Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3402

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
20-003678-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003678-17

Uitspraak : 17 juli 2020

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 10 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-099911-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:

  • -

    gelet op het ruime tijdsverloop in onderhavige strafzaak de aan verdachte opgelegde taakstraf moet worden verminderd;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, alsmede de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] . heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.922,26. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd, in die zin dat op grond van de door de benadeelde partij overgelegde gegevens niet kan worden vastgesteld welke van de opgegeven telefoons daadwerkelijk door verdachte zijn verduisterd. In het bijzonder heeft de verdediging daarbij erop gewezen dat de telefoons zoals vermeld op de van [bedrijf 1] afkomstige lijst met vervreemde telefoons, niet overeenkomt met de inkooplijst betrekking hebbende op de telefoons die verdachte aan [bedrijf 2] heeft verkocht.

Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Op basis van de door [bedrijf 1] opgemaakte lijst van vervreemde telefoons kan niet worden vastgesteld of de hierop vermelde telefoons de door verdachte verduisterde telefoons betreffen.

Op grond van het dossier kan echter wel worden vastgesteld dat verdachte als werknemer van [benadeelde] in ieder geval 21 telefoons heeft verduisterd en deze vervolgens aan [bedrijf 2] heeft verkocht (zie het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 7) en hij hiervoor, gelet op zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, minimaal een bedrag van € 150,= per telefoon heeft ontvangen.

Ervan uitgaande dat [bedrijf 2] niet een hoger bedrag aan verdachte heeft vergoed dan de toenmalige waarde van de telefoons, kan de door de benadeelde partij geleden schade in verband met de onderhavige door verdachte verduisterde telefoons in ieder geval worden begroot op een bedrag van 21 x € 150,= is € 3.150,=.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot in ieder geval € 3.150,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering voor het overige, te weten voor zover deze ziet op de resterende waarde van de verduisterde telefoons, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde onderzoekskosten ten bedrage van € 1.400,= is het hof van oordeel dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De benadeelde partij kan daarom voor dit gedeelte van haar vordering hierin niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 3.150,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet, anders dan bepleit door de verdediging, aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Het hof ziet in verdachtes financiële omstandigheden geen aanleiding om de duur van deze gijzeling te beperken tot slechts 1 dag, zoals bepleit door de verdediging.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte door zijn handelwijze de eigenaren [van benadeelde vermogenschade] heeft toegebracht;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    8 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.

Bij de strafvervolging van verdachte is evenwel de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in ernstige mate is overschreden, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de hiervoor geconstateerde schending van het recht van verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn ziet het hof aanleiding te volstaan met het opleggen van een taakstraf voor de hierna te bepalen duur.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de op te leggen straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.150,00 (drieduizend honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.150,00 (drieduizend honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 oktober 2014.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 17 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.C. van der Schans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.