Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3368

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
20-003879-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003879-18

Uitspraak : 11 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-044327-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

  • -

    primair vrijspraak bepleit;

  • -

    subsidiair zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.

Gelet op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde bewijsverweer alsmede het standpunt ten aanzien van de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf behoeft het vonnis enige aanvulling.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] , zoals gerelateerd in het door hem opgemaakte proces-verbaal bevindingen (dossierpagina 12-13) en het proces-verbaal ‘Herkenning persoon door opsporingsambtenaar’ (dossierpagina 23) niet betrouwbaar is en daarmede geen bewijswaarde heeft, nu – zo begrijpt het hof – deze herkenning blijkens deze processen-verbaal slechts is gebaseerd op algemene niet aan onderhavige verdachte specifiek toe te schrijven kenmerken.

Het hof overweegt dienaangaande dat verbalisant [verbalisant 1] verdachte op de van de diefstal van de ruitenwissers genomen bewegende camerabeelden heeft herkend en daarbij in het proces-verbaal ‘Herkenning persoon door opsporingsambtenaar’ (dossierpagina 23) ook relateert waarop deze herkenning is gebaseerd, te weten de vorm van het hoofd, de haardracht, het postuur en de manier van bewegen. Voorts is verdachte niet alleen door verbalisant [verbalisant 1] op genoemde beelden herkend, maar blijkens het ‘proces-verbaal Herkenning persoon door opsporingsambtenaar’ ook door verbalisant [verbalisant 2] (dossierpagina 20).

Beide verbalisanten relateren in deze processen-verbaal dat zij verdachte reeds ambtshalve kenden omdat zij verdachte eerder hadden aangehouden en zij hem daarvan herkenden. Daarbij geldt in het bijzonder dat verbalisant [verbalisant 2] verdachte recent, te weten op 22 juli 2019, op zijn woonadres samen met zijn vriendin [vriendin verdachte] had aangehouden.

Beide verbalisanten relateren voorts dat aan hen door anderen geen informatie over de identiteit van de dader was verstrekt.

Gelet op het vorenoverwogene, acht het hof de tot bewijs gebezigde herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] betrouwbaar. Het hof verwerpt het verweer.

Straf

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede de bij verdachte aanwezige recidive, kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich mee brengt, zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg.

In het bijzonder overweegt het hof in dit verband voorts dat de omstandigheid dat verdachte thans in het kader van aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden verband houdende met de schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak, voor het eerst in zijn leven wordt behandeld voor zijn alcoholverslaving, geen aanleiding geeft om te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 11 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.J.D.J. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.