Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
200.268.394_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 oktober 2020

Zaaknummer: 200.268.394/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/340597 / FA RK 18-5665

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Poort-van der Meeren,

tegen

[de vader] ,

wonende op een onbekend adres,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

voor wie zich geen advocaat heeft gesteld.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] , Ierland, op [geboortedatum] 2004, en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] , Ierland, op [geboortedatum] 2006.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2020, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de moeder alsnog toe te wijzen, inhoudende dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewijzigd en dat wordt bepaald dat de moeder voortaan het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal dragen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Poort-van der Meeren;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De vader is opgeroepen via de Staatscourant. Hij is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zij zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling tijdens de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 augustus 2019;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 31 augustus 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

3.2.

Bij beschikking van 8 december 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 10 mei 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om het ouderlijk gezag van de ouders te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal uitoefenen, afgewezen.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Enige jaren geleden is de moeder met de kinderen naar Nederland verhuisd en is de vader in Ierland blijven wonen. De moeder oefent het gezag feitelijk alleen uit en de juridische situatie moet hiermee in overeenstemming worden gebracht. De vader geeft geen invulling aan het ouderlijk gezag en het is niet te verwachten dat hier binnen afzienbare termijn verandering in zal komen.

De vader is niet in staat beslissingen te nemen die in het belang van de kinderen zijn. Hij kent [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer en hij heeft geen idee wat er in hun belevingswereld omgaat. Met [minderjarige 1] heeft de vader geen contact meer en met [minderjarige 2] heeft hij slechts oppervlakkig contact via de telefoon. De vader herkent en erkent de kindeigen problematiek van de kinderen niet.

Tussen de ouders vindt geen communicatie plaats. Hierdoor kunnen de ouders beslissingen niet gezamenlijk nemen en bestaat het risico dat de kinderen klem en/of verloren raken tussen de ouders. De moeder heeft niet met de vader kunnen overleggen over de schoolkeuzes voor de kinderen. De test bij het Eindhovens Psychologisch Instituut (EPI) is vertraagd doordat de toestemming van de vader nodig was. Voor een vakantie naar het buitenland of een dag naar België, is de toestemming van de vader nodig. Het gezag van de vader vormt voor de moeder een belemmering. De moeder heeft via [minderjarige 2] gehoord dat de vader verhuisd is. De vader informeert de moeder niet over zijn nieuwe adres, terwijl zij daar wel herhaalde malen om heeft gevraagd.

Bij de moeder bestaat de angst voor internationale kinderontvoering. De vader heeft gedreigd de kinderen in Ierland te houden.

Dat de vader door een gezagswijziging meer op afstand van de kinderen komt te staan, is geen reden om het gezag in stand te laten. Het belang van de kinderen is meer gediend bij eenhoofdig gezag dan met gezamenlijk gezag. Voor het betrokken houden van de vader in het leven van de kinderen is een omgangsregeling bedoeld. Het is duidelijk dat de kinderen de vader meer in hun leven willen en ook de moeder zou willen dat de vader meer betrokken is.

3.7.

De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.

Voor deze jonge kinderen is het ongelukkig geweest dat de ouders zo ver uit elkaar zijn gaan wonen. [minderjarige 1] had een goede band met de vader en naast het autisme speelt er mogelijk wat met haar hechting. Doordat de vader nooit bij een mondelinge behandeling is verschenen, is niet duidelijk wat de vader beweegt. Hij lijkt heel snel op te geven: als [minderjarige 1] zegt dat zij geen contact meer wil dan reageert de vader verder niet meer. [minderjarige 2] heeft nog wel contact met de vader. De moeder had de kinderen wat meer kunnen steunen in het contact met de vader.

Of de band tussen de vader en de kinderen meer zal verwateren indien het gezag van de vader wordt beëindigd is maar de vraag. Het contact dat er is blijft waarschijnlijk gewoon doorgaan. En indien [minderjarige 1] dat wil, weet zij de vader wel te bereiken. De vader onderneemt hierin nu zelf ook niets.

De kinderen zitten niet klem. De moeder heeft zelf altijd alles kunnen regelen. De raad weet niet of het schadelijk voor deze kinderen zal zijn indien de moeder de vrije hand krijgt over de gezagsbeslissingen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht

3.8.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

Gezag

3.8.2.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn blijven uitoefenen.

3.8.3.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.8.4.

Naar het oordeel van het hof is sprake van gewijzigde omstandigheden. De moeder en de kinderen zijn naar Nederland verhuisd en de vader is in Ierland blijven wonen. Tussen de vader en de kinderen vindt al lange tijd enkel telefonisch contact plaats en sinds enige tijd vindt er geen contact meer plaats tussen de vader en [minderjarige 1] .

3.8.5.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de opvoeding en verzorging van de kinderen al enkele jaren volledig voor rekening van de moeder komt. De vader is al geruime tijd niet betrokken bij belangrijke beslissingen aangaande de kinderen, zoals schoolkeuzes en onderzoeken in verband met de problematiek van de kinderen. De vader reageert niet altijd op verzoeken om zijn toestemming te verlenen waardoor het langer duurt voordat zaken geregeld kunnen worden, zoals het uitvoeren van het onderzoek bij het EPI. Op verzoeken om input te leveren, zoals bij het onderzoek bij het EPI, wordt door de vader evenmin gereageerd. De vader onderneemt zelf niets om meer betrokken bij de kinderen te zijn. Tussen de ouders vindt geen communicatie meer plaats. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geeft de vader zijn huidige adres niet aan de moeder. In de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet van de moeder worden verwacht dat zij het gezag gezamenlijk met de vader blijft uitoefenen en dat zij steeds om vervangende toestemming zou moeten verzoeken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de moeder mede om die reden momenteel met de kinderen geen reizen naar het buitenland maakt en zelfs met hen geen korte dagtrip of boodschap net over de grens kan doen. Het hof acht een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk.

3.8.6.

Naar het oordeel van het hof staat het gezag overigens los van het contact tussen de vader en de kinderen. Weliswaar hebben de kinderen aangegeven dat zij graag willen dat hun moeder voortaan alleen de gezagsbeslissingen over hen kan nemen, maar duidelijk is dat zij wel behoefte hebben aan (fysiek) contact met de vader. De moeder onderstreept deze behoefte en zij staat het contact tussen de vader en de kinderen niet in de weg. Het hof verwacht niet dat de beëindiging van het gezag van de vader hierin een verandering zal brengen. Er is van de kant van de moeder en de kinderen geen enkele belemmering voor de vader om méér contact met de kinderen te hebben.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het inleidend verzoek van de moeder alsnog toewijzen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2019;

en opnieuw rechtdoende:

beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en bepaalt dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , Ierland, op [geboortedatum] 2004, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Ierland, op [geboortedatum] 2006, aan de moeder alleen toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.C.E. Ackermans-Wijn en P. Vlaardingerbroek en is op 22 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.