude c.q. oplichting. Het hof zal hierna ingaan op beide strafbare feiten.

Valsheid in geschrift

Artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) stelt strafbaar het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

In de onderhavige zaak is sprake van een zogenaamde één op één situatie. Klager immers stelt dat beklaagde, nadat klager zijn handtekening op de factuur had geplaatst, nog een aantal posten op de rekening erbij heeft gezet. Beklaagde ontkent zulks ten stelligste. Uit het dossier blijkt niet van enig ander wettig bewijsmiddel dat steun biedt aan de aangifte van klager.

Het hof acht, nu tegenover de aangifte van klager, slechts de ontkennende verklaring van beklaagde staat, en gelet op de overige uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van valsheid in geschrift voorhanden om de vervolging van beklaagde te bevelen.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag in zoverre te worden afgewezen.

Oplichting

Van oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is sprake wanneer iemand, met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen door:

  1. het aannemen van een valse naam of het aannemen van een valse hoedanigheid of

  2. listige kunstgrepen of

  3. een samenweefsel van verdichtsels,

een ander beweegt tot afgifte van enig goed. In juridische zin is derhalve sprake van oplichting, indien iemand door een of meer van de hiervoor genoemde middelen een ander heeft bewogen tot afgifte van het goed. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Opgemerkt wordt dat het bevorderen dan wel het bewust in stand laten van een wilsgebrek bij de wederpartij bij de totstandkoming van een wederkerige overeenkomst niet, althans niet zonder meer een strafbaar feit oplevert.

Gelet op het vorenstaande bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de vervolging van beklaagde ter zake van oplichting te bevelen.

Voorts mag naar het oordeel van het hof niet verwacht worden dat verder onderzoek nader bewijs zal opleveren.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag in zoverre te worden afgewezen.

Overweging ten overvloede

Ten overvloede wijst het hof klager op de – op voorhand niet geheel kansloze - mogelijkheid om in het kader van een civielrechtelijke procedure schadevergoeding van beklaagde te vorderen nu er mogelijk sprake is van een wilsgebrek – te denken valt aan misbruik door beklaagde van omstandigheden - in de totstandkoming van de overeenkomst tussen klager en beklaagde. Voor de hoogbejaarde klager was het onverwijld nodig dat verstoppingen in de afvoer van zijn sanitair werden verholpen. Nadat beklaagde de in opdracht van klager verrichte ontstoppingswerkzaamheden had voltooid, confronteerde hij klager bij de afrekening in diens woning geheel onverwacht met relatief zeer hoge kosten, bestaande uit de totale kosten van vervanging van een stuk gereedschap. Beklaagde moet zich ervan bewust zijn geweest dat hij, zeker in de hiervoor beschreven omstandigheden, niet te goeder trouw jegens klager, die in civielrechtelijke zin als consument moet worden aangemerkt, heeft gehandeld. Het in rekening brengen van de kosten van vervanging van het stuk gereedschap is naar geldende bedrijfseconomische verkeersopvattingen bovendien onjuist, omdat het niet aangaat om die kosten slechts aan één opdracht toe te rekenen, terwijl het gereedschap naar zijn aard bedoeld is om ook voor verscheidene andere ontstoppingsopdrachten te worden aangewend. Ten slotte is het naar bedoelde verkeersopvattingen gebruikelijk om de kosten – waaronder afschrijvingskosten van het gereedschap - van uitvoering van de door een consument gegeven opdracht te verdisconteren in het uurtarief. Wanneer beklaagde afzonderlijke doorberekening van afschrijvingskosten aan klager beoogde, had hij dit vóór aanvang van zijn werkzaamheden bij klager moeten bedingen.

Klager zou eerst een aangetekende brief naar beklaagde moeten sturen waarin hij de overeenkomst van opdracht met beklaagde vernietigt voor zover de opdrachtprijs een bedrag van EUR 246,84 inclusief btw te boven gaat en beklaagde sommeert tot terugbetaling van een bedrag van EUR 550,11 inclusief btw. Wanneer beklaagde binnen een in de sommatiebrief gestelde termijn niet (geheel) aan de sommatie voldoet, kan klager een vordering indienen bij de rechtbank Oost-Brabant, team kanton, zittingsplaats Eindhoven.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door:

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. M.E.F.H. van Erve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

op 3 november 2020.

Mr M.E.F.H. van Erve is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.