Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:325

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
19/00186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[Belanghebbende] heeft in zijn aangifte IB/PVV 2015 een bedrag aan negatief loon vermeld en uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft deze posten gecorrigeerd. Voor Hof ’s-Hertogenbosch is in geschil of dit terecht is. Het Hof oordeelt dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het jaar 2015 uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gemaakt. Het beroep van [belanghebbende] op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. De Inspecteur heeft de aangifte terecht gecorrigeerd. Het Hof stelt tenslotte vast dat de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase is overschreden en veroordeelt de Inspecteur daarvoor een vergoeding toe te kennen van € 500.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-03-2020
V-N Vandaag 2020/595
FutD 2020-0861
V-N 2020/24.26.10
NTFR 2020/764
NLF 2020/0678 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/000186

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 februari 2019, nummer BRE 17/7315, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, met aanslagnummer [aanslagnummer] en dagtekening 16 december 2016, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.546 (hierna: de aanslag IB/PVV 2015). Gelijktijdig met de aanslag IB/PVV 2015 is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag aan belastingrente ter hoogte van € 21 in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking 2015).

1.2.

Bij brief met dagtekening 25 januari 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015 en de belastingrentebeschikking 2015. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 5 oktober 2017 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.653. Tevens heeft de Inspecteur de belastingrentebeschikking 2015 verminderd tot € 4.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 30 oktober 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 17 maart 2016 aangifte IB/PVV 2015 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.778. Belanghebbende heeft in de aangifte een bedrag van € 962 als negatief loon vermeld. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 1.806 in mindering gebracht op zijn inkomen als persoonsgebonden aftrek. De door belanghebbende in de aangifte vermelde persoonsgebonden aftrek ziet op specifieke zorgkosten.

2.2.

De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 25 juni 2016 om nadere informatie met betrekking tot de aangifte gevraagd. In de brief verzoekt de Inspecteur belanghebbende om het bijgevoegde ‘Formulier aftrekbare kosten aangifte inkomstenbelasting 2015’ in te vullen en het samen met alle gevraagde bewijsstukken te retourneren. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 1 augustus 2016 een reactie op het verzoek om nadere informatie gestuurd.

2.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 20 oktober 2016 geïnformeerd dat hij voornemens is om van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.806. Belanghebbende heeft niet gereageerd op deze brief.

In de brief van de Inspecteur is - onder meer - het volgende vermeld:

“1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Persoonsgebonden aftrek

Specifieke zorgkosten:

In de aangifte heeft u een bedrag van € 1.806 afgetrokken als specifieke zorgkosten. U heeft niet gereageerd op mijn vragenbrief. Zonder bewijsstukken heeft u de gemaakte kosten niet aannemelijk gemaakt. Het in de aangifte opgenomen bedrag aan zorgkosten is daarom te hoog. Ik ben dan ook van plan om op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.806 (na verrekening van eventuele verhoging en drempel).

2. Berekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte

€ 5.778

Totaalbedrag van de afwijking(en)

€ + 1.806

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 7.584

(...)”

2.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 16 december 2016 de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd en de belastingrentebeschikking 2015 afgegeven. In de aanslag is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 8.546.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 25 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015 en de belastingrentebeschikking 2015.

2.6.

Bij brief met dagtekening 10 april 2017 deelt de Inspecteur aan belanghebbende mede dat hij voornemens is om het bezwaarschrift af te wijzen. In deze brief nodigt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uit om een afspraak te maken voor een hoorzitting.

2.7.

Op 22 juni 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een dieetbevestiging over het jaar 2013 overgelegd aan de Inspecteur.

2.8.

Bij brief met dagtekening 3 juli 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn om tegemoet te komen aan het bezwaarschrift voor wat betreft de dieetkosten van € 850 en om het bezwaarschrift voor het overige af te wijzen. Belanghebbende heeft niet gereageerd op deze brief.

2.9.

In de uitspraken op bezwaar met dagtekening 5 oktober 2017 heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 7.653 en de belastingrentebeschikking verminderd tot € 4. De in aanmerking genomen aftrek specifieke zorgkosten bedraagt € 893 (dieetkosten van € 850 plus verhoging van € 340 minus de drempel van € 297).

2.10.

In de jaren 2011 tot en met 2013 is door de behandelend inspecteur steeds om nadere informatie met betrekking tot de afgetrokken (specifieke) zorgkosten gevraagd.

In desbetreffende jaren 2011 tot en met 2013 zijn de volgende zorgkosten in aftrek toegelaten:

2011

2012

2013

Dieetkosten

€ 950

€ 950

€ 850

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 300

€ 310

€ 310

Genees- en heelkundige hulp

-

€ 25

€ 35

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte

€ 25

-

€ 133

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. of de aanslag IB/PVV 2015 naar een te hoog bedrag is opgelegd; en

  2. of het vertrouwensbeginsel is geschonden; en

  3. of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade; en

  4. of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2015 en de belastingrentebeschikking 2015, tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten van het bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van het negatief inkomen en het vertrouwensbeginsel

4.1.

Ter zitting van het Hof is vast komen te staan dat tussen belanghebbende en de Inspecteur niet meer in geschil is dat het bedrag van € 962 ten onrechte als negatief loon in de aangifte is vermeld en de Inspecteur de aangifte op dit punt terecht heeft gecorrigeerd. Belanghebbende is echter van mening dat op grond van het vertrouwensbeginsel voornoemd bedrag toch aftrekbaar is.

4.2.

Belanghebbende beroept zich daarbij op de omstandigheid dat over de inhoud van de aangifte, evenals in voorgaande jaren, door de Inspecteur vragen zijn gesteld, maar dat door de Inspecteur geen vragen zijn gesteld over het aangegeven negatief loon. Belanghebbende meent dat hij erop mocht vertrouwen dat het negatief loon niet ter discussie stond, mede gezien het feit dat de aangiften IB/PVV in de jaren vóór 2015 steeds op dit punt zijn gevolgd. Belanghebbende acht in dit verband van belang dat de Inspecteur bij brief met dagtekening 20 oktober 2016 aan belanghebbende heeft medegedeeld dat hij voornemens is om op het punt van de aftrek specifieke zorgkosten af te wijken van de aangifte en het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 7.584. Daarbij is – zoals de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft erkend – verzuimd om iets op te nemen over het te corrigeren negatief loon. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2015 het negatief loon echter wel gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 8.546.

4.3.

De Inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende dat hij erop mocht vertrouwen dat het negatief loon niet ter discussie stond. De Inspecteur heeft een brief met dagtekening 29 augustus 2016 in het geding gebracht, waarin hij aan de gemachtigde van belanghebbende mededeelt dat hij voornemens is om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2014 ten aanzien van het in aanmerking genomen negatief loon. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2014 heeft de Inspecteur het negatief loon, dat gelijk is aan het door belanghebbende bedoelde negatief loon in 2015, gecorrigeerd.

4.4.

Het Hof overweegt als volgt. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling.1 Een dergelijk vertrouwen is naar het oordeel van het Hof niet gewekt in een geval zoals het onderhavige waarin de Inspecteur in het kader van de aanslagregeling over 2015 uitsluitend vragen heeft gesteld over de aftrek specifieke zorgkosten en niet over het negatief loon, noch in de omstandigheid dat hij geen voornemen kenbaar heeft gemaakt om op het punt van het negatief loon af te wijken van de aangifte, terwijl hij eerder voor het jaar 2014, getuige de in 4.3 vermelde brief, het aangegeven negatief loon wel heeft gecorrigeerd en in de jaren voorafgaand aan 2014 de aangiften op dit punt louter heeft gevolgd.

4.5.

Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Ten aanzien van de aftrek specifieke zorgkosten

4.6.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), in verbinding met het tweede lid, aanhef en sub d van dat artikel, komen voor aftrek in aanmerking de in 2015 op belanghebbende drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten wegens ziekte of invaliditeit, zoals aangeduid in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling IB 2001).

4.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een extra aftrek in verband met specifieke zorgkosten - naast de door de Inspecteur geaccepteerde aftrek van dieetkosten ter grootte van € 850 - van € 555 (vóór verhoging en drempel). Dit betreft de uitgaven voor extra kleding en beddengoed (€ 310), medicijnkosten (€ 101), de uitgaven voor vervoer van en naar: een fysiotherapeut (€ 42), een orthodontist (€ 42) en een medisch specialist (€ 35) en overige uitgaven voor vervoer wegens ziekte (€ 25). De Inspecteur bestrijdt dit standpunt.

4.8.

Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat hij in het jaar 2015 uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan.

(i) uitgaven voor extra kleding en beddengoed

4.9.

Ingevolge artikel 38, eerst lid, van de Uitvoeringsregeling IB 2001 worden uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven gaan, voor een bedrag van € 775 indien de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de Wet IB 2001 die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

4.10.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat één van zijn kinderen huidproblemen heeft, waardoor sprake is van uitgaven voor extra kleding en beddengoed. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015 sprake is van chronische huidproblemen die hebben geleid tot uitgaven voor extra kleding en beddengoed.

4.11.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het Hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbende geen bewijsstuk(ken) heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij in het onderhavige jaar uitgaven voor extra kleding en beddengoed heeft gemaakt en dat deze uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van zijn kind. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van uitgaven voor extra kleding en beddengoed.

(ii) kosten voor voorgeschreven medicijnen

4.12.

Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die zijn verstrekt op voorschrift van een arts aangemerkt als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit.

4.13.

Belanghebbende claimt € 101 aftrek voor kosten van medicijnen. De Inspecteur heeft de geclaimde kosten niet in aftrek toegelaten, omdat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij kosten voor voorgeschreven medicijnen heeft gemaakt.

4.14.

Het Hof overweegt als volgt. Belanghebbende heeft, hoewel daarom door de Inspecteur in het kader van de aanslagregeling reeds is verzocht, de door hem geclaimde aftrek van (voorgeschreven) medicijnkosten niet met bewijsstukken onderbouwd. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aftrekbare kosten voor medicijnen. De Inspecteur heeft terecht de geclaimde kosten voor medicijnen niet in aftrek toegelaten.

(iii) kosten voor vervoer naar fysiotherapeut, orthodontist, medisch specialist

4.15.

De kosten van het gebruik van een auto voor het ondergaan van een medische behandeling, zoals het bezoek aan een arts, fysiotherapeut of andere medisch specialist, behoren in beginsel tot de uitgaven voor vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.

4.16.

Belanghebbende stelt dat hij kilometerkosten van in totaal € 119 (340 kilometer à € 0,35) heeft gemaakt in verband met vervoer van en naar een fysiotherapeut, een orthodontist en een medisch specialist. Daarnaast heeft belanghebbende € 25 aan ‘diverse reiskosten’ in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft de geclaimde kosten niet in aftrek toegelaten, omdat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij kosten voor vervoer heeft gemaakt.

4.17.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aftrekbare kosten voor vervoer. De Inspecteur heeft belanghebbende reeds in het kader van de aanslagregeling verzocht om bewijsstukken, zoals afsprakenkaarten, te overleggen. Belanghebbende heeft echter geen bewijs aangeleverd waarmee hij de aanwezigheid en de omvang van de door hem gestelde kosten voor vervoer aannemelijk heeft gemaakt. De Inspecteur heeft terecht de geclaimde kosten voor vervoer niet in aftrek toegelaten.

Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel en de specifieke zorgkosten

4.18.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat hij in de jaren 2011, 2012 en 2013 eveneens bevraagd is over de in aftrek gebrachte (specifieke) zorgkosten en de Inspecteur de aftrek in desbetreffende jaren steeds heeft geaccepteerd. Belanghebbende acht tevens van belang dat de aangifte IB/PVV 2014 door de Inspecteur is beoordeeld en deze aangifte, zonder dat bewijsstukken zijn overgelegd voor de in aftrek gebrachte kosten, op het punt van de aftrek van specifieke zorgkosten is gevolgd. Belanghebbende is van mening dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat de aftrek voor specifieke zorgkosten ook voor het jaar 2015 zou worden gehonoreerd.

4.19.

De Inspecteur bestrijdt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel betreffende de in voorgaande jaren verleende aftrek specifieke zorgkosten. De Inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat het verlenen van een aftrekpost in eerdere jaren niet kan leiden tot een gewekt vertrouwen dat de aftrekpost eveneens in het onderhavige jaar zou worden gehonoreerd. Volgens de Inspecteur dient de hoogte en de toepasselijkheid van de aftrek, desgevraagd, per jaar aannemelijk te worden gemaakt door belanghebbende.

4.20.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die de indruk hebben kunnen wekken dat de Inspecteur met het in aftrek toestaan - en met de daarover gevoerde correspondentie - van de voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 geclaimde aftrek voor specifieke zorgkosten het bewuste standpunt innam dat de gevraagde aftrek ook in 2015 zou worden gehonoreerd.2 Evenals de Inspecteur is het Hof van mening dat de hoogte van in het bijzonder de aftrek voor kosten van vervoer en / of de kosten van medicijnen van jaar tot jaar kan verschillen en het aan belanghebbende is om, bijvoorbeeld door het overleggen van bewijsstukken, de aftrekposten in het desbetreffende jaar aannemelijk te maken. Ten aanzien van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur belanghebbende reeds in de aanslagfase, meermaals, heeft verzocht om informatie te verstrekken over de aard van de chronische huidaandoening van het kind van belanghebbende in het betreffende jaar en de daarmee gepaard gaande kosten. De reactie daarop van de gemachtigde van belanghebbende bevat slechts een verwijzing in algemene zin naar de aanslagfase in voorgaande jaren en de over desbetreffende jaren verstrekte informatie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de feitelijke situatie in 2015 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van voorgaande jaren. Ook is niet gebleken dat de Inspecteur in het verleden toezeggingen heeft gedaan of anderszins in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt ten aanzien van belanghebbende op grond waarvan de aftrek voor specifieke zorgkosten in het jaar 2015 zou moeten worden toegestaan.

4.21.

Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.22.

Belanghebbende verzoekt op voet van het bepaalde in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht om een vergoeding van de in verband met deze zaak geleden immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. Ten onrechte is de Rechtbank, aldus belanghebbende, in haar uitspraak niet overgegaan tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade.

4.23.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet.3 In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade die door dat tijdsverloop is ontstaan te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Bij deze toerekening heeft in belastingzaken als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, behoudens bijzondere omstandigheden. Bij overschrijding van de redelijke termijn geldt als uitgangspunt dat een bedrag wordt gehanteerd van € 500 per half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.24.

Het Hof stelt vast dat de totale procedure vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift – 26 januari 2017 – tot het doen van uitspraak door de Rechtbank – 28 februari 2019 – in totaal twee jaar, één maand en twee dagen heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en de beroepsfase tezamen bedraagt derhalve één maand en twee dagen. De bezwaarfase heeft acht maanden in plaats van zes maanden in beslag genomen. Het Hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die in het onderhavige geval een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Het Hof zal de overschrijding toerekenen aan de Inspecteur en daarvoor een vergoeding toekennen van € 500 alsmede de Inspecteur veroordelen tot betaling daarvan.

Slotsom

4.25.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt inzake de vergoeding voor immateriële schade.

Ten aanzien van het griffierecht

4.26.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 respectievelijk € 128 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten in de bezwaarfase

4.27.

De Rechtbank heeft omtrent de kosten van de bezwaarfase het volgende overwogen:

“2.12. Belanghebbende heeft gesteld dat hij recht heeft op een kostenvergoeding in de bezwaarfase. De inspecteur heeft dit betwist.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Er is geen sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, nu belanghebbende reeds voorafgaand aan de aanslagoplegging over de aftrek specifieke zorgkosten is bevraagd, terwijl eerst in bezwaar de dieetverklaring voor het jaar 2015 is overgelegd ter onderbouwing van die aftrekpost en die verklaring de reden was voor gegrondverklaring van het bezwaar.”

4.28.

Het Hof verenigt zich met het door de Rechtbank weergegeven oordeel en de gronden waarop het berust, maakt die tot de zijne en neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een nieuw of ander licht op de zaak kunnen werpen.

Ten aanzien van de proceskosten in de (hoger)beroepsfase

4.29.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.30.

Het Hof hanteert met betrekking tot de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een wegingsfactor van 0,5, omdat het hoger beroep uitsluitend gegrond is wegens een aan belanghebbende toe te kennen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.4

4.31.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 525.

4.32.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 656,25.

4.33.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt inzake de vergoeding voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 174 dat belanghebbende bij de Rechtbank en het Hof heeft betaald;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.181,25.

Aldus gedaan op 30 januari 2020 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.

2 Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.

3 Hoge Raad 19 december 2016, ECLI:NL:HR: 2016:252, BNB 2016/140.

4 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.