Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3265

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
200.264.343_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging omgang tussen grootmoeder en kleindochter in verband met strijd met zwaarwegende belangen minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2021/5
FJR 2021/43.39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 oktober 2020

Zaaknummer: 200.264.343/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/235275 / FA RK 17-1759

in de zaak in hoger beroep van:

[de grootmoeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat: mr. S.L.B. Koelman-Duijf.

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.E.G.N. Schnabel.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, vestiging [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 12 augustus 2020, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de grootmoeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat er een omgangsregeling bestaat tussen grootmoeder en [minderjarige] :

- éénmaal per maand op zaterdag van 14.30 uur tot 18.30 uur in aanwezigheid van tante [tante] , dan wel een neutrale tussenpersoon op een neutrale locatie (waarbij de locatie en de overdracht wordt bepaald door een neutrale instantie aangewezen door de raad), een en ander conform advies van de raad, althans een zodanige omgangsregeling als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

- op de verjaardag van grootmoeder;

- tijdens het Suikerfeest en het Offerfeest, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift van 19 september 2020, met producties, ingekomen ter griffie op 20 september 2020, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van 21 augustus 2020 van de advocaat van de grootmoeder, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V6-formulier van 31 augustus 2020 van de advocaat van de vader, met productie, ingekomen bij het hof op 1 september 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 september 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat. Voor de grootmoeder is als tolk opgetreden M. Erbek (tolkennummer 98);

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad: vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling tijdens de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de vader en de moeder, [de moeder] , is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2007 (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.2.

[minderjarige] is door de vader erkend.

3.3.

De moeder van [minderjarige] is overleden op [datum] 2015. Zij was belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 13 oktober 2015 de vader belast met het gezag over [minderjarige] .

3.4.

[minderjarige] woont bij de vader.

3.5.

Bij beschikking van 19 december 2016 is door de rechtbank Limburg een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de grootmoeder vastgesteld, waarbij [minderjarige] en de grootmoeder onder begeleiding van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] omgang hebben gedurende één zaterdag per veertien dagen van 14.30 uur tot 18.30 uur, op de verjaardag van grootmoeder, het Suikerfeest en het Offerfeest.

3.6.

Bij de bestreden beschikking van 24 mei 2019 heeft de rechtbank de grootmoeder het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd.

3.7.

De grootmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger

beroep gekomen.

3.7.1.

De grootmoeder voert hiertoe - kort samengevat - het volgende aan. De omgang tussen grootmoeder en [minderjarige] belast [minderjarige] niet, en is niet in strijd met haar zwaarwegende belangen. Hoewel de grootmoeder erkent belastende uitspraken te hebben gedaan in het bijzijn van [minderjarige] , dateren deze uit het verleden. Daarna is er nog 4 jaar omgang geweest via het Axiehuis. [minderjarige] is bang van haar vader en zij heeft een gerepeteerd verhaal bij de rechter gehouden wat past bij ouderverstoting. In dit geval is er sprake van grootmoedervervreemding en tantevervreemding. De impasse tussen de grootmoeder (en de familie van grootmoeder) en de vader dient te worden doorbroken.

3.8.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. Het is in het belang van [minderjarige] dat er rust komt. Hier hoort geen opgelegde omgang bij met de grootmoeder (of de familie van grootmoeder). [minderjarige] is kwetsbaar door het verlies van haar moeder, en de onderhavige procedure is voor haar belastend. [minderjarige] koestert de herinneringen aan haar moeder op haar manier en het hebben van contact met de familie van de moeder staat daar los van. De omgang is eerder voor [minderjarige] onveilig verlopen, doordat grootmoeder de vader probeerde in een kwaad daglicht te stellen. De grootmoeder is bovendien ongeschikt om de omgang uit te voeren. Zij is vaak verward, komt afspraken niet na en spreekt nauwelijks Nederlands. Eerder werd de stress en de druk ten gevolge van de omgang voor [minderjarige] veel te hoog. De omgang die begeleid werd vanuit het Axiehuis verliep regelmatig niet goed, ten gevolge waarvan [minderjarige] huilend thuis kwam. [minderjarige] wil nu geen omgang meer. De houding van [minderjarige] is het gevolg van de negatieve ervaringen met grootmoeder en de familie.

3.9.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om via systeemtherapie de belemmeringen die er spelen tussen de grootmoeder en de vader aan te pakken. Het doel daarvan is niet de omgang te bewerkstelligen, maar om de volwassenenproblematiek aan te pakken. Als de strijd op volwassenniveau beëindigd wordt en er rust komt, kan [minderjarige] mogelijk gebruik maken van die ruimte en haar eigen keuzes maken. Als een omgangsregeling afgedwongen zou worden, wordt daardoor de last bij haar gelegd. Dat is teveel voor [minderjarige] . Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] en het zich kunnen spiegelen aan haar naasten van belang, dat zij, indien zij daar behoefte aan heeft, terecht kan bij de familie van haar moeder.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 en lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang - al dan niet voor bepaalde tijd - indien:

sub a: omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

sub b: degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;

sub c: het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken;

sub d: omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

3.10.2.

Tussen partijen is in geschil of de grootmoeder het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd moet worden, dan wel nader vastgesteld dient te worden conform het verzoek van de grootmoeder in hoger beroep.

3.10.3.

[minderjarige] heeft vanaf haar geboorte bij haar moeder gewoond en had destijds een contactregeling met de vader. Sinds het overlijden van haar moeder op [datum] 2015 woont [minderjarige] bij de vader. Op verzoek van de grootmoeder heeft de rechtbank bij beschikking van 19 december 2016 een omgangsregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] - kort gezegd - omgang heeft met de grootmoeder onder begeleiding van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] gedurende één zaterdagmiddag in de veertien dagen. Er is begeleiding geweest van de omgang vanuit het Axiehuis. Nadat de grootmoeder een verzoek had ingediend om voornoemde regeling te wijzigen, heeft de rechtbank in de bestreden beschikking de grootmoeder het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd. Sindsdien is er geen sprake meer van omgang of contact tussen [minderjarige] en de grootmoeder. Het is voor de identiteitsontwikkeling en het zich kunnen spiegelen aan haar naasten voor [minderjarige] zeer wenselijk dat er een vorm van omgang zou zijn tussen [minderjarige] en de grootmoeder. Er zijn op dit moment echter teveel factoren aanwezig die een onbelaste omgang belemmeren. Zo heeft de grootmoeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven nog altijd zeer belastend te denken over de vader. De vader ziet hierin bij de grootmoeder, en de familie van de grootmoeder, een patroon dat voor hem een belemmering oplevert onbelast uitvoering te kunnen geven aan een omgangsregeling. De raad heeft de vader en de grootmoeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd via systeemtherapie deze problemen op volwassenenniveau aan te pakken. Deze therapie zou niet tot doel hebben het direct herstellen van de omgang, maar veeleer het beëindigen van de strijd tussen de volwassenen. Volgens de raad zou [minderjarige] dan mogelijk op termijn van deze rust en ruimte gebruik kunnen maken en haar eigen keuzes kunnen maken in het al dan niet herstellen van het contact met de grootmoeder en/of de familie van de grootmoeder. De grootmoeder en de vader hebben beiden echter desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven niet bereid te zijn aan deze problematiek te willen werken. Doordat zij duidelijk maken hiermee niet aan de slag te willen gaan, leggen zij een zware last op de schouders van hun (klein)dochter [minderjarige] , die 13 jaar oud is. Dit is volgens het hof een grote belasting voor haar, en het dragen van een omgangsregeling onder deze omstandigheden kan niet van haar gevergd worden.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat [minderjarige] ook zelf uitdrukkelijk bij het hof heeft verteld op dit moment geen omgang te willen. Zij heeft negatieve herinneringen aan eerdere omgangsmomenten met de grootmoeder en de familie. Zij heeft echter ook aangeven dat er mogelijk in de toekomst ruimte zou kunnen zijn voor nader contact. Op dit moment is dat echter niet het geval.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het opleggen van een omgangsregeling, dan wel het anderszins onderhouden van contact tussen de grootmoeder en [minderjarige] op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .

3.11.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt, gelet op de aard van de procedure.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2019;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en H.M.A.W. Erven en is door mr. M.J. van Laarhoven in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.